Verona. Een vertrek in Julia's huis.
Julia en Lucetta komen op.
JULIA. Geef raad, Lucetta; help mij, beste meid;
En ik bezweer u, bij uw lieve vriendschap,
Zoo waar gij 't zakboek zijt, waar al mijn denken
In opgeteekend en gegriffeld wordt,
Leer gij mij, wijs me een passend middel aan,
Om, zonder dat mijn naam iets lijdt, een reis
Naar mijn geliefden Proteus te ondernemen.
LUCETTA. Ach, zeer vermoeiend is die reis en lang!
JULIA. Een waarlijk vrome pelgrim wordt niet moede,
Met zwakke schreden landen af te meten;
Veel minder zij, wie liefde vleug'len leent,
En die haar vlucht naar een zoo dierb'ren man,
Zoo godd'lijk eenig als mijn Proteus, richt.
LUCETTA. Wacht liever, totdat Proteus wederkeert.
JULIA. O, is zijn blik mijn zielevoedsel niet?
Heb deernis met den honger, die mij kwelt,
Nu ik zoo lang naar voedsel smachten moet.
O, kendet gij der liefde macht in ons,
Eer ondernaamt gij vuur met sneeuw te ontsteken,
Dan liefdevuur met woorden uit te dooven.
LUCETTA. Uw laaien liefdegloed wil ik niet dooven,
Maar slechts van 't vuur de wilde woestheid teuglen,
Aleer 't der rede perken overslaat.
JULIA. Hoe meer gij teug'len wilt, te feller vlamt het.
Gij weet, het beekje glijdt met zacht gemurmel,
En bruist, als 't wordt gestremd, onstuimig op;
Maar als zijn schoone loop niet wordt gestuit,
Dan maakt het zacht muziek met bonte steentjes,
En groet met zoeten kus elk wieg'lend riet,
Waarlangs de verre pelgrimstocht het voert.
Zoo ruischt het voort, in meen'ge bocht zich kronk'lend,
Steeds dart'lend, naar den wilden oceaan;
Dus laat mij gaan en houd mijn loop niet tegen;
'k Zal rustig voortgaan als een kalme stroom,
En ied're moede tred zal mij een lust zijn,
Tot mij de laatste bij mijn liefste brengt;
Daar vind ik rust, zooals, na 's levens stormen,
Een zaal'ge geest die in 't Elysium vindt.