LUCETTA. Nu dan, in welk gewaad wilt gij de reis doen? 39

JULIA. Niet als een meisje, want ik wil voorkomen,

Dat mij oneerb're mannen ruw bejeeg'nen.

Bezorg mij dus, melieve, een net gewaad,

Geheel zooals een edelknaap het draagt.

LUCETTA. Dan, jonkvrouw, moet ge uw haar terdege korten.

JULIA. Neen, kind, dat bind ik op met zijden snoeren,

Met twintig fraai bedachte liefdeknoopen;

Zoo iets bijzonders staat een jonkman wel,

Zelfs aan een rijp'ren dan ik schijnen zal.

LUCETTA. Hoe moet de snit zijn van uw broek, mejonkvrouw?

JULIA. Dat klinkt zoo fraai, als:--"Zeg mij, edel heer,

Hoe wijd wilt gij uw hoepelrok wel dragen?"

Kies gij de snit, die u het best bevalt.

LUCETTA. Dan moet zij wezen, jonkvrouw, met een klep.

JULIA. O foei, Lucetta, dat zal leelijk staan.

LUCETTA. Een pofbroek, jonkvrouw, is geen speld thans waard,

Ontbreekt de klep, om spelden op te steken.

JULIA. Hebt gij mij lief, bezorg mij dan, Lucetta,

Wat gij het meest geschikt en passend acht.

Maar zeg mij, meid, wat zal de wereld zeggen,

Als ik zoo luchtig weg die reis aanvaard?

Ik vrees, het zal mij zeer in opspraak brengen.

LUCETTA. Als gij dit ducht, blijf dan te huis, ga niet.

JULIA. Neen, neen, dat wil ik niet.

LUCETTA. Laat dan de wereld praten en ga heen.

Roemt Proteus uwe reis, wanneer gij komt,

Dan lake u hier wie wil, wanneer gij weg zijt,

Ik vrees slechts, dat gij hem niet welkom zijt.

JULIA. O dit, Lucetta, is mijn minste zorg;

Want duizend eeden en een zee van tranen,

En blijken van oneindig groote liefde

Zijn borgen, dat ik Proteus welkom ben.

LUCETTA. Dat alles staat ten dienste aan valsche mannen.

JULIA. Slechts laagheid maakt een laag gebruik er van!

Maar Proteus' wieg bescheen een ster van trouwe.

Zijn woord is eed, zijn eed orakeltaal,

Zijn liefde waar, zijn denken rein, zijn tranen

Steeds boden van zijn hart, zijn hart zoo ver

Van elk bedrog, als de aarde is van den hemel.

LUCETTA. Zoo blijk' hij, bid ik, als gij tot hem komt.

JULIA. Doe hem, hebt gij mij lief, zulk onrecht niet,

Van aan zijn trouw te twijf'len; wenscht gij, dat

Ik u genegen ben, wees hem genegen;

En ga nu mede, daadlijk, naar mijn kamer,

Om op te teek'nen, wat ik voor mijn reis,

Mijn reize van verlangst, behoeven zal.

'k Vertrouw u in mijn afzijn alles toe,

Mijn huis en goed, mijn land, mijn goeden naam;

Maar vraag in ruil: bespoedig mijn vertrek.

Neen, antwoord niet, terstond aan 't werk getogen!

Mijn eigen dralen wekt mijn ongeduld.

(Beiden af.)

Twee Edellieden van Verona · 第 28 / 77 题