Aldaar. Een kamer in het paleis.
Proteus komt op.
PROTEUS. Verlaat ik mijne Julia, 'k ben meineedig;
Bemin ik schoone Silvia, 'k ben meineedig;
Verraad ik mijnen vriend, 'k ben zwaar meineedig;
Dezelfde macht, die tot den eed mij dreef,
Zet thans mij tot driedubb'len meineed aan.
Min drong mij tot den eed, Min dringt tot meineed.
O, Min, indien gij, zoet verlokkend, zondigt,
Leer mij, verleide, ook, hoe ik dat ontschuldig.
'k Heb eerst een flikk'rend sterretje aangebeden,
Thans kniel ik voor een hemelsch zonnelicht.
Beraad mag onberaden eeden breken;
Hij mist verstand, die moed mist, om 't verstand
Te leeren, kwaad voor 't beet're te verruilen.--
Foei, goddelooze tong! Hààr kwaad te noemen,
Die gij met twintigduizend heiligste eeden
Als 't hoogste goed der aard geprezen hebt!
Liefde op te geven, waag ik niet, en 'k doe het;
Mijn liefde gaat te loor, zoo 'k liefde zoek.
Julia verlies ik; Valentijn verlies ik;
Behoud ik hen, dan ga ik zelf te loor;
Verlies ik hen, dan vind ik, door 't verlies,
Voor Valentijn mijzelf, voor Julia Silvia.
Ik ben mijzelven liever dan een vriend,
Want liefde blijft zichzelve steeds het hoogst.
En Silvia--ja, bij God, die schoon haar schiep,--
Maakt Julia tot moorin nu in mijn oog.
Vergeten wil ik thans, dat Julia leeft,
'k Wil denken, dat mijn liefde voor haar dood is;
En Valentijn wil ik een vijand reek'nen,
Nu ik naar Silvia's zoeter vriendschap smacht.
Mijzelven kan ik nu geen trouwe houden,
Bega ik geen verraad aan Valentijn;--
Met touwen ladder hoopt hij deze nacht
Het venster van de hemelsche in te klimmen;
Hij deelde 't mij, zijn mededinger, mee!
Ik geef terstond haar vader nu bericht,
Hoe zij, vermomd, te zamen willen vluchten;
Die zal, vol woede, Valentijn verbannen,
Want Thurio, wenscht hij, zal zijn dochter huwen.
Is Valentijn van hier, dan zal ik Thurio's
Onnoozel doen door sluwheid wel verijd'len.
O Liefde! hebt gij 't plan mij ingegeven,
Zoo leen me ook vleugels om naar 't doel te streven!
(Proteus af.)