VIJFDE TOONEEL.

Aldaar. Een straat.

Flink en Lans komen op, en ontmoeten elkander.

FLINK. Lans! op mijn eerlijkheid, welkom in Milaan!

LANS. Doe geen valschen eed, beste jongen, want ik ben niet welkom. Ik

reken dit altijd: een mensch is niet eer verloren, dan als hij gehangen

wordt, en ook niet eer ergens welkom, dan als hij een zeker gelag

heeft betaald, en de waardin zegt: "welkom!"

FLINK. Kom dan, gij zotskap, ik wil dadelijk met u naar 't bierhuis,

waar gij voor een gelag van vijf stuivers wel vijf duizend welkoms

zult hebben. Maar, kerel, hoe was het afscheid van uw meester en

jonkvrouw Julia?

LANS. Nu, nadat zij in allen ernst het eens geworden waren, zijn zij

recht teeder in scherts gescheiden.

FLINK. Maar zal zij hem trouwen?

LANS. Neen.

FLINK. Wat dan? zal hij haar trouwen?

LANS. Ook niet.

FLINK. Wat, is het met hen niet in orde?

LANS. Wel zeker, zij zijn alle beiden zoo gezond als een visch.

FLINK. Nu, hoe staat het dan met hen?

LANS. Wel, als het bij hem goed staat, dan staat het goed voor haar.

FLINK. Wat zijt gij toch voor een ezel! Er is bij u nergens achter

te komen.

LANS. Wat zijt gij toch voor een domkop, dat gij dat niet kunt. Mijn

stok kan er wel achter komen.

FLINK. Wat gij zegt!

LANS. Ja, en wat ik doe ook. Zie maar, nu leun ik, en mijn stok is

achter mij.

FLINK. Ja, 't is waar, hij staat achter u.

LANS. Nu er achter komen en er achter zijn is een en hetzelfde.

FLINK. Maar zeg mij nu in allen ernst, komt het tot een huwelijk?

LANS. Vraag het mijn hond: als hij "ja" zegt, dan gebeurt het; als

hij kwispelstaart en niets zegt, dan gebeurt het.

FLINK. Dus het gebeurt op alle manieren.

LANS. Zulk een geheim zult gij nooit uit mij krijgen, dan door een

gelijkenis.

FLINK. Mij goed, als ik het er zoo maar uitkrijg.--Maar, Lans, wat zegt

ge er van, dat mijn meester op een verbazende manier is aangeschoten?

LANS. Ik heb hem nooit anders gekend.

FLINK. Dan hoe?

LANS. Dat hij van hemel noch aarde weet, zooals gij daar zelf zegt.

FLINK. Wel, gij gevloekte ezel, gij vat mij niet.

LANS. Wel, zotskap, ik had u niet te vatten; ik moest uw meester

vatten.

FLINK. Ik zeg u, mijn meester staat van verliefdheid in vuur en vlam.

LANS. Nu, ik zeg u, mijnentwege mag hij in zijn verliefdheid

verbranden. Als gij met mij naar het bierhuis wilt gaan, kom dan;

zoo niet, dan zijt gij een Hebreër, een Jood, en niet waard een

Christenmensch te heeten.

FLINK. Waarom?

LANS. Omdat gij niet zooveel christelijke liefde in u hebt, dat gij

een christenmensch een glas bier gunt. Wilt gij gaan?

FLINK. Tot uw dienst.

(Beiden af.)

Twee Edellieden van Verona · 第 25 / 77 题