PROTEUS. En zij mint u? 178

VALENTIJN. Ja, en wij zijn verloofd; nog meer, het uur

Van 't huw'lijk en het sluwe plan ter vlucht

Bepaald, hoe ik haar venster moet beklimmen,

De touwen ladder klaar, en alle midd'len

Tot mijn geluk ontworpen, afgesproken.

Kom, beste Proteus, met mij op mijn kamer,

Om met uw goeden raad mij bij te staan.

PROTEUS. Ga gij vooruit, ik zal den weg wel vragen;

Ik moet nu naar de reede, om van mijn reisgoed

Nog iets te ontschepen, dat ik noodig heb,

Maar dan ben ik terstond tot uwen dienst.

VALENTIJN. Gij zult u haasten?

PROTEUS. Zeker.

(Valentijn af.)

Gelijk een gloed een and'ren gloed verdringt,

Een spijker met geweld een and'ren uitdrijft,

Zoo is de heug'nis van mijn vroeg're min

Nu door een nieuwen aanblik gansch verdoofd.

Is 't nu mijn oog, de lof van Valentijn,

Haar hooge waarde, of mijne valsche wuftheid,

Die mij, gansch reed'loos, zulke reed'nen ingeeft?

Schoon is zij, schoon ook Julia, die ik min,--

Neen minde, want mijn min is weggesmolten,

En toont, zooals een wassen beeld bij 't vuur,

Geen spoor meer van de vroeg're wezenstrekken.

Mij dunkt, voor Valentijn ook ben ik koud,

En ik bemin hem niet zooals eertijds;

Doch veel, ja al te veel min ik zijn schoone,

Daarom bemin ik hem zoo weinig meer.

Hoe zal ik, meer haar kennend, haar vergoden,

Als ik niet kennend, haar reeds zóó bemin?

Thans zag ik nog alleen haar beelt'nis; die

Heeft reeds mijn licht der rede dof geschenen;

Doch als ik eens haar volle waarde erken,

Dan helpt geen rede meer en ik word blind.

Kan ik mijn dolend minnen teug'len, goed;

Zoo niet, geen rust, eer zij me als gade groet.

(Proteus af.)

Twee Edellieden van Verona · 第 24 / 77 题