VALENTIJN. Ja, zij; en is zij niet een hemelsche engel? 145

PROTEUS. Neen, maar zij is een stoff'lijk evenbeeld.

VALENTIJN. O, noem haar godd'lijk.

PROTEUS. Vleien wil 'k haar niet.

VALENTIJN. O, vlei dan mij, want lof verrukt de liefde.

PROTEUS. Mij gaaft gij, toen ik krank was, bitt're pillen,

En ik verorden u dezelfde kuur.

VALENTIJN. Spreek dan toch waarheid; noem haar, zoo niet godd'lijk,

Een macht, een overheid uit de eng'lenschaar,

Het hoogste wezen, dat op aarde leeft.

PROTEUS. Op Julia na.

VALENTIJN. Mijn waarde, op niemand na,

Tenzij gij mijne keus te na wilt komen.

PROTEUS. Moet ik niet eer mijn liefste hooger stellen?

VALENTIJN. Ik help u om haar hooger te doen stijgen;

Eén voorrecht boven allen zij haar deel:

Mijn liefste's sleep te dragen, opdat de aarde,

Laag stof, aan haar gewaad geen kus ontsteel',

En, door zoo groote gunst van trots vervuld,

Geen zomerknop meer voede en zwellen doe,

En ruwen winter eeuwig duren laat.

PROTEUS. O, welk een grootspraak is dit, Valentijn!

VALENTIJN. Vergeef mij, Proteus; wat ik zeg, is niets

Bij haar; wat waarde heeft, wordt niets bij haar;

Ze is eenig.

PROTEUS. Nu, zoo laat haar eenig blijven.

VALENTIJN. Om heel de wereld niet. Vriend, ze is de mijne,

En ik, nu 'k dit juweel bezit, zoo rijk

Als twintig zeeën, ware 't zand ook paarlen,

Het water nectar, louter goud de rotsen.

Vergeef mij, dat ik thans aan u niet denk;

Gij ziet, hoe mij mijn liefde gansch vervult.

Die dwaas, mijn mededinger, dien haar vader,

Alleen omdat hij rijk is, voor haar wenscht,

Is met haar meegegaan; ik moet hen volgen,

Want liefde is vol, niet waar? van ijverzucht.

Twee Edellieden van Verona · 第 23 / 77 题