(Dienaar af.)
Kom, Signore Thurio,
Verzel mij.--Nogmaals welkom, nieuwe dienaar;
'k Verlaat u, dat gij 't nieuws van huis bespreekt,
En hoop u, is dit afgedaan, te zien.
PROTEUS. Wij wachten samen op uw edelheid.
(Silvia en Thurio af.)
VALENTIJN. Nu, spreek, hoe gaat het allen ginds te huis?
PROTEUS. Al de uwen goed; zij laten zeer u groeten.
VALENTIJN. En ook bij u is 't wel?
PROTEUS. Gezond en wel.
VALENTIJN. Hoe gaat het uw gebiedster, en uw liefde?
PROTEUS. Als ik van liefde sprak, gingt gij aan 't geeuwen;
Ik weet, van liefdepraatjes houdt gij niet.
VALENTIJN. Dat was zoo, Proteus, anders is het nu.
Zwaar moest ik boeten, dat ik Amor smaadde;
Zijn hooge vorstenwil heeft mij gestraft,
Met bitter vasten, met berouwvol stenen,
Met tranen 's nachts, met hartezuchten daags;
Als straffe voor mijn smaad heeft Amor mij
Den slaap verjaagd van de onderworpen oogen,
Hen wakers bij mijn harteleed gemaakt.
Mijn Proteus! Amor is een machtig heerscher;
Zoo ben ik thans zijn slaaf, dat ik belijd:
Geen leed komt zijne tuchtiging nabij,
Maar ook, geen and're vreugd op aard zijn dienst!
Thans, geen gesprek meer, dan van liefde alleen;
Mijn ochtend-, middag-, avondmaal, mijn slaap,
Ja, alles is mij 't enkel woordje "Liefde".
PROTEUS. Genoeg; ik lees uw noodlot in uw oog.
En zij was de afgod, die ge aldus vereert?