Aldaar. Een straat.
Lans komt op met een hond aan een touw.
LANS. Neen, ik heb zeker in een uur niet gedaan met schreien; al de
Lansen hebben dit zelfde gebrek. Ik heb mijn proportie ontvangen als
de verloopen zoon, en ga met signore Proteus naar het keizershof. Ik
geloof, dat Krab, mijn hond, wel de hardvochtigste hond is van alle
honden op Gods aardbodem: mijn moeder aan het schreien, mijn vader aan
het jammeren, mijn zuster aan het grienen, onze meid aan 't janken,
onze kat aan 't handenwringen, en heel ons huis in de grootste
ontsteltenis,--maar dat wreedaardige beest,--het vergoot zelfs geen
enkelen traan! Hij is een steen, een echte keisteen, en er zit in hem
niet meer medelijden dan in een hond; een jood zou geweend hebben, als
hij ons afscheid gezien had; ja, mijn grootje, die geen oogen heeft,
ziet ge, schreide haar oogen blind bij mijn vertrek. Wacht, ik zal
u eens vertoonen hoe het toeging. Deze schoen is mijn vader;--neen,
neen, die linkerschoen is mijn moeder;--neen, dat gaat toch ook niet,
evenmin;--ja toch, zoo is het, die is het meest versleten. Die schoen,
met dat gaatje, is mijn moeder, en deze hier is mijn vader. Voor den
duivel, ja, zoo is het. Nu, vriend, die stok is mijn zuster, want,
ziet ge, ze is zoo wit als een lelie en zoo dun als een wilgerijs; die
hoed is Naan, onze meid; ik ben de hond;--neen, de hond is zichzelf
en ik ben de hond;--och, de hond, dat ben ik, en ik ben mijzelf: ja,
ja, zoo is 't. Nu ga ik naar mijn vader; "Vader, uw zegen"; nu kan die
schoen geen woord spreken van wege het schreien; nu ga ik mijn vader
kussen; goed, hij schreit al door. Nu ga ik naar mijn moeder;--o, kon
zij nu maar spreken als een radelooze vrouw!--goed, ik kus haar; ha,
daar is het, mijn moeders adem op en top! Nu ga ik naar mijn zuster;
let eens op, hoe zij bulkt! Nu, de hond vergiet al dien tijd door
geen enkelen traan, en spreekt geen woord; maar ziet eens, hoe ik
het stof vastleg met mijn tranen.
(Panthino komt op.)
PANTHINO. Lans, vlug, vlug, scheep! uw meester is lang aan boord,
en gij zult hem moeten naroeien. Wat is er? waarom schreit gij,
man? Vooruit, gij ezel; de vloed ontgaat u, als gij sammelt; het
tij verloopt.
LANS. Mijnentwege mag het mij ontloopen, ik laat het betijen, want
hardvochtiger is er niet; de vloed komt nooit!
PANTHINO. De vloed komt nooit?
LANS. Neen, geen tranenvloed bij het tuig aan dit touw, bij Krab
mijn hond.
PANTHINO. Zwijg, kerel, ik zeg, dat de vloed u ontgaat; en als de
vloed u ontgaat, dan ontgaat u de reis; en als de reis u ontgaat,
dan verliest gij uw meester; en als gij uw meester verliest, dan
verliest gij uw dienst; en als gij uw dienst verliest,--Waarom houdt
gij mijn mond dicht?
LANS. Ik ben bang, dat gij uw tong nog verliest.
PANTHINO. Hoe zou ik mijn tong verliezen?
LANS. Door dat gesnap.
PANTHINO. Dan is 't door dien Krab.
LANS. Het tij verliezen, en de reis, en mijn meester en mijn
dienst,--en dit tuig behouden! Wel, man, geloof mij, als de stroom
droog was, zou ik in staat zijn hem met mijn tranen weer te vullen;
en als de wind was gaan liggen, zou ik de boot met mijn zuchten
kunnen voortblazen.
PANTHINO. Kom mee, kerel, kom nu; ik ben uitgestuurd, omdat gij niet
kwaamt opdagen.
LANS. Wel, man, daag mij dan uit, als gij durft.
PANTHINO. Wilt gij komen of niet?
LANS. Ja, ik kom.
(Beiden af.)