DERDE TOONEEL.

Aldaar. Een straat.

Lans komt op met een hond aan een touw.

LANS. Neen, ik heb zeker in een uur niet gedaan met schreien; al de

Lansen hebben dit zelfde gebrek. Ik heb mijn proportie ontvangen als

de verloopen zoon, en ga met signore Proteus naar het keizershof. Ik

geloof, dat Krab, mijn hond, wel de hardvochtigste hond is van alle

honden op Gods aardbodem: mijn moeder aan het schreien, mijn vader aan

het jammeren, mijn zuster aan het grienen, onze meid aan 't janken,

onze kat aan 't handenwringen, en heel ons huis in de grootste

ontsteltenis,--maar dat wreedaardige beest,--het vergoot zelfs geen

enkelen traan! Hij is een steen, een echte keisteen, en er zit in hem

niet meer medelijden dan in een hond; een jood zou geweend hebben, als

hij ons afscheid gezien had; ja, mijn grootje, die geen oogen heeft,

ziet ge, schreide haar oogen blind bij mijn vertrek. Wacht, ik zal

u eens vertoonen hoe het toeging. Deze schoen is mijn vader;--neen,

neen, die linkerschoen is mijn moeder;--neen, dat gaat toch ook niet,

evenmin;--ja toch, zoo is het, die is het meest versleten. Die schoen,

met dat gaatje, is mijn moeder, en deze hier is mijn vader. Voor den

duivel, ja, zoo is het. Nu, vriend, die stok is mijn zuster, want,

ziet ge, ze is zoo wit als een lelie en zoo dun als een wilgerijs; die

hoed is Naan, onze meid; ik ben de hond;--neen, de hond is zichzelf

en ik ben de hond;--och, de hond, dat ben ik, en ik ben mijzelf: ja,

ja, zoo is 't. Nu ga ik naar mijn vader; "Vader, uw zegen"; nu kan die

schoen geen woord spreken van wege het schreien; nu ga ik mijn vader

kussen; goed, hij schreit al door. Nu ga ik naar mijn moeder;--o, kon

zij nu maar spreken als een radelooze vrouw!--goed, ik kus haar; ha,

daar is het, mijn moeders adem op en top! Nu ga ik naar mijn zuster;

let eens op, hoe zij bulkt! Nu, de hond vergiet al dien tijd door

geen enkelen traan, en spreekt geen woord; maar ziet eens, hoe ik

het stof vastleg met mijn tranen.

(Panthino komt op.)

PANTHINO. Lans, vlug, vlug, scheep! uw meester is lang aan boord,

en gij zult hem moeten naroeien. Wat is er? waarom schreit gij,

man? Vooruit, gij ezel; de vloed ontgaat u, als gij sammelt; het

tij verloopt.

LANS. Mijnentwege mag het mij ontloopen, ik laat het betijen, want

hardvochtiger is er niet; de vloed komt nooit!

PANTHINO. De vloed komt nooit?

LANS. Neen, geen tranenvloed bij het tuig aan dit touw, bij Krab

mijn hond.

PANTHINO. Zwijg, kerel, ik zeg, dat de vloed u ontgaat; en als de

vloed u ontgaat, dan ontgaat u de reis; en als de reis u ontgaat,

dan verliest gij uw meester; en als gij uw meester verliest, dan

verliest gij uw dienst; en als gij uw dienst verliest,--Waarom houdt

gij mijn mond dicht?

LANS. Ik ben bang, dat gij uw tong nog verliest.

PANTHINO. Hoe zou ik mijn tong verliezen?

LANS. Door dat gesnap.

PANTHINO. Dan is 't door dien Krab.

LANS. Het tij verliezen, en de reis, en mijn meester en mijn

dienst,--en dit tuig behouden! Wel, man, geloof mij, als de stroom

droog was, zou ik in staat zijn hem met mijn tranen weer te vullen;

en als de wind was gaan liggen, zou ik de boot met mijn zuchten

kunnen voortblazen.

PANTHINO. Kom mee, kerel, kom nu; ik ben uitgestuurd, omdat gij niet

kwaamt opdagen.

LANS. Wel, man, daag mij dan uit, als gij durft.

PANTHINO. Wilt gij komen of niet?

LANS. Ja, ik kom.

(Beiden af.)

Twee Edellieden van Verona · 第 19 / 77 题