Milaan. Een zaal in het paleis van den Hertog.
Valentijn, Silvia, Thurio en Flink komen op.
SILVIA. Dienaar!
VALENTIJN. Gebiedster!
FLINK. Meester, Signore Thurio kijkt u donker aan.
VALENTIJN. Ja, knaap, uit liefde.
FLINK. Maar niet tot u.
VALENTIJN. Tot mijn gebiedster dan.
FLINK. Gij moest hem eens op 't jak komen.
(Flink af.)
SILVIA (tot Valentijn). Dienaar, gij zijt ontstemd.
VALENTIJN. In waarheid, jonkvrouw, ik heb er den schijn van.
THURIO. Gij schijnt dus, wat gij niet zijt?
VALENTIJN. Misschien wel.
THURIO. Dat doen namaaksels.
VALENTIJN. Dat doet gij.
THURIO. Wat schijn ik dan, dat ik niet ben?
VALENTIJN. Wijs.
THURIO. Welk bewijs hebt gij voor het tegendeel?
VALENTIJN. Uw dwaasheid.
THURIO. En waarin ziet gij mijn dwaasheid?
VALENTIJN. In uw baaitje.
THURIO. Mijn baaitje! een dubbel gevoerd wambuis!
VALENTIJN. Goed, dan moogt gij een verdubbelde dwaas zijn.
THURIO. Wat!
SILVIA. Wat, Signore Thurio, toornig? gij verandert van kleur?
VALENTIJN. Laat hem maar, jonkvrouw; hij is een soort van kameleon.
THURIO. Die meer lust heeft, zich aan uw bloed te goed te doen,
dan in uw lucht te leven.
VALENTIJN. Gij hebt gesproken, heer.
THURIO. En gedaan ook, heer, voor ditmaal.
VALENTIJN. Ik ken dat, heer; gij hebt altijd gedaan, eer gij begonnen
zijt. 32
SILVIA. Een fraai geweervuur van woorden, edele heeren; en wakker
losgebrand!
VALENTIJN. Dat is zoo, jonkvrouw, dank aan wie het gaf.
SILVIA. Wie is dat, dienaar?
VALENTIJN. Gijzelf, lieve jonkvrouw, gij toch gaaft het vuur. Signore
Thurio borgt zijn geest van uwer edelheid blikken, en verspilt,
wat hij borgt, recht minzaam in uw tegenwoordigheid.
THURIO. Als gij, heer, u aan een woordenwisseling met mij waagt,
zal ik al uw geest bankroet maken.
VALENTIJN. Ik weet wel, heer, gij hebt een schatkist vol woorden,
en, naar ik geloof, geen andere munt om uw dienaars te betalen,
want men mag uit hun kale livereien vermoeden, dat zij van uw kale
woorden moeten leven.
SILVIA. Genoeg, edele heeren, niet meer! Daar komt mijn vader.
(De Hertog komt op.)
HERTOG. Zoo, dochter Silvia, wel wordt gij bestormd!
Heer Valentijn, uw vader is gezond;
Wat zoudt gij zeggen van een brief van huis,
Vol goede tijding?
VALENTIJN. Recht dankbaar, vorst, zal ik
Voor ieder blij bericht van ginds mij toonen.
HERTOG. Nu, kent gij Don Antonio, uwen landsman?
VALENTIJN. Ja, beste vorst, ik ken dien edelman,
Als hoog in waarde en aanzien, en die tevens
Niet onverdiend zijn schoonen naam bezit.
HERTOG. En heeft hij niet een zoon?
VALENTIJN. Ja, beste vorst, een zoon, die wel verdient,
Dat elk hem, als zijn' vader, acht en eert.
HERTOG. Gij kent hem goed?
VALENTIJN. Ik ken hem als mijzelven, want wij gingen
Van kindsbeen af te zamen op en neer;
Ikzelf was traag, een doeniet, die de gunst
Des eed'len tijds verzuimde, om mijnen leeftijd
In der volmaaktheid eng'lenkleed te hullen,
Terwijl Signore Proteus,--want zoo heet hij,--
Zich altijd ieder uur ten nutte maakte;
In jaren jong, doch in ervaring oud, 69
Met overjeugdig brein, doch rijp in oordeel,
Is hij, kortom,--want hoe ik hem ook prijze,
Mijn lof schiet bij zijn waarde ver te kort--
Volkomen, zoo van lichaam als van geest,
Door alles, wat een edelman kan aad'len.
HERTOG. Voorwaar, hij is, rechtvaardigt hij uw lof,
De liefde waardig van een keizerin,
En in eens keizers raadzaal op zijn plaats.
Welnu, die edelman kwam juist tot mij,
Door mannen van gezag mij aanbevolen,
Om een'gen tijd te toeven aan mijn hof.
Ik denk, dat u die tijding welkom is.
VALENTIJN. Als iets mij hier te wenschen bleef, hij was 't.
HERTOG. Zoo heet hem naar zijn waarde welkom hier.
'k Zeg, Silvia, dit tot u, en u, heer Thurio;--
Want Valentijn heb ik niet aan te manen.
Ik zend hem oogenblikk'lijk naar u toe.
(De Hertog af.)
VALENTIJN (tot Silvia). 't Is, jonkvrouw, de edelman, die, naar
ik zeide,
Met mij gegaan waar', had niet zijn gebiedster
Hem de oogen in kristallen blik geboeid.
SILVIA. Dan liet zij zeker nu zijn oogen vrij,
En eischte een ander pand van trouw er voor.
VALENTIJN. Neen, zeker, 'k gis, zij hield ze nog in boei.
SILVIA. Dan waar' hij immers blind; en is hij blind,
Hoe vond hij dan zijn weg naar hier tot u?
VALENTIJN. O, Liefde heeft wel twintig oogenparen.
THURIO. Toch zegt men: Liefde heeft geen enkel oog.
VALENTIJN. Voor zulke minnaars, ja, als gij zijt, Thurio;
Voor wat haar niet behaagt, sluit ze allen toe.
(Proteus komt op.)
SILVIA. Genoeg! genoeg!--Hier komt uw edelman.
VALENTIJN. Welkom, mijn Proteus!--Geef, mejonkvrouw, 'k bid u,
Dit welkom kracht door uw bijzond're gunst.
SILVIA. Zijn waarde waarborgt hem zijn welkom hier.
Als hij 't is, waar gij vaak bericht van wenschtet.
VALENTIJN. Hij is 't, gebiedster. Kies hem, eed'le jonkvrouw,
Om met mij aan uw dienst zich toe te wijden.