FLINK. Tot uzelf. Overdrachtelijk maakt zij u het hof.
VALENTIJN. Overdrachtelijk?
FLINK. Of letterlijk, moest ik zeggen, door een brief.
VALENTIJN. Wel, heeft zij dan aan mij geschreven?
FLINK. Waarom zou zij dat, als zij u aan uzelf heeft doen
schrijven? Wat! merkt gij de grap nog niet?
VALENTIJN. Geloof mij, neen.
FLINK. 't Is van u niet te gelooven, heer; maar hebt gij dan haar
ernst niet opgemerkt?
VALENTIJN. Neen, niets van ernst, dan juist een toornig woord.
FLINK. Wel, zij heeft u een brief gegeven.
VALENTIJN. Den brief, door mij geschreven aan haar vriend.
FLINK. En dien brief heeft zij besteld en daarmee uit.
VALENTIJN. O ware 't inderdaad niets ergers!
FLINK. Ik sta u borg, zoo is het, en niet anders;
Gij schreeft wel vaak aan haar een brief, maar zij, uit zedigheid,
Of moog'lijk wel uit tijdsgebrek, gaf zelf u geen bescheid;
Of, bang, dat, zoo ze een bode nam, er niets geheim zou blijven,
Heeft zij recht slim haar lief geleerd, haar liefste een brief te
schrijven.
Ik praat daar als een boek, want ik heb dit uit een boek.--Wat staat
gij te mijmeren, heer? 't is etenstijd.
VALENTIJN. Ik heb gegeten.
FLINK. Ja, maar hoor toch, heer; al kan de kameleon Liefde van de
lucht leven, ik ben iemand, die mijn spijs en drank moet hebben,
en verlang naar een maal. O wees niet als uw gebiedster! laat u
bewegen! laat u bewegen!
(Beiden af.)