VALENTIJN. Wat meent gij, jonkvrouw? vindt gij dit niet goed?
SILVIA. O ja, 't zijn regels, keurig in hun soort,
Maar toch, ongaarne deedt gij 't, neem ze weer;
Neem, neem het.
VALENTIJN. Jonkvrouw, 't is voor u geschreven.
SILVIA. Ja, ja, gij schreeft dit, heer, op mijn verzoek;
Maar ik begeer het niet; het is voor u;
Ik had nog meer gevoel er in gewenscht.
VALENTIJN. Beveel slechts, en ik schrijf een and'ren brief.
SILVIA. Zoo lees ook, is hij af, hem voor mij over;
Bevalt hij u, nu goed; zoo niet, ook goed.
VALENTIJN. En als hij, jonkvrouw, mij bevalt, wat dan?
SILVIA. Bevalt hij u, wel, houd hem voor uw moeite.
En nu, mijn dienaar, goeden morgen!
(Silvia af.)
FLINK. O diepverholen scherts, onzichtbaar, nooit in 't licht
Gelijk op een toren het haantje, de neus op iemands gezicht!
Mijn heer maakt haar het hof, zij neemt hem in de leer;
Zijn les is, hoe de leerling haar meester wordt en heer.
O allerliefste nieuwe vond, haar zelve tot nut en gerief,
Dat mijn meester, haar tot schrijver, zichzelven moet schrijven
een brief!
VALENTIJN. Hoe is het, man, wat praat gij met uzelf?
FLINK. Ik maakte een rijmpje, heer; het praten is aan u.
VALENTIJN. Het praten?
FLINK. Ja, om de woordvoerder te zijn voor jonkvrouw Silvia.