VALENTIJN. Wat zou ik dan zien? 80

FLINK. Uw eigen tegenwoordige dwaasheid en haar verbazende leelijkheid;

want toen hij verliefd was, kon hij zijn hoosbanden niet zien vast

te strikken, en gij kunt, sinds gij verliefd zijt, uwe hozen niet

zien aan te trekken.

VALENTIJN. Dan zijt gij, knaap, naar het schijnt, ook verliefd,

want gisteren morgen kondt gij mijn schoenen niet zien te poetsen.

FLINK. Dat is ook zoo, heer; ik was verliefd op mijn bed. Ik ben u

dankbaar, dat gij mij de ooren gewasschen hebt om mijn verliefdheid,

want dit geeft mij te meer hart om u door te halen voor de uwe.

VALENTIJN. Kort en goed, ik ga geheel in liefde voor haar op.

FLINK. Dan wenschte ik wel, dat gij ondergingt, want dan was het met

uw verliefdheid uit.

VALENTIJN. Gisteren avond droeg zij mij op, eenige regels te schrijven

aan iemand, dien zij bemint.

FLINK. En hebt gij het gedaan?

VALENTIJN. Ja zeker.

FLINK. En hebt gij ze niet kreupel geschreven?

VALENTIJN. Neen, knaap, zoo goed als ik maar kan.--Stil! daar komt

zij aan.

FLINK (ter zijde). O prachtig marionettenspel! o uitnemende

draadpop! Zoo dadelijk gaat hij haar eigen rol voor haar opzeggen.

(Silvia komt op.)

VALENTIJN. Mejonkvrouw en gebiedster, duizend goede morgens!

FLINK (ter zijde). O, ik wensch u goede nacht; een millioen

plichtplegingen volgt.

SILVIA. Heer Valentijn, mijn dienaar, u twee duizend.

Flink (ter zijde). Hij moest haar intrest geven en zij is 't,

die het hèm doet.

VALENTIJN. 'k Volbracht uw last en heb uw brief geschreven

Aan uw geheimen, nameloozen vriend;

Ik deed het recht ongaarne, doch ik deed het,

Alleen uit plichtsgevoel voor u, gebiedster.

(Hij stelt haar een brief ter hand.)

SILVIA. Dank, eed'le dienaar!--'t Is een schrijversproefstuk.

VALENTIJN. Geloof mij, jonkvrouw, 't ging mij moeilijk af;

Want onbewust, aan wien het was gericht,

Schreef ik als in den blinde, zeer onzeker.

SILVIA. Dus, zoo veel moeite denkt gij al teveel?

VALENTIJN. Neen, jonkvrouw, is 't u dienstig, ik zal schrijven,

Zoo gij 't gebiedt, wel duizendmaal zoo veel;

En toch,--121

SILVIA. 't Is fraai gezegd. Ik gis nu wel, wat volgt;

En toch, ik zeg het niet;--en toch, 't behoeft niet;--

En toch, neem dit terug;--en toch, ik dank u

En roep voortaan uw diensten niet meer in.

Twee Edellieden van Verona · 第 15 / 77 题