VALENTIJN. Genoeg; gij zijt toch altijd te voorbarig.
FLINK. En laatst werd ik bekeven, omdat ik altijd te langzaam was.
VALENTIJN. Loop heen, gij! Zeg mij, kent gij jonkvrouw Silvia?
FLINK. Waar uw edelheid op verliefd is?
VALENTIJN. En, hoe weet gij, dat ik verliefd ben?
FLINK. Hoe? wel, aan deze bijzondere kenteekenen. Vooreerst hebt gij
geleerd, evenals uw vriend Proteus uw armen over elkaâr te slaan
als een onvergenoegde; u aan een liefdeliedje te goed te doen als
een roodborstje; in uw eentje rond te wandelen als iemand, die de
pest heeft gehad; te zuchten als een schooljongen, die zijn A-B-boek
verloren heeft; te weenen als een jonge meid, die haar grootmoeder
begraven heeft; te vasten als iemand, die de hongerkuur moet doorstaan;
te waken als iemand, die voor diefstal beducht is; met een grienstem
te spreken als een bedelaar op Allerheiligen. Vroeger waart ge gewoon,
bij het lachen als een haan te kraaien; bij uw wandelen als een leeuw
te stappen; niet te vasten, dan dadelijk na den maaltijd; en niet
treurig te kijken, dan als gij geldgebrek hadt; maar nu heeft een
liefje u zoo veranderd, dat, als ik u aanzie, ik u nauwelijks voor
mijn meester kan houden.
VALENTIJN. En is dat alles in mij op te merken?
FLINK. Iedereen merkt het op buiten u.
VALENTIJN. Buiten mij? onmoog'lijk.
FLINK. Buiten u? Niets is zekerder, want buiten u is en zal niemand
zoo argeloos zijn; maar gij zijt zoo buiten uzelf van die dwaasheden,
dat die dwaasheden in u zijn en door u heenschijnen als het water in
een urinaal, zoodat geen oog u kan aanzien, of het wordt een dokter,
die uw kwaal herkent. 43
VALENTIJN. Maar zeg mij, kent gij mijn jonkvrouw Silvia?
FLINK. Die, waar gij zoo op staart, als zij aan tafel zit?
VALENTIJN. Hebt gij dat opgemerkt? die meen ik, ja.
FLINK. Neen, heer, ik ken haar niet.
VALENTIJN. Wat? kent gij haar door mijn aanstaren en toch kent gij
haar niet?
FLINK. Is zij niet verbazend leelijk, heer?
VALENTIJN. Neen, knaap, zij is schoon, maar met meer dan met schoonheid
begunstigd.
FLINK. Nu, heer, dit weet ik zeer goed.
VALENTIJN. Wat weet gij?
FLINK. Dat zij niet zoozeer schoon is, als wel, door u, begunstigd.
VALENTIJN. Ik acht haar schoonheid uitgelezen, maar haar andere
gaven onvolprezen.
FLINK. Ja, omdat de eerste geschilderd is en het andere buiten
schatting blijft.
VALENTIJN. Wat geschilderd, en waarom buiten schatting?
FLINK. Wel, heer, zij schildert zich zoo om mooi te zijn, dat niemand
haar schoonheid kan schatten.
VALENTIJN. Waar houdt gij mij dan voor? ik schat haar schoonheid
zeer hoog.
FLINK. Gij hebt haar nooit gezien, sinds zij zoo misvormd is geworden.
VALENTIJN. Sinds wanneer is zij misvormd geworden?
FLINK. Van 't oogenblik af, dat gij verliefd op haar werdt.
VALENTIJN. Ik werd op haar verliefd van 't oogenblik af, dat ik haar
zag, en ik zie haar nog steeds even schoon.
FLINK. Als gij op haar verliefd zijt, kunt gij haar niet zien.
VALENTIJN. Waarom niet?
FLINK. Omdat de liefde blind is. O, hadt gij mijn oogen, of hadden
uw oogen nog de scherpte van vroeger, toen gij uw vriend Proteus den
mantel placht uit te vegen, omdat hij zijn hoosbanden vergat vast
te maken!