JULIA. Zoo wichtig? daarbij hoort een zware stem.
LUCETTA. Toch niet; het klonk wel goed, als gij het zongt.
JULIA. En waarom gij niet?
LUCETTA. 't Is voor mij te hoog.
JULIA. Laat zien uw vers.
(Zij neemt Lucetta den brief af.)
O, gij ondeugend nest!
(Zij maakt een toornig gebaar.)
LUCETTA. Vat goed den toon, als gij het uit wilt zingen;
Maar toch, die toon is lang niet naar mijn zin.
JULIA. Niet naar uw zin?
LUCETTA. Neen, jonkvrouw, veel te schril.
JULIA. Vrijpostig nest!
LUCETTA. O, nu zijt gij te laag;
Gij dempt de hooge stem door dof gebrom;
En bij uw zang ontbreekt nog de tenoor.
JULIA. Die gaat door uw gebas geheel verloren.
LUCETTA. Ja, 'k zong voor Proteus de partij wat laag.
JULIA (leest den brief). Neen, 'k laat door al die praatjes mij
niet kwellen.--
O foei, een stapel liefdes-eeden!--Daar!--
(Zij verscheurt den brief.)
Gij, ga nu heen, en laat die stukken liggen;
Zocht gij ze weer bijeen, het zou mij erg'ren.
LUCETTA (onder 't heengaan). Zij houdt zich boos; maar 't deed haar
innig goed,
Als zulk een brief haar nog eens erg'ren kwam.
(Lucetta af.)
JULIA. Neen, kwam nog maar die zelfde brief mij erg'ren!
Haathanden, gij! die liefdewoorden stukrijt!
Den zoeten honig rooft gij, booze wespen,
En steekt de bijen, die hem leev'ren, dood!
'k Wil boete doen en ieder stukje kussen.
Wat staat daar? "Zoete Julia?"--Bitt're Julia!
Ik werp tot straf voor uw ondankbaarheid
Uw naam hier op den harden grond en treed
Uw wreeden trots verachtend in het stof.
Hier staat: "de door de Min gewonde Proteus";
Gij arme, kranke naam! mijn boezem zij
Uw bed, totdat uw wonde gansch geheeld is;
Ik drenk, doordring haar met een balsemkus.
(Zij steekt het stukje in haar borstzak.)
Twee-, driemaal staat hier Proteus' naam; o wind!
Wees kalm en blaas geen enkel woordje weg,
Totdat ik ieder enkel woord gespeld heb,
Mijn naam slechts niet; dien draag een wervelwind
Naar een afgrijslijk steile, ruwe klip,
En stort' hem in de gramme baren neer! 122
In éénen regel, zie, zijn naam tweemaal;
"De mijm'raar Proteus, diep onzaal'ge Proteus,
Aan de engel Julia";--dit scheur ik er af;
Doch neen, dat niet, daar hij mijn naam zoo aardig
Met zijne weeklachtnamen heeft gepaard;
Ik wil ze vouwen, de' eenen op den and'ren;--
Kust nu, omarmt u, kijft, doet wat gij wilt.
(Lucetta komt weder op.)
LUCETTA. Mejonkvrouw,
Het eten is gereed, uw vader wacht.
JULIA. Goed, gaan wij dan.
LUCETTA. Wat! mogen hier die snippers blijven klappen?
JULIA. Houdt gij ze in eere, goed, neem ze op en meê.
LUCETTA. Zoo goed naamt gij 't niet op, toen ik ze u meebracht.
Toch raap ik ze op; zij mochten koude vatten.
JULIA. Ik zie recht goed, dat gij ze diep vereert.
LUCETTA. Ja goed, mejonkvrouw, zeg maar, wat gij ziet;
Maar ik zie ook, al denkt ge, dat ik dommel.
JULIA. Kom, vlug wat! wilt gij gaan?
(Beiden af.)