JULIA. Kom, gaat gij?
LUCETTA. Goed; pleeg met uzelve raad.
(Lucetta af.)
JULIA. Had ik dien brief toch even ingezien!
Doch haar terug te roepen, en haar dat,
Waarom ik keef, te vragen, gaat niet aan.
Hoe dwaas! zij weet, dat ik een meisje ben,
En dwingt den brief mij niet ter lezing op!
Zij weet toch, meisjes zeggen zedig "neen",
Maar wenschen, dat de vrager "ja" versta.
Foei, foei! hoe grillig is die dwaze liefde!
Die als een kregel kind de voedster krabt,
En dan vol deemoed fluks de roede kust.
Hoe vinnig keef ik daar Lucetta weg,
Toen ik haar innig gaarne bij mij hield;
Hoe toornig plooide ik mijn gelaat tot rimpels,
Terwijl de vreugd mijn hart tot lachen dwong!
Mijn boete zij: ik roep Lucetta weer
En vraag haar voor mijn dwazen streek vergiff'nis.
Heidaar! Lucetta!
(Lucetta komt terug.)
LUCETTA. Wat verlangt gij, jonkvrouw?
JULIA. Is 't nog geen etenstijd?
LUCETTA. Ik wenschte 't wel.
Opdat ge uw moed mocht koelen op uw maal,
En niet op uwe maagd.
(Lucetta laat den brief vallen en raapt hem weer op.)
JULIA. Wat hebt gij daar behoedzaam opgeraapt?
LUCETTA. Ik? niets.
JULIA. Gij buktet toch, waarom?
LUCETTA. Om een papier,
Dat mij ontviel.
JULIA. En dat papier is niets?
LUCETTA. 't Is iets, dat mij niet aangaat.
JULIA. Zoo laat voor hen het liggen, wien het aangaat.
LUCETTA. Het zal, voor wie het aangaat, wis niet liegen,
Tenzij men, wat het meldt, valsch uit wil leggen.
JULIA. Een liefje schreef u wis daar iets op rijm.
LUCETTA. Geef gij, mejonkvrouw, mij de wijs, opdat
Ik 't zing'; gij zet wel meer iets op muziek.
JULIA. Een niets zet ik geen waarde bij; ik dank;
Dus zing 't maar op de wijs van "Luchte liefde".