DERDE TOONEEL.

Aldaar. Een vertrek in Antonio's huis.

Antonio en Panthino komen op.

ANTONIO. Panthino, zeg mij, welk een diep gesprek

Hadt gij daar straks in 't klooster met mijn broeder?

PANTHINO. Hij sprak van Proteus, van zijn neef, uw zoon.

ANTONIO. En wat?

PANTHINO. Hij stond verbaasd, dat uw genade

Hem hier zijn jeugd verdroomen laat, terwijl

Zoo menig ander, van gering'ren stand,

Zijn zoon om rang en eer de wereld inzendt,

Hetzij in de' oorlog om fortuin te zoeken,

Hetzij om verre landen op te sporen,

Hetzij naar scholen, waar geleerdheid huist.

Voor de eene of and're loopbaan, of voor allen

Was naar zijn oordeel Proteus recht geschikt;

Hij vroeg mij, dat ik bij u aan zou dringen,

Dat hij niet langer thuis zijn tijd verdroom';

Het zou hem in zijn ouderdom nog rouwen,

Wanneer hij in zijn jeugd niet had gereisd.

ANTONIO. Gij hebt geen sterken aandrang noodig, 't was

De gansche maand reeds niet uit mijn gedachten;

Ik overwoog reeds lang zijn tijdverlies,

En hoe hij nooit een deeg'lijk man wordt, als

De wereld hem niet schudt en mondig maakt;

Ervaring wordt door vlijt en moeite erlangd,

En door den snellen gang des tijds gerijpt.

Doch spreek, waar zou ik best hem henen zenden?

PANTHINO. Het is gewis uw edelheid bewust,

Dat thans zijn vriend, de jonge Valentijn,

Zich in Milaan bevindt aan 's keizers hof?

Twee Edellieden van Verona · 第 10 / 77 题