LUCETTA. Heer, heer! mijn dwaasheid brengt mij in de klem! 15

JULIA. Komaan, wat schrikt en beeft gij bij zijn naam?

LUCETTA. Vergeef mij, jonkvrouw, 't is, dat ik mij schaam,

Dat ik, onwaardig schepsel, zoo losweg

Mijn oordeel over hoofsche minnaars zeg.

JULIA. Waarom van Proteus niet als van de rest?

LUCETTA. Ja,--'k vind van vele goeden hem het best.

JULIA. Om welke reden?

LUCETTA. Ik heb geen and're, dan een meisjesreden:

Ik vind hem zoo, omdat ik hem zoo vind.

JULIA. Gij raadt mij, hem mijn liefde weg te schenken?

LUCETTA. Ja, zoo gij haar niet weggeworpen acht.

JULIA. Van al de rest, heeft hij mij nooit bestormd.

LUCETTA. Van al de rest, mint hij u toch het meest.

JULIA. Zijn zwijgen toont zijn koel en kil gemoed.

LUCETTA. Het heimlijkst vuur brandt met den felsten gloed.

JULIA. Hij mint niet, die door niets zijn min verraadt.

LUCETTA. Hij mint niet, die er altijd door van praat.

JULIA. O, las ik eens zijn hart!

LUCETTA. Lees, jonkvrouw, dit papier.

JULIA. "Aan Julia".--Spreek, van wien?

LUCETTA. Dat vindt gij in den brief.

JULIA. Nu zeg, wie gaf het u?

LUCETTA. 't Was Valentijns trawant, en Proteus, denk ik, zond het.

Hij zocht het u te geven, maar ik kwam juist daar aan,

En nam het van hem over, vergeef mijn stout bestaan.

JULIA. Nu, op mijn eer, een fraaie makelaarster!

Gij waagt het, dart'le briefjes aan te nemen?

Mijn jeugd, met and'ren fluist'rend, te belagen?

Voorwaar, ik zeg u, 't is een prachtig ambt,

En gij, zoo dunkt mij, voor dien post geknipt.

Hier, neem den brief; bezorg hem fluks terug,

Of, hoort gij, kom mij nooit meer onder de oogen.

Twee Edellieden van Verona · 第 7 / 77 题