TWEEDE TOONEEL.

Aldaar. De tuin van Julia's woning.

Julia en Lucetta komen op.

JULIA. Maar nu, Lucetta, spreek; wij zijn alleen;

Gij geeft mij dus den raad, verliefd te worden?

LUCETTA. Ja, jonkvrouw, mits gij niet onachtzaam struikelt.

JULIA. Wien uit den ganschen schoonen kring van heeren,

Die daag'lijks met gesprekken om mij zwerven;

Acht gij wel allermeest mijn liefde waard?

LUCETTA. Ik bid u, noem hen op, dan geef ik u,

Naar mijn onnoozel inzicht, mijne meening.

JULIA. Wat dunkt u van den schoonen Eglamour?

LUCETTA. Een ridder is hij, welbespraakt en fijn;

Doch, waar' ik u, hij zou mijn man niet zijn.

JULIA. Wat van dien rijken heer, Mercatio?

LUCETTA. Goed van zijn geld, maar van hemzelf; zoo zoo.

JULIA. En den beleefden Proteus, wat van hem?

Twee Edellieden van Verona · 第 6 / 77 题