Dagen volgden elkander op, de vorst hield aan en op de ijsbaan was
jolijt van vroolijke menschen....
Maar Paul bleef thuis, maakte soms een groote wandeling, speelde zijn
partijtje in de soos, of verdiepte zich schijnbaar in lectuur.
Schaatsenrijden deed hij niet meer.
Ondanks hem zelf, kreeg hij een schok zoo vaak de post werd binnen
gebracht, dan vluchtigde zijn blik over het blad met brieven en
couranten, keek hij of er ook iets voor hem bij was. En telkens voelde
hij even de physieke pijn, die hem een oogenblik den adem benam.
--Natuurlijk niets. Het was ook te gek om er over te denken....
Dan las hij rustig door en floot een deuntje, zoo zijn ontroering
verbergend. Niemand mocht weten wat daar bloedde in zijn ziel....
Er waren acht dagen verloopen, sedert hij van Dina afscheid had
genomen.
Zorgvuldig vermeed Paul zijn ouders iets te laten merken van wat in hem
omging, ook zij hadden recht te weten van zijn kind. Maar hij voelde
het als onmogelijk daar nu over te spreken. Hij zou de kracht missen,
nog eens te doorleven wat nog zoo versch in zijn geheugen lag.
Voorloopig wilde hij hen in in onwetendheid laten. Misschien kon hij
wel vroeger naar Indië terugkeeren, zijn verlof bekorten.
In elk geval dacht hij er over eenige dagen op reis te gaan.
Met het uur werd zijn onrust heviger, en hoe meer de hoop vervloog,
dat Dina hem zou terugroepen, des te heviger verlangde hij naar haar.
Op een ochtend, na een slapeloozen nacht, besloot hij zijn ouders te
zeggen, dat hij voor een week naar Brussel ging.
De voorafgaande dagen had hij in zoo een zenuwspanning doorgebracht,
dat hij niet langer thuis kon blijven; hij vreesde elk oogenblik zijn
zelfbeheersching te verliezen.
Het inpakken van de noodzakelijkste kleeren, die hij mee wou nemen,
gaf hem al wat afleiding, maar telkens bleven zijn handen werkeloos,
verviel hij in gepeinzen.
In Brussel zou hij geheel vrij zijn, zich kunnen overgeven aan zijn
smart. En hieraan had hij behoefte.
In het Grand Hotel besprak hij een kamer.
De gedachte niet langer den ganschen dag zich te moeten beheerschen,
tegenover de huisgenooten een onverschillige houding te veinzen,
gaf hem een heerlijk gevoel van rust.
--Als er brieven voor me komen in dien tijd, moeder, dan stuurt u ze
me wel op, verzocht hij, en zijn oogen gretigden weer naar de post,
die binnen gebracht werd.
Niets voor hem....
Nog altijd scheen de hoop in hem te leven, dat de met zooveel smart
verlangde brief eens zou komen. Het was meer een zelfkwelling,
een wreed zich martelen, dan de verwachting, dat die hoop ooit zou
verwezenlijkt worden....
Hij zat in het spoorboekje een trein op te zoeken, toen het luide
overgaan van de schel hem verschrikt deed opspringen.
--Meneer van der Lisse, voor den jongen meneer diende het binnenkomend
meisje aan.
Die schel gold dus toch wel hem, overwoog hij en liep de gang in.
--Waar heb je meneer gelaten? vroeg hij onverschillig.
Het gebeurde wel meer, dat de een of andere kennis hem kwam opzoeken;
het viel nu slecht, dat hij op het punt was de stad uit te gaan,
bedacht hij.
--Meneer is in den salon, en het gedienstige meisje hield de deur open,
om hem door te laten.
Het gesprek tusschen de beide jonge mannen duurde een heele poos. En
mevrouw van Weede maakte zich ongerust, dat Paul zijn trein zou missen.
--Nou dan neemt hij een andere, hij heeft niets te verletten, goedigde
de oude heer, even opziende van zijn courant.
Het volgende oogenblik zagen ze elkaar verschrikt aan, met een slag
viel de voordeur dicht.
Paul was met van der Lisse meegegaan naar diens huis, waar Dina hem
om een onderhoud had verzocht.
Gedurende die korte wandeling bestormden de hevigste gewaarwordingen
Pauls arm, in zenuwspanning gefolterd, hoofd.
Toch, toch, was het dan gekomen...! zong het in hem. Een duizeling was
hem overvallen toen van der Lisse hem het doel van zijn komst vertelde.
Het was bijna ondenkbaar....
En in zijn verwardheid overstormde Paul zijn vriend met allerlei
vragen, waarop van der Lisse het antwoord schuldig moest blijven.
--De meisjes hebben mij niets verteld, zei hij ongeduldig,--en je
had ons wel in het vertrouwen mogen nemen over je plannen,........ je
hebt dat wel heel geheimzinnig behandeld.
Paul trok met de schouders,--Ik wist het zelf niet, ik had het nooit
durven hopen, verontschuldigde hij verward.
Nog altijd wist hij zich niet zeker, en hij drong er op aan, dat van
der Lisse hem zou vertellen, wat zijn zusters gezegd hadden.
--Meisjes zijn in die dingen altijd zoo gewichtig, Dina heeft eenvoudig
gevraagd of ze jou bij ons zou mogen ontmoeten. De rest konden we
wel raden.... En nou ben ik je maar komen halen....
Hij liet Paul binnen, en wees hem een deur.--Hier is ze, fluisterde
hij en liep door.
Een oogenblik aarzelde Paul eer hij de hand om de deurknop sloeg. Het
was of de moed hem ontzonk, nu hij na dagen van martelend verlangen,
wist tot haar te gaan....
Klamme zweetdruppelen parelden op zijn voorhoofd, toen hij na een
oogenblik aarzelens, binnen ging.
Bij den schoorsteen stond Dina, haar bleeke gezichtje versmald
van smart.
Zij kwam hem eenige passen tegemoet en zwijgend sloten ze elkaar in
de armen.
Ze trok hem met zich mee naar de canapé, en zoo tegen elkaar
aangeleund-bleven ze eenigen tijd zitten, beiden teveel geroerd om
te kunnen spreken.
Hij streelde aldoor haar bevende handjes, en drukte die aan zijn
lippen.--Ben je van mij.... toch van mij?.... vroeg hij na een
oogenblik van stil geluk, en boog zich tot haar over.
Zij kon geen woorden vinden, knikte flauwtjes door haar tranen heen,
die hij wegkuste, telkens weer.
De voorafgegane dagen waren ook voor Dina geweest een tijd van
zelf-marteling, van ernstig beproeven.
Aanvankelijk stond haar besluit vast, ze kon er niet op terugkomen,
ze kon niet over dat eene heen stappen.
Maar toen ze zich indacht, dat ook hiermee voorgoed het mooie heerlijke
geluk, dat zij in zich had voelen opbloeien zou verdorren, had ze
zoo een groote smart gevoeld, grooter dan al het leed, dat het lot
haar oplegde te dragen.
En zij deinsde er voor terug.
Had ze Paul dan nu reeds zoo lief...?
Nooit zou ze meer de herinnering aan hem uit haar leven kunnen
wegwisschen. En in de oogenblikken, dat haar smart het hevigst was,
werd haar verlangen naar hem het grootst.
Zij voelde den druk van zijn handen, zijn kus op haar lippen; en zijn
donkere oogen, met een wanhoopsuitdrukking brandden in de hare.
Het bezit van dat alles, nu zij het eenmaal gekend had, te moeten
missen.... Ze kon het niet.... En ze riep hem terug.... wetend,
dat hij bereid zou zijn tot haar te komen, als zij het wilde. En
nu ze hem bij zich had, groeide weer een zacht kleurtje op haar
verbleekte wangen. Zij hoorde van zijn reisplan naar Brussel. Daar zou
nu niets van komen.... of wou hij toch? Paul sloot haar tot antwoord
in zijn armen.
--Ik ga vanmiddag dadelijk naar je ouders, vindt je dat goed?
--Ja, fluisterde ze hem toe.
--En dan moet ik de zaak bij mij thuis ophelderen, zei Paul nerveus.
Toen was Dina de meisjes van der Lisse gaan roepen, en had ze hun
haar geheim verteld.
O, wat was dat een wondere middag geweest, herinnerde Paul zich,
weggezakt in zijn herinnering. Eerst die officieele visite bij de
familie Tervoort, het stijve, dwaze van zoo een ontvangst bij vreemde
menschen, waar je komt om de hand van de dochter te vragen....
Daarna het onderhoud thuis, met zijn ouders.
Hij had hun nu maar dadelijk alles verteld van Annie, ze moesten het
toch ééns weten.
Mevrouw van Weede eerst gelukkig, met Paul's trouwplannen, zat als
versteend voor zich uit te staren.
--En je hebt ons daar nooit een woord van geschreven, Paul, verweet ze.
--Ach, dat kon hij ook moeilijk pleitte goedig de oude heer, voelend
wat het voor Paul moest zijn, die bekentenis te doen.
Arme jongen, hij was ook nog zoo bitter jong, toen hij naar Indië ging,
en dadelijk op zoo een klein plaatsje, waar je op een paar Europeanen
bent aangewezen.
Kom, zijn moeder moest daar nu maar niet over tobben, waar het moedige
meisje was voorgegaan met haar voorbeeld van vergevensgezindheid.
Wat gedwongen feliciteerden ze hem, mevrouw van Weede mokkend, over
de weinig mededeelzaamheid van Paul.
En waarom Paul zijn kind niet mee had genomen naar Europa, vroeg ze.
Hij vertelde haar al de bezwaren, die daaraan verbonden waren.... het
was nu goed bezorgd bij de Zusters op Batavia. En Dina wilde, dat
zij het samen zouden halen, als ze weer in Indië zouden zijn.
--Een heel besluit voor het meisje, prees meneer van Weede.
Paul voelde opnieuw hoe nameloos ongelukkig dat gezegde van zijn
vader hem toen maakte.
Ja, het was lief geweest van Dina, dat besefte hij heel zeker, dat
ze hem in alles was tegemoet gekomen, het bestaan van zijn dochtertje
accepteerde, als een gewoon feit.
En nooit was er een schaduw gevallen op hun mooi jong geluk.