II.

Dagen volgden elkander op, de vorst hield aan en op de ijsbaan was

jolijt van vroolijke menschen....

Maar Paul bleef thuis, maakte soms een groote wandeling, speelde zijn

partijtje in de soos, of verdiepte zich schijnbaar in lectuur.

Schaatsenrijden deed hij niet meer.

Ondanks hem zelf, kreeg hij een schok zoo vaak de post werd binnen

gebracht, dan vluchtigde zijn blik over het blad met brieven en

couranten, keek hij of er ook iets voor hem bij was. En telkens voelde

hij even de physieke pijn, die hem een oogenblik den adem benam.

--Natuurlijk niets. Het was ook te gek om er over te denken....

Dan las hij rustig door en floot een deuntje, zoo zijn ontroering

verbergend. Niemand mocht weten wat daar bloedde in zijn ziel....

Er waren acht dagen verloopen, sedert hij van Dina afscheid had

genomen.

Zorgvuldig vermeed Paul zijn ouders iets te laten merken van wat in hem

omging, ook zij hadden recht te weten van zijn kind. Maar hij voelde

het als onmogelijk daar nu over te spreken. Hij zou de kracht missen,

nog eens te doorleven wat nog zoo versch in zijn geheugen lag.

Voorloopig wilde hij hen in in onwetendheid laten. Misschien kon hij

wel vroeger naar Indië terugkeeren, zijn verlof bekorten.

In elk geval dacht hij er over eenige dagen op reis te gaan.

Met het uur werd zijn onrust heviger, en hoe meer de hoop vervloog,

dat Dina hem zou terugroepen, des te heviger verlangde hij naar haar.

Op een ochtend, na een slapeloozen nacht, besloot hij zijn ouders te

zeggen, dat hij voor een week naar Brussel ging.

De voorafgaande dagen had hij in zoo een zenuwspanning doorgebracht,

dat hij niet langer thuis kon blijven; hij vreesde elk oogenblik zijn

zelfbeheersching te verliezen.

Het inpakken van de noodzakelijkste kleeren, die hij mee wou nemen,

gaf hem al wat afleiding, maar telkens bleven zijn handen werkeloos,

verviel hij in gepeinzen.

In Brussel zou hij geheel vrij zijn, zich kunnen overgeven aan zijn

smart. En hieraan had hij behoefte.

In het Grand Hotel besprak hij een kamer.

De gedachte niet langer den ganschen dag zich te moeten beheerschen,

tegenover de huisgenooten een onverschillige houding te veinzen,

gaf hem een heerlijk gevoel van rust.

--Als er brieven voor me komen in dien tijd, moeder, dan stuurt u ze

me wel op, verzocht hij, en zijn oogen gretigden weer naar de post,

die binnen gebracht werd.

Niets voor hem....

Nog altijd scheen de hoop in hem te leven, dat de met zooveel smart

verlangde brief eens zou komen. Het was meer een zelfkwelling,

een wreed zich martelen, dan de verwachting, dat die hoop ooit zou

verwezenlijkt worden....

Hij zat in het spoorboekje een trein op te zoeken, toen het luide

overgaan van de schel hem verschrikt deed opspringen.

--Meneer van der Lisse, voor den jongen meneer diende het binnenkomend

meisje aan.

Die schel gold dus toch wel hem, overwoog hij en liep de gang in.

--Waar heb je meneer gelaten? vroeg hij onverschillig.

Het gebeurde wel meer, dat de een of andere kennis hem kwam opzoeken;

het viel nu slecht, dat hij op het punt was de stad uit te gaan,

bedacht hij.

--Meneer is in den salon, en het gedienstige meisje hield de deur open,

om hem door te laten.

Het gesprek tusschen de beide jonge mannen duurde een heele poos. En

mevrouw van Weede maakte zich ongerust, dat Paul zijn trein zou missen.

--Nou dan neemt hij een andere, hij heeft niets te verletten, goedigde

de oude heer, even opziende van zijn courant.

Het volgende oogenblik zagen ze elkaar verschrikt aan, met een slag

viel de voordeur dicht.

Paul was met van der Lisse meegegaan naar diens huis, waar Dina hem

om een onderhoud had verzocht.

Gedurende die korte wandeling bestormden de hevigste gewaarwordingen

Pauls arm, in zenuwspanning gefolterd, hoofd.

Toch, toch, was het dan gekomen...! zong het in hem. Een duizeling was

hem overvallen toen van der Lisse hem het doel van zijn komst vertelde.

Het was bijna ondenkbaar....

En in zijn verwardheid overstormde Paul zijn vriend met allerlei

vragen, waarop van der Lisse het antwoord schuldig moest blijven.

--De meisjes hebben mij niets verteld, zei hij ongeduldig,--en je

had ons wel in het vertrouwen mogen nemen over je plannen,........ je

hebt dat wel heel geheimzinnig behandeld.

Paul trok met de schouders,--Ik wist het zelf niet, ik had het nooit

durven hopen, verontschuldigde hij verward.

Nog altijd wist hij zich niet zeker, en hij drong er op aan, dat van

der Lisse hem zou vertellen, wat zijn zusters gezegd hadden.

--Meisjes zijn in die dingen altijd zoo gewichtig, Dina heeft eenvoudig

gevraagd of ze jou bij ons zou mogen ontmoeten. De rest konden we

wel raden.... En nou ben ik je maar komen halen....

Hij liet Paul binnen, en wees hem een deur.--Hier is ze, fluisterde

hij en liep door.

Een oogenblik aarzelde Paul eer hij de hand om de deurknop sloeg. Het

was of de moed hem ontzonk, nu hij na dagen van martelend verlangen,

wist tot haar te gaan....

Klamme zweetdruppelen parelden op zijn voorhoofd, toen hij na een

oogenblik aarzelens, binnen ging.

Bij den schoorsteen stond Dina, haar bleeke gezichtje versmald

van smart.

Zij kwam hem eenige passen tegemoet en zwijgend sloten ze elkaar in

de armen.

Ze trok hem met zich mee naar de canapé, en zoo tegen elkaar

aangeleund-bleven ze eenigen tijd zitten, beiden teveel geroerd om

te kunnen spreken.

Hij streelde aldoor haar bevende handjes, en drukte die aan zijn

lippen.--Ben je van mij.... toch van mij?.... vroeg hij na een

oogenblik van stil geluk, en boog zich tot haar over.

Zij kon geen woorden vinden, knikte flauwtjes door haar tranen heen,

die hij wegkuste, telkens weer.

De voorafgegane dagen waren ook voor Dina geweest een tijd van

zelf-marteling, van ernstig beproeven.

Aanvankelijk stond haar besluit vast, ze kon er niet op terugkomen,

ze kon niet over dat eene heen stappen.

Maar toen ze zich indacht, dat ook hiermee voorgoed het mooie heerlijke

geluk, dat zij in zich had voelen opbloeien zou verdorren, had ze

zoo een groote smart gevoeld, grooter dan al het leed, dat het lot

haar oplegde te dragen.

En zij deinsde er voor terug.

Had ze Paul dan nu reeds zoo lief...?

Nooit zou ze meer de herinnering aan hem uit haar leven kunnen

wegwisschen. En in de oogenblikken, dat haar smart het hevigst was,

werd haar verlangen naar hem het grootst.

Zij voelde den druk van zijn handen, zijn kus op haar lippen; en zijn

donkere oogen, met een wanhoopsuitdrukking brandden in de hare.

Het bezit van dat alles, nu zij het eenmaal gekend had, te moeten

missen.... Ze kon het niet.... En ze riep hem terug.... wetend,

dat hij bereid zou zijn tot haar te komen, als zij het wilde. En

nu ze hem bij zich had, groeide weer een zacht kleurtje op haar

verbleekte wangen. Zij hoorde van zijn reisplan naar Brussel. Daar zou

nu niets van komen.... of wou hij toch? Paul sloot haar tot antwoord

in zijn armen.

--Ik ga vanmiddag dadelijk naar je ouders, vindt je dat goed?

--Ja, fluisterde ze hem toe.

--En dan moet ik de zaak bij mij thuis ophelderen, zei Paul nerveus.

Toen was Dina de meisjes van der Lisse gaan roepen, en had ze hun

haar geheim verteld.

O, wat was dat een wondere middag geweest, herinnerde Paul zich,

weggezakt in zijn herinnering. Eerst die officieele visite bij de

familie Tervoort, het stijve, dwaze van zoo een ontvangst bij vreemde

menschen, waar je komt om de hand van de dochter te vragen....

Daarna het onderhoud thuis, met zijn ouders.

Hij had hun nu maar dadelijk alles verteld van Annie, ze moesten het

toch ééns weten.

Mevrouw van Weede eerst gelukkig, met Paul's trouwplannen, zat als

versteend voor zich uit te staren.

--En je hebt ons daar nooit een woord van geschreven, Paul, verweet ze.

--Ach, dat kon hij ook moeilijk pleitte goedig de oude heer, voelend

wat het voor Paul moest zijn, die bekentenis te doen.

Arme jongen, hij was ook nog zoo bitter jong, toen hij naar Indië ging,

en dadelijk op zoo een klein plaatsje, waar je op een paar Europeanen

bent aangewezen.

Kom, zijn moeder moest daar nu maar niet over tobben, waar het moedige

meisje was voorgegaan met haar voorbeeld van vergevensgezindheid.

Wat gedwongen feliciteerden ze hem, mevrouw van Weede mokkend, over

de weinig mededeelzaamheid van Paul.

En waarom Paul zijn kind niet mee had genomen naar Europa, vroeg ze.

Hij vertelde haar al de bezwaren, die daaraan verbonden waren.... het

was nu goed bezorgd bij de Zusters op Batavia. En Dina wilde, dat

zij het samen zouden halen, als ze weer in Indië zouden zijn.

--Een heel besluit voor het meisje, prees meneer van Weede.

Paul voelde opnieuw hoe nameloos ongelukkig dat gezegde van zijn

vader hem toen maakte.

Ja, het was lief geweest van Dina, dat besefte hij heel zeker, dat

ze hem in alles was tegemoet gekomen, het bestaan van zijn dochtertje

accepteerde, als een gewoon feit.

En nooit was er een schaduw gevallen op hun mooi jong geluk.

Balmoedertje · 第 22 / 24 题