Ze waren een poosje geïnstalleerd in de nette luitenantswoning van het
kampement te Magelang. Het was in het stille middaguur, het uur dat
de zon, in het koele bergklimaat het felst haar warmte verspreidt,
en nu haar zengende stralen uitgoot over de witte huizen, die twee
aan twee gekoppeld, aan den weg, achter bloempotten met weelderige
planten, wegscholen.
Het grint er voor blankte licht op, blikkerde in den brandenden
zonnebrand, markeerde den net onderhouden weg, die lag als een breed
lint, tusschen fluweelig groen aan weerszijden ervan. Een grasberm liep
parallel met den weg en daarachter, tegenover de huizen aan den blauwen
einder, rees de Soembing, waaroverheen struikgewas hurkend opkroop,
in alle tinten van groen. Daar waar de schaduw in een diepe klove viel,
leek 't nacht, die afwisselde de zonovergoten gedeelten van klaren dag.
Tegen den Soembing geleund, verhief zich hoog een rots, die paars
violet, in den blauwen aether vervlood, en waaroverheen zilverig-wit
zich huifde, een wolk zwaar van dreiging naar regen.
Zacht geruisch van stroomend water brak gestaag de alomme stilte,
die hing als met looden zwaarte over de middag-eenzaamheid.
Heel in de verte strekten zich de rijstvelden, waar Inlandsche vrouwen,
als donkere fantomen, langzaam voortbewogen, teruggekaatst in het
gladde watervlak van geïnundeerde rijstvelden. In werkzwoeg bewogen
de nijvere handen, die telkens in het water wegdoken, om op minutieus
gemeten afstanden de plantjes in den doorweekten bodem te duwen.
Slechts de uiterste puntjes van de groene sprietjes topten even boven
het watervlak uit, trillerden flauwtjes bij de korte golfkabbelingen,
veroorzaakt door de voortgaande bewegingen der vrouwen, die tot boven
den enkel door het water waadden.
In de voorgalerij van het eerste huis aan den kampementsweg zat Paul
van Weeden peinzend in zijn wipstoel.
Een diepe frons, die sprak van wat knaagde binnenin hem, groefde
zijn hoog voorhoofd. Hij verliet zoo juist de slaapkamer, waar hij
nog even door de sneeuwige klamboes gluurde naar Dina, zijn jong
vrouwtje, die nog zwakjes, na de geboorte van haar eerste kindje,
moeielijk op oude kracht kon komen.
"Van middag heb ik nog te werken, ik zal het slaapuurtje maar eens
opofferen", zei hij.
Zij knikte hem vriendelijk toe. En hij verschoof haar klamboe,
nog even toevend om naar het kleine rose popje te kijken, dat op
een matrasje, in het groote Engelsche ledikant naast haar lag. Dan
sloot hij de jalouzieën, om het felle zonlicht buiten te sluiten,
en wendde zich weer tot Dina.
--Ga jij nu maar heerlijk slapen, 't zal je goed doen, je bent vandaag
weer erg moe, geloof ik....
En even bleef hij staan, met iets als angst in hem.
Zij hoorde hem al niet meer, sloot vermoeid de oogen.
Toen ging hij stil naar voren, waar hij zich met zijn dienstbrieven
aan de marmeren tafel zette.
Soms overviel hem een behoefte aan eenzaamheid, en onder voorwendsel
van te moeten werken, trok hij zich terug in de stilte van volmiddag.
Dagen lang drukte een beangstigend gevoel hem terneer. Het kwam hem
overvallen in zijn vroolijkste oogenblikken dan viel een beklemming
op hem, en de lach verstierf op zijn welgevormden mond. O, dat hij
zoo lang, zijn heele leven, moest boeten voor die eene fout.
Hij poogde voor Dina die zenuwtoestand te verbergen, en dat werd hem
een obsessie.
Het was om háár, louter uit vrees voor haar geluk, dat die martelende
gedachten hem gevangen hielden.
Wel heel gelukkig was hij geweest, in zijn jong huwelijksleven,
maanden, neen wel een jaar lang, tot plots.... O 't had hem tot in het
diepste van zijn ziel geschokt, die verschijning van de Inlandsche
vrouw, die de baboe met zijn kindje aanhield en verzocht het te
mogen zien.
Hij durfde zich nauwelijks een beeld maken van wat hem den laatsten
tijd met zooveel zorg vervulde; en moedeloos zakte hij weg in
herinneringsgepeins.
Hij zag zich weer in zijn verlofstijd, in den Bosch, waar zijn
ouders woonden.
O welk een jubelend geluk dat weerzien, na een scheiding van acht
jaren....!
Als jong officiertje, zoo van de Militaire Academie, was hij naar
Indië gegaan. En als man van rijpe levenservaring keerde hij terug.
Zijn moeder kon in het eerst de oogen niet van hem afhouden. Zij kon
zich niet indenken, dat die forsche man, met zijn donkere knevels om
den weeken mond, haar zoon was, dien zij als knaap van zich had zien
weggaan. En liefkozend streek zij hem over zijn weelderig, donker haar,
keek dan weer naar zijn bruine oogen.
--Die zijn nog altijd dezelfde gebleven Paul, zei ze dan.
Het waren heerlijke dagen geweest, die van zijn verlofstijd; maar
ook de smart was hem toen niet vreemd gebleven.
--Jij gaat nu toch zeker getrouwd terug, mijn jongen.
Ah! hij doorleefde weer de marteling van die vraag.
Dat was juist het eenige, dat hem zoo prikkelbaar maakte.
--Praat me daar niet over, mama, ik denk niet aan trouwen.... weerde
hij af.
Na zijn verlof zou hij weer naar Indië terugkeeren, zooals hij gekomen
was. Verliefd worden was maar gekheid beweerde hij altijd, om er zich
van af te maken--en het ging immers over....
Dat eene jaar ging hij eens goed profiteeren, een mooi reisje maken
en zijn familie opzoeken.
En dan het vooruitzicht van schaatsenrijden! Hij herinnerde zich nog
met hoeveel ongeduld hij uitzag naar het ijs.
Eindelijk scheen zijn wensch in vervulling te gaan, en nauwelijks
lag het eerste vliesje over de sloten, of Paul kocht zich een paar
mooie schaatsen.
Het liep hem mee, dat de vorst aanhield, en flink doorzette. Hij was
een van de eersten, die de schaatsen onderbond.
En toen hij de prikkelende winterlucht zijn longen voelde instroomen,
en hij de vroolijkheid op aller gezichten las, was het of hij weer
als jong cadet, met kerstverlof thuis was.
Een blos gloeide op zijn flink donker gezicht, en de vroolijkheid
tintelde hem de oogen uit. Hij voelde zich jong als weleer, en het
leek hem of die lange Indische jaren waren weggeslonken in zijn denken.
Tochten werden ondernomen met zijn kennissen, en de jonge meisjes
genoten als de knappe officier haar om een baantje met hem te rijden
kwam vragen.
Het was bij een van die gelegenheden, dat hij Dina Tervoort voor het
eerst zag.
In haar donkergroen tailleurspakje, met nauwen, korten rok, viel ze
hem dadelijk op.
En onwillekeurig, terwijl ze langs hem heen schaatste, of hij haar
in de verte met een ander zag rijden, ging zijn blik dien kant uit.
Hij vond haar wel zeer bizonder; met het mooie weelderige donkerbruine
haar, en die prachtig contrasteerende blauwe oogen, en dat harmonische
in heel haar figuurtje!
Een paar maal hadden hun blikken elkaar gekruist, zag hij, dat zij
ook naar hem keek.
En dat gaf hem even sensatie van geluk.... Maar dadelijk daarop nam
hij zich voor haar verder te ontwijken. En hij zocht een paar van
zijn kennissen op, en bleef dien middag zooveel mogelijk aan een
anderen kant rijden, dan waar hij Dina wist.
Toch met steelsche blikken zochten zijn oogen haar heel den middag
lang. En van uit de verte wist hij den blik van haar mooie blauwe
oogen, telkens uitgaande naar hem.
's Avonds voelde hij zich niet erg wel, en hij verzocht zijn moeder
hem te willen excuseeren, hij zou maar eens vroeg naar bed gaan.
--Je hebt bepaald kou gevat, ik geloof niet, dat het schaatsenrijden
je heel veel goed doet, zei zijn moeder hem ongerust aanziende.
Maar hij lachte haar zorgen weg.
--Het is niets, verzekerde hij haar,--de ongewoonte, morgen is het
weer over.
In het eerst kon hij den slaap niet vatten, en terwijl hij zijn oogen
stijf gesloten hield, was daar toch voortdurend bij hem het beeld
van Dina. Die oogen, die hem zoo intens hadden aangestaard stonden
nu voor hem, en hij zag haar zoo duidelijk, alsof hij slechts de hand
had uit te strekken om haar naar zich toe te trekken.
Hij ging op zijn rug liggen om het bonzen van zijn hart niet te
hooren. Het was of een koortsgloed zijn voorhoofd schroeide.
Kon hij maar aan iets anders denken!.... maar dat gelukte hem niet.
Voorloopig nu maar geen schaatsen meer rijden, dat zou de eenige
manier zijn om weer zijn gewone kalmte terug te krijgen.
Trouwen was voor hem buitengesloten, en wat wilde hij verwachten van
nieuwe ontmoetingen met dat wondere meisje, dat zoozeer zijn heele
denken in beslag nam....
Neen, het kon niet, het mocht niet....
Hij zou zich in acht nemen, probeeren, over een paar dagen, als het
ijs aanhield op een andere plaats te schaatsen, waar hij bijna zeker
was haar niet te ontmoeten.
Toen eindelijk de slaap zijn leden verloomde, voelde hij alle
herinneringen om zich wegzakken, en hij sliep in met de beklemming
na een boozen droom, die hem met schrik vervuld had en die nu van
hem werd afgenomen.
Een zoete melodie zong in zijn ziel, en het werd al harmonie in
hem. Een harmonie, waarin hij zich zelf zag met haar. En in dit
oogenblik werd hij weggevoerd hoog boven het leelijke van het leven
uit....
O.... te denken aan haar alleen!.... Het werd hem zoo een groote
weelde, dat hij er zich niet meer aan kon onttrekken, en waarin
hij wegzonk, in diepen slaap, nu zijn worstelstrijd had opgehouden;
en hij zich liet gaan in zijn zoet verbeelden.
--Heb je goed geslapen? vroeg den volgenden morgen zijn moeder,
toen hij haar zijn morgenkus gaf, en hij er zoo moe en afgemat uitzag.
--Ik heb lang liggen denken, Mama..., 't was laat toen ik insliep,
zei hij.
--Je was wat overspannen....
--Misschien wel, en....wat je in bed denkt, is altijd verkeerd....,
het komt toch steeds anders uit.
Zij schudde het hoofd en lachte hem goedig toe.--Malle jongen, je
bent veel te ernstig....
--Te oud eigenlijk voor zulke jeugdige ouders.... U bent in al dien
tijd niets veranderd en vader ook niet, die is alleen wat grijzer
geworden. Hij zag zijn moeder aan met teederen blik. En in haar
donkere oogen, zìjn oogen, lag een onuitgesproken vraag.
Mama wordt met den dag jonger, alleen nu jij hier bent en we voor
onze oogen zoo'n volwassen man zien, als jij, herinneren we ons,
dat we aan den ouden dag moeten gaan denken, mijn jongen...., de
volgende maand wordt je al dertig jaar.... plaagde zijn vader.
Hij zag met zijn vriendelijk gezicht van nog frisschen ouden man naar
Paul, en het ontging hem niet, dat er wat was met den jongen.
Paul voelde zich op dat oogenblik ellendig. Hij had zijn ouders een
bekentenis te doen en die woog hem zwaar.
O.... hoe dikwijls had hij tegen den verlofstijd opgezien, als hij
daaraan dacht....! Hij overwoog wel eens, toen de tijd al een beetje
begon te naderen, of het niet beter zou zijn maar niet met verlof
te gaan.
Een beslissing van den geneesheer maakte een einde aan al zijn
weifelingen.... Hij werd met een spoedcertificaat naar Europa gezonden,
tot herstel van een hardnekkige malaria, die evenwel gedurende de
zeereis al beterde, zoodat Paul volmaakt gezond in Holland aankwam.
Den eersten tijd werd hij teveel in beslag genomen om veel na te
denken. Hij leefde in een roes van uitgaan en kennissen ontmoeten. Van
alle kanten wilde men hem een beleefdheid doen, er werden feestjes
georganiseerd en Paul was overal het middelpunt van belangstelling.
Hij liet zich leven in volle onbezorgdheid, nauwelijks zich den tijd
gunnend aan iets anders te denken, dan aan zijn genoegen.
En als een enkele maal de herinnering bij hem opkwam, verdreef hij
die lichtzinnig met een ongeduldig hoofdbewegen....--Nu ja....,
later.... Er kwam nog tijd genoeg om daarover te denken....
Nu, plotseling zeer sterk, overviel hem de gedachte aan wat hij
met zooveel energie van zich had afgeschoven. Het liet hem niet
meer los....
Een diepe plooi groefde zich in zijn voorhoofd; en dat maakte dat
hij er ernstig en verouderd uitzag.
Zijn moeder zocht naar een oplossing voor die zonderlinge verandering
in Paul.
Je kunt niet tegen die kou, je moest je meer ontzien, zei ze weer op
een middag aan de koffie, hem zorgvol aanziende.
Paul gaf haar gelijk.--Ik geloof het eigenlijk ook niet, moeder,
en daarom ben ik ook eenige dagen thuis gebleven; maar vandaag ga ik
het toch weer eens probeeren....
En dien middag, al vroeg, ging Paul met zijn schaatsen op weg.
Er woei een scherpe Noorden wind, en de lucht stond grauw betrokken.
Paul trok den kraag van zijn overjas diep over zijn ooren en zoo,
in sombere stemming, liep hij zich te bedenken welken kant hij uit
zou gaan. Volkomen ernstig was zijn voornemen het meisje, dat zoozeer
zijn gedachten vervulde, niet meer te zien. Hij zou tenminste trachten
haar te ontloopen, en nam de tram naar de Vuchterpoort.
Hij veronderstelde dien kant uit het minste kans te hebben veel
menschen te zien.
De binnenplaatsen in de tram waren alle bezet, en ook op de balcons
viel bijna niets meer te veroveren; de voerder stak één vinger op,
wees:--nog één plaats...
Paul wrong zich tusschen de dikke winteroverjassen van de heer en
in een hoekje op het voorbalcon, steunde met de hand op het koperen
handvatsel van de deur, en zoo zich schrapzettend bij elke beweging
van de tram, soesde hij voort.
Vaag staarde hij door de bewasemde ruiten naar binnen, in de wagen,
waar zijn doellooze blik gleed langs al die onbekende gezichten,
mannen en vrouwen, die hem onverschillig waren....
Plots was het of een electrische schok hem doorvoer. In zijn hoekje had
hij juist het oog op een dame. Eerst had hij haar niet herkend. Maar
ineens werd het klaar in hem, dat dit hetzelfde meisje moest zijn,
waarmee voortdurend zijn gedachten zich bezig hielden.
Zij zagen elkaar aan. En het leek wel of zij Paul ook herkende....
Hun oogen bleven eenige oogenblikken onafgebroken op elkaar
gevestigd....
Het waren slechts enkele seconden, maar ze waren voor Paul van een zoo
groot geluk, dat hij zich geen rekenschap gaf van zijn onbeleefdheid
een dame te fixeeren.
Hij zag het meisje verbleeken, en toen het hoofd wat afwenden.
En zoo bleef hij haar stil bestaren, trek voor trek haar gezichtje
in zich opnemend.
Hij wilde nu opletten waar zij uit de tram zou stappen maar zij reed
mee, tot waar hij er uit ging.
Toen zag hij haar voor zich uitgaan; de schaatsen bengelden aan haar
arm, langs den mof van petit gris, waarin haar handen wegscholen. Hij
kon haar nu goed opnemen, en bleef eenige passen achter haar aan
loopen, zijn gang vertragend, om haar niet in te halen.
Op de ijsbaan bewoog zich reeds een groote menigte, en Paul glimlachte,
om zijn naïviteit, van een eenzaam plekje te willen opzoeken.
Was dit het noodlot, of zijn gelukkig gesternte, dat hen
samenvoerde....? Als Paul geloovig was zou hij moeten denken aan een
hoogere macht, die hen daar tot elkaar bracht.
Maar hij was niet geloovig, en hij zag het eerder als een gevolg van
meer voor de hand liggende oorzaken.
Het was alles zoo zonderling in zijn werk gegaan.... en als hij aan
het oogenblik, dat hij haar in de tram zag, terugdacht, doorvoer hem
weer dat gevoel van opperste geluk.
En hij overwoog zich hierin te kunnen laten gaan zonder zijn voornemens
ontrouw te worden. Dien middag bleef hij veel in den omtrek waar zij
reed. En het toeval wilde, dat een van zijn kennissen, met wien hij
stond te praten, haar groette, toen ze langs hen heen kwam.
--Wie groet je daar? vroeg Paul geïnteresseerd.
--Dina Tervoort, een kennisje van mijn zusters, ik ga haar dadelijk
om een baantje vragen....
--Een mooi meisje wel, zei Paul.
--Dat wil ik waarachtig wel gelooven, maar een beetje difficile. Ze
is niet jong meer.
Wat noem jij jong?
Nou ja, beneden de vijf en twintig.... Zij is de zes en twintig
al voorbij.
Verwonderlijk, dat ze nog niet getrouwd is....
Ja, ze wacht misschien nog altijd op haar ideaal. Ik ken er wel die
vues op haar hadden; maar het is geen meisje, die er een neemt om
getrouwd te zijn. Zal ik je eens aan haar voorstellen?
Paul kreeg een schok. Het was toch wat moeielijk hierop neen te
zeggen. Misschien viel ze hem wel tegen....
Eigenlijk vond hij het wel prettig eens wat meer van haar te weten
te komen.
Nu ze daar buiten stonden, in het koude vriesweer, was het of die
zware druk van Paul was afgenomen. Hij voelde zich weer vroolijk en
opgeruimd, binnenin hem lachend om zijn sentimentaliteit.
Het was toch al te dol, dat hij geen meisje meer zou kunnen ontmoeten,
of aardig vinden, zonder dat het spook van trouwen dadelijk achter
hem stond.
Hij had zich eigenlijk teveel geretireerd dat was de oorzaak van zijn
zich niet zeker voelen in gezelschap.
Nu met het ijs was het juist een goede gelegenheid zich eens wat
meer onder de dames te bewegen. Hij zou straks enkelen vragen een
baantje met hem te rijden en ook Dina. Die gedachte enerveerde hem
buitengewoon.
--Ga je nu mee? onderbrak Van der Lisse Pauls bepeinzingen.
--Ja, zei hij beslist. En samen gingen ze in een vlugge vaart naar
het tentje waar ze wisten dat de meisjes waren.
Dina stond nog met haar partner te praten, toen ze Paul op haar
afzag komen.
Van der Lisse stelde Paul aan haar voor en dadelijk daarop vroeg
hij:--Mag ik het genoegen hebben aanstonds een baantje met u te rijden,
juffrouw Tervoort?
--Heel graag, antwoordde Dina, wat ontsteld hem plots zoo in haar
nabijheid te zien.
Spoedig groepeerden allen zich tot paren.--We moeten niet te lang
stil staan, waarschuwde Van der Lisse,--het is verduiveld koud.
Paul bood Dina zijn hand en reed het eerste weg. De anderen volgden.
Een paar maal namen ze de baan.
De scherpe noordenwind belette het praten. Elkaar stevig vast houdend
gleden ze rustig voort, beiden weg in hun geluk van samenzijn.
--Ik geloof, dat we nu moeten uitscheiden, zei Dina: de anderen
stonden tot een troepje bij elkaar.
Zij zei het op een toon van spijt, dien Paul deed jubelen van geluk.
Het brandde hem op de lippen het haar te vragen; maar Van der Lisse
kwam al op hen af:--Wat denken jullie ervan de Wetering eens over
te rijden? Het ijs is sterk genoeg, en hier is het zoo vervelend,
je ziet telkens dezelfde gezichten....
Een oogenblik zagen Paul en Dina elkaar aan. Paul zijn hart begon
hevig te kloppen.
--Ik wil wel, als het niet te laat wordt, zei Dina.
--Mag ik dan het genoegen hebben? Paul schoot dadelijk op haar toe,
hij had de bedoeling van een van de heeren geraden Dina voor dezen
tocht te vragen.
--Zeg, weten jullie zeker, dat het niet te laat zal worden? werd
er geroepen.
Maar een gedeelte was al onderweg, en er viel niets anders te doen
dan maar te volgen.
Toen ze eenmaal goed op gang waren verspreidde zich het troepje. Paul,
die aanvankelijk met Dina tot de eersten behoorde, werd telkens door
een ander paartje ingehaald.
Het werd al schemerachtig, en een donkere grijze lucht koepelde laag
over het winterlandschap; een enkele schaatsenrijder kruiste soms hun
weg, of haalde hen in, daarna weer die doodelijke eenzaamheid in de
starre kou van den winternamiddag.
De avond, na een grijzen dag, viel vroeg in, en enkele lichtjes pinkten
flauw van de boerenhofsteden, die wegdoezelden in den vagen schemer.
Het was daar buiten van een plechtige stilte. De maan, in eerste
kwartier droefde flauwtjes door de zware wolken.
Paul en Dina, onwillekeurig wat langzamer rijdend, waren een eind
achtergebleven.
Al dichter trok Paul het tengere figuurtje tegen zich aan om haar te
beveiligen tegen de kou, en vaster sloten zijn handen om de hare.
Er stond een felle wind, die zich heviger voelen liet, nu ze op het
open liggend terrein kwamen.
Beiden reden zwijgend door, terwijl hun harteklop als mokerslagen in
hun borst dreunde.
Als een dreigende vermaning kwam soms bij Paul even een lichte
herinnering aan de voorafgegane dagen zich indringen tusschen hem en
zijn geluk; maar hij weerde die af, met de energie van een jonge zich
sterk voelende, liefde.
Hij wilde nu aan niets anders denken dan aan zijn heerlijk, mooi geluk,
zijn samenzijn met Dina; dáár, in die groote eenzaamheid geheel alleen
met haar te zweven, in de sferen van zijn verbeelden.
Door niets zou hij zich dit heerlijk oogenblik laten afnemen.
Hij wist, dat hij Dina lief had, en tegelijk met die wetenschap,
voelde hij de kracht in zich bergen te verzetten.
Gedaan was het met alle argumenten! Al zijn bange zorgen verijlden
tot niets. In zijn ziel was slechts plaats voor den liefdegloed,
die daar brandde, die hem schier den adem benam.
Op een plek, waar de eenzaamheid het grootst was, stonden zij beiden,
als gedreven door een zelfden impuls, gelijktijdig stil.
--Wat is het hier heerlijk, het is niet eens meer zoo hevig koud,
zei Dina, de pijnlijke stilte willend verbreken.
Zij zagen om zich heen de verre uitgestrektheid, waaruit een enkele
boerenhoeve, in flauwe contoeren vaag opdoemde, beschenen door een
twijfelachtig licht van lampeschijnsel, dat door de kleine ruitjes
naar buiten viel.
Hondengeblaf scheurde even de stilte, toen weer die ongerepte rust....
En in die groote eenzaamheid sloeg Paul zijn arm om Dina.
Zij weerde hem niet af.
Hij trok haar aan zijn borst, en kuste haar in een lange en innige
omhelzing.
Ontroering belette hen een woord te uiten....
Heel dicht tegen elkaar aangeleund reden ze verder, stuurden nu op
huis aan.
--Mag ik van avond even komen? vroeg Paul, toen ze de stad naderden.
Dina knikte....
--Ik moet met je spreken, zei hij.
Ze vond het goed.
En zoo scheidden zij....
Gejaagd kwam Paul dien middag aan tafel.
--Als je het maar niet overdrijft, waarschuwde zijn moeder, toen hij
vertelde van den tocht, dien ze gemaakt hadden.
Maar Paul, in zijn overmoed, stelde haar gerust.--Het heeft heusch
niets te beteekenen, mama, zei hij, en hij vertelde haar, dat hij in
den loop van den avond nog even uit zou gaan.
Dadelijk na de thee, even voor half negen, stapte Paul naar de
familie Tervoort.
Een koortsgloed brandde op zijn voorhoofd toen hij aanschelde.
Het dienstmeisje liet hem in den salon, waar de lichten ontstoken
waren, en een vuurtje in den haard smeulde.
Paul voelde zich als in een droom, oneigenlijk, voortgedreven al
vooruit. En de oogenblikken, die hij wachten moest, leken hem een
eeuwigheid.
Nerveus luisterde hij naar de voetstappen, die van buiten naderden.
Plots werd de deur geopend, en Dina stond voor hem.
Heel even, toen hij haar daar zag inkomen, in haar nauwsluitend
toiletje van bruin laken, en hij haar mooie gezichtje zag nu voor het
eerst zonder hoed, was het of de moed hem ontzonk, en een weifeling
draalde in hem.
Maar toen ze haar armen om hem heen sloeg, in algeheele overgave
van haar jongemeisjesziel, week zijn wankelmoedigheid, was hij weer
meester van zich zelf.
Hij trok haar aan zijn borst, en kuste haar heel zacht.--Ben je
alleen thuis? vroeg hij, haar beide handen nemend, en die leggend op
zijn borst.
--Papa en mama hebben hun whist-partijtje, ik heb maar niets gezegd
van je bezoek omdat ik bang was, dat het niet zou mogen.... zei ze
hevig blozend.
--En ik vond het zoo heerlijk, dat je kwam.
Hij sloot haar weer in zijn armen,--lieveling!.... toen hoogernstig,
nam hij haar bij de hand, en bracht haar bij een lagen fauteuil.--Ga
hier zitten.... Hij zelf knielde bij haar neer.
--Je houdt dus wel een klein beetje van me?.... Hij zocht gestaag
haar oogen, die hij vast hield in zijn blik.
Zij knikte, leunde zwijgend haar hoofd tegen zijn schouder, luisterde
naar zijn stem, die haar muziek leek.
Het viel hem moeielijk een goed begin te vinden tot inleiding van
wat hij haar zeggen moest.
--Hou je genoeg van me, om me een heel groot verdriet te vergeven,
dat ik je ga aandoen?....
Zij schrok, zag recht naar hem op....
--Kijk me niet zoo aan, lieveling, dan heb ik den moed niet het
je te zeggen.... En het moet, ik mag met geen leugen onze toekomst
bezwaren....
--Ik heb een kind....
Verbaasd richtte Dina haar oogen op hem.--Ik wist niet, dat je
weduwnaar was....
Hij schudde het hoofd, en tot een pijnlijk lachje vertrok zijn gezicht.
--Het is een kind van een Inlandsche vrouw; ik heb het in Indië
gelaten, bij de Zusters, op Batavia....
Hij durfde haar nu niet aanzien in dit vreeselijke oogenblik.
O, als ze slechts een enkel woord tot hem sprak, hem haar verachting
toebeet, hem beleedigde desnoods.
Maar dat ontzettende stilzwijgen....
Op zijn hand druppelden gestaag haar tranen.
Dat bracht hem tot wanhoop. Hij stond op, liep de kamer op en neer.
--O lieveling, jou in dit oogenblik tranen te zien storten, om
mij.... om mij....
Hij slikte een snik weg, en drukte zijn lippen op haar haren.
--Je kunt me niet vergeven, he....? 't Is een geluksdroom geweest
van enkele uren. Nu laat je me heengaan voor altijd. Dwaas, die ik
was te veronderstellen, dat je liefde groot genoeg zou zijn, om zoo
een offer te brengen....
Ze wendde zich wat van hem af.--Stil, spreek zoo niet.... het heeft
me overrompeld.... ik kan 't me niet indenken.... jij, jij.... zoo
jong....
Haar oogen zagen verdwaasd, als in een floers, voor zich uit, en als
sprekend tot zichzelf, zei ze met gebroken stem. --Ik zal het nooit
kunnen vergeten.... 't is nu zoo anders geworden.
Verstard in zijn wanhoop zag hij haar aan, veegde de tranen, die
bleven vloeien zachtjes van haar wangen.
En met groote teederheid liefkoosde hij haar, als een moeder haar
ongelukkig kind.
--Het zou niets veranderen aan ons geluk.... later, als je me wilde
vertrouwen, zou je 't leeren begrijpen, als je 't wilde wegdenken
uit ons leven.... zei hij mat.
En weer neerknielend bij haar, sloeg hij zijn armen om haar heen,
als om haar te beschermen tegen haar groote smart. Een smart, die
haar trof door hem....
In haar groote liefde weerde ze hem niet af, liet toe, dat hij haar
tegen zich aandrukte.
--'t Is ontzettend!.... 't is ontzettend.... steunde ze tegen hem
aan geleund.--En ik hou zooveel van je.... ik hou zooveel van je,
snikte ze toonloos.--Het geluk zou anders ook te groot geweest
zijn.... schamperde ze pijnlijk,--onbestaanbaar, dat in je leven te
zien komen, als niet tegelijk een vreeselijke schaduw er op moest
vallen....
In diepe smart zag hij haar aan.
O, o, was dat het meisje, dat pas sedert enkele dagen zijn pad had
gekruist.... Het leek hem een oneindigheid van smart, die zij samen
doorleefd hadden.
Hij stond op, en trok haar zachtjes naar zich toe, haar aanziende
met oogen waarin heel zijn wanhoop zich spiegelde.
En weer streelde hij haar bleeke wang.
Hij wist, dat in dit oogenblik een diepe klove gaapte tusschen hen,
hij had het kunnen voorzien.
Hij verachtte zich om zijn zwakheid haar niet uit den weg te zijn
gegaan.
Hoe dikwijls had hij zich niet voorgehouden, dat hij de gedachte aan
een huwelijk voor altijd van zich af moest zetten.
Zoolang hij zijn kind, zijn kleine Annie bij zich had gehad, was dit
hem niet moeilijk gevallen. Waarom had hij zich los gemaakt van het
zoo vast voorgenomen besluit.
Vele anderen, in omstandigheden verkeerende als hij, had hij zien
trouwen in Indië; maar dan vervulde hem altijd weerzin voor die
cynische levensopvatting.
Nooit, nooit, had hij het mogelijk geacht van zijn voornemen af te
wijken. Zoo'n huwelijk leek hem, den idealist, een bespotting.
En nu....
Al die herinneringen stonden nu klaar in zijn denken, spookten in
zijn heet hoofd rond.
Hij had Dina die smart moeten besparen. In zijn onvergeeflijk egoïsme
was hij recht op zijn doel afgegaan. En nu zag hij dat arme kind
lijden om hem, door zijn schuld.
Hij wist heel zeker, dat nu een vonnis over zijn toekomst was geveld.
Als Dina tot bezinning zou komen, zou ze hem koel afwijzen, zich
beleedigd voelen door zijn aanraking. Het kon wel niet anders.
De gedachte aan zijn kleine Annie, die hem aanhing met al de
teederheid van haar Indische natuur, het kind, dat hij had gekoesterd
en verzorgd, om wier wille hij de moeder bij zich had gehouden,
maakte, dat zijn smart een oogenblik week voor de herinnering aan
die lieve aanhankelijkheid. En het moest nu de oorzaak zijn van hun
beider ellende.
Hij stond op met een blik vol deernis op Dina.
--Ik ga nu heen lieveling, zei hij zacht.
--Misschien wil je me nooit meer zien, moet ik uit je leven gaan, met
alleen de herinnering aan wat had kunnen zijn.... Ik zal je niet meer
lastig vallen. Ik weet, dat het kind een onoverkomelijke scheidsmuur
tusschen ons zal zijn.... Ik zal probeeren 't te dragen.... Vergeef
't me, dat ik je dit niet heb bespaard, het was mijn vaste voornemen
het te doen. Maar mijn liefde voor je was sterker dan ik zelf. Een
oogenblik van zwakheid maakte, dat ik mijn zelfbeheersching
verloor.... 't Was zwak van me.... akelig zwak. In mijn groot
geluk vergat ik, wat achter me lag, krankzinnig.... Ik had het niet
mogen doen. En het gebeurde kan alleen mijn smart verzwaren.... om
jou.... Ik ga nu heen, en je zult nooit meer van me hooren.... Op
dit oogenblik is er geen plaats voor liefde in je ziel, zelfs niet
voor medelijden.... alleen voor verachting.... voor minachting....
Denk niet te hard over me.... en.... als er een oogenblik in je leven
komt, dat je zachter gestemd wordt, dat je me kunt vergeven...., dat
je misschien...., misschien.... ondanks alles, een verlangen naar mij
in je voelt opkomen...., wees dan niet te trotsch, roep me dan terug,
en ik.... kom....
Hij sloot haar in zijn armen en drukte een kus op haar voorhoofd....
En toen, zachtjes, ging hij weg, zonder om te zien naar haar, die
hij achterliet, in wanhoop....
Hij wist dat nu alles voorbij was....