X.

De winter trok voorbij met vlagen van hagel en sneeuw, en

daartusschenin enkele mooie dagen van heldere vrieslucht; een dartel

zonnetje, dat het al overschaterde, brak soms vriendelijk door.

Op een van die zonnige winterdagen, dat drommen zich voortspoeden

naar de ijsbaan, en een voortdurend getinkel van overvolle trams in de

ijle lucht weerklinkt, dat te allen kant een juichklank opschatert van

vreugde en jolijt, bewoog Elly zich te midden der kleurige en fleurige

figuurtjes, die daar voortgleden over het spiegelgladde ijsvlak.

De muziek van de jagerskapel blies de vroolijkste wijsjes, waarop

het goed was zich te laten gaan, méé, in den rythmischen zwier,

waarop ze wel allen leken voort te zweven, met sierlijke streek.

Op een van die middagen dáár leek het Elly, al vroeg van huis

weggegaan, of er, heel onbestemd nog, een vreugdetuimel in haar viel,

dien ze zich niet verklaren kon.

Met verschillende kennissen had ze een baantje gereden, toen ook de

Varennes op haar toetrad en haar vroeg met hem te rijden.

Ze zag òp gansch niet verrast, doch wel met iets van die groote

verrukking in haar blik, die haar weer verraadde.

En toen zij haar hand lei op zijn arm had ook hij een diepen blos.

Ze merkte het; een onuitsprekelijk gevoel van blijheid doorvoer haar.

Dien verderen middag bleven ze samen, en het ontging hun niet, dat

zijdelingsche blikken wel van hier en daar op hen gericht werden, en

dat ook een enkele, met zeker welbegrijpen haar, in het voorbijgaan,

wat langer aanstaarde dan hoffelijkheid toeliet.

Maar in stede van haar te ergeren, aanvaarde dit Elly als een triomf.

Zij genoot en voelde zich gelukkig, en een zaligheid zwol in haar,

die haar duizelen deed, zoovaak, bij de een of andere oneffenheid,

zijn hand zich wat vaster sloot om de hare, of hij in een zich

aangewende gemaniereerdheid, zijn arm om haar middel boog.

En nu wel wat moe noodigde hij haar uit in het tentje uit te rusten.

Ze vond het dol, zooals ze opgetogen antwoordde, en samen in een

hoekje gescholen, slurpten ze de warme thee, die hij voor hen beiden

besteld had.

--De Varennes maakt dat meisje van Weelen wel ernstig het

hof,.... zeiden enkelen, die in stillen afgunst hun veel samenzijn

dien middag hadden opgemerkt.

Sommigen wisten zich te herinneren van vroeger.... vertelden elkander,

dat heel lang geleden.... hij zijn hof aan de moeder gemaakt had....

En in hun diepst doorschouwen van wat daar bloeide in die ontluikende

meisjesziel, geloofden ze, dat het nu wel ernst zou worden.... hij

kon toch niet na de moeder ook weer de dochter compromitteeren.

Hij had vele groote en kleine zonden op zijn kerfstok, maar het werd

hem, den wereldman, te gaarne vergeven.

In de Residentie bleef hij een geziene figuur, hij behoorde tot de

uitgaande wereld, en hoewel zijn verblijf in den Haag een gaping

vertoonde van vele jaren, scheen het wel, sedert hij er in terug

keerde, of hij altijd met zijn innemenden glimlach en de bekoring

van zijn fluweelen oogen de uitgaande wereld begunstigde.

Balmoedertje · 第 16 / 24 题