In de balzaal, vol en wazig doorgloeid van goud kroonlicht overviel
haar een duizeling, ze rook vreemde bloemengeuren; de muziek zwirrelde
klanken van een bekenden dans naar haar, streelend, bedwelmend,
lokkend.
Een zacht geraas van stemmen zong als een zomerzee tegen
avondduinen. Ze hoorde om haar heen haar naam noemen, half in schrik
en verwondering; ze duizelde er zelve van.
Maar ze herstelde zich heel gauw, zichzelf opdringend, dat ze alleen
gekomen was voor Elly.
Elly liep even naar haar kennisjes toe, begroette die in stralende
vroolijkheid, kwam toen weer dadelijk terug om een paar goede plaatsjes
uit te zoeken.
--Waar wil je nu zitten moesje?
--Ja kind, beneden zooals je ziet, is alles bezet; zal ik dan maar
niet boven gaan op de galerij; daar kan ik je dan meteen goed zien.
--Goed, goed, moesje, vroolijkte Elly en huppelde naast haar moeder
de trap op naar de galerij.
--Vindt u 't hier nu heusch echt prettig, moes? Ja? Dan ga ik maar
naar beneden, dartelde Elly doorsnappend en tegelijk zich voorover
buigend om zoo het gezicht op de volle zaal te krijgen.
--Best, kind; maar zul je niet al te lang achter elkaar dansen
lieveling? en je niet teveel vermoeien?
--Neen, neen, neen, moesje.
--Ja, ja....
--Och neen moesje! En wat moet ik nog meer niet doen?
Lachend met dartele oogen en lief tartenden blik zag ze haar moeder
aan en drukte met onstuimige hartelijkheid haar hand.
--Nou, dag moes.
--Dag schat.
Ze zat nu heel alleen, mevrouw Van Weelen, op de donkere galerij,
wat teruggeschoven als in vergetelheid.