II.

In de toiletkamer voor de psyché stond Elly.

Zacht rozig licht omglansde vaag haar fijne gestalte. 'n Gloed van

koorts brandde op haar wangen, en met ongeduldig gebaar wierp ze

af haar ruimen kapmantel, even luchtig maar omgehangen om zich te

laten kappen. Nu in haar laag kant-omzet onderlijfje en den slank

uitplooienden onderrok leek nog teerder haar fijn figuurtje.

--Klaar? vroeg haar moeder gejaagd, bijna geruischloos binnenkomend.

Ze knikte even maar, terwijl ze door bleef kijken in den spiegel naar

haar kapsel dat ze met een verheerlijkt gezicht stond te bewonderen.

De ragfijne blonde spinsels van heur haar krulden nu saamgestrengeld

in licht vangende golvingen, als een kapsel van lichten glans, dat

droeg de trossen heliotropen.

--Paars bij blond, verrukkelijk, had de kapper gezegd bij het weggaan.

--Laat mij je nou heel voorzichtig helpen, drong mevrouw Van Weelen

aan, opvangend in haar armen het ijle kleedje.

In streelende en verteederde gebaren hielp ze 't Elly over de

schoudertjes.

--Nu de taille.... maar wacht, eerst nog wat poeder.

Een fijn wolkje verstoof in de kamer, daalde zacht neer op Elly's

blanken hals. Mevrouw donsde even lichtelijk met de houppe haar

schouders en blank gezichtje. En terwijl Elly zenuwachtig en gejaagd

dichthaakte het ijle kleedje, deed mevrouw eenige schreden achteruit

in de kamer, stil bewonderend het tengere figuurtje in één wolkerige

schittering: haar dochtertje.

Elly zag in den spiegel haar lieve moeders bewondering.

--Zorg nu eerst voor u zelf, moedertje, en laat mij u nu helpen. Ik

heb nog alleen mijn handschoenen aan te doen.

--O, ik ben dadelijk klaar. Zorg jij maar dat er niets komt aan je

mooie kleedje. Ga nu naar beneden in de huiskamer, tot ik je je sortie

kom aandoen.

En gejaagder met zenuwachtige klankstootjes in haar stem vroeg mevrouw

weer door:

--Heb je alles wel? Heb je je waaier, je sortie, je handschoenen?

--O ja mama, ja mama, maak u niet zenuwachtig, alles ligt beneden

klaar.

--Goed kind, goed, goed, ga dan als je wilt.

Maar Elly treuzelde nog wat bij de deur, bezag moedertje en haarzelve

in den spiegel en kwam toen met aarzelende gebaartjes terug.

--Moesje, luister nu eens.

Heel dicht tegen haar aangeleund, in lievige aanvleiing van haar

teere lijfje, sloeg ze haar armen om den hals van mevrouw van Weelen.

--Moesje, moesje, biecht eens op. Lijk ik nu werkelijk op u?

Mevrouw van Weelen werkte zich los uit hare omhelzing, zei, in schijn

verstoord:

--Dwaas kind, we zullen nog veel telaat komen, als je me niet met

rust laat.

--Wat zou het, mijn boekje is toch vol. Neen moes, zoo komt u er

niet af. U moet me zeggen of ik op u lijk. Ik zou 't zoo dol dolgraag

willen.

--Och, zwijg toch kind. Wees toch niet zoo dwaas.... Hoe....

--Neen moesje, neen, u moet het zeggen, drong Elly guitig-lief aan.

--Nu, goed dan kind, je lijkt op me, veel, heel veel zelfs.

--O, heerlijk, heerlijk, juichte Elly, terwijl ze in een jubeling de

trap afging.

Mevrouw van Weelen bleef even in gedachte staan voor den spiegel,

terwijl ze een vaag bewustzijn had van het zien van zichzelf.

Ze leefde als bewust bewusteloos, ze hoorde en ze zag de dingen een

oogenblik en tegelijkertijd voelde ze toch de gewaarwordingen alsof

ze er zelf buiten stond.

Buiten klonk plotseling geluid van voorbijratelende wielen. Met een

schok joeg het in haar op dat ze moest voortmaken. Beneden hoorde ze al

de klok slaan. Vlug nu het zwart-grenadinen met champagnekleurige-zijde

gevoerde kleed aangetrokken.

Op den stoel bij haar handschoenen en waaier lag een donkerroode

roos. Even hield zij ze tegen haar borst, dan met een vlug grillig

gebaar wierp zij de bloem in de lampetkan.

--Geen rozen.... geen rozen....

Het aantrekken van haar nieuwe handschoenen ging sarrend langzaam

en al heviger werd haar onrust om het telaat komen. Alles gloeide

in haar aan. De inspanning bracht een fijn kleurtje op haar wangen,

dat haar een blosje van schijnjeugd gaf.

Ze zag zichzelf even angstig weer in den spiegel, bedonsde zich nog

vluchtig met haar houppe en viel toen zuchtend neer op een stoel.

Ze had niet kunnen denken, dat haar de emotie van uitgaan zóó weer zou

aangrijpen, zóó een haar innerlijk verbrandende onrust in haar opjagen,

die dwars door den gloed van haar herinnering heen schreed. Toch

wilde zij zich goed houden voor Elly.

Ongestoord moest dat kind genieten van haar eerste geluk.

Wel verdwaasde dat woordje tot een leeg gestamel van woorden in

haar hoofd.

Geluk?

Ze lachte even zacht als een zieke, die onbewust het valsch

opdringerige meelij achter troost-praatjes voelt.

Jaren geleden had ze hier gestaan voor dezelfde psyche, omwolkt in

den goudgloed van haar illusies.

Toen had ook zij hare entrée gedaan in de wereld, om haar heen louter

weelde en bewondering, een kleurige avond van volzalig geluk en een

geruisch van beloften en van schoon toekomstleven om haar heen.

Ze zag alles weer duidelijk als in een visioen en toch als klare

werkelijkheid. Ze hoorde weer een naam die al zoo lang achteruit was

geschoven in haar herinnering.

O, wat kon de enkele eenzame klank van een naam weer een gedachtengroep

optooveren, weer het leven terughalen uit de duisternis van een

afgestorven smart.

Wat een wondere avond was het geweest, toen Varennes, de Fransche

attaché, haar boven die allen verkozen had, haar openlijk zijn hulde

had gebracht.

Ze had er niet van kunnen slapen dien nacht. Ze had niets anders gezien

dan den mooien donkeren man, die in haar levenslijn was getreden. Ze

had voor niets anders oor dan voor den zoeten klank van zijn stem en

voor niets anders oogen dan voor het ranke mooie van zijn gestalte.

Van zijn kant had hij haar overweldigd met koesterend gevlei en

bedwelmd met hartstochtelijke liefde-uitstorting.

In de schoonste bloemen die hij haar zond wou hij een liefdetaal

van kleuren uitspreken en in de kostbaarste geschenken iets leggen

van zijn essentieelst gevoel voor haar, iets geven van zijn diepsten

hartstocht en van zijn innigste vereering.

Al kort na hun kennismaking werd hij teruggeroepen naar zijn land,

was door deze plotselinge scheiding dadelijk een groote levenssmart

over haar heengegaan.

Varennes niet meer te zien, den zang van zijn stem niet meer te hooren,

leek haar ophouden te leven.

Al was hij weg, ver van haar af, toch bleef in haar doortrillen

zijn gloeiende hartstocht, zijn liefde die de ziel van haar toen

nog onervaren meisje had meegesleurd in een oppersten roes van

geluksbedwelming.

Hij had haar beloofd terug te komen, heel, heel spoedig. Hij schreef

haar ook wel een enkelen maal. Maar in den toon van zijn brieven klonk

een stroeve teruggetrokkenheid, een zich willen losrukken van iets,

dat hem lastig was geworden.

Met vrouwelijke intuïtie en een onbewust fijn doorschouwen had ze

dadelijk gevoeld hem te hebben verloren.

Met een schrik in haar ziel werd zij zich dat plotseling bewust. Er

brak iets in haar als een instorting. Er stierf iets in haar klachtloos

en heel diep van binnen; er sluimerde een rouwsmart over haar heen,

die alles in haar vervaalde....

Een jaar later was ze getrouwd met Van Weelen, wien ze haar levensleed

had uitgezegd en die haar daarna toch een troost wilde zijn. Vóórdat

Elly echter geboren was, stierf hij aan de tering.

Dat was haar tweede groote smart.

Ze had Van Weelen geacht om zijn zuivere genegenheid en zijn

onbaatzuchtigen troost. Ze had hem nooit lief gehad met een bedwelming

van haar eerste verrukking voor Varennes.

Maar toen hij gestorven was, bleef er iets in haar ziel weenen,

ook lang nadat Elly ter wereld kwam.

De goede zachte genegenheid en de stille bescheiden omkoesterende

liefdevereering van Van Weelen voor háár, de vrouw al eens gebroken

door verleidingsgepraat, bleef langer in haar droeven dan de herdenking

aan het bedrog van Varennes zelf.

Er was nog later een stille berusting in haar opgebloeid, een passief

aanstaren van het leven, dat in schijn van woeste grilligheid ieder

van zijn schepselen een anderen kant uitdrijft, zonder dat het kleine

menschenverstand bij machte is te vatten het doel en in stamelende

ontzetting maar steeds vraagt waarom? Waarvoor dat alles?

Zoo schreide haar stille smart in de eenzaamheid van haar gewillige

berusting, voelde ze slechts één sterken drang in haar leven, zich

te wijden aan het kleine lieve kindje, dat nog was als een materieele

verbinding tusschen haar en haar gestorven man.

Zoo waren de jaren over haar heengegaan in die passieve onderwerping,

in die zachte en doezelige apathie, die haar geen schokken en geen

emoties meer bracht.

En nu plots een twintig jaar later, nu ze haar eigen Elly, haar

lieveling voor het eerst de wereld in zou sturen, nu was plots dat

verleden leven opengebroken onder het felst herinneringslicht.

Nu zag ze Varennes staan, dien donkeren mooien man, met z'n trotsche

gestalte, z'n heerschend gebaar, z'n hartstochtelijke oogen.

Nu hoorde ze weer den zoeten klank van z'n stem. Nu kwam weer op haar

af dat aandoenlijk-angstige geruisch van beloften en toekomstidealen,

voelde zij zich plots weer in die zalige duizelige verrukking van haar

eerste liefde voor hem, voelde ze weer z'n gloeienden adem branden

op haar wang en zag ze weer den gloeienden hartstochtbrand van z'n

diepe oogen op haar toevlammen.

Het was haar alsof ze onder het gefluister van z'n liefdestem weer

duizelde in den trillenden weemoed van haar verlangen, alsof hij haar

daar plots zou omhelzen en wegvoeren, ver, ver buiten de wereld.

Hoe had zij zich op dit uur, waarop zij niets anders te doen had dan

haar kind te begeleiden en geluk te geven; hoe had zij zich zóó kunnen

laten aangrijpen, door iets dat ze al zoo lang dood had gewaand in

haar ziel!

Ze rilde en beefde en tòch sidderde in haar ziel de wil om zich te

beheerschen, goed te houden voor haar lieveling.

In de straat daverde een rijtuig aan, dat stil hield voor de deur.

Ze schrok òp.

Weer bezag zij zich in den spiegel. Haar opwindingskleurtje was

weggetrokken.

Nu herkende zij zichzelf weer beter in den matbleeken ernst van haar

versmartelijkt gezicht.

--Moes, moes, komt u, het rijtuig is voor?

--Ja, ja, kind, ik kom, ik kom.

Langzaam ging zij de trap af, luisterend naar het fluisterend frou-frou

van haar kleed.

In zichzelf flitste nog even de gedachte, dat ze er toch nog jong

uitzag, dat heur haar nog mooi blond was gebleven, en dat het leed,

dat jaren en jaren haar innerlijk doorknaagd had, haar van buiten

niet had aangetast.

Ze was iets voller geworden, maar ze leek toch meer een oudere zuster

dan een moeder van Elly.

Ze begreep zelf niet waarom ze met zooveel vreugde in zich dat

herdacht.

Was haar vrouwelijke ijdelheid dan nog niet dood na zooveel leed en

zooveel vereenzaming?

Ze durfde zichzelf daarop niet antwoorden, want diep, diep in haar

bleef onder misleidend zelfgepraat een vreugde trillen, dat ze toch

mooi was en jong en telkens kwam in een geheimzinnige gevoelswerking

weer vóór haar staan Varennes, de donkere mooie man.

Balmoedertje · 第 8 / 24 题