In de toiletkamer voor de psyché stond Elly.
Zacht rozig licht omglansde vaag haar fijne gestalte. 'n Gloed van
koorts brandde op haar wangen, en met ongeduldig gebaar wierp ze
af haar ruimen kapmantel, even luchtig maar omgehangen om zich te
laten kappen. Nu in haar laag kant-omzet onderlijfje en den slank
uitplooienden onderrok leek nog teerder haar fijn figuurtje.
--Klaar? vroeg haar moeder gejaagd, bijna geruischloos binnenkomend.
Ze knikte even maar, terwijl ze door bleef kijken in den spiegel naar
haar kapsel dat ze met een verheerlijkt gezicht stond te bewonderen.
De ragfijne blonde spinsels van heur haar krulden nu saamgestrengeld
in licht vangende golvingen, als een kapsel van lichten glans, dat
droeg de trossen heliotropen.
--Paars bij blond, verrukkelijk, had de kapper gezegd bij het weggaan.
--Laat mij je nou heel voorzichtig helpen, drong mevrouw Van Weelen
aan, opvangend in haar armen het ijle kleedje.
In streelende en verteederde gebaren hielp ze 't Elly over de
schoudertjes.
--Nu de taille.... maar wacht, eerst nog wat poeder.
Een fijn wolkje verstoof in de kamer, daalde zacht neer op Elly's
blanken hals. Mevrouw donsde even lichtelijk met de houppe haar
schouders en blank gezichtje. En terwijl Elly zenuwachtig en gejaagd
dichthaakte het ijle kleedje, deed mevrouw eenige schreden achteruit
in de kamer, stil bewonderend het tengere figuurtje in één wolkerige
schittering: haar dochtertje.
Elly zag in den spiegel haar lieve moeders bewondering.
--Zorg nu eerst voor u zelf, moedertje, en laat mij u nu helpen. Ik
heb nog alleen mijn handschoenen aan te doen.
--O, ik ben dadelijk klaar. Zorg jij maar dat er niets komt aan je
mooie kleedje. Ga nu naar beneden in de huiskamer, tot ik je je sortie
kom aandoen.
En gejaagder met zenuwachtige klankstootjes in haar stem vroeg mevrouw
weer door:
--Heb je alles wel? Heb je je waaier, je sortie, je handschoenen?
--O ja mama, ja mama, maak u niet zenuwachtig, alles ligt beneden
klaar.
--Goed kind, goed, goed, ga dan als je wilt.
Maar Elly treuzelde nog wat bij de deur, bezag moedertje en haarzelve
in den spiegel en kwam toen met aarzelende gebaartjes terug.
--Moesje, luister nu eens.
Heel dicht tegen haar aangeleund, in lievige aanvleiing van haar
teere lijfje, sloeg ze haar armen om den hals van mevrouw van Weelen.
--Moesje, moesje, biecht eens op. Lijk ik nu werkelijk op u?
Mevrouw van Weelen werkte zich los uit hare omhelzing, zei, in schijn
verstoord:
--Dwaas kind, we zullen nog veel telaat komen, als je me niet met
rust laat.
--Wat zou het, mijn boekje is toch vol. Neen moes, zoo komt u er
niet af. U moet me zeggen of ik op u lijk. Ik zou 't zoo dol dolgraag
willen.
--Och, zwijg toch kind. Wees toch niet zoo dwaas.... Hoe....
--Neen moesje, neen, u moet het zeggen, drong Elly guitig-lief aan.
--Nu, goed dan kind, je lijkt op me, veel, heel veel zelfs.
--O, heerlijk, heerlijk, juichte Elly, terwijl ze in een jubeling de
trap afging.
Mevrouw van Weelen bleef even in gedachte staan voor den spiegel,
terwijl ze een vaag bewustzijn had van het zien van zichzelf.
Ze leefde als bewust bewusteloos, ze hoorde en ze zag de dingen een
oogenblik en tegelijkertijd voelde ze toch de gewaarwordingen alsof
ze er zelf buiten stond.
Buiten klonk plotseling geluid van voorbijratelende wielen. Met een
schok joeg het in haar op dat ze moest voortmaken. Beneden hoorde ze al
de klok slaan. Vlug nu het zwart-grenadinen met champagnekleurige-zijde
gevoerde kleed aangetrokken.
Op den stoel bij haar handschoenen en waaier lag een donkerroode
roos. Even hield zij ze tegen haar borst, dan met een vlug grillig
gebaar wierp zij de bloem in de lampetkan.
--Geen rozen.... geen rozen....
Het aantrekken van haar nieuwe handschoenen ging sarrend langzaam
en al heviger werd haar onrust om het telaat komen. Alles gloeide
in haar aan. De inspanning bracht een fijn kleurtje op haar wangen,
dat haar een blosje van schijnjeugd gaf.
Ze zag zichzelf even angstig weer in den spiegel, bedonsde zich nog
vluchtig met haar houppe en viel toen zuchtend neer op een stoel.
Ze had niet kunnen denken, dat haar de emotie van uitgaan zóó weer zou
aangrijpen, zóó een haar innerlijk verbrandende onrust in haar opjagen,
die dwars door den gloed van haar herinnering heen schreed. Toch
wilde zij zich goed houden voor Elly.
Ongestoord moest dat kind genieten van haar eerste geluk.
Wel verdwaasde dat woordje tot een leeg gestamel van woorden in
haar hoofd.
Geluk?
Ze lachte even zacht als een zieke, die onbewust het valsch
opdringerige meelij achter troost-praatjes voelt.
Jaren geleden had ze hier gestaan voor dezelfde psyche, omwolkt in
den goudgloed van haar illusies.
Toen had ook zij hare entrée gedaan in de wereld, om haar heen louter
weelde en bewondering, een kleurige avond van volzalig geluk en een
geruisch van beloften en van schoon toekomstleven om haar heen.
Ze zag alles weer duidelijk als in een visioen en toch als klare
werkelijkheid. Ze hoorde weer een naam die al zoo lang achteruit was
geschoven in haar herinnering.
O, wat kon de enkele eenzame klank van een naam weer een gedachtengroep
optooveren, weer het leven terughalen uit de duisternis van een
afgestorven smart.
Wat een wondere avond was het geweest, toen Varennes, de Fransche
attaché, haar boven die allen verkozen had, haar openlijk zijn hulde
had gebracht.
Ze had er niet van kunnen slapen dien nacht. Ze had niets anders gezien
dan den mooien donkeren man, die in haar levenslijn was getreden. Ze
had voor niets anders oor dan voor den zoeten klank van zijn stem en
voor niets anders oogen dan voor het ranke mooie van zijn gestalte.
Van zijn kant had hij haar overweldigd met koesterend gevlei en
bedwelmd met hartstochtelijke liefde-uitstorting.
In de schoonste bloemen die hij haar zond wou hij een liefdetaal
van kleuren uitspreken en in de kostbaarste geschenken iets leggen
van zijn essentieelst gevoel voor haar, iets geven van zijn diepsten
hartstocht en van zijn innigste vereering.
Al kort na hun kennismaking werd hij teruggeroepen naar zijn land,
was door deze plotselinge scheiding dadelijk een groote levenssmart
over haar heengegaan.
Varennes niet meer te zien, den zang van zijn stem niet meer te hooren,
leek haar ophouden te leven.
Al was hij weg, ver van haar af, toch bleef in haar doortrillen
zijn gloeiende hartstocht, zijn liefde die de ziel van haar toen
nog onervaren meisje had meegesleurd in een oppersten roes van
geluksbedwelming.
Hij had haar beloofd terug te komen, heel, heel spoedig. Hij schreef
haar ook wel een enkelen maal. Maar in den toon van zijn brieven klonk
een stroeve teruggetrokkenheid, een zich willen losrukken van iets,
dat hem lastig was geworden.
Met vrouwelijke intuïtie en een onbewust fijn doorschouwen had ze
dadelijk gevoeld hem te hebben verloren.
Met een schrik in haar ziel werd zij zich dat plotseling bewust. Er
brak iets in haar als een instorting. Er stierf iets in haar klachtloos
en heel diep van binnen; er sluimerde een rouwsmart over haar heen,
die alles in haar vervaalde....
Een jaar later was ze getrouwd met Van Weelen, wien ze haar levensleed
had uitgezegd en die haar daarna toch een troost wilde zijn. Vóórdat
Elly echter geboren was, stierf hij aan de tering.
Dat was haar tweede groote smart.
Ze had Van Weelen geacht om zijn zuivere genegenheid en zijn
onbaatzuchtigen troost. Ze had hem nooit lief gehad met een bedwelming
van haar eerste verrukking voor Varennes.
Maar toen hij gestorven was, bleef er iets in haar ziel weenen,
ook lang nadat Elly ter wereld kwam.
De goede zachte genegenheid en de stille bescheiden omkoesterende
liefdevereering van Van Weelen voor háár, de vrouw al eens gebroken
door verleidingsgepraat, bleef langer in haar droeven dan de herdenking
aan het bedrog van Varennes zelf.
Er was nog later een stille berusting in haar opgebloeid, een passief
aanstaren van het leven, dat in schijn van woeste grilligheid ieder
van zijn schepselen een anderen kant uitdrijft, zonder dat het kleine
menschenverstand bij machte is te vatten het doel en in stamelende
ontzetting maar steeds vraagt waarom? Waarvoor dat alles?
Zoo schreide haar stille smart in de eenzaamheid van haar gewillige
berusting, voelde ze slechts één sterken drang in haar leven, zich
te wijden aan het kleine lieve kindje, dat nog was als een materieele
verbinding tusschen haar en haar gestorven man.
Zoo waren de jaren over haar heengegaan in die passieve onderwerping,
in die zachte en doezelige apathie, die haar geen schokken en geen
emoties meer bracht.
En nu plots een twintig jaar later, nu ze haar eigen Elly, haar
lieveling voor het eerst de wereld in zou sturen, nu was plots dat
verleden leven opengebroken onder het felst herinneringslicht.
Nu zag ze Varennes staan, dien donkeren mooien man, met z'n trotsche
gestalte, z'n heerschend gebaar, z'n hartstochtelijke oogen.
Nu hoorde ze weer den zoeten klank van z'n stem. Nu kwam weer op haar
af dat aandoenlijk-angstige geruisch van beloften en toekomstidealen,
voelde zij zich plots weer in die zalige duizelige verrukking van haar
eerste liefde voor hem, voelde ze weer z'n gloeienden adem branden
op haar wang en zag ze weer den gloeienden hartstochtbrand van z'n
diepe oogen op haar toevlammen.
Het was haar alsof ze onder het gefluister van z'n liefdestem weer
duizelde in den trillenden weemoed van haar verlangen, alsof hij haar
daar plots zou omhelzen en wegvoeren, ver, ver buiten de wereld.
Hoe had zij zich op dit uur, waarop zij niets anders te doen had dan
haar kind te begeleiden en geluk te geven; hoe had zij zich zóó kunnen
laten aangrijpen, door iets dat ze al zoo lang dood had gewaand in
haar ziel!
Ze rilde en beefde en tòch sidderde in haar ziel de wil om zich te
beheerschen, goed te houden voor haar lieveling.
In de straat daverde een rijtuig aan, dat stil hield voor de deur.
Ze schrok òp.
Weer bezag zij zich in den spiegel. Haar opwindingskleurtje was
weggetrokken.
Nu herkende zij zichzelf weer beter in den matbleeken ernst van haar
versmartelijkt gezicht.
--Moes, moes, komt u, het rijtuig is voor?
--Ja, ja, kind, ik kom, ik kom.
Langzaam ging zij de trap af, luisterend naar het fluisterend frou-frou
van haar kleed.
In zichzelf flitste nog even de gedachte, dat ze er toch nog jong
uitzag, dat heur haar nog mooi blond was gebleven, en dat het leed,
dat jaren en jaren haar innerlijk doorknaagd had, haar van buiten
niet had aangetast.
Ze was iets voller geworden, maar ze leek toch meer een oudere zuster
dan een moeder van Elly.
Ze begreep zelf niet waarom ze met zooveel vreugde in zich dat
herdacht.
Was haar vrouwelijke ijdelheid dan nog niet dood na zooveel leed en
zooveel vereenzaming?
Ze durfde zichzelf daarop niet antwoorden, want diep, diep in haar
bleef onder misleidend zelfgepraat een vreugde trillen, dat ze toch
mooi was en jong en telkens kwam in een geheimzinnige gevoelswerking
weer vóór haar staan Varennes, de donkere mooie man.