I.

Ze had uren zitten droomstaren, zoo maar stil voor zich uit. De

kleine roode vlammetjes in grillige uitpunting, speelden tegen de

dof-glimmende mika-ruitjes van de vulkachel.

't Was of haar ziel die vlamsprongetjes en den spelenden rondedans

der lichtjes meehuppelde. 't Dartel gedans van vlammetjes, opduikend

en wegploffend, in gloed en bleeke glanzen, haar ziel lokkend naar

het geheimzinnige gegloei van dit toovergrillige vulkaantje.

Ze keek uit het raam, waar in den grijzen mist van wintermiddag

wat menschen voorbijgingen, een vlug, een ander met sleurigen

tred. Decemberwind bolderde rond, joeg het mistige genevel in golverig

grijs door de straten.

Emilie bleef turen en droomen in de druilige mistsfeer, wachtend in

spanning den klank van de huisbel op dit uur; want dadelijk daarna

stortte een jubellach door de gang, de lach van haar kind, die haar

deed opschrikken van geluk.

O, hoe kon zij zich nu nog verkneuteren in het reeds jaren

voorbije gevoel en de voorstelling van twee kinderarmpjes, die

zich plots knelden om haar hals, warm en met een hartstochtelijke

kinder-innigheid; als ze dan dadelijk daarop voelde het zachte

kindermondje dat haar zoende en dan eindelijk het heele guitige kopje

van haar dochtertje, vlakbij haar eigen gezicht, bekeek, 't kopje,

dat haar tegenlachte met een onbezonnen jubel en een vroolijke

onbezorgdheid, die haar eigen somber gepeins en haar wroeten in

donkere herinneringen heelemaal verdrong.

Door de jaren heen was ze grooter en volwassener geworden, haar kind,

haar Elly; maar in haar eenzaam leven wachtte ze toch altijd op één

uur: de klank van de huisbel, niet lettend op de rijpwording van

het jonge kind, met een innige overgave gehecht aan haar omarming,

haar kussen en haar zonnige vroolijkheid....

Over enkele dagen zou Elly achttien jaar zijn. Zonder dat ze goed

wist waarom, bracht het denken daaraan een groote ontroering in haar.

Elly achttien jaar!

Emilie kon het zich niet indenken. Ze begreep niet wat dat zeggen wou.

Elly, dat kleine kind, met de warme, haar hals toeknellende armpjes,

met het snaterende kindermondje, met dat kristaljubelende lachje,

achttien jaar.

Ze keek weer uit het raam, tuurde in den fijnen neveligen mist. Zoo

grauw, zoo grijs-stil was het nu ook in haar binnenste, zoo droef en

zoo lichtloos haar gedachten.

Elly achttien jaar! Dat dartele stoeiende kindje....

Over een paar dagen zou ze naar een bal gaan, zou ze voor 't eerst

het groote leven ingestooten worden, zou ze de schittering en de

weelde zien en ondergaan, de bedwelming en het koortsige geluk van

het eerste uitgaan.

O! als ze nu dacht aan zichzelf, aan haar eigen jeugdleven, aan de

zacht-soezige bedwelming en verrukking, die ze zelf had ondergaan.

Achttien jaar, háár Elly.... nu geen kind meer, met lief gebabbel en

schertsend gestoei.

Ze zou het leven en de wereld ingaan en wat met haar gebeuren ging

bleef nog een groot geheim. Dat maakte haar juist zoo bang.

Daar hing haar witte balkleedje, waaraan zij zoo hard gewerkt had. Als

een liefkoozing wolkte de ijle witte doorzichtige stof. En nu al zag ze

het ranke lijf, de tenger-mooie gestalte van Elly er zich in bewegen.

En ook zag ze vóór haar, zoo klaar alsof het in werkelijkheid gebeurde,

de bewondering, die ze overal opwekte. Dan lachte ze in zichzelf

van geluk, en dan plots kreeg ze een smartgevoel, iets dat scheurde

tusschen haar geluk en haar leven. Ze had haar kind hartstochtelijk

lief. Elly was alles voor haar. Ze groeide in Elly's jubel en ze

genoot van haar schoonheid.

Ze vond het heerlijk dat de menschen haar meisje bewonderden om haar

lieftalligheid en haar bevallige verschijning, en toch wrokte er iets

in haar, als ze het kind zoo hoorde adoreeren.

't Was de onuitgesproken, maar in haar hersens knagende angst, dat ze

niet alles zou blijven voor het kind, dat ze verdrongen zou worden

door attenties van anderen, vooral attenties van jonge mannen, die

haar het hof gingen maken. 't Denken aan die mogelijkheid bracht een

hitte in haar gedachte, die haar gek maakte van benauwing. Dan suste

ze haar eigen onrust door honderd keeren tot zichzelf te zeggen,

dat zoo iets niet kón, dat Elly haar nooit missen wou omdat hun

zieleleven, hun belangen, hun voelen en hun innigste intimiteit met

fijnste vezelen was ineengeweven,

Neen, ze mocht niet jaloersch zijn, ze mocht om haar denkbeeldigen

angst het kind niet buiten een wereld van heerlijk jeugdgenieten

sluiten.

Want hoe trotsch zou ze niet zijn op haar kind, als ze zich daar

bewoog in die mondaine kringen, zoo subtiel en zoo rank, met al de

frischheid van een jeugd-meisje en een naïeve coquetterie van een

half bedwelmd kind, dat voor het eerst dien stroom van wereldsche

genietingen op zich voelt aanbruisen. O, wat zouden al die andere

menschen haar benijden, als ze moesten aanzien, met stijf verwrongen

mond, dat op dàt bal, háár Elly 't mooist, 't bevalligst was; en in

de gracelijke ijlheid van haar fijne witte kleed daar zou opwasemen

als een blank nimfje uit een sprookje op een kleurgloeiend avondfeest.

Neen, geen jaloezie erover, dat de wereld haar kind zou wegnemen.

Maar wat dan was 't, dat zoo knaagde en chagrijnde in haar

binnenste! 'n Wrevelige angst, misschien een voorgevoel?

Ze lachte nu in zichzelf.

Plotseling kreeg ze een rust in haar gedachten, begreep ze iets van

het telkens haar ontglippend angstgevoel.

Ze had in het jagende zoeken naar de oorzaak iets begrepen.

't Flitste door haar heen de gedachte, dat nu ook zij voor het

eerst, na jarenlange afzondering en droeve levensvereenzaming weer

de wereld intrad.

Hoe drong haar verbeelding weer innige herinneringen op; levensstoeten

van jeugd, liefde en geluk. En dan plots daartusschen-in 't donkere

stille onzeglijke droeve gezicht van de smart, de smart, die haar nu

jaren en jaren zoo al stil bestaarde.

Balmoedertje · 第 7 / 24 题