In een koloniaal blad vertelt een oude Kongo-soldaat de geschiedenis
van zijn zwarten knecht Musso.
Musso was een zeer bewegelijke jongen, een heel geschikte,
veertienjarige knaap, waarvan zijn meester groot pleizier had.
Musso leerde heel spoedig het geweer grondig schoonmaken, zoodat de
kogel op geen enkel stofje stiet.
Verder leerde Musso knoopen te naaien aan een wit linnen buis en hij
deed dat zoo handig als de beste kleermaker.
Musso kon laarzen repareeren, een gebarsten ketel soldeeren,
vogelstrikken vlechten, om kort te gaan, hij verstond de kunst om alle
mogelijke knutselwerk te verrichten en was daardoor een groote steun in
de huishouding van zijn heer.
Toen viel Musso een buitengewone eer ten deel.
Hij werd naar de keuken gestuurd en daar zou hij van een eenvoudig
knechtje worden bevorderd tot kok.
Maar sinds den dag van zijn geweldige bevordering werd hij bedroefd.
Terwijl hij de blikjes met conserven openmaakte, huilde hij als een
waakhond.
Hij keek zelfs niet vroolijk, toen hij al de mooie bonte, vroolijke
plaatsjes zag, waarmede de fabrikanten der geconserveerde vleezen en
groenten de blikjes hadden versierd.
Die plaatjes stelden allerlei aardige, lieve en soms ook leelijke,
plompe dames voor.
Er waren ook blondgelokte engelenkopjes op de busjesplaatjes gekleefd.
De Kongo-soldaat dacht, dat Musso schreide en huilde en lamenteerde uit
louter bescheidenheid. Hij meende, dat Musso bang was, de
verantwoordelijkheid van kok aan te nemen en zijn verdriet en boosheid
telkens weer luchtte in veel tranen en luide jammerklachten.
En hij riep den jongen bij zich en sprak tot hem op bemoedigenden toon:
„Kom, jongen, wees niet laf, je zult dat beetje braden en bakken wel
gauw genoeg kunnen. Zet je ooren maar flink open en kijk goed uit je
doppen, dan zal het wel gaan!”
En Musso werd na deze vriendelijke, opbeurende woorden naar de keuken
teruggestuurd.
Maar terwijl de opperkok hoe langer hoe dikker, hoe langer hoe ronder
werd, kwamen de akelige, magere knokels steeds meer door Musso’s vel
steken.
Werktuigelijk en met totale afwezigheid van gedachten maakte hij de
blikjes met groenten en met geconserveerd vleesch open.
Zorgvuldig weekte hij de bonte plaatjes los aan het blik.
Hij bewaarde ze zorgvuldig, bekeek ze nauwkeurig en begon telkens
opnieuw te huilen of het klaarlichten dag of wel midden in den nacht
was.
Maar zijn meester stoorde zich er niets aan en Musso moest kalm bij den
kok in de leer blijven.
Op zekeren dag was de geheele blikjesvoorraad opgebruikt.
Toen viel Musso zijn heer te voet.
Hij sloeg de armen om de knieën van zijn meester en smeekte:
„Alstublieft—Och—alstublieft—lieve—lieve—meester—laat—mij—niet—
slachten!—Toe—laat—mij—niet—slachten!”
De Kongosoldaat keek zijn knechtje in de grootste verbazing aan.
Toen vroeg hij:
„Maar jongen, wat heb je! Ben je gek geworden?”
En Musso begon opnieuw te weeklagen:
„Musso niet gek!— —O, neen—Musso heelemaal niet gek!— —Musso heel goed
weet, heer Musso slachten wil— — —om Musso te eten, als menschen in
blikjes!”
En hij haalde uit zijn koksboezelaar al de zorgvuldig opgespaarde
papiertje te voorschijn en jammerde luid:
„Allemaal dood— — —Dood en in stukken gesneden— — —en in busjes
verpakt!— — —Musso niet zoo wil—niet zoo dood—lieve—lieve—
meester—alstublieft!”
Nu ging den Kongosoldaat een licht op.
Hij begreep dat Musso gedacht had, dat al het geconserveerde vleesch in
de blikjes van geslachte menschen afkomstig was. En opdat die
beestachtige Europeanen echt lekker konden genieten, bekeken ze met het
grootste welgevallen, voordat ze aan den maaltijd gingen, eerst nog
eens de portretten van de slachtoffers die naar hun maag gingen
verhuizen.
De arme jongen kon maar heel langzaam van den geweldigen schrik
bekomen, die hem had aangegrepen maar er verliepen nog eerst
verscheiden dagen, voordat hij niet meer voor zijn leven vreesde.