JOHN C. RAFFLES.”

Een paniek ontstond onder de gasten, toen zij vernamen, wie de

vermeende graaf Von Leutomischel, de kamerheer van den koning van

Servië, was geweest.

„Maar hij heeft mij toch, in opdracht van den koning van Servië,

ridderorden gebracht!” sprak Mr. Piek.

„Laat eens kijken,” verzocht inspecteur Baxter.

Hij bekeek de ordeteekens op de borst van den biscuitfabrikant en

antwoordde:

„Van dat soort kunt gij bij elken winkelier, die cotillonorden

verkoopt, zooveel krijgen als gij wilt.”

„Ah!” kermde Mr. Piek, „en ik heb er duizenden voor betaald.”

Miss Ethel Prince had intusschen de kamers der villa doorzocht om te

onderzoeken, waar Raffles gebleven was.

Niemand kon het haar vertellen.

Het was, alsof hij door de lucht was weggezweefd.

In werkelijkheid echter was hij, zoodra de kamer donker was geweest,

zachtjes door de portiere de aangrenzende kamer binnengeslopen, waar

hij een venster had geopend.

Daar men zich gelijkvloersch bevond, was het hem zeer gemakkelijk

gevallen, op straat te komen.

Het was eenige dagen na de soirée bij Mr. Piek.

Raffles zat met Charly Brand aan het ontbijt in zijn „vossenhol”.

Vanuit de ramen kon hij de geheele chaussee langs kijken, welke weg van

zijn landhuis naar het spoorwegstation leidde.

Hij had een sigaret aangestoken, was bij het open venster gaan staan en

keek naar buiten.

Plotseling keerde hij zich om naar Charly Brand en sprak:

„Geef mij mijn verrekijker eens.”

De secretaris haastte zich, het gewenschte voorwerp te krijgen.

Eenige oogenblikken keek de groote onbekende door den kijker naar den

straatweg, waarop zich kleine stofwolken bewogen in de richting der

villa.

„Wij krijgen bezoek, Charly!” klonk het uit Raffles’ mond. „Ik zou niet

weten, waarheen de vier auto’s, die ginds aankomen, anders zouden gaan.

„Buren hebben wij niet.

„Ik denk, dat het mijn vriend Baxter is met Miss Ethel Prince, die mijn

vossenhol hebben ontdekt.

„Allright—zij mogen komen.

„Ga hun, als mijn huisbewaarder, bij de deur tegemoet, ontvang hen en

geleid hen door alle vertrekken. Laat ze zoeken, totdat ze groen en

geel zien.”

„Wat ga je doen? Heb je een plek, waar je je kunt verbergen?”

„Neen,” antwoordde Raffles, „daarop ben ik hier niet ingericht.

„Maar toch verwed ik tien pond tegen een pruimepit, dat die speurhonden

der politie mij niet zullen ontdekken, hoewel ik dicht bij hen zal

zijn.”

„Hoe wil je dat doen?”

„Ik heb nu geen tijd, je dat uit te legen. Binnen vijf minuten moeten

zij hier zijn. Ik moet dus handelen.

„Als zij je vragen, waar ik ben, zeg dan, dat ik op reis ben naar

Griekenland.”

„Naar Griekenland?”

„Ja, naar Athene, naar het oude Griekenland—en verontschuldig mij nu—”

Lord Lister verliet de kamer, terwijl Charly Brand voor het venster

ging staan en door den kijker naar de naderende auto’s keek.

Een paar minuten later hadden deze „het vossenhol” bereikt.

Charly Brand telde twintig detectives en verscheiden agenten in

uniform, die onder leiding waren van inspecteur Baxter en Miss Prince

en die, keurig in het gelid, op de kleine villa aanrukten.

Spoedig hadden zij het landhuis aan alle kanten omsingeld. Het was ten

eenenmale onmogelijk, het huis te verlaten.

De breede deur der vestibule stond open, toen inspecteur Baxter en Miss

Prince binnentraden.

Charly Brand en de oude kamerdienaar gingen de bezoekers tegemoet en

vroegen, wat deze wenschten.

„Dat weet gij evengoed als ik!” schreeuwde Baxter, „wij zoeken uw

vriend. Dezen keer zal Raffles ons niet ontsnappen. Wij weten, dat hij

zich hier in huis bevindt.”

„Wien zoekt gij?” vroeg Charly Brand met goedgespeelde verbazing.

„Raffles!” schreeuwde Baxter. „Wilt gij ons soms voor den gek houden en

beweren, dat gij hem niet kent?”

„Het spijt mij,” antwoordde Charly Brand, „ik zou niet weten, wat die

man in mijn landhuis te doen had. Maar als gij er lust in hebt, zoek

dan.”

„Dat zullen wij doen,” riep Baxter uit, „en wij zullen hem vinden.”

Daarop beval hij de hem vergezellende detectives:

„Vooruit, mannen! Alle vertrekken moeten worden doorgekeken, goed

opgelet, of gij geheime deuren vindt, alle schilderijen afgenomen, de

schoorsteenen onderzocht, de tapijten opgenomen!”

„Gij vergeet, de behangsels van de muren te laten nemen,” spotte

Marholm, „misschien zou het Raffles zeer aangenaam zijn, op onze kosten

nieuwe wandbekleedingen te krijgen.”

„Gij wilt mij weer nerveus maken,” schreeuwde Baxter, „houd uw

opmerkingen voor u, de zaak is te ernstig.”

Lord Lister No. 0034: De kamerheer van den Koning van Servië · 第 22 / 25 题