BAXTER.”

„Eindelijk een spoor,” jubelde miss Prince, „als Raffles zich werkelijk

in het huis van Mr. Piek bevindt, dan kan hij mij niet meer ontkomen.”

De gasten van den biscuitfabrikant waren met het zeiljacht in Londen

aangekomen en zij hadden hem beloofd, tegen zes uur bij hem te komen

dineeren.

De fabrikant gebruikte dezen tusschentijd om door middel van ijlboden

zijn vrienden uit te noodigen. Zij moesten allen zien, welke voorname

gasten hij had.

Reeds tegen vijf uur hielden voor de prachtige villa, die Mr. Piek in

Westend bezat, talrijke rijtuigen stil en de zalen van het gebouw, dat

bijna een paleis genoemd kon worden, vulden zich met gasten.

Niemand lette op Miss Ethel Prince, die, zonder uitgenoodigd te zijn,

zich onder de aanwezige gasten bevond en zich zeer ongegeneerd bewoog,

als behoorde zij tot hen.

Even over zessen traden Raffles en Charly Brand binnen.

Als een koning te midden zijner hovelingen zoo liep de groote onbekende

door de rijen der gasten, die zich aan weerszijden hadden opgesteld en

aan elk der aanwezigen werd hij door den biscuitfabrikant met al zijn

titels voorgesteld.

Er bevond zich geen enkele aristocraat onder de gasten; het waren de

rijkgeworden bakkers en slagers van Londen, die met hun vrouwen waren

gekomen en die vervuld waren van eerbied jegens den kamerheer van den

koning van Servië. Zij durfden nauwelijks adem te halen.

Raffles glimlachte ironisch, toen hij het eerbiedige gekruip dezer

parvenu’s om hem heen zag.

Hij verachtte zijn geheele gezelschap, alleen de vrouw van den

biscuitfabrikant interesseerde hem omdat zij het tegendeel was van haar

omgeving.

Zij paste in het geheel niet in den kring van deze menschen.

Zij was zijn tafeldame en na het diner, toen het gezelschap zich in den

wintertuin verzamelde, sprak zij, op een gesprek terugkomende, dat aan

tafel in haar nabijheid was gevoerd:

„Ik zou gaarne van u willen weten, Excellentie, of gij de meening der

andere heeren deelt, dat een misdadiger altijd een slecht mensch moet

zijn.”

„Hoe komt gij aan deze vreemde vraag?”

„Ik hoorde aan tafel over Raffles spreken en een der gasten beweerde,

dat hij een edel mensch moet zijn. Nu begrijp ik niet, hoe men

tegelijkertijd een misdadiger en toch een edel mensch kan zijn. De

couranten vertellen soms wonderlijke dingen omtrent hem. Ik zou

werkelijk graag eens een onpartijdig oordeel over hem hooren.”

De aanwezigen luisterden vol belangstelling, wat Zijne Excellentie over

Raffles zou zeggen.

Niemand vermoedde, dat het de groote onbekende zelf was, die het

antwoord zou geven.

Alleen Miss Prince was verborgen achter een reusachtigen palm en loerde

naar hem als een roofdier naar zijn prooi.

Zij wachtte op het binnenkomen van inspecteur Baxter om hem gevangen te

nemen.

Op haar eigen verantwoording durfde zij een dergelijken stap niet te

doen.

Raffles maakte een lichte hoofdbeweging en sprak:

„Ik weet niet, of ik u over dezen persoon iets bijzonders kan zeggen.

Ik geloof dat, wanneer wij, de burgerlijke maatschappij, of de

regeering, een lid van deze maatschappij als misdadiger beschouwen en

straffen, dit eigenlijk niets anders is dan de overmacht van velen

tegenover een enkelen. Hij moet zich den naam „misdadiger” dan laten

aanleunen.

„Hiermede is geenszins bewezen, dat de meerderheid steeds nobel denkt

en dat de persoon, die zich tegen die meerderheid verzet, een slecht

karakter heeft.

„Integendeel!

„Als men de levensgeschiedenissen van beruchte misdadigers verneemt,

komt men tot de overtuiging, dat zij dikwijls strijd hebben gevoerd

tegen personen, die, wat hun karakter betreft, verreweg hun minderen

waren.”

Een Londensch advocaat, een even ijdel en met zichzelf ingenomen man

als de biscuitfabrikant, sprak:

„Een eigenaardige philosofie, Excellentie. Gij zoudt een geniale

verdediger van alle misdadigers zijn.”

„Dus een goed advocaat,” viel Charly Brand hem in de rede.

Maar Raffles vond deze verbetering niet goed.

„Sta mij toe, heer advocaat, dat ik u corrigeer. Gij verwart misdadiger

met spitsboef, brutaliteit met slechtheid. Ik spreek alleen van

misdadigers.”

„Dat verschil begrijp ik niet,” antwoordde de advocaat.

„Dan zal ik het u uitleggen,” antwoordde Raffles, „en wel in den

persoon van onzen gastheer, van onzen waarden Mr. Piek.”

„Oho!” riep de biscuitfabrikant uit, „ik ben nog nimmer met misdadigers

in eenige aanraking geweest.”

Allen lachten.

Alleen Raffles niet.

„Gij zijt, voor zooverre ik weet,” vervolgde hij tot Mr. Piek,

„leverancier van meel voor ons leger.”

De biscuitfabrikant wierp het hoofd vol trots achterover, wees met zijn

rechterhand op de rij ordeteekenen en sprak:

„Ik ben er trotsch op, het meel voor ons leger te leveren en in het

bezit te zijn van al deze bewijzen van verdienste.

„Ja, zelfs onze vijanden hebben mij hun onderscheidingen geschonken.”

Een vroolijk lachje gleed over Raffles’ gelaat:

„Dit laatste is zeer zeker een doorslaand bewijs van uw groote

verdiensten als leverancier aan ons leger. Onze vijanden moeten veel

aan u te danken hebben.”

„Dat kan ik door vijf ordes bewijzen.”

Raffles antwoordde:

„Ik weet het uit de lijsten der gestorvenen.”

Alle aanwezigen lachten behalve Mr. Piek.

Zijn ijdelheid was plotseling een slag toegebracht. Voordat hij nog

iets kon zeggen, vervolgde Raffles:

„Laat ons aannemen, dat gij inplaats van goed tarwemeel een surrogaat

levert, bestaande uit het allerslechtste meel, vermengd met krijt, dan

zoudt gij tegenover de soldaten, die ziek werden door het verbruiken

van dit voedsel, een misdadiger zijn, omdat het van een slecht en

gemeen karakter getuigt, zijn medemenschen in hun gezondheid te

benadeelen.

„Een dergelijke handelwijze pleegt alleen een fielt, een spitsboef!”

Het gelaat van Mr. Piek was purperrood geworden. De aderen op zijn

voorhoofd zwollen op als dikke koorden en hij had het uiterlijk

gekregen van een getergde kalkoen.

„Ik verklaar op mijn woord van eer, dat nog geen enkele soldaat van

onze armee zich ooit over mijn meel heeft beklaagd.”

John Raffles lachte hartelijk en, Mr. Piek nog een laatsten veeg uit de

pan gevend, sprak hij:

„Omdat zij allemaal gestorven zijn.”

De fabrikant, die nog iets wilde antwoorden, werd daarin gestoord door

de zoete, welluidende tonen van een orkest en zijn vrouw noodigde de

gasten uit, zich naar de muziekzaal te begeven.

Op weg daarheen merkte Raffles de vrouwelijke Amerikaansche detective

op, die op hem loerde.

Zonder met de oogen te knippen, keek hij haar eenige seconden aan en

geen trek op zijn gelaat deed vermoeden, dat hij haar had herkend.

Het gelukte Raffles, Charly Brand met een paar woorden omtrent het

dreigende gevaar in te lichten en hem te bevelen:

„Verlaat onmiddellijk het huis.”

Hij zelf bleef koelbloedig te midden der gasten en wachtte de dingen

af, die zouden komen.

Het sloeg reeds twaalf uur, de detective keek onophoudelijk met

zenuwachtigen blik naar de deur en Raffles, die haar onopgemerkt

bespiedde, begreep hieruit, dat zij iemand verwachtte.

Waarschijnlijk zijn vriend, inspecteur Baxter van Scotland Yard.

Plotseling kwam hij op een allerdolsten inval.

Hij haalde zijn horloge te voorschijn en sprak tot Mrs. Piek:

„Het is het uur der geesten, mevrouw, gelooft gij aan spiritisme?”

„Neen,” lachte de dame, „ik geloof niet aan dergelijke zaken.”

„Maar ik wel,” mengde zich de advocaat in het gesprek, „wij hadden

verleden week eenige interessante séances bij den ouden professor

Landmann.”

„Wel, ik ben in staat, eenige geesten op te wekken,” sprak Raffles.

„Willen de dames en heeren eens kippevel hebben?”

„Ja! Ja!” riepen allen.

„Allright, laten wij dan allen rondom de groote tafel plaats nemen, de

handen tegen elkaar leggen en de tafel laten dansen.”

„Dat is geen groote kunst,” vond de advocaat. „Wij hebben op de laatste

séance de geest van Richard III opgeroepen.”

„Hebt gij hem gezien?” vroeg Mr. Piek.

„Ja,” antwoordde de advocaat, „hij liep midden door de kamer en was zoo

dichtbij mij, dat ik hem kon grijpen.”

„Voor den drommel!” riep een jonge bankier uit, „ik zou hem hebben

vastgehouden om hem ten toon te stellen. Dat zou u een hoop geld hebben

opgebracht.”

„Wanneer gij geesten wenscht te zien, dan kan ik u ook daarmee van

dienst zijn,” sprak Raffles. „Gij moet mij echter beloven, geen geluid

te geven, opdat gij mijn medium niet stoort.”

Miss Ethel Prince zou het liefst dat wat Raffles van plan was, hebben

verhinderd.

Zij vermoedde, dat hij iets met haar zelf voorhad.

Raffles draaide het licht uit en verzocht den aanwezigen, elkaars

handen vast te houden.

Het was zoo donker, dat men elkaar niet kon zien.

„Het zal eenige minuten duren,” sprak hij. „Wij moeten geduldig

wachten.”

Miss Prince had haar revolver in de hand genomen.

Zij vreesde een aanslag op haar leven.

In gespannen verwachting zaten de gasten rondom de tafel te wachten op

hetgeen zou gebeuren.

De seconden schenen hun uren te zijn.

Plotseling vernam men in het aangrenzende vertrek de stem van

inspecteur Baxter, die tot Marholm zei:

„In die kamer!”

Een oogenblik later snelden Marholm en Baxter de donkere kamer binnen

en de verschijning dezer twee personen, verlicht door de lampen der

andere kamer, ontlokte den aanwezigen een kreet van angst.

Zij meenden inderdaad, geestverschijningen te zien.

Miss Prince was uit haar schuilhoek te voorschijn gekomen en met den

uitroep:

„Gelukkig, dat gij eindelijk zijt gekomen!” draaide zij het licht weer

op, om zich op Raffles te storten.

Verschrikt deinsde zij terug—de stoel, waarop de groote onbekende had

gezeten, was leeg en geen enkel spoor verried meer zijn aanwezigheid.

In plaats daarvan lag een briefje op tafel, waarop geschreven stond:

„Ik heb mij gedematerialiseerd. Veel groeten aan Miss Prince en Mr.

Baxter.

Lord Lister No. 0034: De kamerheer van den Koning van Servië · 第 21 / 25 题