snellen, aangegrepen door een wilde paniek, waanzinnig van ontzetting,
en niet langer in staat om weerstand te bieden.
Nu zij hun geschut kwijt waren, schenen de troepen eensklaps door
ontmoediging te zijn aangegrepen en de zaak als verloren te beschouwen.
Na de infanterie kwamen afdeelingen van den trein, die in woesten galop
door de straten joegen en waarvan de bestuurders als waanzinnig op de
paarden losranselden.
En nu werden ook eensklaps de bewoners van het dorp door verbijstering
en schrik aangegrepen!
Het zou niet lang duren, of de steeds dichterbij neervallende granaten
zouden hun woonplaats bereikt hebben!
Maar de Witten schenen te begrijpen, dat zij zooveel mogelijk de
plaatsen moesten sparen, waar lieden woonden, die hun zaak waren
toegedaan en daarom spaarden zij het dorp.
Hun cavalerie, ter sterkte van ongeveer een half regiment, zou de
vervolging op zich nemen en de gedemoraliseerde troepen geheel
uiteenslaan.
Reeds kwamen in snellen galop de ruiters aanrennen en hun sabels
blonken in het licht van de zon, die nog niet lang boven de kim stond.
Raffles en zijn drie metgezellen hadden hun observatie-post niet
verlaten, toen het geschutvuur begon te zwijgen, want zij wisten wel,
dat de Rooden er niet aan konden denken, onder deze omstandigheden
stand te houden!
Nog telkens kwamen er vluchtelingen voorbij en door zijn kijker kon
Raffles waarnemen, hoe de Rooden bij troepjes tegelijk werden gevangen
genomen, en zelfs meende hij te zien, hoewel hij het niet zeker durfde
zeggen, dat zij bij tientallen tegelijk op de plaats zelve werden
gefusilleerd.
Met bleek gelaat bleven de mannen toezien, toen zij zoo ongedacht
getuigen waren van een tooneel uit den vreeselijken burgeroorlog.
„God geve, dat ons land hiervoor gespaard blijve!” zeide Charly met
bevenden stem. „Het is afschuwelijk.”
„Ja Charly, dat is het!” zeide Raffles op ernstigen toon. „En het
ergste is, te bedenken, dat dit alles tot niets leidt, dat het geen nut
hoegenaamd heeft, omdat alles toch, in eenigzins gewijzigden vorm
misschien, bij het oude zal blijven!”
Daar kwam reeds de ruiterij der Witten voorbij stormen, die den weg
volgde, welke langs den voet van den hoogen heuvel liep en even later
was zij tusschen de huizen van het dorp verdwenen.
Maar een afdeeling infanterie rukte aan en begon den heuvel te
beklimmen vanwaar men het geheele dorp gemakkelijk kon overzien, en die
dus een voortreffelijk strategisch punt opleverde.
De afdeeling stond onder bevel van een luitenant en deze was niet
weinig verbaasd, toen hij daar op den heuveltop vier mannen aantrof,
waarvan er drie oogenschijnlijk vreemdelingen waren, die daar zoo
rustig stonden toe te zien, alsof zij getuigen waren van een
bioscoopopname in plaats van een gruwelijk gevecht!
De luitenant, een jonge man nog, met een fijn besneden gelaat, bleek
voortreffelijk Duitsch te kennen, en richtte zich tot Raffles met de
vraag:
„Wilt gij mij zeggen, hoe gij hier komt, mijnheer?”
„Met het grootste genoegen, luitenant,” antwoordde Raffles. „Maar ik
zou deze vraag liever richten tot dezen heer, Horváth de Palocza, want
hij is uit deze streek geboortig, ik ben slechts een vreemdeling en hij
zal u beter alles kunnen mededeelen, dan het mij mogelijk is!”
De jonge luitenant wendde zich met een vragende uitdrukking op zijn
gelaat tot zijn landgenoot en nu deelde Palocza hem mede, op welke
wijze hij in aanraking was gekomen met graaf Grasham, en wat er sedert
zijn komst geschied was.
Hij sloeg geen enkele bijzonderheid over, behalve die van den
uitgeholden schoenhak, want zijn taktgevoel zeide hem, dat de
Engelschman er volstrekt niet op gesteld zou zijn, dat deze
bijzonderheid nog aan anderen bekend werd.
De luitenant had met aandacht geluisterd en zeide nu:
„Dan moogt gij van geluk spreken, graaf! Ik geloof niet, dat alles zoo
goed zou zijn afgeloopen, wanneer onze aanval niet met succes bekroond
ware! Voor uw vrijgeleide geef ik geen heller! En nu kan ik u iets
mededeelen, wat u waarschijnlijk wel genoegen zal doen, tijdens den
aanval hebben wij een groote afdeeling der Rooden van het gros kunnen
afsnijden, die zich hadden geïnstalleerd op een groote buitenplaats bij
Berény.”
„Dat is de mijne, luitenant!” riep Palocza uit.
„Dat had ik wel kunnen vermoeden uit uwe mededeelingen, baron,” hernam
de jonge luitenant. „Welnu, wij vonden den aanvoerder van dien troep in
het bezit van ruim twaalfduizend pond in Engelsche bankbiljetten en
bovendien nog eenige tienduizenden kronen, alles in een geellederen
portefeuille, die van een grafelijk wapentje voorzien was, ongetwijfeld
de uwe!” zoo wendde hij zich tot Raffles.
„En mag ik weten, wat men met het geld gedaan heeft?” vroeg deze.
„Natuurlijk heeft de generaal het aanstonds in beslag genomen, graaf!”
„Het is dus weder tot mijn beschikking?”
„Dat is iets, waarop ik u tot mijn spijt niet kan antwoorden!” gaf de
luitenant te kennen. „Maar mij dunkt, dat gij het hem slechts te vragen
hebt, waarschijnlijk zal hij het u aanstonds teruggeven.”
Raffles had den jongen man aandachtig gade geslagen, toen hij dit zeide
en hij verbeeldde zich, een verlegen uitdrukking op het gezicht van den
luitenant te zien, alsof hij zelf niet heel zeker was van hetgeen hij
zeide.
Raffles kon zich echter volstrekt niet voorstellen, wat er in hem kon
omgaan.
Het sprak immers van zelf, dat men hem het geld weder zou moeten
teruggeven dat hem door de Rooden was afgenomen!
Maar nu vroeg baron Palocza:
„Hoe is de naam van uwen generaal, luitenant?”
„Esterházy, baron.”
„Hm!” was alles wat Palocza zeide.
Raffles trok zijn wenkbrauwen op, en keek van den een naar den ander.
Toen wendde hij zich tot zijn gastheer van den vorigen dag en vroeg:
„Ben ik onbescheiden, baron, wanneer ik u vraag naar de beteekenis van
dat korte tusschenwerpsel?”
„De zaak is, ik weet eigenlijk niet....” stamelde Palocza. „Gij zult
het zelf wel zien.”
„Neem mij niet kwalijk, dat ik aandring, baron,” hernam Raffles. „Gij
moet begrijpen, dat ik tot iederen prijs mijn geld terug wil hebben, nu
het een maal weder in handen is der partij, in welker midden wij ons nu
bevinden. Gij echter zoudt in mij het vermoeden wekken, dat er
moeilijkheden verbonden zouden zijn aan de terugvordering van mijn
eigendom, en ik zou gaarne weten, waarin die kunnen bestaan.”
Nog scheen de baron te aarzelen, en hij wierp een snellen blik op den
luitenant, die zwijgend terzijde stond, en op zijn fijnen, zwarten
knevel beet.
Toen vervolgde hij fluisterend:
„Ik kan het u niet zeggen, terwijl een luitenant van dien man er bij
is, hij is in ieder geval zijn meerdere, en hij zou niet behoeven te
dulden, dat in zijn tegenwoordigheid van dien meerdere kwaad werd
gesproken, al is het dan stellig wel verdiend!”
„Gij maakt mij nieuwsgierig, baron. Laten wij dan een weinig terzijde
gaan, en de gevoelens van dien jongen man sparen!”
De twee heeren verwijderden zich een weinig van de anderen, en daarop
begon Palocza, zoo zacht, dat de overigen hem onmogelijk zouden kunnen
verstaan:
„Ik ken dien Esterházy niet persoonlijk, en ik zou hem ook niet willen
kennen, maar wat ik van hem gehoord heb uit den mond van volkomen
geloofwaardige vrienden, dat is niet veel goeds! Ik sta uit den aard
der zaak aan den kant der Witten, maar ik wil hier onmiddellijk aan
toevoegen, dat zij zekere elementen in hun midden hebben, die geen
fatsoenlijk man tot zijn vrienden zou willen rekenen. En daarvan is die
Esterházy wel de ergste, de man is wreed als een tijger, onvermurwbaar
tegenover iederen Roode, die hem in handen valt, en hij rooft en steelt
als de ergste struikroover! Alles onder het voorwendsel, geld en
kostbaarheden voor de Rooden in veiligheid te brengen. De burgeroorlog
is nu voor hem niets anders dan een bloedige tijdpasseering, een soort
sport, die hij met even veel vermaak beoefent, als de jacht op herten
en wilde zwijnen.”
„Dat alles neem ik gaarne aan, baron,” zeide Raffles, die aandachtig
had toegeluisterd. „Maar ik kan niet inzien, waarom ik mij daarvan iets
zou aantrekken. Mijn geld bevindt zich thans in handen van generaal
Esterházy en ik zou wel eens willen zien, dat hij het zou wagen, het te
onthouden aan een Engelsch onderdaan!”
„Denk vooral niet, dat uw nationaliteit u zou beschermen, graaf!”
hernam Palocza hoofdschuddend. „Hij heeft niet lang geleden, toen de
opstand op zijn hevigst was, zelfs een Duitscher uitgeschud. Hij weet
heel goed, dat men te Berlijn, te Londen en te Parijs thans wel aan
andere dingen te denken heeft dan aan een strafexpeditie! Bovendien,
zoo zou men de Rooden immers in de kaart spelen!”
„Maar het is mij volkomen onbegrijpelijk, baron, dat men van dit alles
te Boedapest onkundig schijnt te zijn!”
„Men is daar niet onkundig van, graaf!” zeide Palocza rustig.
„Wat! Men weet het, en men laat het kalm toe?” riep Raffles uit, die
zijn ooren niet gelooven kon.
Maar de baron haalde weder de schouders op, een beweging, welke men
zich in dit land en in deze tijden al heel spoedig aanwendde en
antwoordde:
„Men doet alsof er niets gebeurt! Esterházy is een schurk, maar een
voortreffelijk veldheer, een der beste van het Hongaarsche leger, en
daarenboven heeft hij zeer grooten aanhang, ook op politiek gebied. Ja,
ik zie, dat gij ongeloovig de wenkbrauwen fronst, maar dat is alleen,
omdat gij uit een land als Engeland komt, waar dergelijke dingen
eenvoudig ondenkbaar zijn.”
„Inderdaad, ik moet zeggen, dat ik verstomd sta!” hernam Raffles. „Dat
het zoover moest komen met dit schoone land.”
„Men laat te Boedapest heel wat toe, ten einde den strijd tegen de
communisten tot iederen prijs te kunnen winnen!” hernam Palocza op
bitteren toon. „De hulp van Esterházy is onontbeerlijk, en daarom ziet
men van hem heel wat door de vingers.”
„En zou men het ook door de vingers zien, dat hij een Engelschman
berooft voor een bedrag, dat de 13,000 pond sterling te boven gaat?”
riep Raffles toornig uit.
Palocza zweeg, maar dit zwijgen was welsprekender dan woorden het
konden zijn.
Raffles keek hem een oogenblik strak aan, en zeide toen:
„Het is goed, baron, ik dank u voor uwe waardevolle inlichtingen, ik
weet nu, waaraan ik mij te houden heb! En ik weet tevens, dat ik geheel
op mij zelf aangewezen zal zijn, om mijn eigendom terug te krijgen!”
„Ik hoop van harte, dat gij er in zult mogen slagen, uw geld uit de
handen van dien schelm te krijgen, graaf!” hernam Palocza. „Maar als
gij hem zult kunnen overreden, dan zoudt gij waarschijnlijk de eerste
zijn!”
„O, er zijn nog wel andere middelen!” zeide Raffles koeltjes. „Als
overreden niet helpt, wel, dan zal ik dien mijnheer Esterházy eens
toonen, hoe een Engelschman zich weet te helpen!”
HOOFDSTUK VI.
DE KENNISMAKING MET GENERAAL ESTERHÁZY.
De beide heeren begaven zich langzaam weder terug naar het kleine
groepje dat zwijgend bijeen was blijven staan.
De luitenant, die natuurlijk zeer goed begreep, waarover het gesprek
had geloopen, en die er in het geheel niet naar uitzag, alsof hij de
zonderlinge methodes van zijn onmiddellijken chef goedkeurde, begon
aanstonds over andere dingen te spreken.
Hij wendde zich tot baron Palocza en zeide:
„Wanneer gij soms naar uw buitenverblijf mocht willen terugkeeren,
baron, staat niets in den weg. De Rooden zijn er gelukkig uit
verdreven, voor zij den tijd hadden kunnen vinden, iets te vernielen.”
„Ik zal er niet terugkeeren, luitenant!” zeide Palocza op ernstigen,
droeven toon. „Ik vertrek. Het landgoed is verkocht aan graaf Grasham,
dien gij hier voor u ziet. Tenminste,” zoo wendde hij zich tot Raffles,
„wanneer gij niet van gedachte zijt veranderd.”
„Geenszins, baron!” antwoordde Raffles. „Ik moet er u alleen opmerkzaam
op maken, dat.... ik geen geld heb, om u te betalen.”
„Laat u dat niet verontrusten!” zeide Palocza met een flauwen glimlach.
„Natuurlijk heb ik bij deze en gene van mijn Engelsche vrienden naar
den kooper, die op mijn advertentie antwoordde, geïnformeerd, en die
inlichtingen konden niet beter en gunstiger zijn! Ik weet, dat graaf
Grasham een onbeperkt crediet heeft op de Londensche bank, ik wil en
kan hier niet langer blijven, ik zou in staat zijn, mijn landgoed ten
geschenke te geven! Ik vertrek nu aanstonds naar Boedapest, en daar
zult gij mij nog veertien dagen kunnen vinden, want zoolang zal het wel
minstens duren, voor ik mijn passen en andere papieren in orde heb
gemaakt. Het spijt mij waarlijk, dat ik niet langer uw gastheer kan
zijn, maar gij zoudt toch bitter weinig aan mij hebben!”
„Ik wil u volstrekt niet ophouden, baron, en wij zullen dan afspreken,
dat wij elkander te Boedapest weder treffen. Geef mij slechts uw
adres.”
„Ik logeer in het hotel de La Promenade.”
„Uitstekend! Dan wensch ik u een goede reis, ofschoon wij nog wel
eenigen tijd bij elkander blijven, tot wij het hoofdkwartier van
generaal Esterházy hebben bereikt. Ik denk, dat daar onze wegen zich
wel kunnen scheiden!”
„Wanneer ik u van dienst kan zijn door u een paar manschappen mede te
geven, graaf, dan ben ik gaarne tot uwe beschikking!” kwam nu de jonge
luitenant, terwijl hij hoffelijk salueerde.
„Wij nemen uw aanbod gaarne aan, luitenant, en zeggen er u dank voor!”
antwoordde Raffles.
„Hebt gij soms een voertuig?” ging de luitenant voort.
„Ja, wij zijn hier met mijn rijtuig gekomen, het eenige, wat de Rooden
mij wel hebben willen laten!” zeide Palocza.
„Dan zou ik daar maar gebruik van maken,” hernam de luitenant. „De
afstand is vrij ver, en gij zoudt het niet kunnen loopen. Is er plaats
voor twee mannen meer?”
„Dat zal wel gaan,” antwoordde Palocza. „De paarden hebben een geheelen
nacht en een gedeelte van den morgen goed gerust, en een maal haver
gehad, een zeldzaamheid voor de arme dieren!”
„Dan kunt gij, als gij wilt, aanstonds vertrekken.”
De luitenant wees twee mannen aan, die zich bij de reizigers voegden,
en de terugtocht naar het dorp en het logement werd aanvaard, nadat de
luitenant snel een vrijgeleide voor de reizigers had geschreven.
Marek werd bij de paarden gevonden.
Die schenen hem wel zooveel belangstelling in te boezemen, dan de
zooeven in het voordeel der Witten besliste strijd!
De dieren werden weder voor het rijtuig gespannen, de waard werd
vorstelijk beloond, de reizigers drukten den vriendelijken luitenant de
hand, en de paarden trokken aan.
Het rijtuig reed het dorp weder uit, en volgde den weg, dien het een
dag te voren was afgereden, maar nu in tegenovergestelde richting.
Nu en dan gaven de soldaten aan Marek te kennen, welke richting hij
moest volgen.
Al spoedig kwamen de reizigers afdeelingen Witten tegen, en dan moesten
zij telkens hunne papieren toonen.
Palocza scheen echter algemeen bekend te zijn bij de officieren, want
hij werd allerwege hartelijk begroet, en zijn aanwezigheid was de
anderen van wezenlijk nut.
Maar ook reden de mannen in het wagentje langs tal van lijken,
meerendeels Rooden, langs stukgeschoten mitrailleurs en overblijfselen
van wagens die door een granaat waren getroffen.
De gansche gruwel van den oorlog ontvouwde zich hier voor de reizigers,
die stil en ontdaan door zooveel ellende neerzagen op deze wrakstukken
van den broederkrijg.
Een kwartier later begonnen de paarden eensklaps te snuiven.
Men reed juist langs een langen muur, die een grooten tuin omgaf.
En aan den voet van dien muur vlak naast elkander lagen een dertigtal
onbewegelijke lichamen.
Ter hoogte van een paar meter vertoonde de muur talrijke plekken, waar
kogels de steenen hadden getroffen.
„Gefusilleerd!” zeide Raffles zachtjes. „Ik had dus zooeven wel goed
gezien. De mannen hebben geen van allen een geweer, en zij zijn
gebonden!”
Hij wendde zich tot Palocza en vervolgde:
„Wij lezen altijd van de onnoemelijke gruwelen door de Rooden bedreven,
ik kan niet nagaan, in hoeverre die verhalen al of niet overdreven
zijn, maar hier zie ik met eigen oogen, hoe de Witten den strijd
voeren, baron!”
Palocza knikte eenige malen zwijgend, en mompelde:
„Allen, allen verdierlijken in dezen afschuwelijken strijd van Hongaar
tegen Hongaar! Deze worsteling kweekt monsters, meedoogenloozer dan de
oorlog het heeft kunnen doen!”
Zwijgend werd de tocht voortgezet.
De weg liep nu langs een reeks granaatkuilen en hier en daar was ook de
weg zelf opengereten door een granaat, en moest Marek met de grootste
voorzichtigheid de paarden besturen.
Maar nu werd de voormalige stelling van de Witten bereikt, en men
ontmoette de eerste voorposten, bij het hoofdkwartier behoorend.
Men bevond zich nu dicht bij het plaatsje Berény, en een der soldaten
van de Witte garde deelde mede, dat generaal Esterházy daar zijn staf
had gevestigd.
Nog een kwartier en toen reed het wagentje het stadje binnen, eigenlijk
niet veel meer dan een groot dorp.
Bij de eerste huizen liet Palocza het wagentje stilhouden.
Hij richtte zich tot Raffles en zeide op ernstigen toon:
„Hier scheiden zich onze wegen, graaf, tenminste voorloopig. Ik ben er
niet op gesteld, in aanraking te komen met dien man. En ik ben er van
overtuigd dat mijn woorden heel weinig gewicht in de schaal zullen
leggen. Ik zou niet eens onder eede kunnen getuigen, dat gij de koopsom
werkelijk aan de Rooden hebt afgestaan, want ik heb die som niet in uw
portefeuille gezien. En daarom ga ik aanstonds verder en tracht
Temesvár te bereiken, waar ik, naar ik hoop, een trein naar Boedapest
zal vinden.”
„Hoe denkt gij Temesvár te bereiken, baron?”
„Wel er zal hier wel ergens een wagen te krijgen zijn,” zeide baron
Palocza onzeker.
„Dat is niet zoo zeker, en daarom zou ik u wel willen voorstellen, om
met uw eigen rijtuig verder te gaan!” hernam Raffles.
„O neen! Het rijtuig en de paarden behooren bij den inboedel van het
kasteel. Dat is immers uitdrukkelijk bedongen?”
„Dat herinner ik mij niet zoo nauwkeurig, baron!” kwam Raffles. „Maar
ik weet wel, dat ik nooit zal toestaan, dat gij hier met uw ouden
bediende blijft zoeken naar een rijtuig, terwijl gij er hier kant en
klaar een hebt!
„Als gij dan volstrekt het paard en het rijtuig bij den inboedel wilt
rekenen, stal ze dan te Temesvár en laat het adres van den stalhouder
ergens voor mij achter. Later zal ik dan het rijtuig met de bespanning
wel terug laten halen.”
Palocza stak Raffles de hand toe en zeide:
„Ik dank u, graaf, ik neem uw aanbod aan, zonder veel omwegen, want ik
wil u wel erkennen, dat het niet zoo gemakkelijk zou vallen, hier een
rijtuig te krijgen.”
De baron drukte ook Charly Brand de hand, knikte Henderson toe en
verliet in galop het gezelschap, terwijl Raffles zich naar de
verblijfplaats van generaal Esterházy begaf, die zich met zijn staf had
gevestigd in een der groote huizen van het plaatsje.
Maar de brave Marek werd niet vergeten en Raffles drukte hem twee
biljetten van duizend kronen in de hand, die voor hem toch niet veel
meer waard waren dan twee pond sterling.
De beide soldaten brachten de drie mannen naar het einde van het dorp,
stonden daar stil op een tiental meters afstand van een groot huis, dat
er wel eenigzins uitzag als een raadhuis, en wezen er naar.
Zij zeiden geen woord, maar Raffles begreep natuurlijk dadelijk, dat
hij aan het doel van zijn tocht was gekomen.
„Een van u beiden moet mij vergezellen, en om de waarheid te zeggen,
waarde Henderson, zou ik liever mijnheer Charly Brand mede nemen, want
ik vrees, dat je je door je drift zou laten medesleepen en denk je eens
in onzen toestand wanneer je je zoudt laten verleiden, een Hongaarschen
generaal op een plak slaag te onthalen.”
„Maar waarom zou ik dat doen, Mylord?” vroeg Henderson verbaasd.
„Dat is waar ook, je kunt het nog niet weten!” hernam Raffles. „Het
gesprek is in het Duitsch gevoerd, en op verren afstand! Welnu dan
Henderson, mijn geld is in handen van den generaal, dien ik nu ga
bezoeken, en het schijnt, dat er moeilijkheden aan verbonden zullen
zijn, het weer uit die handen los te krijgen.”
„Dan kan ik niet anders zeggen, Mylord, dan dat gij groot gelijk hebt,
om mij maar liever hier te laten!” zeide de reus langs zijn neus weg.
„Want generaal of niet, ik zou dat heerschap eens hardhandig aan het
verstand hebben gebracht, hoe ik over hem denk.”
Raffles moest zich omwenden om den glimlach te verbergen, die bij deze
woorden om zijn lippen speelde.
Daar stond een man, die in talrijke avonturen den Grooten Onbekende
terzijde had gestaan, van wiens eigenaardig beroep hij toch uitstekend
op de hoogte was, en hij maakte zich driftig, omdat een ander het
waagde, een deel van dat zonderling verworven geld zich toe te eigenen!
Maar hij begreep het spoedig, hier sprak eenvoudig het instinct der
rechtvaardigheid bij den braven reus!
Hij kende de middelen en de doeleinden van zijn meester, aan wien hij
het leven en meer dan dat verschuldigd was, en de ander, hij mocht dan
generaal zijn of niet, was voor hem slechts een ordinaire dief!
Raffles had zich tot Charly gewend en zeide nu:
„Ga mede, jij zult wel getuigenis af moeten leggen, denk ik! Liever had
ik gehad, dat baron Palocza ook aanwezig geweest ware, maar ik heb niet
willen aandringen, zijn gemoedstoestand was van dien aard, dat hij wel
aan andere dingen te denken had, dan een vreemdeling bij te staan!”
De twee vrienden liepen op het groote huis toe, waarvoor een
schildwacht op en neer liep, die hen dadelijk aanhield en vroeg, wat
zij wenschten.
De vraag was in het Hongaarsch gesteld en de beteekenis was duidelijk.
Raffles antwoordde in het Duitsch.
„Wij wenschen onmiddellijk generaal Esterházy te spreken!”
„Ik weet niet, of dat zoo gemakkelijk zal gaan, mijnheer,” zeide de
schildwacht. „Want ik meen, dat de generaal nu aan het werk is. Maar ga
slechts naar binnen en laat u aandienen.”
Raffles en Charly gingen het huis binnen, dat inderdaad een
gemeentehuis bleek te zijn en liepen al spoedig een anderen militair
tegen het lijf, die aan zijn tressen kenbaar was als adjudant.
Ook deze officier bleek voortreffelijk Duitsch te spreken, want hij
antwoordde in die taal op de vraag van Raffles:
„Ik zal u bij den generaal brengen, tenminste wanneer gij inderdaad
iets van gewicht met hem te bespreken hebt!”
„Van zeer groot gewicht, mijnheer!” antwoordde Raffles.
„Wees dan zoo goed mij te volgen!”
De adjudant ging de beide Engelschen voor door een aantal breede en
holklinkende gangen, bracht hen toen naar een vertrek, waar nog eenige
andere officieren gezeten waren, stak dit vertrek in zijn geheele
lengte over en klopte op een deur, die waarschijnlijk toegang gaf tot
een ander lokaal.
Daarop opende hij de deur, sprak eenige woorden naar binnen, deelde den
naam van den vreemdeling mede, en toen hij zijn hoofd terug trok, lag
er een uitdrukking van verlegenheid en teleurstelling op zijn gezicht.
„Het spijt den generaal bijzonder, mijne heeren, maar hij heeft het te
druk, hij kan u onmogelijk te woord staan. Hij laat u verzoeken, over
eenige dagen nogmaals uw bezoek te herhalen!”
Maar toen gebeurde er iets, wat zeker uniek was in de annalen van het
Hongaarsche militarisme, want Raffles duwde den adjudant eenvoudig
beleefd, maar beslist terzijde, onder het uiten van de woorden:
„En mij spijt het, mijnheer adjudant, dat ik geen gevolg kan geven aan
deze uitnoodiging, omdat ik een weinig haast heb!”
En vóór de verblufte adjudant nog iets had kunnen zeggen, stonden
Raffles en Charly in het vertrek tegenover den generaal, die hen met
woedende blikken scheen te willen doorboren, een poging, die hij gerust
achterwege had kunnen laten, want zij had niet de minste uitwerking op
de beide Engelschen, die daar kalm en rustig midden in de kamer stonden
en hem onbevreesd aankeken.
Aan alles was te zien, dat het vertrek in allerijl was ingericht tot
slaapkamer, die tevens tot werkkamer kon dienen, want oorspronkelijk
was het oogenschijnlijk een archiefkamer geweest, daar het vol stond
met langs den wand geplaatste loketkasten.
In een der hoeken stond een fraai ledikant, dat waarschijnlijk door de
kwartiermakers ten behoeve van den generaal was opgevorderd bij een der
rijkste ingezetenen.
Dicht bij het raam stond een schrijftafel, die ook wel niet tot het
meubilair van het gemeentehuis zou hooren en dan stond er nog een
groote rustbank, benevens eenige gemakkelijke stoelen.