neer geworpen.
Hij was een man van een jaar of vijftig, met een ruw, pokdalig gezicht,
gitzwarte oogen en een geweldige snor, die met haar twee afhangende
punten bijna tot op zijn borst neerviel.
Snor en hoofdhaar waren gitzwart, maar deze kleur had haar oorsprong
waarschijnlijk te danken aan het bemiddelend ingrijpen van den kapper.
Hij had groote gele tanden, als van een paard en kauwde daarmede op een
reusachtige sigaar, waarschijnlijk genomen uit een kistje, dat geopend
voor hem stond.
Op een hoek van de schrijftafel stond een blad, waarop een flesch port,
een glas water en een kurketrekker vreedzaam bijeen waren.
En voorts zwierven op deze tafel een spel kaarten, een dienstrevolver,
een sabel en een paar stafkaarten.
Generaal Esterházy had zich achterover in zijn stoel geworpen en keek
de beide bezoekers van onder zijn borstelige wenkbrauwen met een
kwaadaardigen blik aan.
„Hebt gij niet gehoord, mijne heeren, wat mijn adjudant u gezegd
heeft?”
„Er was geen enkele reden om het niet te hooren, generaal, uw adjudant
spreekt werkelijk heel goed Duitsch en wij zijn de taal ook een weinig
machtig.”
„En toch waagt gij het hier binnen te dringen?” ging de generaal voort.
„O, het was zulk een groot waagstuk niet,” ging Raffles kalmpjes voort.
„Waarom zou het ook? Wij komen slechts een kort gesprek met u voeren en
u iets terugvragen!”
„Zoo,” hernam Esterházy op grimmigen toon. „Zoo, zoo, zijt gij die
Engelschman?”
„Ja, ik ben graaf Grasham, en ik kom u de dertien duizend pond sterling
terugvragen, welke mij eerst door de Rooden zijn afgenomen en aan hen
weder door uwe troepen, die u het geld ter hand hebben gesteld.”
„Wel, wel! En hoe zijt gij aan die wijsheid gekomen?” vroeg de generaal
op spottenden toon, maar zijn oogen hadden een dreigende uitdrukking.
„Dat doet er minder toe, generaal,” antwoordde Raffles koeltjes. „De
hoofdzaak is, dat ik het zeer nauwkeurig weet. Wij zullen niet veel
woorden verspillen, ik verzoek u mij mijn geld terug te willen geven!”
„Gij schijnt in het geheel geen rekening te hebben gehouden met de
mogelijkheid, dat ik wel eens zou kunnen weigeren, of zou ontkennen,
het geld onder mijn berusting te hebben!”
„Gij hebt gelijk, generaal, ik heb er natuurlijk geen oogenblik aan
gedacht, dat een generaal, en zulk een hooggeplaatste, van het
Hongaarsche leger een schoft zou kunnen zijn!”
Esterházy stond halverwege uit zijn stoel op en maakte een
onwillekeurig gebaar in de richting van zijn revolver.
Hij wist zich echter te beheerschen en hernam:
„Gij durft nog al veel zeggen, graaf! Maar nu zult gij mij wel willen
veroorloven, op mijn beurt eenige opmerkingen te maken, nu gij toch
eenmaal hier zijt binnengedrongen! Wij strijden tegen een bende
bloeddorstige bandieten. En daarbij komt gij zoo plotseling uit de
lucht vallen, met zooiets van twaalf millioen kronen in uw zak en die
worden u hier afgenomen door de Rooden! Gij zult toch wel inzien, dat
het noodzakelijk zal zijn, dat alles een weinig aannemelijk te maken!”
Raffles deed dreigend een stap naar voren en vroeg op gesmoorden toon:
„Gij houdt mij dus voor een leugenaar?”
„Dat woord heb ik niet gebruikt! Maar gij zult het mij ten goede
houden, als ik nadere bewijzen vraag! Iedereen zou mij immers zulk een
verhaal kunnen opdisschen?”
„Ah zoo, waait de wind uit dien hoek?” zeide Raffles minachtend. „Wel,
ik zal u de volle maat geven! Luister dan naar het relaas van wat ons
hier wedervaren is!”
En nu deelde Raffles generaal Esterházy, die zenuwachtig met zijn
penhouder speelde en zijn sigaar voor de helft had opgekauwd, mede, wat
er geschied was van het oogenblik af, dat hij door baron Palocza met
zijn rijtuig van het station te Temesvár werd gehaald.
Generaal Esterházy had met klaarblijkelijk ongeduld toegeluisterd, maar
aan de uitdrukking van zijn gelaat kon Raffles zeer goed zien, dat hij
dit alles reeds wist.
Toen hij gereed was, besloot de Groote Onbekende:
„Ik geloof niet, dat ik hieraan nog iets behoef toe te voegen,
generaal! Het geld is mijn eigendom, ik wensch er over te beschikken,
geef het mij terug!”
„Een oogenblik, graaf!” riep de generaal uit. „Waar is baron Palocza op
dit oogenblik?”
„Op weg naar Temesvár!”
„Hij zou dus uw verklaring niet door zijn getuigenis kunnen
bevestigen?”
„Neen, die wordt alleen door mijn woord als edelman bevestigd en door
de getuigenis van mijn secretaris!” antwoordde Raffles.
„Komaan, en dat moet mij voldoende zijn, dunkt u?” riep generaal
Esterházy op sarrenden toon. „Laat mij u dan zeggen, dat het mij
volstrekt niet voldoende is! Gij zegt, dat de Rooden u uw geld ontnomen
hebben, en dat wil ik ook wel aannemen, ofschoon de hoogte van het
bedrag mij verdacht voorkomt! Maar het is een foute veronderstelling,
als gij meent, dat het daarna weder in andere handen is overgegaan!”
Raffles deed met gebalde vuisten een stap naar den schurk toe en zeide
op doffen toon:
„Gij weigert dus mij mijn eigendom terug te geven?”
„Ik moet wel weigeren, want ik bezit het niet!” antwoordde Esterházy.
„Hebt gij wel eens bedacht, generaal, dat dit voor u zeer ernstige
gevolgen zou kunnen hebben, dat ik mij zou kunnen wenden tot den
Engelschen zaakgelastigde te Boedapest?”
Esterházy haalde de schouders op, dat het bloed van Charly Brand aan
het koken bracht.
„De Engelsche zaakgelastigde zal ook wel begrijpen, dat hij er niets
aan kan doen! Vergeet niet, dat de streek in staat van beleg is, ik ben
hier almachtig! En als ik u een goeden raad mag geven, blijft dan niet
langer hier, dan volstrekt noodzakelijk is, maar keer zoo spoedig
mogelijk naar uw land terug! Als u wilt, zal ik u een vrijgeleide geven
tot Temesvár. Daar kunt gij den trein nemen, geloof mij, gij doet het
best, als gij u in uw verlies schikt.”
De generaal had dit alles op zoetsappigen toon gezegd, maar in zijn
zwarte oogen glinsterde een valsch licht.
Hij trommelde spelenderwijs met zijn vinger op het tafelblad, maar vlak
in de nabijheid van de electrische schel.
Raffles begreep, dat hij zich aan een zeer groot gevaar zou stellen
onder deze omstandigheden te trachten, zijn bezit met geweld in handen
te krijgen.
Bij de eerste verdachte beweging zou de generaal op de bel drukken of
schreeuwen, de officieren, tien in getal minstens, zouden komen
toestormen, en men zou hen waarschijnlijk onmiddellijk als gevaarlijke
indringers fusilleeren of op zijn best gevangen zetten.
Raffles bedwong zich dus en wisselde een snellen blik met Charly Brand,
die op het punt scheen te staan, zich op den generaal te werpen.
Zijn stem had haar gewonen klank behouden, toen hij op zakelijken toon
zeide:
„Dat alles klinkt zeer vriendelijk, generaal, maar ik hoor in uw
woorden een duidelijke bedreiging! Ik weet, waartoe gij in staat zijt,
en voor het oogenblik hebt gij aan het langste eind getrokken. Maar ik
begeef mij nu aanstonds naar Boedapest en ik zou wel eens willen zien,
of de zaakgelastigde van mijn land werkelijk niet in staat zou zijn,
het gestolen geld weder uit uw handen los te krijgen!”
En daarop maakten de beide Engelschen rechtsomkeert en verlieten het
vertrek weder, terwijl de generaal hen met een hatelijken grijns op de
dikke lippen nakeek.
HOOFDSTUK VII.
WIE HET LAATST LACHT......
Raffles en Charly verlieten haastig het gebouw en voegden zich weder
bij Henderson, die geduldig had staan wachten.
„Nu kunnen wij tenminste weer naar Londen terugreizen, Mylord!” zeide
de reus handen wrijvend. „Ik zal blij zijn, als ik weer eens een goed
warm bad kan nemen.”
„Je zult dat verlangen nog een tijdje moeten temperen, Henderson, want
wij bezitten geen rooden duit!” hernam Raffles.
„Wat is dat? Heeft de schobbejak geweigerd, u het geld terug te geven?”
riep Henderson uit. „O, wacht eens even, dat zal ik hem anders gaan
vertellen!”
Nog juist bijtijds grepen Raffles en Charly den reus ieder bij een arm
beet, om hem te weerhouden, zijn onzinnig plan ten uitvoer te brengen!
Inderdaad, het Raadhuis wemelde van officieren en soldaten en niemand
zou aarzelen van zijn wapens gebruik te maken, als men moest vreezen,
dat er een aanslag zou gepleegd worden op den generaal.
Esterházy was niet bepaald bemind onder zijn inferieuren, maar hij was
een uitmuntend legeraanvoerder, hij had zeer veel invloed, men moest
hem te vriend houden in deze tijden van onrust en bloedige woelingen.
„Luister eens, Henderson, bega geen dwaasheden!” zeide Raffles op
strengen toon. „Je moest begrijpen, dat het tot niets zou dienen,
wanneer je daar als een wildeman zou binnenstormen, om den fielt te
dwingen ons het afgenomen geld terug te geven. Je zoudt zijn
neergeschoten, vóór je tien stappen gedaan had!”
„Maar gij zijt toch niet van plan, Mylord, om het hierbij te laten?”
hernam de reus.
„Ik denk er niet aan, Henderson!” zeide Raffles. „Ik verlaat Hongarije
niet voor die bandiet mij mijn dertien duizend pond sterling weder
heeft terug gegeven, goedschiks of kwaadschiks en bovendien nog een
kleinigheid van het andere geld dat hij gestolen heeft, om mij
schadeloos te stellen voor mijn moeite! Maar, ik herhaal nogmaals, met
geweld bereiken wij niets, wij moeten list te baat nemen!”
Charly knikte nadrukkelijk eenige malen met het hoofd en zeide
overredend:
„Zoo is het, Henderson! Wij zouden hier met ruwe kracht niet veel
doen!”
Raffles had een blik op zijn horloge geworpen.
Het was nu vier uur in den middag.
Over een paar uren zou de zon ondergaan en als de duisternis gevallen
was, zou het drietal een poging kunnen wagen, weder in het bezit te
geraken van het geld.
Dat Esterházy het op het oogenblik in zijn bezit had, dat het geld zich
bevond in dezelfde kamer, waar hij zooeven geweest was, dat stond voor
hem als een paal boven water.
Maar ook begreep hij, dat hij zich in acht zou moeten nemen, die
Esterházy was een gevaarlijk man, en Raffles achtte hem er best toe in
staat, dat de schurk hem en zijn vrienden eenige soldaten achterna
zond, met de opdracht een gevecht uit te lokken en hen neer te
schieten, om aldus bevrijd te worden van een paar lastige getuigen.
Er zouden altijd wel een paar gewetenlooze schobbejakken te vinden
zijn, bereid om voor een bloedprijs dit werkje op te knappen.
Het zou dus zaak zijn, de grootste voorzichtigheid in acht te nemen, en
zich niet bloot te geven.
Voor alles besloot Raffles, dat de drie mannen zich zouden vermommen,
zoo goed als het ging, onder de gegeven omstandigheden.
In de valiezen, welke zij bij zich hadden, bevonden zich weliswaar de
noodige middelen, om hun gelaat te kunnen veranderen, maar de kleeren
hadden zij niet.
En zoo besloot Raffles, dat zij zich allereerst die kleeren zouden gaan
verschaffen.
De drie mannen namen hun valiezen op en gingen het dorp uit.
Maar zij waren nog niet tot de laatste huizen genaderd, of zij
bemerkten, dat zij van het gemeentehuis af gevolgd waren door drie
soldaten van de Witte garde, waarvan ieder politierapport ter wereld
met recht zou hebben kunnen getuigen, dat zij „een hoogst ongunstig
uiterlijk” hadden.
Zij droegen een volledige uniform, bijna nog nieuw, en alle
uitrustingsstukken, grijslederen koppels, de bajonet in de schede op
zijde en het geweer over den schouder.
De drie Engelschen hadden elkander al eens een blik vol beteekenis
toegeworpen en nu sprak Raffles:
„Voor iets dergelijks was ik al bevreesd. De ellendeling heeft ons een
paar gehuurde moordenaars achterna gezonden! Hij is dus een nog grooter
schurk dan ik eerst vermoed had!”
„Maar intusschen zou ik wel eens willen weten, hoe wij ons de kerels
van het lijf moeten houden, als wij op zoek zijn naar den een of
anderen inwoner, die ons aan de noodige kleeren kan helpen!” merkte
Charly op.
„Heel eenvoudig, mijnheer Brand! Ik zal hen tegen den grond slaan!”
zeide Henderson met zijn goedige basstem.
„Een prachtige inval, Henderson, maar om dat te doen, moet je bij hen
zijn, en voor je bij hen bent, zullen zij je waarschijnlijk een kogel
door de hersens hebben gezonden!”
„Daar had ik zoo gauw niet aan gedacht, mijnheer Brand, dan moet Mylord
het maar zeggen!” kwam Henderson verlegen.
„Mij dunkt, dat het beste is, wanneer wij doen, alsof wij hen niet
zien, en hen dan naar een of andere afgelegen plek lokken! Dan zou
Henderson zich van ons kunnen afscheiden en terwijl wij, schijnbaar
niets vermoedend, met de drie soldaten een gesprek beginnen, zou onze
brave reus hen onverhoeds kunnen overvallen en als het noodig is,
spreken onze revolvers dan ook nog een woordje mee!”
Aldus werd afgesproken en de drie mannen gingen het dorp uit.
De zon verdween juist achter de toppen der bergen in het Westen, toen
zij den zoom bereikten van een klein bosch, waardoor de straatweg zich
slingerde.
En hier was Henderson plotseling verdwenen, alsof hij door den grond
was gezonken.
Maar Raffles en Charly liepen kalm door en vervolgden langzaam hun weg.
De drie soldaten behoorden waarschijnlijk niet tot de snuggersten, want
zij doorzagen de hinderlaag volstrekt niet, of zij vertrouwden al te
zeer op hunne geweren, want zij liepen verder en verhaasten nu hun
schreden, om spoedig in het bosch te zijn, dat hun misdadig opzet zou
verbergen.
Maar nauwelijks waren zij de eerste boomen voorbij en een kromming van
den weg gepasseerd en hadden zij Charly en Raffles tot ongeveer vijftig
meter genaderd, toen Henderson eensklaps te voorschijn sprong uit het
boschje, waarin hij zich verscholen had, en het volgend oogenblik als
een bom midden tusschen de drie onthutste moordenaars viel.
Nog voor zij hun geweer in den aanslag hadden kunnen brengen, had
Henderson aan twee der mannen hun geweren ontrukt en met een van deze
wapens sloeg hij den derde, die juist den trekker wilde overhalen, zoo
hard op het hoofd, dat de man als een zoutzak neerviel, om nooit meer
op te staan.
De twee ellendelingen hadden hun bajonet getrokken en wierpen zich met
een gebrul als van wilde dieren op den reus, maar Henderson deed een
geweldigen sprong achteruit, zwaaide het geweer als een rietje rond en
trof er de beide aanvallers zoo hevig mede tegen het hoofd, dat zij
zonder een kreet te slaken neerstortten.
Nog vóór Raffles en Charly op de plaats van het gevecht waren
aangekomen, was alles reeds afgeloopen.
Henderson leunde op het geweer en zeide bedremmeld:
„Ik weet niet, of het de bedoeling was, Mylord, maar ik schijn hen wel
een weinig ruw te hebben aangepakt!”
„Min of meer!” zeide Raffles sarcastisch. „Zij zijn dood!”
„Is het erg, Mylord?” vroeg de reus, zich achter het oor krabbend.
„Volstrekt niet, Henderson,” antwoordde Raffles koeltjes. „Die gehuurde
moordenaars verdienden niet beter. En ik zeg je dank, dat je weder ons
leven hebt gered! Zonder het te weten, heeft Esterházy door ons deze
sluipmoordenaars op het dak te sturen in onze kaart gespeeld, want wij
wilden immers kleederen hebben? Welnu, daar zijn zij!”
„Waarachtig!” riep Charly uit. „Je hebt gelijk, het kon niet mooier! Er
is een heel groote kerel bij en misschien zal Henderson zijn uniform
wel kunnen aantrekken.”
In een ommezien waren de drie moordenaars van hunne uniform ontdaan en
de drie mannen begonnen ze aan te trekken.
Gelukkig was het bosch op dit uur van den dag geheel verlaten en de
invallende schemering was nog maar juist toereikend, om Raffles te
veroorloven de gelaatstrekken van zijn makkers en van zich zelf zoo
goed mogelijk op die van de drie verslagen moordenaars te doen
gelijken.
Daarop sleepten zij de drie lijken der nietswaardige ellendelingen in
een soort kuil terzijde van den weg, bedekten ze met bladeren, en
wachtten toen rustig af, tot dat de duisternis geheel zou zijn
gevallen.
Een uur later trokken zij weder in de richting van het dorp.
Maar alvorens nu daar binnen te treden, begaven zij zich naar een
groote hoeve, waar Raffles reeds twee uren geleden een boerenwagen en
een flink paard had zien staan.
Hij trof den boer op het erf aan en ofschoon de man geen woord Duitsch
verstond, was de zaak spoedig beklonken, en had Raffles paard en wagen
voor een zeer hoog bedrag gehuurd. De boer zou zijn eigendom zelf
besturen, en moest zich gereed houden, om half twaalf in den nacht te
kunnen wegrijden.
Raffles wist, dat dan alles in het hoofdkwartier reeds ter ruste zou
zijn, want de dag was zeer vermoeiend geweest.
Zij moesten nog eenige uren wachten en gingen toen het dorp binnen,
waar zij zich dadelijk naar het gemeentehuis wendden.
Hun vermomming scheen voortreffelijk geslaagd te zijn, want niemand
hield hen aan en eenige soldaten wuifden hen in het voorbijgaan toe.
Zij waren echter slechts zeer weinig in aantal, want alles sliep reeds
in het dorp.
Nog altijd liep een schildwacht voor de deur van het gemeentehuis op en
neer, het geweer op den schouder.
Raffles verzamelde al zijn kennis van de Hongaarsche taal, trad op den
man toe en zeide fluisterend: „De generaal, dadelijk!”
Zonder zich een oogenblik te bedenken opende de schildwacht de deur met
een grooten sleutel, dien hij uit zijn zak haalde en de drie mannen
gingen binnen, bestegen de trap, kwamen in het voorvertrek, waar twee
ordonnances zaten te knikkebollen, die slechts half wakker werden, en
werden door deze in het vertrek van den generaal gelaten, misschien
vermoedden zij wel eenigzins de taak van deze drie soldaten en meer dan
waarschijnlijk had Esterházy last gegeven, dat zij onmiddellijk bij hem
moesten toegelaten worden, zoodra zij zich aanmeldden.
De generaal zat achter zijn schrijftafel, in zijn hemdsmouwen, en met
een sigaar in den mond.
De flesch port was, op een klein restantje na, geledigd, hetgeen zeer
duidelijk te zien was aan de gelaatskleur van den bevelhebber.
Zoodra zij de deur waren binnengekomen, draaide Raffles den sleutel in
het slot om en zeide op zachten toon in het Engelsch een paar woorden
tot Henderson.
De generaal draaide zich op zijn stoel om, keek de drie gewaande
soldaten met onzekeren blik aan en vroeg toen in het Hongaarsch:
„Is alles goed gegaan, kindertjes?”
„Uitstekend, vadertje!” antwoordde Raffles spottend.
„Ik geloof waarachtig dat de kerel mij uitlacht!” kwam de generaal, die
zijn ooren niet scheen te kunnen gelooven.
„Dat doe ik ook, vadertje!” hernam Raffles, „en wie het laatst lacht,
die lacht het best!”
Hij knikte Henderson toe, die zich onmerkbaar wat dichterbij den
generaal had begeven en een seconde later zat de ijzerharde vuist van
den reus op de kin van den ongelukkige Esterházy, met het
onvermijdelijk gevolg, dat deze zonder een kreet te slaken in zijn
stoel achterover zakte en een zucht liet, als een speelgoed
ballonnetje, waarin men een speld geprikt heeft en dat plotseling
leegloopt.
De drie mannen lieten geen tijd verloren gaan.
In een oogwenk had Raffles schrijftafel, kisten en kasten doorzocht en
binnen vijf minuten had hij niet alleen zijn eigen portefeuille
teruggevonden met al het geld er in, maar bovendien nog een groot
bedrag aan Duitsch, Oostenrijksch en Fransch geld.
Hij stak alles bij zich en daarop aanvaardden de drie soldaten kalmpjes
den terugtocht, bromden iets tegen de alweder slapende ordonnancen en
stonden een oogenblik later weder op straat.
Zij snelden naar de hoeve, vonden daar den wagen reeds aangespannen en
daarop reden zij den donkeren nacht tegemoet, naar Temesvár, waar zij
veilig en buiten het bereik van generaal Esterházy zouden zijn....