Raffles bleef met opzet zoo dicht mogelijk in de nabijheid van den

grootgrondbezitter, daar hij vreesde, dat de ongelukkige in een vlaag

van wanhoop een daad zou begaan, die hun allen noodlottig zou kunnen

worden.

Maar het geleek wel, of de baron eensklaps versuft was geworden.

Nu hij inderdaad het landgoed ging verlaten, waar hij sedert zijn

kindsheid had gewoond, leek het wel, of alles hem volkomen

onverschillig was geworden.

Hij keek toe, hoe de trouwe Marek een paar valiezen pakte, zonder een

woord te spreken.

Raffles zette den ouden bediende met een paar vriendelijke woorden tot

spoed aan, want niemand kon zeggen, of de Rooden niet ter elfder ure

van idee zouden veranderen en hen allen om het leven brengen, teneinde

geen last te hebben van ongewenschte getuigen, als het later bekend

mocht worden, dat drie Engelschen van tien millioen kronen waren

bestolen.

Het wagentje was weder ingespannen, en de valiezen werden er in

geladen.

Buiten in den nacht klonk opnieuw het doffe gerommel van het geschut.

Naar het scheen hadden de Witten thans nieuwe stellingen betrokken, en

de strijd was weder met hernieuwde hevigheid ontbrand.

Onder deze omstandigheden viel er natuurlijk niet aan te denken, een

poging te ondernemen, teneinde zich onder bescherming van de Witten te

stellen.

Lang voor zij het front bereikt hadden, zouden zij opnieuw zijn

aangehouden door afdeelingen der Rooden, en deze mochten hen onder geen

omstandigheden „Niemandsland” laten oversteken, op gevaar af, dat de

vreemdelingen aan de Witten hunne stellingen zouden verraden, hun

getalsterkte, de wijze van bewapening en andere wetenswaardige zaken.

Raffles begreep dit zelf zeer goed en hij moest er zich in schikken,

dat hij niet alleen niet naar Temesvár zou kunnen terugkeeren,

tenminste niet, voordat de toestand zich volkomen gewijzigd had, maar

dat hij nog verder naar het Zuiden zou moeten gaan, dat wil zeggen, nog

dieper binnendringen in een streek waar het oproer opnieuw het hoofd

had opgestoken.

Hij had vreeselijke dingen hooren verluiden omtrent de Witte Terreur,

die geruimen tijd in Hongarije geheerscht had, maar in ieder geval zou

hij, als Engelsch graaf, die met een secretaris en met een bediende

reisde, niets te vreezen hebben van de Witten, terwijl hem integendeel

van den kant der Rooden alle denkbaren gevaren aangrijnsden.

Hij had echter geen keuze, de omstandigheden waren ditmaal sterker en

het zou krankzinnigheid zijn zich met geweld te willen verzetten tegen

een legermacht van eenige duizenden goedgewapende mannen, waaronder

bovendien talrijke elementen schuilden, die tot de uiterste woede

geprikkeld waren en zeker geen seconde zouden aarzelen.

Wat Charly betreft, de jonge man kookte letterlijk van drift en hij kon

zich volstrekt niet begrijpen, dat Raffles de zaak zoo kalm scheen op

te vatten.

En toch hadden de Rooden hem zooeven niet alleen den koopprijs van het

landgoed afgenomen, maar bovendien ook zijn reispenningen!

Zij hadden hun niets overgelaten dan de noodzakelijke papieren, passen

en andere documenten en het vrijgeleide, en dat strekte nog maar alleen

zoover als de macht reikte van den man, die het met een onleesbaren

naam onderteekend had.

Zeker, Charly had zelf wat geld in zijn zak, want hij was gewoon, alle

kleine uitgaven te betalen, wanneer hij met Raffles op reis was, en

deze de rol vervulde van Lord Aberdeen, of van een anderen graaf.

Maar die paar duizend kronen zouden hen zeker niet veel verder brengen

met het oog op de waanzinnig hooge prijzen, welke men in dit land zelfs

voor de eerste levensbehoeften zou moeten betalen.

De reizen met den spoorweg waren duur, maar zij waren in ieder geval

nog te betalen, maar met duizend kronen zou men niet veel uitrichten,

als men daar het logies voor drie mannen van wilde betalen in een

behoorlijk hotel.

Hij vroeg zich dan ook in vreeze af, op welke wijze zij uit dit

ongastvrije land zouden kunnen vertrekken, en hij zag de toekomst vrij

duister tegemoet.

Raffles daarentegen stond daar nog altijd glimlachend toe te zien, hoe

de valiezen in het rijtuigje werden geladen, terwijl hij tevens een

wakend oogje hield op Palocza.

Eindelijk was alles voor het vertrek gereed, en de oude Marek had weder

op den bok plaats genomen.

Zijn gelaat was droevig vertrokken, want ook hij ging de plek verlaten,

waar hij zijn geheele leven had doorgebracht, van zijn vroegste

kindsheid af, en wie zou kunnen zeggen wat het lot zou zijn van het

prachtige landgoed.

Misschien zou het wel in vlammen opgaan, zooals zoo vele andere

bezittingen van gegoeden in de omstreken.

Het was reeds ver over middernacht, toen het rijtuig zich eindelijk in

beweging stelde, uitgeleide gedaan door de Roode Gardisten die spottend

of dreigend, of lachend het rijtuigje nakeken, zooals het daar wegreed

over den breeden grindweg.

Een half uur verder waren zij buiten het bereik van het gros van het

Roode leger, maar in dien tijd hadden zij reeds driemaal hun

vrijgeleide moeten toonen aan kleine patrouilles en het bleek reeds

aanstonds, dat de Rooden een voortreffelijken bewakingsdienst hadden

georganiseerd en dat het zeer moeilijk zou vallen, door de mazen van

het net te ontsnappen.

De eenige hoop van de drie reizigers bestond hier in, dat de

krijgskansen opnieuw zouden keeren, maar dan bleef toch altijd het

gevaar bestaan, dat zij opnieuw tusschen twee vuren zouden geraken.

Echter bestond dan de mogelijkheid, dat de Witten zoo vlug zouden

oprukken dat de drie Engelschen en de ongelukkige grondbezitter zich

bij hen zouden kunnen voegen.

Maar voor het oogenblik was het nog lang zoo ver niet en Charly vroeg

zich in angst en vreeze af, wat het einde van deze reis zou zijn, die

onder zulke gelukkige omstandigheden begonnen was, maar zulk een

onverwachten en hoogst onaangenamen keer had genomen.

„Waar gaat deze weg ergens heen?” vroeg Raffles toen zij een half uur

gereden hadden, terwijl hij zich tot Palocza wendde, die naast hem zat.

„Naar Nagy Becskerek.”

„Is dat ver hier vandaan?”

„Ruim tachtig kilometer!”

„Drommels!” riep Raffles verschrikt uit. „Wij zullen met deze paarden

niet ver komen!”

„Wij slaan aanstonds een anderen weg in, graaf,” hernam Palocza, „want

het is ook niet mijn bedoeling, u naar de zooeven genoemde stad te

brengen! Ik wilde liever naar Versecz gaan, welke stad op nog geen

zestig kilometer van mijn landgoed is gelegen!”

„Is het een groote stad?”

„Ja!”

„In welke richting ligt zij?”

„In zuidelijke richting.”

„Intusschen is zestig kilometer nog veel te veel voor deze arme,

ondervoede paarden, baron. Zij kunnen ons onmogelijk langer dan een

paar uren trekken en vergeet ook niet, dat de dieren ons ook niet lang

geleden van het station hebben gehaald!”

„Wij zouden ook onmogelijk in één stuk door naar Versecz kunnen rijden,

graaf,” hernam Palocza. „Ja, als ik mijn auto’s nog maar had, ik ben

menigmaal in drie kwartier van mijn landgoed naar de stad gereden! En

ik deed het ook wel eens per rijtuig met deze zelfde paarden, toen zij

nog krachtig en vlug waren, en dan kon ik den afstand gemakkelijk in

drie uren afleggen, maar thans zouden wij er zeker een etmaal voor

noodig hebben!”

„Maar er moet toch een trein naar de stad loopen?” reep Charly uit.

„Wij zullen er maar niet op rekenen, mijnheer, dat er thans treinen

loopen,” gaf Palocza schouderophalend te kennen. „Natuurlijk hebben de

Rooden daar reeds beslag op gelegd, en van een geregelden dienst is

geen sprake meer, trouwens, ook onder normale omstandigheden liepen er

zoo laat in den nacht toch geen treinen. Wij zijn geheel aangewezen op

de paarden!”

„Maar zijn er hier nergens auto’s te huren?” ging Raffles voort.

„Misschien zijn er hier in de buurt nog wel auto’s en misschien kunt

gij ze ook wel huren, maar gij zoudt er een onzinnig hoogen prijs voor

moeten betalen, onder de tienduizend kronen zoudt gij zeker niet ver

komen, en de Rooden hebben u al uw geld ontstolen!”

„O, maar ik heb nog wel eenige zaken bij mij, die evenzeer van waarde

zijn,” hernam Raffles luchtig.

Hij bukte zich, reeg zijn schoen los, nam hem in de hand, en tot groote

verwondering van den baron schroefde hij een gedeelte van den hak los,

waardoor een holte te zien kwam, waarin een klein pakje lag.

Raffles nam het er uit, wikkelde het los, en daarna glansde in het

licht van de lantaarns een zestal buitengewoon fraaie diamanten,

volgens de waarde van het inheemsche geld zeker verscheidene millioenen

kronen waard!

„Gij zult het wellicht een weinig vreemd vinden, baron,” zeide Raffles,

„maar wanneer men zich naar Hongarije begeeft, dan neemt men eenige

voorzorgsmaatregelen. Het is een oude truc, maar ik ben verheugd, dat

ik haar heb toegepast!”

Charly zeide niets, maar nu begreep hij de kalmte van Raffles, toen hem

al zijn gereed geld werd afgenomen!

Maar toch, het zou moeilijk zijn, deze steenen te verkoopen in een land

waar het geld bijna geen waarde meer had en men waarschijnlijk wel aan

andere dingen zou denken, dan aan het koopen van juweelen!

Wanneer het in Boedapest geweest was, dan zou het nog wat anders

geweest zijn, maar Versecz was in ieder geval een stad van den tweeden

rang.

Er viel echter niet te aarzelen, men moest het wagen!

Palocza had de steenen vol aandacht en bewondering bekeken, en riep

toen uit:

„Die zes steenen zouden zelfs in Engeland een klein fortuin

vertegenwoordigen, graaf! Zij zijn van het zuiverste water en zeer

groot, terwijl zij bovendien onberispelijk geslepen zijn!”

„Denkt gij, dat ik er hier een paar millioen kronen voor zou krijgen?”

„Een paar millioen?” herhaalde de baron. „Veel meer, graaf! Deze

steenen zouden volgens de waarde van ons geld, wel ongeveer twintig

millioen moeten opbrengen!”

„Kom, kom, gij overdrijft!” hernam Raffles.

„Ik zeg u dat het zoo is, juist voor diamanten worden tegenwoordig in

ons land buitensporige prijzen betaald! En weet gij waarom? Omdat het

het eenigst bezit is, dat men met kans op welslagen kan verbergen en

dat steeds zijn waarde blijft behouden.”

„Deze steenen zouden ons dus uit den nood kunnen helpen?”

„Natuurlijk, voorzoover zij niet door de Rooden ontdekt worden,”

antwoordde Palocza.

„Dat zullen wij zoo lang mogelijk trachten te voorkomen!” hernam

Raffles, terwijl hij de diamanten weder in het vloeipapier wikkelde en

ze weder zorgvuldig in de holte van den hak verborg, waarop hij het

lederen deksel, dat met ijzer beslagen was, weder op zijn plaats

bevestigde.

Daarop vroeg de Groote Onbekende:

„Is er voor Versecz geen stad, of een groot dorp, waar wij kunnen

overnachten?”

„Het eerste plaatsje van eenige beteekenis is Sipec. Wanneer het niet

in de handen der Rooden is, of tenminste van lieden, die om ons

vrijgeleide niets geven, dan zouden wij daar wel kunnen overnachten!”

„Hoever is dat plaatsje hier van daan?”

„Nog bijna een uur rijden!”

„Laten wij dan onzen weg voortzetten, tot wij Sipec bereikt hebben. Het

dient tot niets, om ons zoo onzinnig te vermoeien, en mijn secretaris

zal nog wel genoeg geld bij zich hebben, om het logies in een eenvoudig

logement te betalen. Er valt natuurlijk niet aan te denken, om daar

mijn diamanten aan den man te brengen!”

„Daarin zoudt gij niet slagen, graaf, al hadt gij er slechts één en al

was hij zoo klein als een zandkorrel,” zeide Palocza. „Sipec is een

dorp en niets meer, met een boerenbevolking, en de versierselen, die

men daar draagt zijn hoogstens van goud. Mocht echter het geld van uw

secretaris niet toereiken, dan verkoopen wij het wagentje en de

paarden.”

„En hoe zouden wij dan verder moeten komen?” vroeg Charly, die nog

slechts dacht aan de beste wijze, om hier snel en veilig vandaan te

komen.

„Wij zouden een boerenwagen kunnen huren, mijnheer,” antwoordde

Palocza.

Intusschen had het rijtuig zijn weg vervolgd en de koetsier moest hier

wel goed bekend zijn, want wat de drie Engelschen betreft, zij konden

geen hand voor oogen zien, daar de maan weder achter de wolken was

verdwenen, en men thans te midden van een dicht bosch reed.

Maar de oude Marek vertrouwde op het instinct zijner paarden en daaraan

deed hij verstandig, want nog geen uur later reed het rijtuig het dorp

Sipec binnen, waar alles wonderlijk rustig was en waar niets scheen te

duiden op de aanwezigheid van Roode troepen.

En toch moesten zij er zijn, want nog geen vijf minuten vóór zij het

dorp binnenrukten, hadden de reizigers opnieuw hun vrijgeleide moeten

toonen.

Van den strijd echter, die nu op hevige wijze tusschen de Rooden en

Witten moest gevoerd worden, was hier niets te vernemen.

Alles was rustig en stil, alles sliep.

Bij het eerste logement liet Marek het rijtuig stilstaan en klom van

den bok.

Alles was daarbinnen donker, maar desniettemin klopte hij aan en sloeg,

toen er niet spoedig genoeg werd opengedaan, met het uiteinde van zijn

zweep op de deur.

Eindelijk werd er boven in het logement een raam geopend, een hoofd

kwam naar buiten steken, bedekt met verwarde haren en een schorre stem

vroeg in de landstaal:

„Wie klopt daar voor den duivel, als een dronkaard op mijn deur? Pak je

weg, of ik zal je toonen, dat ik een geweer hanteeren kan!”

„Ik kan niet zeggen, dat de ontvangst bijzonder vriendelijk is!” zeide

Raffles glimlachend.

Palocza verhief zijn stem en riep:

„Wij willen bij je overnachten, vriend Pusto! Ken je mij niet meer?”

„Zijt gij het baron?” liet de stem zich opnieuw hooren, maar met een

geheel veranderden klank. „Waarom hebt gij dat niet dadelijk gezegd! Ik

kom aanstonds bij u, maar met de Roode honden in de buurt moet men zich

in acht nemen.”

Het hoofd verdween en een paar minuten later werd de deur geopend en

kwam er een man naar buiten, die een groote kaarslantaarn droeg.

Hij hief haar in de hoogte en zeide:

„Hebt gij vrienden bij u, baron? Ik weet niet, of ik wel ruimte voor de

heeren heb.”

„O, wij zijn niet veeleischend, vriend Pusto!” antwoordde de baron.

„Wij zijn op de vlucht, en deze heeren, die mijn vrienden zijn, zullen

zeker geen hooge eischen stellen.”

Raffles, die den zin van het gevoerde gesprek wel had begrepen, zeide

nu, in het Duitsch:

„Wij kunnen met zijn drieën gemakkelijk in één kamer slapen, baron, als

gij wist, welke ontberingen wij wel eens doorstaan hebben op onze

reizen in vreemde landen, dan zoudt gij dit begrijpen.”

Reeds was Henderson uit het rijtuigje geklommen, en droeg nu de

valiezen naar binnen, het was duidelijk dat de brave reus in geen geval

genoegen zou hebben genomen met een weigering van den logementhouder om

hen op te nemen!

En oogenblik later was het rijtuig gestald, de paarden deden zich te

goed aan een weinig haver, door Pusto als voorzorgsmaatregel uit een

geheime bergplaats te voorschijn gehaald, en de vier reizigers

gebruikten het avondmaal in de holle gelagkamer, slechts door de

lantaarn verlicht, en in een niet bepaald opgewekte stemming.

HOOFDSTUK V.

DE TIEN MILLIOEN VERWISSELEN OPNIEUW VAN EIGENAAR.

Om twee uur begaven de vluchtelingen, want anders kon men hen niet

noemen, zich ter ruste, en om zes uur werden zij plotseling weder

gewekt door kanongebulder....

Raffles was de eerste, die de versleten deken van zich wierp en

opsprong uit het eenvoudige withouten bed, beter gezegd een soort krib,

die hem tot legerstede had gediend.

Hij zat een oogenblik aandachtig te luisteren, maar het was hem

onmogelijk met juistheid de richting te bepalen, waaruit het

kanongedonder klonk.

Nu ontwaakte ook Charly, die Raffles vragend aankeek, zich de oogen

uitwreef en met een slaperige stem riep:

„Ik droomde waarachtig, dat er alweer geschoten werd!”

„Dat droomde je niet, zij schieten inderdaad, Charly,” zeide Raffles

laconiek.

Charly was met een wip overeind, luisterde eenige oogenblikken en riep

toen:

„Ja, je hebt gelijk! Zij zijn alweer aan den gang! Het is hier een bij

uitstek lief land, en wanneer de heeren zijn uitgevochten, zal ik graag

nog eens terugkomen, maar op dit oogenblik zou ik niets liever

wenschen, dan met bekwamen spoed te vertrekken! Ik zou onwaarheid

spreken, als ik zeide, dat ik aangename herinneringen aan dit uitstapje

behoud! Het klinkt misschien een weinig onkiesch, maar ik leef

letterlijk van het ongedierte! Is dat met jou ook het geval?”

„Ik zie geen enkele reden, waarom de luizen van dit land speciaal voor

mij een uitzondering zouden maken!” antwoordde Raffles droogjes. „Wij

zullen aanstonds ergens een bad trachten te nemen, wij zullen onze

kleederen aan een nauwkeurige inspectie onderwerpen en dat is alles,

wat wij er tegen kunnen doen. Het spijt mij, dat ik het zeggen moet,

maar het ongedierte en de Balkanstaten schijnen nu eenmaal

onverbrekelijk met elkander verbonden te zijn!”

Charly ging dadelijk op onderzoek uit, maar in het geheele dorp was

niets wat op een badinrichting leek.

Sterker, men keek hem aan, alsof men meende, met een gek te doen te

hebben toen de jonge man zich van de gebarentaal bedienend, informeerde

naar de aanwezigheid van een badhuis.

Zeep was beter bekend, tenminste van vroegere tijden, maar daar een

klein stukje honderd zestig kronen kostte, speende men zich liever van

dit kostbare reinigingsmiddel!

Maar gelukkig liep er een helder stroompje langs het dorp en niet

zoodra had Charly dit ontdekt, of hij ging Raffles en Henderson

waarschuwen en in een ommezien hadden de drie mannen zich naar het

riviertje begeven en ontkleedden zich achter een dicht boschje, waarop

zij zich in het frissche nat stortten en met onzegbaar welbehagen in

het kristalheldere water rondspartelden, zoodat alle ongenoode gasten

van dien nacht het leven lieten.

Zij kleedden zich weder aan, na hun kleederen duchtig te hebben

uitgeschud en begaven zich naar het logement, waar zij baron Palocza

reeds in de gelagkamer aantroffen, bleek en ongerust en in gesprek

gewikkeld met Pusto, die zich thans vertoonde als een zwaar gebouwd

man, met het gelaat van een goedigen buldog en vuurrood haar.

Het schieten was juist een weinig bedaard, toen de drie mannen de

gelagkamer binnentraden.

Zij begroetten Palocza, den reisgenoot, met wien zij op zulk een

onverwachte wijze in aanraking waren gekomen, en deze vroeg aanstonds:

„Hebt gij het artillerievuur gehoord?”

„Wij zijn er door wakker geworden, baron,” antwoordde Raffles. „Wat is

er eigenlijk gaande?”

„Ik vermoed dat de Witten versterking hebben gekregen en tot een

tegenoffensief zijn overgegaan,” antwoordde Palocza. „De Rooden hebben

in geen geval zooveel artillerie en bovendien, het geluid wordt

sterker, een bewijs, dat de kanonnen in deze richting oprukken, en dat

kan niet anders het geval zijn, dan wanneer de Rooden wijken!”

Als om deze woorden te bevestigen, barstte opnieuw een hevig

geschutvuur los, en thans merkbaar dichter bij het dorp.

„Laten wij gaan zien, wat het is!” stelde Raffles voor. „Maar eerst

moeten wij ontbijten, wie kan zeggen, wanneer wij er weder toe in staat

zijn!”

Zoo snel mogelijk gebruikten de mannen het ontbijt, dat bestond uit

tamelijk goed brood, donker van kleur, schapenkaas, een soort melkspijs

en een klein stukje schapenvleesch.

De drank bestond uit Hongaarschen wijn, en hij was voortreffelijk.

Raffles en Charly stopten hun pijpen en daarop verlieten allen het

logement om zich te begeven naar een hoogen heuvel, die zich ten

Noorden van het dorp verhief en vanwaar men een zeer ver uitzicht had.

Toen zij daar aankwamen, vonden zij reeds bijna de geheele bevolking

van het kleine plaatsje op den heuveltop verzameld, maar er was ruimte

in overvloed om wel zesmaal het aantal inwoners te bergen, en zoo

hadden de vier mannen geen moeite, zich een goede plaats te veroveren,

zoodat zij de vlakte konden overzien.

Heel in de verte, op minstens drie kilometers afstand, zagen zij de

granaten in de stellingen der Rooden inslaan.

De projectielen ontploften met een soort gebrul en verwekten een zwarte

rookwolk, die echter spoedig door den vrij hevigen wind in flarden werd

uiteen gereten.

De Rooden bleken ook over eenige stukken te beschikken en

waarschijnlijk was het de klank van dit geschut, hetwelk de reizigers

hadden vernomen.

Het was een batterij van niet meer dan vier stukken veldgeschut, welke

stond opgesteld achter een boerderij, terzijde van de toeschouwers op

den heuvel, en ongeveer één kilometer naar voren gelegen. Men kon heel

duidelijk in de heldere morgenlucht zelfs met het bloote oog het

bewegen zien van de manschappen, die de stukken bedienden.

De Rooden schoten wat zij konden en het was duidelijk, dat zij tot het

uiterste zouden trachten stand te houden.

De strategische waarde van deze stelling was onmiskenbaar en als zij

haar verloren, zou wellicht hun geheele front aan het wankelen worden

gebracht.

Klaarblijkelijk zochten de Witte artilleristen naar de plek, waar de

Rooden hun geschut hadden opgesteld, zonder het aanstonds te kunnen

vinden.

Maar eensklaps verscheen er, hoog in de lucht, een vliegmachine.

Men behoefde er niet aan te twijfelen, dat zij van den kant der Witten

kwam, teneinde de vijandelijke stelling te verkennen.

Zij cirkelde eenigen tijd op een hoogte van bijna achthonderd meter

boven de loopgraven der Rooden, kwam toen dichterbij, en moest nu de

opstelling van de vier kanonnen reeds ontdekt hebben.

Er ploften snel achter elkander eenige zwarte rookwolkjes uit de

vliegmachine, zeker het afgesproken sein, want een paar seconden later

sloeg onder donderend gekraak, dat hier op den heuvel duidelijk

verneembaar was, een granaat van zwaar kaliber in de boerderij, waar

achter de vier stukken waren opgesteld.

„Dat is de hoeve van Matusec!” zeide een der dorpbewoners, op gedempten

toon. „Die arme Matusec, hij was pas een maand gelegen getrouwd en hij

had de hoeve gekocht van zijn spaarduitjes! Wij worden zwaar beproefd,

zwaar beproefd!”

Dadelijk stemden anderen met deze klacht in en allerwege werden

vervloekingen en heesche woorden van drift en woede vernomen.

En intusschen bleef het granaten hagelen op de ten ondergang gedoemde

hofstede.

Zij was niet groot, en na dertig treffers was zij met den grond gelijk

gemaakt.

Men moest den Rooden geven wat hun toekwam, zij vochten als leeuwen, en

zelfs toen hun artilleriestelling ontdekt en geheel ontbloot was,

bleven zij doorvuren, tot dat één voor één alle stukken waren vernield.

Toen had er een hevige ontploffing plaats, een granaat van de

tegenpartij was in een kleinen stapel projectielen geslagen, en toen

was alles stil.

De vliegmachine verscheen opnieuw, als een roofvogel boven de stelling

zwevend en scheen zich te overtuigen dat het werk goed gedaan was!

Weer seinde zij door het uitlaten van een paar zwarte rookwolkjes en

toen keerde zij terug.

Een dof gerommel werd nu hoorbaar, dat was het geschut van de andere

partij.

De granaten sloegen in voortdurend grooter aantal in de loopgraven der

Rooden in en toen kwam er, zonder dat men kon zien van waar, eensklaps

honderden en nog eens honderden kleine figuurtjes aanstormen, die weer

even plotseling als door de aarde werden verzwolgen.

„Dat is de aanval, Mylord!” zeide Henderson op ernstigen toon. „Ik

weet, wat het is, ik ken de verschrikkelijke gevechten in de

loopgraven!”

Ongeveer tien minuten verstreken en met gezichten, bleek van

aandoening, staarden de menschen op den heuveltop naar dit schouwspel.

De kanonniers van de Witten hadden hun vuur meer vooruitgebracht en

bestreken nu het terrein, dat achter de loopgraven van de tegenpartij

was gelegen.

Nu liet zich ook het razend snelle getik van de mitrailleurs hooren en

daar tusschen klonk het doffe gebonk van de werpmijnen, als zij

ontploften.

En plotseling werd het terrein, dat achter de loopgraven was gelegen,

levendig, een paniek had de Roode troepen eensklaps aangegrepen, een

wilde vlucht was begonnen.

De aanval was blijkbaar volkomen geslaagd, de Witten waren tot diep in

de stelling der Rooden doorgedrongen en de bezettingen van de meer

achterwaarts gelegen loopgraven hadden den schok niet durven afwachten,

wierpen hun wapens weg en trachtten door de vlucht het veege lijf te

redden.

Men zag hen, alleen, of groepsgewijze, over de vlakte snellen, en

telkens werden er achterhaald door de kogels uit de meedoogenlooze

mitrailleurs of door een ontploffende granaat, die hunne ledematen

uiteenrukte, en ze soms bij troepjes van vijf of acht man als een

wervelwind van de aarde vernietigde.

Lord Lister No. 0352: De witte terreur · 第 2 / 4 段