LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 352 DE WITTE TERREUR.
DE WITTE TERREUR.
HOOFDSTUK I.
VAN DEN OS OP DEN EZEL.
De zon stond op het punt onder te gaan, toen één der weinige treinen
die nog met tamelijke regelmaat liepen, het station van Temesvár
binnenreed, komende uit Boedapest.
Onder normale omstandigheden zou de trein over dien afstand zeker niet
langer gereden hebben dan een uur of vijf, maar thans was hij bijna den
geheelen dag onderweg geweest, want telkens had hij moeten ophouden, nu
eens, omdat het spoor volkomen versperd was door een rij, voor het
meerendeel ledige goederenwagens, dan weder, omdat het niet veilig zou
zijn door te rijden daar men volstrekt niet wist, of de Rooden een
kilometer verder het spoor niet hadden opgebroken.
Want er kon niet aan worden getwijfeld, sedert eenige weken en ondanks
het meedoogenloos optreden van de reactie, die in Hongarije weder aan
het roer wist te komen, dat de revolutie opnieuw het hoofd opstak en
dat in sommige gedeelten van het zwaar bezochte land de Rooden opnieuw
naar de wapens hadden gegrepen.
Want hoe zorgvuldig het land ook afgezocht was door de patrouilles der
Witten, toch hadden de revolutionairen blijkbaar nog vele duizenden
geweren, millioenen patronen en zelfs mitrailleurs weten te verbergen.
Van een georganiseerden opstand was wel geen sprake, maar toch waren op
heel wat punten tegelijkertijd opnieuw opstanden uitgebroken,
niettegenstaande het schrikbewind, door de reactie uitgeoefend en men
kon er niet aan twijfelen, of er moest hier gedacht worden aan
onderlinge afspraak.
Op enkele punten was deze poging der Communisten, om weder de macht in
handen te krijgen, in bloed gesmoord, maar elders hadden zij wanhopigen
tegenstand geboden en zelfs eenige voordeelen weten te behalen.
Ten Zuiden van Temesvár, ten tijde, waarop ons verhaal een aanvang
neemt, werd reeds eenige dagen hevig gevochten en ook de Rooden maakten
daar zelfs gebruik van kanonnen, waarvan zij zich bij verrassing hadden
weten meester te maken.
Zij hadden zich verschanst in het woeste gebergte en namen daar een
stelling in, waarvan de sterkte niet te miskennen viel.
Al deze troepen bestonden uit mannen, die een duren eed hadden
gezworen, dat zij liever zouden ten onder gaan, dan hunne stellingen
prijsgeven, en tegen soldaten, die bezield zijn met zulk een geest, is
het moeilijk vechten!
De Witten hadden reeds getracht met stikgassen, met bommen uit
vliegmachines en met andere middelen, de Rooden te verdrijven, maar het
gas had geen uitwerking, daar de stelling der revolutionairen zich op
een hoogte van bijna twee-honderd meter boven de vlakte bevond, waar de
Witten zich hadden moeten ingraven, zeer tot hun nadeel en de
bestuurders der vliegmachines moesten werkeloos blijven, want de
onderkomens der Rooden waren in de rotsen uitgehouwen en bij het minste
teeken van onraad konden zij daar binnen vluchten en de bommen hadden
op de rots weinig of geen uitwerking.
Aan een bestorming viel in het geheel niet te denken, want dan zouden
de Witten een halven kilometer ver geheel onbeschut over de vlakten
moeten voortstormen en zij zouden door het mitrailleurvuur zijn
weggemaaid, lang voor zij den voet van het gebergte zouden hebben
bereikt.
Alleen bij verrassing, door een omtrekkende beweging, zou de stelling
genomen kunnen worden, en dan nog slechts ten koste van groote en
bloedige offers.
Zoo stonden dus de zaken op een twintigtal kilometers ten Zuid-Oosten
van Temesvár, toen de trein uit Boedapest daar eindelijk binnenreed, na
een reis van bijna veertien uren.
Het was buitengewoon druk op het perron, waar het krioelde van
verschrikte vluchtelingen, die voor de zooveelste maal een goed
heenkomen trachtten te zoeken, opgejaagd door hun vrees voor het Roode
gevaar.
Men zag daar vertegenwoordigers van alle Balkanvolkeren, en niet alleen
inheemsche: Tsjechen, Galicische Joden, Roemeensche Boeren, Serviërs,
Turken en Armeniërs, Slowaken, bewoners van Moravië en van de andere
Hongaarsche grensgebieden, Grieken, Montenegrijnen, en dan
vertegenwoordigers van het oorspronkelijke Magyaarsche ras, met groote
vurige oogen en lange, gitzwarte, omlaag wijzende snorren.
En dat alles schreeuwde en tierde door elkander, belegerden den
wanhopigen stationschef, die eenvoudig geen raad wist en klommen als
bezeten in alle leegstaande wagons, welke er maar te vinden waren, in
de dwaze verwachting, dat die van zelf wel ergens heen zouden gaan
rijden.
Waar, dat kwam er niet op aan, als zij maar wegkwamen uit dit oord van
verschrikking, waar men nu en dan duidelijk het gebulder van het zware
geschut kon hooren.
Er zaten niet veel reizigers in den trein, en deze hadden de grootste
moeite zich uit hun coupé te werken, die nog vóór het stilstaan van den
trein bestormd werd door de wachtende menigte.
Onder deze reizigers waren drie mannen, van wie het op den eersten
aanblik ten zien was, dat zij in deze streek niet thuisbehoorden en
afkomstig waren uit Noordelijker landen, waar vaker mist en regen
heerschen, dan lieflijke zonneschijn.
Een van de drie mannen stak bijna een half hoofd uit boven den grootste
van de twee anderen, en die mocht toch werkelijk tot de groote mannen
gerekend worden.
Hij was bovendien gebouwd als de Hercules van Farnese en zijn
schouders, zijn armen, de wijze, waarop hij het hoofd droeg en zijn
voeten neerzette, wezen op een meer dan buitengewone spierkracht.
Hij had een breed, gevuld gelaat, waaruit twee donkerblauwe oogen
goedmoedig en vriendelijk de wereld inkeken.
De man droeg een paar zware valiezen met het grootste gemak voort.
De reiziger, die in lengte op hem volgde, was een man van een jaar of
veertig, met een lenig en door sport gespierd lichaam, doordringende
grijze oogen en een energiek gelaat, dat getuigenis aflegde van een
stalen wilskracht en een ondernemingslust, die voor niets terugdeinst.
Hij droeg het hoofd hoog opgericht, als een bewijs, dat hij gewend was,
te bevelen, en te zien, dat die bevelen werden opgevolgd.
Hij droeg een donkergrijs reiscostuum en een geruiten reispet en hield
een gummi regenjas over den arm.
De derde van het driemanschap was een nog jonge man, sierlijk gebouwd,
met vlugge bewegingen en een rond, blozend gelaat, waarin twee groote
blauwe oogen schitterden.
De drie mannen hadden zich een weg gebaand door de menigte, waarbij de
reus als het ware als ijsbreker fungeerde, hetgeen hem menig
scheldwoord op den hals haalde, wat hij echter met de grootste
blijmoedigheid verdroeg, daar hij er toch niets van begreep en
bereikten zoo den uitgang.
„Ik kan mij niet begrijpen, dat men op het Strand van drukte kan
spreken,” zeide de jonge man met de blauwe oogen, in het Engelsch. „Het
is hier waarachtig voller dan Zaterdags om één uur in den Underground!”
„Nog een paar minuten geduld, beste Charly en dan zullen wij het doel
wel bereikt hebben!”
„Als nu die man met dien onuitsprekelijken naam ons maar niet in den
steek laat en gekomen is!” zeide de jonge man zuchtend.
„Horváth de Palocza meen je,” zeide Raffles glimlachend. „Hij zal er
wel zijn, hij verdient tien millioen kronen aan ons, als alles in orde
komt en daar de man blijkbaar niets liever verlangt, dan dat geld zoo
spoedig mogelijk in zijn bezit te krijgen, zal hij er wel zijn!”
„Zeg eens eerlijk, Edward, zou je die reis ondernomen hebben, als je
bij voorbaat geweten had, wat ons hier te wachten staat?”
„Nu, ik geloof, dat ik mij dan nog wel eens bedacht zou hebben!”
antwoordde de aangesprokene. „Het reizen is hier toch al niet bijzonder
aangenaam en onder de gegeven omstandigheden is het bepaald een plaag!
Maar wij behoeven hier niet langer te blijven dan wij volstrekt
wenschen! Wij kunnen terugkeeren, zoodra wij het landgoed gezien en
betaald hebben!”
„Dat hoop ik, Edward, dat hoop ik!” riep de jonge man uit. „Het is
waar, tien millioen kronen is maar twaalf-duizend-vijf-honderd pond
sterling op het oogenblik, maar ik vind het volstrekt geen veilig
gevoel met een zoo groot bedrag aan contanten bij ons te loopen, nog
afgezien van onze reispenningen, terwijl wij bekneld zitten tusschen de
Rooden en de Witten en nog wel in een land als Hongarije! Op mijn
woord, hoe eerder wij hier weer vertrekken hoe liever het mij zal zijn.
Ik heb trouwens altijd iets gehad tegen een land waar eens de kellner
mij op de vraag, hoe hij heette, geantwoord heeft, dat zijn naam was
Darányi de Pusztaszentgyörgy! Neem mij niet kwalijk, maar dat is geen
Christelijke naam! Wat zeg jij er van Henderson?” zoo wendde hij zich
tot den reus, die zich onverstoorbaar een pad baande door de dringende
menigte.
„Ik zou het hier geen uur uithouden, mijnheer Brand,” antwoordde de
reus, zonder om te zien. „Als ik hier de menschen bij hun naam moest
aanspreken, dan zou ik binnen dien tijd mijn tong verstuikt hebben! Ze
zeggen, dat Chineesch een moeilijke taal is, maar het is niets,
vergeleken bij Hongaarsch!”
De drie reizigers hadden nu juist den uitgang bereikt en daar zagen zij
een man uitkijken, voor het tourniket staande en die dadelijk met zijn
zakdoek begon te wuiven, zoodra hij de drie vreemdelingen in het oog
kreeg.
En toen zij in het bereik van zijn stem waren gekomen, riep hij, in
tamelijk goed Engelsch:
„Heb ik het genoegen met graaf Grasham te spreken?”
„Die ben ik, baron!” antwoordde Raffles.
Het volgende oogenblik waren zij het tourniket gepasseerd en stonden nu
tegenover een man met een gebruinde gelaatskleur, bijna zoo groot als
de reus, die in hun gezelschap was, en eenvoudig gekleed.
Zijn gelaat was bleek en had een droevige uitdrukking.
„Eigenlijk verbaast het mij, dat gij gekomen zijt, graaf!” zeide hij.
„Natuurlijk zult gij nu wel kennis dragen van den toestand hier?”
„Ja, baron, maar toen ik tot die kennis kwam, was het reeds te laat om
terug te keeren, ik vond het althans de moeite niet meer waard!”
„Mijn rijtuig wacht buiten het station, zoudt gij mij willen volgen? Ik
waarschuw u echter, dat gij in mijn huis geen gul onthaal zult vinden,
graaf! Ik ben alleen, de Rooden hebben mijn vrouw en mijn twee kinderen
vermoord, toen zij op weg waren van mijn schoonouders naar mijn
landhuis, en nu weet gij ook de reden, waarom ik mij tot iederen prijs
wil ontdoen van mijn bezitting! Het is minder nog de vrees voor die
beesten, dan de onduldbare herinnering aan mijn vroeger geluk, die mij
uit mijn vaderland verdrijven. Ik wil trachten, naar Amerika over te
steken, misschien vergeet ik daar!”
„Uw voorbeeld staat niet alleen, baron,” zeide Raffles op ernstigen
toon. „Het is een vreeselijk denkbeeld, nu de wereldslachting gedaan
is, dat menschen van één stam en van één geslacht, elkander nog altijd
naar de keel vliegen, om een droombeeld, want de mensch zal altijd
mensch blijven en in den grond zal er niets veranderen, of iedereen
zelf een klein stukje land en wat geld heeft of niet!”
De drie mannen hadden nu het plein voor het station bereikt, waar een
paar schamele huurrijtuigen stonden, bespannen met schonkige paarden en
twee of drie automobielen, zoo wrak en verveloos, dat de drie reizigers
zich verbaasd afvroegen, hoe het mogelijk was, dal deze vehikels zich
konden voortbewegen.
Ook de gevel van het station zag er plekkerig, dik met stof bedekt en
smerig uit.
Het was duidelijk te zien, dat men zich hier bevond in een land, waar
men nog steeds aan heel andere dingen dacht, dan aan het onderhoud van
openbare gebouwen, en waar de verf nog steeds schrikbarend duur was.
Voor den hoofdingang van het station stond een soort jachtwagen op vier
dunne, hooge wielen, die wel eenigszins geleek op het voertuigje,
hetwelk door de Engelschen een „spin” wordt genoemd.
Het werd echter door twee paarden getrokken, vroeger zeker krachtige en
schoone dieren, maar die er thans ondervoed en haveloos uitzagen.
De koetsier, die op den bok zat, was zeker minstens zeventig jaar, krom
en spierwit, ongetwijfeld een van die bedienden, die een halve eeuw bij
het zelfde gezin in dienst geweest en vergrijsd zijn.
Hij nam eerbiedig zijn hoofddeksel af, toen hij zijn meester met de
drie vreemdelingen naar het rijtuigje zag komen en daarop klommen allen
in het wagentje.
„Nu wil ik u nog waarschuwen, graaf,” begon de baron Horváth de
Palocza, „dat onze rit misschien onderbroken kan worden! Toen mijn
trouwe bediende Marek en ik hierheen onderweg waren, om u af te halen,
hebben wij reeds herhaaldelijk in de verte geweervuur gehoord!”
Maar de kooper van het landgoed haalde de schouders op en sprak:
„Wij zijn nu eenmaal onderweg, baron, en wij zijn er niet de mannen
naar om een onderneming, eenmaal begonnen, weder prijs te geven, zelfs
al betreft het maar den aankoop van een landgoed in Hongarije!”
„Als gij er zoo over denkt, graaf,” hernam Palocza met een matten
glimlach, „dan heb ik natuurlijk niets tegen te werpen!”
„Ligt het landgoed hier ver van daan?”
„Vroeger kon ik het met mijn auto gemakkelijk in twintig minuten
rijden, maar ik heb geen auto meer, die is mij afgenomen en de paarden,
de arme dieren, doen er bijna een uur over! Het landgoed ligt niet ver
van de Boganis, een van de belangrijkste rivieren in dit gedeelte van
ons land. Misschien zult gij den prijs nog rijkelijk hoog vinden,
graaf, maar als gij het goed gezien hebt, zult gij met mij instemmen,
als ik zeg, dat het met tien millioen kronen niet te duur betaald is!”
„Ik ben overtuigd, dat gij niet overvragen zult, baron,” zeide de ander
eenvoudig.
Het rijtuigje was de stad nu uitgereden en volgde een tamelijk goeden
weg, goed voor Hongarije wel te verstaan, want hij was niet te
vergelijken met de prachtige wegen in Engeland.
De paarden liepen in een matigen draf voort, en hadden blijkbaar
moeite, het lichte rijtuig met de vijf mannen er in voort te trekken.
De Boganis kwam spoedig in het gezicht.
Men passeerde tal van villa’s, die echter voor het meerendeel door de
bewoners verlaten waren, voortgejaagd door de vrees voor de Rooden.
Het land lag daar zwijgend en somber, en toch was pas zooeven de zon
ondergegaan, en kon men nog op verren afstand de dingen onderscheiden.
De weg liep nu dwars door de Poeszta, de steppen van Hongarije, en
heinde en verre zag men niets dan het hoog opschietende gras, hier en
daar afgewisseld met kleine boschjes.
Hoog in de lucht cirkelde een groote vlucht zwarte vogels, en hun
aanwezigheid op deze plek voorspelde niet veel goeds.
Zij hadden zich bij groote troepen begeven naar de plaats, waar
duizenden menschen elkander naar het leven stonden, bezield door een
fellen haat, feller nog, dan die hun bezielde, toen zij tegen
onderdanen van een ander land streden.
Maar nu werd het landschap heuvelachtiger, het gebergte in het
Zuid-Oosten liet zich reeds raden.
Langzaam begon de duisternis te vallen.
Bijna een uur hadden de reizigers gereden en nog waren zij niemand
tegen gekomen.
Slechts tweemaal hadden zij een boer gezien, die in alle kalmte des
gemoeds zijn akker bewerkte, alsof er geen burgeroorlog bestond, en
alles pais en vrêe was.
De weg begon nu een weinig op te klimmen, en men kon een groot gedeelte
van de rivier overzien, die hier bijna een halven kilometer breed was,
gezwollen als zij was door de hevige regens van de laatste dagen.
Toen strekte baron Palocza de hand uit en zeide op gedempten toon:
„Daar, bij dat boschje begint mijn landgoed.”
HOOFDSTUK II.
DE AANVAL OP HET LANDGOED.
De plantengroei was reeds eenigen tijd weelderiger geworden, en de
Poeszta lag reeds ver achter de reizigers.
Zij reden voorbij wijnbergen, langs malsche weiden en voorbij
uitgestrekte akkers, waar het graan in vollen bloei stond.
Graaf Grasham liet zijn blikken over het landschap waren, en hij zag al
spoedig, dat de gevraagde prijs zeker niet te hoog was als men hem
omrekende in Engelsche ponden.
De akkers waren goed onderhouden, de wijnbergen leverden zeker een
voortreffelijken wijn op, en het landschap was blijkbaar zeer
uitgestrekt. En als het woonhuis nu ook goed was, dan zou hij zeker
niet aarzelen den gevraagden prijs te betalen, al lag het goed dan ook
in een gebied, waar het wonen alles behalve een genoegen kon worden
genoemd.
Maar wie was nu wel de zonderling, die er op stond, op dit tijdstip,
onder deze onzekere omstandigheden een landgoed in Hongarije te koopen?
Die zonderling was.... John Raffles.
De vreemdeling, die hier met zijn beide metgezellen gekomen was, om er
iets te doen, waarvoor de meeste zijner landgenooten hem zeker tot een
krankzinnige zouden bestempelen, was de groote vijand van
Scotland-Yard, het Londensche Hoofdbureau van politie, de man op wiens
aanhouding nog altijd een premie van niet minder dan duizend pond
sterling was gesteld, en die nog altijd verdiend moest worden.
Ja, de befaamde Gentleman-Inbreker, die nu den naam van graaf Grasham
had aangenomen, had er zijn zinnen opgezet ook in Hongarije een plaats
te bezitten, waarheen hij in geval van nood de wijk zou kunnen nemen,
of die hem tot een soort basis zou kunnen strekken, wanneer hij eens
naar Hongarije zou reizen, om daar een zijner stoutmoedige
ondernemingen op touw te zetten, ondernemingen, welke strijdig waren
met de geldende wetten, maar die voor Raffles de reden van zijn bestaan
vormden.
De twee mannen, die nu in zijn gezelschap reisden, waren Charly Brand,
die te Londen de taak van secretaris van Lord William Aberdeen
vervulde, onder welken naam John Raffles in een fraai huis in de
Regent-Street woonde, en Henderson, zijn chauffeur, wiens ongelooflijke
lichaamskracht reeds menigmaal een avontuur tot een gelukkige oplossing
had gebracht, dat in het nadeel van den Grooten Onbekende, zijn
meester, dreigde af te loopen.
Raffles had in een der groote bladen de advertentie gelezen, waarin
baron Horváth de Palocza zijn landgoed te koop aanbood, en daar de
prijs hem niet overdreven voorkwam, had hij dadelijk geseind, dat hij
het landgoed kocht, onder beding van voorafgaande bezichtiging.
Reeds een dag later had hij zich met zijn beide metgezellen op reis
begeven, maar de tocht was moeizaam, want door verschillende oorzaken,
als staking in Duitschland, versleten materiaal, slechte steenkolen en
anderszins, hadden de drie mannen bijna zes dagen gedaan over een reis,
welke onder normale omstandigheden niet langer zou geduurd hebben dan
ten hoogste anderhalve dag.
Zeker, Raffles had een dier voertuigen kunnen gebruiken, welke hij
bezat, zooals zijn wonderbaarlijke electrische vliegmachine, welke een
ongehoorde snelheid kon ontwikkelen, nog door geen enkel toestel
bereikt, dat met benzine werd voortbewogen, en men zou haar hier
trouwens niet dan met gevaar kunnen gebruiken, en het reizen met een
auto door Duitschland en Oostenrijk, om van Hongarije in het geheel
niet te spreken, ging met de grootste gevaren gepaard.
Maar nu had men dan toch de plek van bestemming bereikt, en als gevolg
van zijn eigen telegram had baron Palocza den kooper van zijn landgoed
van het station Temesvár afgehaald.
De oude koetsier had het rijtuig van den straatweg op een goeden
grintweg gebracht, die eveneens met een flauwe stijging opwaarts liep,
en aan het einde daarvan ontwaardden de reizigers de tinnen van een
fraai kasteel, die hoog oprezen boven het omringend geboomte.
Nog tien minuten en toen zwenkte het rijtuig een breeden oprijweg in,
en stond even later stil voor het terras van een heerenhuis, een
kasteel, dat volgens Charly Brand uit het begin van de achttiende eeuw
moest dateeren.
Palocza was het eerst van den wagen gesprongen en zeide, met een
droeven glimlach om de lippen:
„Nog geen twee jaaren geleden zouden twintig bedienden op het terras
hebben gestaan, om u te verwelkomen, graaf, thans is Marek de eenige,
die mij trouw is gebleven. Alle anderen zijn of gedood, of zij hebben
zich aangesloten bij de Roode troepen of zij hebben de vlucht genomen.
Wij beiden zijn de eenigen, die hier zijn achtergebleven. Ik ben
verplicht, volkomen eerlijk tegenover u te zijn, ik vrees, dat uw bezit
in den eersten tijd nog wel zeer onzeker en onveilig zal zijn!”
„Ik zal het zoo goed mogelijk trachten te verdedigen, baron, en ik denk
toch niet, dat de menschen zich zullen vergrijpen aan het eigendom van
een vreemdeling, een Engelschman!”
„Ik hoop het, maar ik zou het niet durven verzekeren, graaf!” hernam
Palocza.
Marek was intusschen niet zonder moeite van zijn hoogen bok geklommen,
en geleidde nu de paarden aan den toom naar den stal, die even door het
dichte gebladerte van den grooten tuin heenschemerde, die wel een park
mocht worden genoemd.
Het was volkomen duister tusschen de eeuwenoude boomen, maar in de gang
van het kasteel brandde een helder licht, dat door een ovaal venster
boven de deur naar buiten scheen.
Palocza opende deze deur met een zwaren sleutel, en liet de drie mannen
voorgaan.
Maar Henderson vroeg bedaard:
„Neem mij niet kwalijk, baron, ik behoor hier niet. Gij wilt mij zeker
wel toestaan, vriend Marek op te zoeken. Ik ben een jaar in Duitsche
krijgsgevangenschap geweest en ik brabbel een weinig Duitsch. Wij
zullen elkander dus heel goed kunnen verstaan.”
Palocza keek Raffles vragend aan, maar deze zeide:
„Deze man is meer voor mij dan een gewone bediende, baron. Maar ik heb
hem altijd zijn zin gegeven, als hij, zelfs midden in de woestijn, zijn
eigen weg verkoos te gaan!”
„Nu, als het zoo is, gij vindt mijn trouwen bediende in het achterhuis,
vriend!” zoo wendde hij zich tot den reus. „De deur staat meestal open
en anders behoeft gij slechts aan te kloppen.”
„In orde, baron!” zeide Henderson.
En daarop verdween hij in de duisternis.
De drie mannen gingen binnen, maar op het oogenblik, dat de baron de
deur weder zou sluiten, klonk heel in de verte een dof gerommel,
waarvan de aard niet te miskennen viel, het was kanongebulder.
Een oogenblik bleven de drie mannen zwijgend luisteren, en toen deed
Palocza zuchtend de deur dicht.
„Mijn arm, arm land!” zeide hij op zwaarmoedigen toon. „Verscheurd,
uiteengerukt, bloedend, arm en hongerig! Mijn God, wanneer zal er aan
dit alles een einde komen!”
„Dan pas, baron, wanneer de menschen zich hun menschenaard wat beter
zullen herinneren!” zeide Raffles op bitteren toon. „Slechts dan,
wanneer iedereen weder gaat inzien, welk onvergelijkelijk genot de
arbeid oplevert voor ieder gezond man. Slechts dan, wanneer broeders
van één stam niet langer elkanders bloed bij stroomen vergieten!”
Met gebogen hoofd, en schijnbaar zonder te luisteren, ging Palocza door
de ruime vestibule, opende een deur, draaide een schakelaar van het
electrische licht om, en zeide:
„Gij zijt natuurlijk hedenavond en van nacht mijn gasten; mijne heeren!
Trouwens het zou immers niet anders gaan. Mijn naaste buren wonen hier
een paar kilometers van daan! Gij zult het dus wel met een schamel maal
en onder dit dak voor lief moeten nemen! Morgen hoop ik u het landgoed
geheel te laten zien.”
Raffles boog zwijgend.
Zijn blikken rustten op een prachtig schilderij in een zware, vergulde
lijst, dat boven den monumentalen schoorsteenmantel hing, en dat een
vrouw in den vollen bloei van haar schoonheid voorstelde.
„Mijn lieve vrouw!” zeide Palocza als in antwoord op een onuitgesproken
vraag.
Raffles bekeek eenigen tijd met stille aandacht het schoon gelaat, en
zeide toen zacht:
„Ik begrijp nu, baron, waarom gij dit land wilt verlaten. Ik zou in uw
plaats waarschijnlijk hetzelfde gedaan hebben. Niets rest u hier meer
dan de herinnering aan vervlogen geluk. Gij hebt den besten weg
gekozen...”
De drie mannen gingen verder en traden nu een tweede vertrek binnen,
waar een groote tafel, gebeeldhouwde stoelen en een prachtig, zwaar
buffet stond.
De ramen van deze eetzaal zagen uit op het park, dat zich achter het
heerenhuis uitstrekte.
Thans waren zij door gordijnen gesloten, die in zware plooien
nederhingen.
Juist trad Marek binnen, om de tafel te dekken, maar hij was vergezeld
van Henderson, die hem volstrekt wilde helpen.
En alsof hij het reeds jaren gedaan had, begon de brave kerel de tafel
in orde te maken.
De drie heeren begaven zich naar een kleine rookkamer, die zich naast
de eetzaal bevond, en spoedig waren zij in een gesprek verdiept,
waarvan de beklagenswaardige toestand van het ongelukkige Hongarije het
voornaamste onderwerp vormde.
Een half uur later klonk de gong in de gang, ten teeken dat er was
opgediend.
Palocza glimlachte even, toen hij zeide:
„De goede Marek doet nog, alsof alles bij het oude is gebleven! Hij zou
ook op de gong slaan, al kon hij mij niets anders meer voor zetten dan
een paar knolrapen uit den moestuin.”
„Ik ben van oordeel, dat dit voor hem pleit, baron!” zeide Charly.
„Zulke bedienden vindt men niet veel meer.”
De drie mannen waren opgestaan en begaven zich naar de eetzaal, waar
een eenvoudige maaltijd was aangericht.
„Wat gij hier thans zult eten, mijne heeren, dat groeide of leefde
alles op mijn landgoed en ik heb het wild zelf moeten schieten! Er is
geen middel meer, om iets uit de naaste stad te laten komen. Men is
hier thans geheel op zich zelf aangewezen, en als gij het goed koopt,
dan zou ik u ten sterkste aanraden, goede krachten uit uw eigen land
hier te laten komen, om het land te bewerken, en al het andere noodige
te doen.”
„Dat was ik voornemens, baron!” zeide Raffles. „Bij ons zijn gelukkig
de Boljewistische beginselen nog niet doorgedrongen!”
„Mag ik u vragen of ge voornemens zijt het landgoed aanstonds te
betrekken, verondersteld natuurlijk dat gij het koopt?” ging Palocza
voort.
„Dat zal geheel en al van de omstandigheden afhangen, waarde baron!
Wanneer de Witte Regeering den toestand hier kan beheerschen, dan denk
ik wel hier eenigen tijd te blijven, maar gij zult mij toegeven, dat
een oponthoud hier minder aangenaam zou zijn, wanneer wij hier tusschen
twee vuren zouden geraken.”
„Dat kan ik mij voorstellen,” zeide baron Palocza zuchtend. „Indien ik
dit alles had kunnen voorzien, zou ik u natuurlijk eerst nog
gewaarschuwd hebben zoodat ge uw bezoek tot een latere gelegenheid had
kunnen uitstellen. Maar nu gij toch hier zijt, hoop ik slechts, dat gij
veilig weder ons land zult kunnen verlaten. Hebt gij niet zeer veel
moeilijkheden met uw passen ondervonden?”
„Dat was niet zoo erg, baron. Het is ten huidige dage moeilijker zijn
eigen land weder binnen te komen dan er uit te vertrekken.”
Henderson en Marek hadden intusschen den maaltijd opgediend, die
bestond uit een koolsoep, een reebout, groenten, gebak en eieren en een
meelspijs, eigen aan het land, benevens eenige heerlijke vruchten,
allen afkomstig van het landgoed van den baron.
Het diner naderde zijn einde, en Marek had juist een kistje fijne
sigaren binnengebracht, toen weder het kanongebulder klonk, maar thans
veel duidelijker.
Palocza hield midden in een zin op en zeide op gedempten toon:
„Het kanonvuur komt naderbij. Mijn hemel, de Witten zullen toch niet
retireeren?”
„Moeten zij dan dezen kant uitkomen?”
„Ja, graaf! Als zij terug moeten dan is het in de richting van
Temesvár.”
Geruimen tijd bleven de drie mannen luisteren naar het gebulder van het
kanon.
En eensklaps hield dit op, zoo onverhoeds dat het was, alsof een
geheimzinnige macht plotseling alle kanonniers had nedergeslagen.
Het bleef nu stil, en na eenigen tijd stonden de drie mannen van tafel
op en begaven zich naar de biljartkamer, die op een hooger gelegen
verdieping was gelegen.
Er werd onder het spelen weinig gesproken en Raffles en Charly begrepen
dat zij te doen hadden met een man, wiens geheele geest nog slechts
werd beheerscht door het verlangen de streek te verlaten, waar hij zoo
gelukkig en zoo nameloos rampzalig was geweest.
Het was omstreeks tien uur, toen er plotseling op de deur werd geklopt
en Marek met een bleek gelaat binnentrad.
„Wat is er?” vroeg de baron hem, terwijl hij zich van de Hongaarsche
taal bediende.
„Ik geloof dat daarginds de Witte troepen aankomen, heer,” antwoordde
de grijze bediende.
„De chauffeur van den graaf zegt, dat hij het gedaver van de stukken
duidelijk kan onderscheiden, hij is in den oorlog geweest, hij heeft er
verstand van.”
Dadelijk snelde de baron naar het venster, en wierp het open.
Raffles en Charly voegden zich bij hem, en allen luisterden met
aandacht.
Henderson had goed gehoord, heel in de verte klonk het onbestemde
gerommel van een aantal kanonnen en kruitwagens, die over den straatweg
naderden, welke in het licht van de maan, die zoo juist was opgekomen,
flauwtjes zichtbaar was op een afstand van tien minuten gaans.
Het gelaat van baron Palocza was bleek, en zijn trekken waren
verwrongen van wraakzucht en woede.
„Ja, zij retireeren!” riep hij op gesmoorden toon.
„En gij, blijft gij hier?” vroeg Raffles. „Zoudt gij niet aanstonds
vluchten?”
„Wat, voor de Roode bandieten?” riep de baron op woesten toon. „Nooit!
Liever liet ik mij dooden. Zij hebben mij het liefste ontroofd, wat ik
op de wereld bezat, en zij hebben mijn vrouw en mijn kinderen vermoord,
en ik weet niet wat mij nog aan het leven bindt. Neen, ik blijf hier,
al staken zij mijn kasteel boven mijn hoofd in brand. Maar als gij wilt
vertrekken, graaf, ik denk er natuurlijk niet aan om u terug te
houden.”
„Wij blijven!” zeide Raffles kalm. „Rooden of Witten, ik zou wel eens
willen zien, dat zij zich durfden vergrijpen aan Engelschen. En
trouwens, gij kent mij niet, als gij denkt, dat ik u aan uw lot zou
overlaten.”
„Ik dank u, graaf, dat is edel van u! Ik hoop dat zij zullen
standhouden, en al wilden zij mijn landgoed als steunpunt gebruiken, ik
zou hen laten begaan! En als het moest zou ik daarvoor gaarne als een
arm man de wereld ingaan.”
Het geraas van de naderende troepen werd intusschen hoe langer hoe
duidelijker hoorbaar, en nu klonk het doffe gedreun van de voetstappen
van een zeer groot aantal soldaten, die over den straatweg trokken.
Even later kwamen de eerste colonnes aan, en zij schenen volstrekt niet
van zins te zijn, zich bij het kasteel op te houden.
Integendeel, de drie mannen zagen hen haastig, als in een vlucht en in
ordelooze gelederen voorbijtrekken, naar het Noordwesten.
Op dezen afstand en met de heerschende duisternis was het onmogelijk,
hun regimentsnummer of een ander onderscheidingsteeken te herkennen,
maar dat het Witte troepen waren, dat was zeker, want men kon duidelijk
de volledige uniformen zien, welke alle soldaten droegen, in afwijking
van de Roode troepen, waarvan de manschappen een zonderling allegaartje
droegen, militaire pantalons met daarboven een colbert, of een
jockeypet, sandalen en een uniformjas.
Ongeveer een half uur lang bleven er onophoudelijk troepenafdeelingen
voorbijtrekken, en het was maar al te duidelijk, dat de Witten een
ernstige nederlaag hadden geleden en in volle vlucht waren.
Weer een kwartier later was er niets meer te hooren, dan het verre
gerucht van de duizenden voetstappen en het wegstervend gedreun van de
stukken.
Nog een oogenblik bleven de drie mannen aan het venster staan, maar
niemand hunner had lust om de partij biljard te gaan hervatten.
Iedereen begreep dat de gebeurtenissen een ernstige wending hadden
genomen en baron Palocza gaf uiting aan hetgeen allen bezielden, toen
hij zeide:
„De Rooden zullen hen wel achtervolgen, maar wie kan zeggen, of zij op
hun beurt mijn bezitting zullen voorbijgaan.”
Reeds een half uur later zou het antwoord op die vraag komen....
Weder naderden er voetstappen langs den straatweg, en uit dezelfde
richting, maar thans waren het geen soldaten van het witte leger, het
moesten Rooden zijn.
Een afdeeling marcheerde door, maar een tweede groep scheidde zich af,
en kwam den grintweg op.
Er waren er zeker onder den troep, die volkomen op de hoogte waren van
de plaatselijke gesteldheid, misschien wel voormalige bedienden van den
baron, want zij weifelden geen oogenblik, maar verspreidden zich
dadelijk in het park en stelden zich verdekt op achter de boomen, de
heggen en de terreinplooien.
En zonder eenige inleiding begonnen zij een geregeld vuur te openen op
het landhuis.
Snel traden de drie mannen terug van het venster waarvoor zij weder
hadden plaats genomen, ditmaal in de eetzaal, die gelijkvloers was
gelegen, waar de kogels reeds door het vertrek vlogen.
„Ik kan hun gedrag niet heldhaftig noemen,” zeide Raffles minachtend.
„Zij kunnen toch niet anders denken, of gij zijt heel alleen, en
slechts vergezeld van uw ouden bediende.”
„Dat kunnen zij heel goed weten graaf, want zij hebben mijn lieve vrouw
en kinderen gedood,” zeide de baron op woesten toon. „Zij kunnen ook
weten, dat al mijn bedienden gevlucht, vermoord of in de gelederen
getreden zijn.”
En hij snelde naar een wapenrek dat aan den wand hing en rukte er een
jachtgeweer af.
Hij ijlde weder naar het raam terug en wilde het opentrekken, toen
Raffles hem in den weg trad en op ernstigen toon vroeg:
„Wat wilt gij doen, baron?”
„Vraagt gij dat nog? Denkt gij, dat ik mij zonder verweer zal laten
dooden?”
„Maar gij kunt immers niets uitrichten tegen die overmacht,” zeide
Raffles overredend. „Er zijn minstens veertig of vijftig mannen in uw
park, nog voor het raam geopend is, voor gij een schot zult hebben
kunnen lossen, zullen zij u hebben neergelegd, want gij zult scherp
afteekenen tegen de hel verlichte kamer.”
„Maar wat wilt gij dan? Moet ik mijn huis laten vernielen door die
wilde beesten, en gij zelf, zult gij u niet verweren?”
„Pardon, baron, met ons is het iets anders,” antwoordde Raffles, „en
gij vergeet dat die lieden daarginds in het geheel niet weten, dat wij
hier zijn. Als gij het toestaat, zal ik hen daar even opmerkzaam op
maken, en op die wijze zal uw huis zeker gespaard blijven voor hun
woede.”
„Daar ben ik zoo zeker niet van, graaf. Zij zouden u ook wel eens
kunnen dooden.”
„Dat zullen zij niet doen!” antwoordde Raffles kalm. „Het is in
Boedapest en Temesvár bekend, dat wij hier heen zijn gegaan, en die
lieden zouden zich aan een groote straf blootstellen wanneer zij ons
een haar op het hoofd zouden krenken.
„En wij moeten het in ieder geval probeeren, want als zij eenmaal het
huis bestormen, dan zouden zij wel eens niet meer voor reden vatbaar
kunnen zijn, verblind door hun bloeddorst en woede.”
En zonder verder de toestemming van den baron af te wachten, trad
Raffles in de vestibule, opende de voordeur, haalde zijn zakdoek te
voorschijn en begon er mee te zwaaien.
Het electrisch licht in de vestibule verlichtte zijn gestalte duidelijk
en dadelijk hield het vuren op.
De Rooden schenen met elkander te beraadslagen, en een oogenblikje
later doemde er een groepje mannen op uit de duisternis van het park,
die langs het breede tuinpad kwamen aanloopen en met het geweer in den
aanslag de vestibule binnendrongen.
Zij bleven echter verbaasd stilstaan bij het zien van den vreemdeling,
die met een witten doek gezwaaid had, en een hunner vroeg in slecht
Duitsch:
„Wie zijt gij? Wat doet gij hier in het huis van den vervloekten
kapitalist?”
„Ik kom het koopen!” antwoordde Raffles lakoniek.
HOOFDSTUK III.
NOG EENS VAN DEN OS OP DEN EZEL.
Deze mededeeling verwekte niet weinig opschudding onder de vijftig
soldaten van het Roode leger, toen de man die Duitsch sprak het
antwoord van Raffles vertaald had.
„Zoo, zoo! Dus nog zulk een geldwolf!” hernam de aanvoerder op
grimmigen toon. „Komt gij het landgoed van dien bloedzuiger koopen?”
„Ja, en ik betaal contant,” antwoordde Raffles langs zijn neus.
De aanvoerder zette groote oogen op en deed een stap achteruit, waarop
hij uitriep:
„Gij betaalt het contant! Gij hebt dus dat geld bij u?”
Raffles zag aan de uitdrukking in de oogen van den man, dat hij een
onvoorzichtigheid begaan had, maar het was nu te laat om die ongedaan
te maken.
Alleen stoutmoedigheid zou hem nog kunnen redden.
Trouwens als hij ontkende, zouden de revolutionairen hem aan den lijve
onderzoeken, om zich te overtuigen, of hij de waarheid had gesproken.
En daarom klonk kalm zijn antwoord:
„Ja, ik heb het geld bij mij.”
„Hoeveel?”
„Tien millioen kronen.”
De omstandigheden waren er wel niet naar, maar het scheelde nu toch
weinig of de aanvoerder had een luchtsprong gemaakt, zoozeer verraste
hem de hoogte van dit bedrag.
Waarschijnlijk gaf hij er zich geen rekenschap van, dat dit bedrag in
Engelsch geld omgerekend, niet hooger was dan twaalfduizend pond.
Hij wisselde op zachten toon een paar woorden in de Hongaarsche taal
met zijn metgezel en daarop ging er een terug, om een oogenblik later
met tien van zijn makkers terug te keeren.
De aanvoerder, die geen oog van Raffles had afgehouden, trad nu weder
op hem toe en vroeg:
„Zijt gij hier alleen?”
„Met twee metgezellen!”
„Van welken landaard zijt gij?”
„Engelschen!”
Dat antwoord scheen den aanvoerder minder te bevallen, tenminste hij
bromde iets in zich zelf dat voor Raffles niet verstaanbaar was.
Toen hernam hij op dreigenden toon:
„Waar is die schurk van een Palocza?”
„Ik ken wel een baron van dien naam, maar het verbaast mij uit uw mond
te hooren dat hij een schurk is,” hernam Raffles op kouden toon.
„Wat weet gij daarvan?” vroeg de aanvoerder ruw. „Gij kent hem niet
zooals wij hem kennen.”
„Wat hebt gij dan tegen hem in te brengen? Waarop steunt uw
beschuldiging dat hij een schurk is?”
„Waarop? Op alles! Hij is schatrijk!”
„Ei zoo, en dat is volgens u een afdoend motief om iemand voor een
schurk uit te maken,” zeide Raffles ironisch.
„Hij is een dief, want hij bezit land!”
„Heeft hij dat dan gestolen?”
„Niet in den eigenlijken zin, maar hij heeft het ten geschenken
gekregen van zijn vader, die het weder van zijn vader had, en dat is
juist hetzelfde als diefstal! Heeft hij het soms met zijn zweet
verworven? Heeft hij er voor moeten strijden? Heeft hij niet honderd,
ja duizendmaal te veel! Hadden er niet honderd gezinnen gelukkig en
tevreden op zijn landgoed kunnen leven?”
„Dat alles mag zoo zijn, en voor een gedeelte kan ik uw gedachtengang
zelfs volgen,” hernam Raffles bedaard. „Maar dit alles is niet de
schuld van baron Palocza, het is krankzinnigheid, om hem voor dien
toestand persoonlijk verantwoordelijk te stellen, en het is een laffe,
beestachtige wreedheid, om zijn vrouw en zijn twee onschuldige kinderen
daarom te vermoorden.”
De aanvoerder klemde de tanden op elkander, en zeide toen op norschen
toon:
„Dat heeft onze afdeeling niet gedaan, dat is het werk van de zwervende
benden geweest. Wij kunnen niet overal tegelijk zijn, en als gij wist
wat het boerenvolk hier eeuwenlang te lijden heeft gehad, dan zoudt gij
zulk een daad, zoo niet verontschuldigen, dan toch in ieder geval
begrijpelijk achten. De menschen zijn hier verbitterd, en tot helsche
woede geprikkeld. Gij zijt een vreemdeling en weet van onze zaken niets
af. Gij leest in uw bladen van de Witte Terreur, maar gij kunt u geen
voorstelling vormen van wat het werkelijk beteekend heeft, en nog
altijd beteekent in streken, waar zij ons nog onder den duim hebben.
Duizenden socialisten en ook gewone burgers, die slechts verdacht
werden met de denkbeelden van Bela Kun te sympathiseeren, of die door
wraakzuchtige verklikkers waren verraden, hebben hun leven aan den galg
moeten eindigen. En nog eens dat aantal is versmacht van honger, dorst
en mishandeling in de vunzigste kerkerholen, holen, waarvan ge u in uw
beschaafd Engeland geen voorstelling kunt maken.”
De man had bevend en wit van drift gesproken, terwijl hij de kolf van
zijn geweer met een onbewust gebaar streelde.
Raffles had ernstig toegeluisterd en hernam nu:
„Ik veroordeel u niet, ik betreur het alleen, dat het niet anders kon
zijn. Gij weet niet wat gij doet, gij brengt uw land aan den rand van
den afgrond, gij zoowel als de aanhangers der reactie.”
Maar de aanvoerder der Roode afdeeling haalde de schouders op en
hernam:
„Als wij maar eens eerst aan het bewind komen, dan zal alles goed
gaan.”
Er lag een gloed van fanatisme in zijn oogen, toen hij dit uitriep.
Maar Raffles schudde het hoofd en zeide:
„Daar is geen sprake van! Gij zoudt juist hetzelfde doen, hetgeen gij
nu aan de Witten verwijt, en opnieuw zal het bloed in stroomen vloeien,
dan zullen de Witten u weder ten onder brengen, het schouwspel zal zich
opnieuw weder herhalen, en over een paar jaar zal de laatste Witte den
laatsten Rooden hebben doodgeslagen, of omgekeerd misschien. Maar nu
genoeg over deze dingen gepraat. Zeg mij nu wat gij wilt!”
„Wij willen Palocza!” antwoordde de ander ruw.
„Met welk doel?”
„Wij willen hem dooden! Hij verdient het dubbel en dwars!”
„Gij zijt gek!” hernam Raffles op kouden toon. „Gij zult hem geen haar
op zijn hoofd krenken, zoolang ik hier ben, en gij zult het niet wagen,
een Engelsch onderdaan een stroobreed in den weg te leggen.”
Raffles wist dat hij boud sprak, want de Rooden zouden zich zeer
waarschijnlijk al bitter weinig gelegen laten liggen aan een
schriftelijk protest, of zelfs een dreigende nota van de Engelsche
regeering.
Zij wisten maar al te goed, dat Londen op dit oogenblik toch weinig of
niets tegen hen kon uitrichten.
Maar de vastberadenheid, waarmede Raffles sprak, scheen toch indruk te
hebben gemaakt op den aanvoerder.
„Waarom springt gij voor dien man in de bres? Waarschijnlijk omdat hij
een soort collega van u is?” vroeg hij op schamperen toon.
„Neen, eenvoudig omdat ik het niet zou dulden, dat men in het bijzijn
van drie Engelschen een weerloos man laaghartig vermoord.”
„Gij durft veel zeggen, vreemdeling!”
„Dat is zoo mijn gewoonte!” hernam Raffles kortaf. „Gij doet mij dus
hier de plechtige toezegging, dat gij dien ongelukkigen man niet zult
deren, wiens vrouw en kinderen door uw gelijken zijn vermoord! Anders
sta ik niet voor de gevolgen in.”
„Maar wij moeten zijn huis hebben!” riep de aanvoerder. „Zijn huis, de
akkers en alles wat er bij behoort.”
„Pardon, dat alles is niet meer van hem, hij heeft het aan mij
verkocht.”
„Daarmede houd ik mij niet op,” ging de aanvoerder schouderophalend
voort. „Gij kunt het toch niet betalen!”
„Ik zeg u toch, dat ik de koopsom bij mij heb.”
„Nu nog, maar over een kwartier zult gij haar niet meer hebben!”
„Wat! Zoudt gij mij haar durven ontrooven?” riep Raffles uit.
„O, daar is niet veel moed toe noodig,” antwoordde de ander koeltjes.
„Wij zijn met vijfenveertig man, en gij zult wel zoo verstandig zijn,
geen tegenstand te bieden! Bedenk wel, dat wij in een wanhopige positie
zijn, dat wij ditmaal moeten winnen, en dat wij zeer veel geld noodig
hebben. Tien millioen kronen is voor ons een reusachtig bedrag en gij
kunt zelf de gevolgtrekking wel maken.”
„En als ik weiger u dat bedrag af te staan?”
„Dan zou ik genoodzaakt zijn geweld te gebruiken!” antwoordde de
aanvoerder der Roode troepen. „Gij zult zelf wel inzien, dat wij in
onze positie weinig consideratie kunnen gebruiken. Het is voor ons, er
op of er onder. Ik zou u ernstig in overweging willen geven, geen
verzet te plegen, want wij zijn tot alles in staat, tot alles, verstaat
gij?”
Een blik in de oogen van den man was voldoende, om hem te overtuigen,
dat hij geen looze bedreigingen uitte.
Hij meende blijkbaar wat hij zeide, en hij begreep dat zij groot gevaar
liepen, wanneer zij inderdaad zouden trachten tegenstand te bieden, nu
de Rooden eenmaal wisten, welk een kostbare buit hun zoo eensklaps in
den schoot was geworpen.
Charly, die het laatste gedeelte van het gesprek had gehoord, begreep
opeens aanstonds, dat er niet aan te denken viel, aan deze overmacht
van goed gewapende, tot alles in staat zijnde mannen het hoofd te
bieden.
Weigerden zij het geld af te staan, dan zou ook stellig de ongelukkige
Palocza het leven moeten laten.
Het was wel een hard gelag om zooveel geld te moeten afstaan, maar het
lag er nu eenmaal toe, en men zou het beste doen, de zaak van den
wijsgeerigen kant te beschouwen.
En het was maar goed, dat Henderson zich in het achterhuis bevond, want
de reus zou waarschijnlijk dadelijk alles bedorven hebben, door zich op
de vijf Revolutionairen te werpen.
„Wanneer ik u het geld geef, zult gij mij dan een vrijgeleide geven
voor mij, mijn metgezellen, en baron Palocza,” zoo wendde Raffles zich
opnieuw tot den aanvoerder.
Deze dacht even na, en antwoordde toen:
„Gij zoudt natuurlijk toch van hier moeten vertrekken, en ik wil wel
een vrijgeleide geven, maar ik waarschuw u, dat mijn macht hier niet
verder strekt, dan een tiental mijlen in het rond. Ik kan u dus
volstrekt niet waarborgen, dat een andere afdeeling der Roode Garde u
ongehinderd zal laten door gaan!”
Dat was zeker een minder aangenaam vooruitzicht, maar er viel niets aan
te doen, en hier zou men in geen geval kunnen blijven, want het was
duidelijk dat deze vijftig man nog slechts de voorhoede van een veel
grooter leger was, hetzelfde leger, dat de Witten dien dag een zware
nederlaag had toegebracht, en dus thans in een gevaarlijken
overwinningsroes zou zijn.
Zonder verder nog een woord te spreken, stak Raffles zijn hand in zijn
binnenzak, haalde er zijn portefeuille uit, en wilde er de Engelsche
banknoten uithalen.
Maar de aanvoerder trok hem de portefeuille eenvoudig uit de hand, en
zeide spottend:
„Geef u niet zooveel moeite. Het is volstrekt niet noodig, dat er nog
iets in achterblijft.”
„Gelooft gij?” kwam Raffles, zonder zijn kalmte een oogenblik te
verliezen, „misschien zoudt gij toch wel zoo goed willen zijn, mij
althans mijn passen en andere onmisbare papieren terug te geven?”
De aanvoerder bromde iets, opende de portefeuille, zocht er even in, en
overhandigde Raffles toen eenige documenten, waarna hij de dikke
portefeuille in zijn eigen zak liet glijden.
Met de woede in het hart had Charly dit gade geslagen, maar Raffles
scheen er zich niet al te veel van aan te trekken, en voor de
zooveelste maal bewonderde de jonge man de kalmte des gemoeds waarmede
de Groote Onbekende alle gebeurlijkheden des levens aanvaardde.
Baron Palocza was al dien tijd in het vertrek achtergebleven, en zat
daar met het hoofd in de handen en schijnbaar onbewust van alles wat er
om hem heen gebeurde.
Maar nu werd de deur geopend en Raffles trad binnen met den aanvoerder
der Roode Garde.
„Baron Palocza,” begon hij, „die man zal ons hier een vrijgeleide
geven, tot zoover zijn macht grenst. Gij ziet nu wel, dat wij allicht
beter hadden gedaan met het leger der Witten te retireeren.”
Palocza was opgestaan en kwam met gebalde vuisten en gebogen hoofd op
den aanvoerder toe.
Hij scheen niet eens te hebben gehoord, wat Raffles zeide en
schreeuwde: „Gij, gij hebt mijn vrouw en mijn kinderen vermoord. Wat
doet gij hier? Wilt gij mijn leven ook? Neem het dan maar! Ontroof mij
ook dat nog, het heeft voor mij toch geen waarde meer. O, hoe gaarne
zou ik u met deze handen wurgen, gij ondier!”
Met een paar passen was Raffles tusschen de twee mannen in en riep nu
met een bezwerend gebaar:
„Beheersch u baron! Gij kunt toch niet allen voor de daad van een
enkeling aansprakelijk stellen. Schik u in uw lot, gij zoudt ons hier
allen laten uitmoorden!”
Palocza wreef zich met de handen over het voorhoofd, alsof hij een
gedachte wilde verdrijven, die hem hinderde en hernam toen:
„Ik vraag u vergiffenis, graaf, dat ik u in dezen toestand heb
gebracht. Er is nu zeker geen sprake meer van, dat gij mijn landgoed
koopt?” voegde hij er op een toon van bitteren spot aan toe.
„Ik zou het niet meer kunnen koopen, baron, deze heeren zijn zoo goed
geweest mij van al mijn contanten te ontlasten.”
„En dat neemt gij zoo kalm op?”
„Waartoe zou het dienen, als ik mij driftig maakte?” vroeg Raffles
bedaard. „Het zou mij niets verder brengen nietwaar? Ik hoor daarginds
in de verte al de stappen van een groot aantal andere soldaten, en ik
heb menigmaal tegenover heete vuren gestaan, maar ik ben er ditmaal
niet op voorbereid, om den strijd tegen een paar regimenten op mij te
nemen. Beloof mij, op de spoedigste manier te vertrekken! Ga naar
Temesvár, wacht daar betere oogenblikken af, wie weet hoe spoedig de
kans weder keert.”
Raffles had dit laatste op fluisterenden toon gezegd, zoodat alleen de
landeigenaar hem kon verstaan, terwijl de aanvoerder der Roode Garde
zich aan een kleine schrijftafel had nedergezet, en daar met grove
letters een formulier invulde.
Hij onderteekende het, stelde het Raffles ter hand en zeide:
„En nu zou ik u aanraden, zoo spoedig mogelijk uw hielen te laten zien,
want anders zoudt gij wel eens tusschen twee vuren kunnen geraken en
van den regen in den drup.”
„Of van den os op den ezel,” voegde Raffles er laconiek aan toe.
HOOFDSTUK IV.
DE VLUCHT.
Een kwartier later was het geheele huis in handen van de Roode troepen.