„Dat deed ik, en dat doe ik nog! Hij is gisteren juist vrij gekomen, en

ik ben van plan om aanstonds na het ontbijt naar de Burrellstreet te

gaan, en die goede lieden een bezoek te brengen.”

„Dan zal je althans Richard niet meer vinden, Edward!” zeide Charly op

ernstigen toon.

„Hoe zoo?” kwam Raffles langzaam. „Wat is er dan met den jongen man

gebeurd?”

„Hij is gisteravond omstreeks half tien gearresteerd!”

„Wat alweer?” riep Raffles op ongelooflijken toon uit. „En hij zou om

drie uur worden vrijgelaten. Maar is die jongen dan dol? Wat heeft hij

dan nu weer gestolen?”

„Hij heeft niet gestolen, Edward!” zeide Charly, „hij is gearresteerd

op beschuldiging van een moord!”

Raffles die anders zijn bewegingen zoo goed meester was, zette zijn

fijn Chineesch theekopje, dat hij juist aan den mond wilde brengen, met

zulk een harden slag neer, dat hij alleen het oortje in de hand hield,

en riep toen uit:

„Mijn God, hoe is dat mogelijk! Wat is er dan gebeurd? Wie is het

slachtoffer?”

„Een zekere Blackpool!”

„Maar dat is als ik mij niet vergis, de naam van hun huisheer,” riep

Raffles. „Ik vrees dat ik het reeds begin te doorzien! Die schurk

trachtte Dora in zijn macht te krijgen! Maar wat kan er dan toch wel

gebeurd zijn tusschen drie uur, het oogenblik waarop hij de gevangenis

verliet, en halftien? Lees het mij aanstonds voor!”

Charly vouwde de „Daily Mail” zoo, dat hij het blad gemakkelijk kon

vasthouden terwijl hij las, en begon toen:

„MOORD OP EEN HUISHEER.

De vrouw in het spel!

Short Gardens is gisterenavond het tooneel geweest van een

afschuwelijke misdaad, zooals er in deze rustige straat gelukkig

slechts weinig gepleegd wordt.

De heer Bernard Blackpool, eigenaar van verschillende huizen in

onze volksbuurten, is het slachtoffer van een laaghartigen

moordaanslag!

Laten wij onze lezers dadelijk gerust stellen met de mededeeling,

dat de dader zich reeds in handen van de politie bevindt.

Het is een zekere Richard Stefenson, geen onbekende voor de

Justitie, en de eenige zoon van één van Blackpool’s huursters.

Wel is waar ontkent de jonge man, niet veel meer dan een knaap,

hartstochtelijk iedere schuld, maar de bewijzen tegen hem zijn zoo

overstelpend, dat hieraan haast niet getwijfeld kan worden.

Maar laten wij het verloop van dit gruwelijke voorval naar het

vervolg mededeelen.

Het was omstreeks kwart over negenen in den avond toen de portier

van het huis in Short Gardens, waarvan Blackpool de tweede

verdieping bewoont, een jongen man zag naderen, tamelijk sjofel

gekleed, en die hem vroeg of mijnheer Blackpool thuis was.

De portier antwoordde bevestigend, want hij had juist een half uur

geleden Bernard Blackpool zien thuiskomen van een vriendendiner.

Daarop vroeg de jonge man waar zich de woning van Bernard Blackpool

bevond, en toen de portier hem dit had medegedeeld, besteeg hij de

trappen en belde aan de gangdeur van de tweede verdieping.

De deur werd opengedaan door de oude huishoudster van Bernard

Blackpool, Miss Aurélie Dayton, een dame van ongeveer zestigjarigen

leeftijd, die, met een bijna even ouden bediende, het personeel van

den vermoorde vormde.

De jonge man noemde zijn naam, en verzocht, den heer Blackpool te

mogen spreken. Hij verzekerde dat Bernard Blackpool van zijn komst

wist, en hem zeker wel zou verwachten.

De oude dame die het juist nogal volhandig had wees den jongen man

eenvoudig met een beweging van het hoofd de deur van de werkkamer

van haar meester, en ging haars weegs, blijkbaar had zij iets te

zoeken in een ander gedeelte van de tamelijk uitgestrekte woning.

Zij verzekert dat zij nauwelijks vijf minuten kan zijn weg geweest,

en waarschijnlijk nog veel korter of zij hoorde een woest

geschreeuw, dat uit de richting van de werkkamer kwam.

Zij keerde aanstonds terug, en reeds toen zij de gangdeur geopend

had, zag zij dat de deur van de werkkamer openstond, en dat het

daarbinnen duister was.

Bijna op hetzelfde oogenblik kwam de huisknecht, Thomas Blunt

geheeten, haastig aanloopen, en ongeveer tegelijk bereikten zij de

kamerdeur.

De oude bediende behoefde de hand slechts even om de deurpost te

steken om den schakelaar van het electrische licht te vinden.

Hij draaide dien om en de kamer was toen helder verlicht.

Met een luiden gil van afschuw deinsden de beide oude menschen

terug—want in het midden van het vertrek, niet ver van het

schrijfbureau, lag onbewegelijk, op den rug, het lichaam van hun

meester uitgestrekt.

Het wit van zijn overhemd verdween bijna geheel onder het rood van

het bloed, dat nog altijd te voorschijn kwam uit een wonde, waaruit

een vlijmscherp mes stak, hetwelk zij beiden aanstonds herkenden.

Het was de Japansche dolk, welken Bernard Blackpool steeds placht

te gebruiken bij wijze van vouwbeen en die altijd op zijn

schrijfbureau lag.

Over het lijk heengebogen—want men kon er helaas niet meer aan

twijfelen, of het slachtoffer had reeds den laatsten adem

uitgeblazen, stond de bezoeker, met doodsbleek gelaat, bebloede

handen, en starende oogen.

Hij scheen volstrekt het besef te hebben verloren van hetgeen hij

gedaan had, en scheen zelfs niets te merken van het binnentreden

der bedienden.

Gillend vluchtte Miss Dayton weder weg, en binnen enkele

oogenblikken had zij eenige buren te hulp geroepen, terwijl de

portier aanstonds gewaarschuwd de politie opbelde.

Pas toen deze verscheen, in de gedaante van een inspecteur en twee

agenten, scheen Richard Stefenson weder tot besef te komen, en hij

verzette zich tegen zijn arrestatie, en bezwoer dat hij onschuldig

was. Toch valt er aan zijn schuld niet te twijfelen, want de

portier is zeer pertinent in zijn verklaringen dat hij Bernard

Blackpool om negen uur geheel alleen heeft zien terugkeeren en dat

er volstrekt geen bezoeker voor hem is geweest, behalve juist

Richard Stefenson.

Men begaf zich naar zijn huis, in de verwachting dat men daar

wellicht nadere bijzonderheden zou kunnen vernemen omtrent het

motief van den moord, en daar bleek het uit verhoor van eenige

buurvrouwen al spoedig, dat Bernard Blackpool op dienzelfden dag

een hevigen twist had gehad met Richard Stefenson, die toen juist

uit de gevangenis teruggekeerd was, en hem zelfs met den dood had

bedreigd, omdat Bernard Blackpool, naar hij beweerde, zijn zuster

met oneerbare bedoelingen vervolgde.

Toen men dit jonge meisje in kennis stelde van de arrestatie van

haar broer, viel zij in zwijm, en men vreest, dat deze nieuwe

misdaad van haar broeder haar gezondheid ernstig kan benadeelen.

Tot dusverre heeft men het jonge meisje niet kunnen ondervragen.

Wij zullen natuurlijk niet nalaten, onze lezers aanstonds op de

hoogte te brengen, zoodra in deze afschuwelijke zaak nadere

bijzonderheden bekend mochten worden.”

Charly liet het blad zakken, en geruimen tijd bleven de beide vrienden

zwijgend tegenover elkander zitten.

Raffles had de oogen met de hand bedekt, zijn geliefkoosde houding als

hij ingespannen ergens over nadacht.

Er waren bijna volle tien minuten verloopen, toen hij eindelijk het

hoofd ophief, en op zachten toon vroeg:

„De kamer was immers donker, volgens de verklaring van Miss Dayton en

van den bediende Thomas Blunt?”

„Ja!”

„Begrijp jij dat?”

„Niet al te best! Het eenige is natuurlijk, dat Richard het licht heeft

uitgedraaid nadat hij.... dat verschrikkelijke gedaan had!”

„O! Ja, dat is zeker mogelijk!”

„Wat, twijfel je er aan?” riep Charly verwonderd uit. „Is het dan

mogelijk om te twijfelen?”

„O! Ja, dat is zeer mogelijk!” antwoordde Raffles op ernstigen toon.

„Ik wil echter erkennen, dat er veel is dat hem zeer zwaar belast! Maar

goed—wij nemen aan dat hij de daad bedreef, noem mij dan een motief,

dat hem bewoog vervolgens het licht uit te draaien.”

„Misschien hoopte hij in de duisternis te ontvluchten!”

„Dat zou al een zeer zonderlinge redeneering zijn geweest! Hij moest

toch heel goed weten, dat hij buiten de kamer gekomen dadelijk in een

helder verlichte gang zou komen.”

„Dat is hem misschien in de vreeselijke ontroering zeker ontgaan!”

„Ei! Welke moordenaar, die zich in zulken vreeselijken gemoedstoestand

bevindt, zal op het denkbeeld komen, het licht uit te draaien.

Bovendien—de huishoudster zoowel als de bediende verklaren dat hij

onbeweeglijk over het lijk gebogen stond. Hoe rijm je dat dan met zijn

voornemen te vluchten!”

„Maar zijn handen waren vol bloed!”

„Luister eens, mijn waarde! Denk je er eens even in, dat jij van avond

laat een wandeling gaat maken. Op de Theemskade vindt je een man

onbeweeglijk uitgestrekt. Je denkt dat hij bewusteloos is, of ziek, of

misschien dood is, je bukt, zooals ieder ander zou doen, om je te

overtuigen. De man is echter vermoord, en het bloed stroomt nog altijd

uit zijn borst. Jij krijgt dat aan de handen.... op dat oogenblik

nadert er politie!”

„Je behoeft niet verder te gaan, Edward!” viel Charly hem in de rede.

„De politie arresteert mij natuurlijk, eenvoudig omdat zij niet anders

kan.”

„Juist! Overdag zou je er niet zoo spoedig toe komen om die beweging,

die ons als het ware ingeboren is, te volbrengen—je zou dan natuurlijk

dadelijk het bloed zien, en den armen man aan de armen, aan het hoofd,

waar je wilt vastgrijpen, maar zeker niet aan de wonde! En let wel op

dat de kamer donker was—in ieder geval in vergelijking met de lichte

gang. Het is dus zeer wel mogelijk, dat Richard, nadat hij geklopt

heeft en naar binnen was gegaan, verbaasd door de duisternis in het

vertrek een paar stappen heeft gedaan, en toen over het lichaam van den

verslagene is gestruikeld. Natuurlijk heeft hij toen zijn handen in het

bloed besmeurd—natuurlijk heeft hij toen dien woesten kreet geslaakt,

dien de bediende en de huishoudster hebben gehoord.”

„Ho! ho! Nu loop je toch wel wat al te hard van stal!” riep Charly uit.

„Waarom?”

„Vraag je dat nog? Als het zich zoo heeft toegedragen, zooals jij het

daar voorstelt, dan moet die schurk van een Blackpool natuurlijk van te

voren door een ander zijn gedood—en wel door iemand die na negenen is

gekomen! Welnu de portier verklaart, dat er niemand geweest is!”

„Je zegt nu dat op zegevierenden toon, Charly, en je denkt nu bij

jezelf dat je mij schaakmat hebt gezet! Maar ik geef mij zoo spoedig

niet gewonnen. Wij kennen het huis van Blackpool niet, maar ik acht het

volstrekt niet onmogelijk, dat de dader zich reeds geruimen tijd van te

voren in een ander gedeelte van het huis schuil heeft gehouden.”

„Ik moet je nogmaals excuus vragen, Edward, maar ik geloof nu toch

werkelijk dat je de waarschijnlijkheid forceert, omdat het een

beschermeling van je betreft!” riep Charly uit. „Jijzelf verklaart

altijd, en ik stem dat volmondig toe, dat iedere misdaad het spoedigst

wordt opgelost, wanneer men slechts het motief kent, welnu hier is het

motief bekend! Richard Stefenson had Blackpool bedreigd, hij droeg hem

een fellen haat toe, hij heeft zijn zuster innig lief, en hij wilde

haar eer wreken!”

„Goed zoo! En daarom begaf hij zich naar het huis van Blackpool, met

het opzet om hem te dooden, nietwaar?”

„Welzeker!”

„Natuurlijk heeft hij een wapen mede genomen—is het niet zoo?”

Charly keek een oogenblik bedremmeld voor zich, en zeide toen:

„Nu wil je mij zeker vangen door mij voor oogen te houden, dat

Blackpool vermoord is met zijn eigen Japanschen dolk!”

„Dat was ik inderdaad van plan! Denk je eens even in den toestand van

een broeder, die de eer van zijn zuster gaat wreken. Laat ik je nu om

te beginnen er even aan herinneren, dat er volstrekt niets te wreken

viel! Dora is rein en eerbaar gebleven! Maar goed, wij nemen aan, dat

de driftige Richard zich desniettemin voldoening wilde verschaffen!

Maar dan had hij immers een wapen moeten mee nemen.”

„Wie zegt dat hij er inderdaad geen een bij zich had?” mompelde Charly.

„Maar dat zegt de „Daily Mail”, Charly,” riep Raffles uit.

„Dat blad zegt er niets van, Edward.”

„Juist en door er niets van te zeggen geeft ze te kennen, dat er geen

wapens bij Richard gevonden zijn! Mijn hemel, Charly, denk je dat een

blad als de „Daily-Mail”, dat er altijd op uitgaat zijn lezers tot in

de minste bijzonderheden voor te lichten, waar het zulke sensationeele

gebeurtenissen betreft, dat belangwekkende feit vergeten zou hebben?

Neen, neen—als de „Daily-Mail” er niets van zegt, dan is dat voor mij

het bewijs, dat men ook volstrekt geen wapens in de zakken van den

jongen man heeft gevonden. Maar er is nog meer!”

„Wat dan wel?”

„Richard heeft eenvoudig zijn naam opgegeven aan den portier en later

waarschijnlijk nog eens aan de huishoudster. Geloof jij dat dat de

gewoonte is van moordenaars?”

„Gewoonte is het misschien niet,” antwoordde Charly met een flauwen

glimlach, „maar ik zou het mij zoo voor kunnen stellen. Richard is daar

gekomen om van Blackpool verantwoording te vragen. Er is een hevige

twist ontstaan. In zijn dolle drift heeft hij den Japanschen dolk op

tafel zien liggen en dien Blackpool in de borst gestoken.”

„En Blackpool ontving hem in het donker?” vroeg Raffles bedaard.

„Ja, dat is en blijft natuurlijk een vreemde zaak,” antwoordde Charly,

terwijl hij zich achter het oor krabde. „Ik moet je bekennen, dat ik

daar geen oplossing voor weet. Ik wil ook wel verder gaan en verklaren

dat het al heel wonderlijk zou zijn, als Richard in die donkere kamer

dien dolk had ontdekt.”

„Dat is ook mijn meening. Dan praat je van een twist. Zelfs de hevigste

woordenwisseling tusschen twee doodsvijanden heeft tijd noodig om tot

het hoogtepunt te stijgen. En dan gaat het maar niet in enkele minuten!

Maar wat blijven wij hier als oude vrouwen theoretiseeren,” riep

Raffles eensklaps uit, terwijl hij opstond. „Wij moeten er dadelijk op

uit naar de ongelukkige vrouw en naar Dora, die zich wel in een

verschrikkelijken toestand zullen bevinden. Laten wij ons haasten en

zeg aan Henderson dat hij dadelijk met de auto moet voorkomen.”

Er waren nog geen vijf minuten verloopen, of Henderson, de reusachtige

chauffeur van den Grooten Onbekende, reed met een der snelste wagens

voor en een oogenblik later waren de beide vrienden onderweg naar de

Burrellstreet.

Onderweg spraken zij zeer weinig, want ieder was in zijn eigen

gedachten verdiept.

Wat Charly betreft, ofschoon hij innig hoopte, dat hij zich zou

vergissen, leken de bewijzen tegen Richard Stefenson hem zoo

overstelpend, dat hij zich niet kon losmaken van de gedachte dat de

jonge man in een oogenblik van vreeselijke drift inderdaad de misdaad

had gepleegd.

Het leek hem geheel onmogelijk en onaannemelijk toe, dat een ander het

huis was binnen gekomen, zonder dat de portier of iemand anders in het

huis het zou hebben gezien.

Raffles wikte het voor en het tegen en zijn vaardige geest scheen alle

mogelijkheden, alle kansen, alle waarschijnlijkheden na te gaan.

Zijns ondanks moest hij wel toegeven, dat bijna alles tegen den jongen

heethoofd pleitte, en toch scheen er een geheime stem in hem te

spreken, die hem waarschuwde, dat hij er goed aan zou doen, niet op den

schijn af te gaan.

Het was bijna half elf in den morgen, toen de prachtige auto van Lord

Aberdeen voor het kleine smalle huis in de Burrellstreet stil stond.

HOOFDSTUK V.

EEN NIEUWE FIGUUR.

Er verdrongen zich eenige nieuwsgierige, druk fluisterende buren voor

het huis, dat echter niet bewaakt was.

Raffles en Charly konden dus ongehinderd naar binnen gaan, maar het

kostte hen toch eenige moeite zich een doortocht tusschen de

nieuwsgierigen te banen.

Zij beklommen haastig de trap en waren op de bovenste verdieping bijna

tegen een heer aangeloopen, die juist werd uitgelaten door een jongen,

eenvoudig gekleeden man van omstreeks zes en twintig jaar met een

intelligent, maar zeer bleek gelaat, donkere oogen en scherp

geteekende, koolzwarte wenkbrauwen.

Daar de oudste der beide heeren een hoogen hoed droeg en juist een

gouden vulpen weg borg, meende Raffles reden te hebben voor de

veronderstelling, dat hij met een geneesheer te doen had.

Hij nam zijn hoed af en zeide:

„Neem mij niet kwalijk, als ik u even ophoud. Ik ben Lord Aberdeen en

ik stel groot belang in het ongelukkig gezin, hetwelk gij zoo juist

verlaat, mijnheer. Heb ik het droevige voorrecht met den geneesheer te

spreken?”

„Die ben ik, Mylord. Mijn naam is Dr. Dunlop. Ik heb den echtgenoot van

de arme vrouw Stefenson goed gekend, maar nu kwam ik voor haar dochter,

de arme Dora is er zeer leelijk aan toe, dat mag ik niet verhelen.”

De geneesheer had dit laatste op gedempten toon gezegd, met een schuwen

blik op den jongen man, die bij de deur was blijven staan.

Hij voegde er nu nog zachter aan toe:

„Dat is haar verloofde, Harry Burton.”

„Wat scheelt haar?” vroeg Raffles even zacht, na een vluggen blik op

het witte gelaat van den jongen man te hebben geworpen.

„Zij heeft ijlende koorts, ik heb al ijs moeten toepassen.”

„Komt gij nu voor de eerste maal?”

„Neen, ik ben er ook gisteravond geweest. Ik ben gekomen, zoodra de

oude vrouw mij liet roepen, want ik heb altijd een zwak voor Dora

gehad.”

„Is er onmiddellijk gevaar, dokter?” vroeg Raffles op zachten toon.

De geneesheer wierp opnieuw een snellen blik op den jongen man, die nog

altijd bij de deur stond en antwoordde toen:

„Ik denk dat het vandaag beslist wordt, Mylord. Het is een kwestie van

leven of dood. Ik moet u zeggen, dat ik den toestand zeer ernstig

inzie. Komt Dora echter den dag van heden te boven, dan bestaat er veel

kans, dat wij haar in het leven behouden. Maar in ieder geval zal zij

dan toch nog wekenlang in een toestand van halve bewusteloosheid

blijven. De slag, die haar broeder zoo eensklaps getroffen heeft,

schijnt haar geheel te hebben versuft.”

„Zou het misschien niet beter zijn dokter, wanneer zij elders verpleegd

werd?”

„Later zal dat zelfs noodzakelijk zijn, Mylord, maar op dit oogenblik

mag zij volstrekt niet vervoerd worden. Volmaakte rust, dat is alles

wat haar redden kan, behalve natuurlijk dat mijn voorschriften met de

grootste zorgvuldigheid moeten worden opgevolgd. Wanneer een

geneesmiddel een half uur te laat wordt ingegeven, zou dat haar dood

kunnen beteekenen, en nu wilt gij mij wel verontschuldigen, Mylord—ik

heb vandaag zeer veel te doen, maar in den loop van den middag kom ik

in ieder geval nog eens naar mijn klein vriendinnetje kijken.”

De beide heeren drukten elkander de hand, en daarop traden Raffles en

Charly naar de deur, waar Harry Burton hen scheen op te wachten.

Raffles keek een oogenblik in het witte strakke gezicht, en zei toen:

„Mijnheer Burton, wij zijn vrienden van de familie, en goede vrienden,

durf ik wel zeggen. Ik hoop van harte, dat gij ons niet als indringers

zult beschouwen, die hier louter uit nieuwsgierigheid komen.”

„Ik weet wel beter, Mylord!” zeide de jonge man op doffen toon. „Dora’s

moeder heeft mij reeds alles verteld. Ik heb deze week buiten Londen

moeten werken—ik werd door mijn fabriek naar Leeds gezonden—ik ben maar

een eenvoudig monteur, en daardoor komt het dat ik hier al dien tijd

niet geweest ben, en dat ik nog niet het genoegen had u te ontmoeten.”

„Zijt gij reeds lang uit Leeds terug?” vroeg Raffles, terwijl hij

Burton de hand toestak.

„Gisteravond om half twaalf aangekomen, Mylord!” antwoordde de jonge

man. Maar eensklaps scheen hij zich te bezinnen, en voegde er haastig

aan toe:

„Ik vergis mij—ik was om zeven uur al weder in Londen! Maar blijf daar

niet op het portaal staan, mijne heeren—wees zoo goed mij te volgen.

Maar ik verzoek u, zacht te loopen, want op het oogenblik slaapt zij

gelukkig.”

De drie mannen traden binnen, en Burton bracht hen naar een klein

zijvertrekje, dat voor het grootste gedeelte werd ingenomen door het

bed, waarop het ongelukkige meisje in diepe sluimering lag.

Maar Raffles zag onmiddellijk, met het oog van den deskundige, dat het

een onrustige, onnatuurlijke sluimering was.

De oogen waren niet geheel gesloten, de wenkbrauwen hadden nu en dan

een krampachtige trekking, en van tijd tot tijd scheen er een huivering

over het strakgetrokken vel te loopen.

Raffles bleef geruimen tijd zwijgend naar het jonge meisje kijken, en

zeide toen op zachten toon tot Charly Brand:

„Dokter Dunlop had wel gelijk—het is een ernstig geval! Ik denk dat de

hersens zijn aangedaan! Het is een groot geluk voor haar, dat zij zoo

liefderijk verpleegd wordt!”

Zijn blik dwaalde naar Harry Burton, die met doodsbleek gelaat, de

handen tot vuisten gebald, als een toonbeeld van woeste smart naar het

jonge meisje keek, gisteren nog bloeiend in haar schoonheid, en nu aan

den rand van het graf.

Maar nu opende hij een zijdeur, en verzocht de beide bezoekers op

denzelfden gedempten toon, het gemeenschappelijk vertrek binnen te gaan

waar zij mevrouw Stefenson aantroffen, die met gebogen hoofd, de handen

in den schoot gevouwen, roerloos voor zich uitstaarde.

Zij scheen het zelfs nauwelijks te merken, dat er andere personen in de

kamer waren, en Raffles moest zijn hand op haar schouder leggen, om

haar als het ware met een schok weder tot bewustzijn te doen komen.

„Wij komen u onder droeve omstandigheden weder opzoeken, mevrouw

Stefenson,” begon Raffles met zijn diepe stem, die menigmaal zulk een

warmen klank kon verkrijgen, „maar ik bid u geef toch niet zonder

weerstand te bieden toe aan uw smart, hoezeer die ook begrijpelijk is!

Bedenk dat gij nu alleen zijt en dat alles op uw schouders rust!”

De oude vrouw schudde het hoofd, en terwijl de tranen overvloedig over

haar wangen stroomden, zeide zij op zachten toon:

„Gij doet Harry onrecht, Mylord! Hij is mij een groote steun in deze

verschrikkelijke omstandigheden. Hij kwam gisteravond nog hier, nadat

hij om half twaalf uit Leeds was teruggekeerd, en het was wel een

droevige ontvangst! Dora lag toen reeds in ijlende koorts neer, en hij

is bij haar blijven waken, terwijl ik zelf onzen goeden dokter Dunlop

ben gaan halen.”

Toen de oude vrouw het uur noemde, waarop Harry Burton was aangekomen,

had Raffles snel het hoofd opgeheven, en keek verrast naar den jongen

man.

Deze stond op dat oogenblik voor het raam met de handen op den rug

gevouwen.

Ook hij had vlug omgekeken, maar nu scheen zijn aandacht weer

uitsluitend bepaald te zijn bij hetgeen er op straat voorviel.

Raffles had een opmerking willen maken, maar hij bedacht zich en zeide

half bestraffend:

„Was er dan niemand anders om voor u naar den dokter te gaan? Gij zijt

toch niet goed ter been?”

„Ik heb een huurauto genomen, Mylord! Ik wilde niemand anders zenden,

het was al zoo laat!”

„Is de dokter toen dadelijk met u meegekomen?”

„Niet dadelijk! Hij sliep reeds, en ik heb toen moeten wachten, totdat

men hem gewekt had en hij zich had aangekleed!”

Een oogenblik heerschte er zwijgen.

En eensklaps viel de oude vrouw met het bovenlijf op de tafel en begon

hartstochtelijk te snikken.

„Mijn jongen! Mijn arme jongen! Dat het daartoe komen moest! Had ik hem

toch maar niet het huis laten uitgaan!”

„Gij moogt u niet toegeven aan die gedachten!” zeide Raffles, terwijl

hij zachtjes over het witte haar streelde. „Wie weet—wie weet is....

een ander wel de schuldige!”

De oude dame hief snel het hoofd op om Raffles met haar betraande oogen

aan te zien en tegelijkertijd wendde Harry Burton zich vlug om, en

staarde Raffles met groote oogen aan.

„Zeg mij eens, Mylord—gelooft gij dat werkelijk?” vroeg hij langzaam,

en zijn woorden schenen zich met moeite een weg te banen door zijn

opeengeklemde tanden.

„Waarom zou dat onmogelijk wezen, waarde Burton?” was de wedervraag van

Raffles.

„Maar Mylord—hoe vreeselijk het ook is, dat zijn eigen moeder het moet

zeggen—alles pleit toch immers tegen hem!” riep de ongelukkige vrouw

uit. „Hij is hier woedend weg gegaan, met de bedreiging op de lippen—en

in de bladen staat het immers te lezen, dat niemand voor hem het huis

is binnen gegaan!”

„Tenminste niemand die het gezien heeft!” zeide Raffles rustig.

„Maar mijn God, Mylord—wie zou het dan hebben kunnen doen?” riep de

oude vrouw bevend uit. „Wie kan denken aan zulk een noodlottigen

samenloop van omstandigheden? Speelt het toeval dan zulk een groote rol

in ons leven?”

„Ja, mevrouw, dat doet het vaker dan wij denken!” antwoordde Raffles.

„Ik wil u echter volstrekt niet paaien met hoopvolle verwachtingen. Wel

beloof ik u plechtig, dat ik volstrekt niet zal rusten, voor ik den

waren schuldige heb ontdekt!”

Weer bleef het eenige oogenblikken stil.

Harry Burton had zijn plaats bij het raam weder ingenomen.

Lord Lister No. 0376: De moord in Short Gardens · 第 2 / 4 段