Het huis, dat nummer 17 droeg, was een van de oudste van de

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 376 DE MOORD IN SHORT GARDENS.

DE MOORD IN SHORT GARDENS.

HOOFDSTUK I.

EEN ONVERBETERLIJKE LANGVINGER.

In de Shafterbury Avenue bevindt zich, ongeveer in het midden van dezen

breeden verkeersweg, een tamelijk oud en grijs, somber gebouw, hetwelk

sedert eenigen tijd gebruikt werd als rechtzaal.

Daar was ondergebracht, hetgeen de Engelschen „Police Court” noemen.

Van dergelijke rechtbanken vindt men tegenwoordig een groot aantal in

de Engelsche hoofdstad en ze hebben tot taak, kleine delicten, zooals

straatschenderij, buurtgetwist, kleine diefstallen en andere zaken op

staanden voet te berechten.

Naast de „Kinder Rechtbanken” die ook nog niet lang bestaan, dragen

deze politie-rechthoven er veel toe bij, den stroeven gang van het

gerecht te vergemakkelijken.

Het werk van de justitie is hierdoor aanzienlijk verlicht en de

voorzitters van deze rechtbanken, hoogstens uit drie leden bestaande,

hebben machtiging deze kleine zaken onmiddellijk te berechten.

Advocaten komen bij deze zaken meestal niet te pas, of in ieder geval

worden zij van ambstwege aan de beklaagden toegevoegd.

Op drukke tijden komt het menigmaal voor, dat een politierechter op een

enkelen middag van dertig tot veertig gevallen te behandelen krijgt.

Deze rechters moeten beschikken over een eindeloos geduld, veel

zachtmoedigheid en een zeer sterke gezondheid, want het komt menigmaal

voor, dat de beklaagden hen vergasten op een ellenlange uiteenzetting

hunner nooden en de beweegredenen, welke hen tot het misdrijf gebracht

hadden.

Het was op een morgen in het begin van den herfst, toen twee deftig

gekleede heeren, die klaarblijkelijk op dat oogenblik niets beters te

doen hadden, door Shafterbury Avenue drentelden.

De grootste der beide heeren kon ongeveer veertig jaar zijn en aan de

slapen begon zijn hoofdhaar een weinig te grijzen.

De grijze oogen fonkelden evenwel nog levendig, en de scherp geteekende

trekken getuigden van een ontembare wilskracht, en van een grenzelooze

stoutmoedigheid, geleid en bestuurd door een opmerkelijke

schranderheid.

Het voorhoofd was hoog gewelfd, de neus krachtig en recht, de mond leek

als met een mes in het karakteristieke gelaat gesneden te zijn.

De geheele houding van dezen man, de wijze, waarop hij zijn voeten

neerzette en het hoofd droeg, legden de bewijzen af, dat hij een groot

liefhebber was van sport en daarin uitblonk.

Zijn metgezel was zeker minstens tien jaar jonger.

Hij had helder blauwe oogen, zijn wangen waren rond en blozend; hetgeen

aan zijn gelaat iets meisjes-achtigs gaf, hoewel zijn krachtige

gespierde gestalte er op wees, dat hij een ijverig beoefenaar was van

vele takken van sport.

Nu en dan wendde een voorbijganger het hoofd om, teneinde de beide

mannen na te zien, en dat was niet te verwonderen, want zeer vele

Londenaren kenden Lord William Aberdeen, den filantroop, met zijn

secretaris en schijnbaar onafscheidelijken metgezel, althans van

uiterlijk.

Lord Aberdeen en zijn jeugdige vriend waren juist het sombere

rechtsgebouw genaderd, toen er van den anderen kant met vlugge schreden

twee agenten naderden, die tusschen hen in, stevig in den kraag gevat,

een jongen man vasthielden, niet veel meer dan een kind nog, maar met

een scherp geteekend bleek gelaat, dat aan een volwassen man scheen toe

te behooren.

Hij was tenger en mager en stak in armoedige kleeren.

Op zijn gezicht was op dit oogenblik niet anders te lezen dan woede

over het feit, dat men hem op deze wijze ten aanschouwe van de

voorbijgangers ten toon stelde, en wilde trots, die uit zijn zwarte

oogen schitterde.

Nu en dan scheen hij zich te willen verzetten, maar hij had evengoed

kunnen trachten de zware muren van den Tower omver te loopen, als een

van de herculisch gebouwde agenten, die naast hem voortschreden.

Wat zou zulk een ondervoed, schriel kereltje hebben kunnen ondernemen

tegen deze twee mannen met hun krachtige spieren, hun breede borst en

hun welgevoed lichaam.

Zoodra Lord Aberdeen de kleine groep in het oog had gekregen stond hij

stil en legde de hand op den arm van zijn jongen secretaris, Charly

Brand geheeten.

Zij stonden slechts een paar passen van de breede deur, welke toegang

gaf tot het gerechtshof, en juist werd de jeugdige arrestant voorbij

geleid.

Hij hief het hoofd op en scheen hen uitdagend aan te zien.

Het volgende oogenblik was hij in de breede duisternis der koetspoort

verdwenen, die toegang gaf tot de binnenplaats, waarom het huis was

heengebouwd.

Charly Brand wilde reeds verder gaan, maar Lord Aberdeen hield hem

terug en zeide op zachten toon:

„Hebben wij ergens een afspraak, Charly?”

„Nergens voor zoover ik weet,” antwoordde de jonge man.

„Dan zou ik je willen voorstellen, eens naar binnen te gaan.”

„Waarom?”

„Om ons te vergewissen van den aard van het misdrijf door den jongen,

want meer is het niet, gepleegd.”

Charly Brand haalde even de schouders op en zeide:

„Ik heb er volstrekt niets op tegen, maar ik vrees dat je teleurgesteld

zult worden, als je iets belangwekkends verwacht hebt. Het zal wel een

kloppartij, of een kleinen diefstal betreffen.”

„Om het even, zelfs de kleinste diefstal kan van het grootste belang

zijn in het leven van een mensch.”

Hij was reeds de koetspoort binnen getreden en Charly volgde hem.

In het midden van den doorgang bevond zich een deur, die eveneens open

stond en waarvoor een agent van politie post hield.

Dit was de toegang naar de rechtzaal, waar iedereen die er lust in had

vrij mocht binnen treden, want de zittingen van de politierechtbank

waren openbaar.

Lord Aberdeen en Charly Brand gingen de deur binnen, volgden een

tamelijk breede gang, liepen deze ten einde, sloegen een tweede gang in

en stonden nu voor een dubbele deur, die toegang gaf tot de rechtzaal

en waar eveneens een politieagent op wacht stond.

De man opende de deur voor hen, na even tegen zijn helm te hebben

getikt en nu bevonden de beide heeren zich in een niet al te groote

zaal, waar plaats was voor een honderdtal nieuwsgierigen.

Op dit oogenblik echter bestond het publiek slechts uit een ouden man,

een weinig onder den invloed van Bacchus verkeerenden schippersgast,

die telkens in slaap viel en dan zoo luid snurkte, dat hij door een

politieagent tamelijk hardhandig moest worden wakker geschud, een ouden

heer, die in een nummer van de „Daily Mail” las en een vrijend paartje,

dat zich misschien wel verbeeldde in een. bioscoop te zijn.

Lord Aberdeen en Charly Brand liepen door het smalle gangpad en zochten

een plaats op in een der donkerste hoekjes van de zittingzaal, die toch

al niet te licht was, daar zij slechts twee vensters had met door

ouderdom verweerde ruiten, die bovendien op een paar meter afstand van

den vloer waren aangebracht.

Op een soort estrade was een tafel geplaatst met een groen laken bedekt

en daarachter zat de rechter, geholpen door zijn griffier en een

inspecteur van politie, die hij telkens raadpleegde, wanneer hij een

ouden bekende voor zich meende te zien.

De rechter was een man met een tamelijk barsch voorkomen, die zijn

witte pruik op slordige wijze had opgezet, zoodat zijn grijs haar er

aan alle kanten uitstak, en hij scheen dezen morgen niet al te goed

gehumeurd te zijn.

De griffier was een oud mannetje met vuurrood haar, dat schrikkelijk

verkouden was, en telkens een stukje zoute drop uit een zakje nam om

het in zijn breeden mond te laten verdwijnen.

Wat de inspecteur van politie betreft, hij scheen zich op gruwelijke

wijze te vervelen en onderdrukte nu en dan een geeuw.

Op het oogenblik dat de beide heeren waren binnen getreden had de

rechter het juist aan den stok met een oud rimpelig wijfje, dat er uit

zag als de heks uit een sprookje, en dat ervan beschuldigd werd, een

gehate juffrouw met opzet te hebben laten struikelen over een emmer,

die zij tot dit doel op een donkere trap had neergezet. De vrouw in

kwestie was als getuige opgeroepen, en zat op een laag bankje achter

een hek, terwijl zij zich alle moeite gaf, door luid kreunen en wiegen

met het hoofd aan te toonen, hoe zwaar zij wel mishandeld was.

Het oude wijfje was midden in een verdedigings-redevoering, met een

rapheid van tong, die de bewondering zou hebben afgedwongen van ieder

ander, dan van zijn hoogedelgestrenge, die slechts vurig hoopte op het

einde en nu en dan met een barsch woord de beklaagde tot kortheid

aanmaande, ofschoon hij zeer wel wist dat dit onbegonnen werk was.

Het oude wijfje betoogde, dat de emmer met het vuile sop alleen maar

bestaan had in de verbeelding van de buurvrouw, „een venijnig kreng,”

zooals zij zeide. Dat er misschien wel een emmer gestaan had, maar dat

zij daar niets van af wist, en dat de buurvrouw beter uit haar oogen

had moeten zien, dat het volstrekt niet zoo donker was op de trap, dat

men wel eens per ongeluk wat kon laten staan, dat een beetje schoon

water niemand den dood zou aandoen en dat zij, de buurvrouw, haar,

beklaagde reeds enkele malen had gedreigd, met een speld te bewerken,

welke bedreiging zij twee malen in daden had omgezet.

De woorden van de beklaagde rolden met de eentonigheid van een waterval

door de stille zaal.

Men hoorde niet anders dan deze woorden, op denzelfden toon

uitgesproken met een onvergelijkelijke radheid, met eindelooze

herhalingen, slechts nu en dan afgewisseld met een schellere uithaal,

als de beklaagde zich met een ruk van het spichtige vogelkopje tot de

aanklaagster wendde.

De rechter, half verdoofd en in slaap gewiegd als door het neerplassen

van een eindeloozen regen, schrikte als het ware op, toen de beklaagde

eindelijk gereed was en riep de getuige op.

De getuige zeide, wat zij te zeggen had en daarop klonk de barsche stem

van den rechter:

„Vijf dagen, of tien shilling.”

„Wat? Vijf dagen brommen? Omdat het valsche beest niet uit haar oogen

kan zien,” krijschte het oude vrouwtje, „dat is meer dan schandelijk.

Maar ik zal het hoogerop zoeken. Waarachtig, ik zoek het hooger op.”

„Doe dat, maar betaal nu je tien shilling,” hernam de rechter

onverstoorbaar, „of wil je liever zitten?”

„Liever een jaar zitten, dan een penning te betalen voor die

helleveeg,” riep de beklaagde op schellen toon. „Zij zal aan mij geen

duit verdienen, dat ontbrak er nog maar aan.”

„Uitstekend,” riep de rechter uit, alsof zij hem een persoonlijk

genoegen had gedaan, de zaak op deze wijze op te lossen. „Volgende

zaak.”

De volgende zaak bleek een dronkaard te zijn, die een dag

gevangenisstraf tegen zich hoorde eischen, omdat het pas de eerste maal

was.

Daarop kwam een jonge dame aan de beurt, zwaar gepoederd en met zwart

aangestreepte oogen, die een mededingster naar de gunsten van een

kellner in een nachtkroeg, met haar tot dit doel uitgetrokken schoentje

had bewerkt, zoodat de concurrente in kwestie gedurende een volle week

haar niet nader te noemen beroep niet had kunnen uitoefenen.

En toen de deur achter de groene tafel, door twee agenten bewaakt,

opnieuw geopend werd, was het om doorgang te verleenen aan den jongen

overtreder, dien Lord Aberdeen en Charly Brand zooeven hadden zien

binnen brengen.

Nog altijd werd hij door de twee agenten stevig vast gehouden en zoo

naar de bank der beklaagden gevoerd, dat eigenlijk in het geheel geen

bank was, maar niets anders dan een houten hekje met een kleine

verhooging er voor, waarop de beklaagde moest plaats nemen.

Nauwelijks echter had de rechter hem gezien of hij riep toornig uit:

„Ik ken dat gezicht, ben je nu al weer hier, kwade rekel. Verbeter je

dan nooit? Je naam.”

„U herinnert u, dat ik hier meermalen ben geweest. En u herinnert u

niet mijn naam?” riep de jonge man brutaal uit. „Waarom heeft men u dan

als rechter benoemd.”

„Zwijg deugniet,” riep de rechter uit, terwijl hij den beklaagde

woedend aankeek. „Denk je dat ik niets anders te doen heb dan de namen

te onthouden van zulke schobbejakken. Hoe heet je?”

„Richard Douglas Stefenson.”

„Hoe oud ben je?”

„Een maand geleden juist achttien geworden mijnheer. Ik heb mijn

verjaardag in de gevangenis gevierd.”

„Houd je opmerking maar voor je. Je hebt dus al eens gevangenisstraf

gehad.”

„Eenmaal, mijnheer, dat was juist op mijn verjaardag.”

De rechter keek den beklaagde een oogenblik hoofdschuddend aan en

hernam toen:

„Achttien jaren. Maar wat drommel, dan ben je toch geen kind meer. Denk

jij wel eens na over je daden, Stefenson?”

„Hoogst zelden, mijnheer,” antwoordde de jongen.

„Maar waarom dan toch niet?”

„Omdat dat tijd en moeite verloren zou zijn, mijnheer.”

„Heb je het al eens geprobeerd?”

„Ja zeker, maar dan had ik een half uur later er altijd weer spijt

van.”

„Dan moet ik vreezen, dat je onverbeterlijk bent,” zeide de rechter

zuchtend.

„Ik ben er zelf wel wat bang voor, mijnheer.”

Op dit oogenblik riep de griffier hem nijdig toe:

„Kun je den rechter niet met edelachtbare aanspreken, jij vlegel?”

„Hoe weet ik, dat mijnheer achtbaar is?” vroeg Stefenson op onnoozelen

toon. „Dat kan ik toch niet aan zijn neus zien?”

„Een rechter is altijd achtbaar en edel,” snauwde de griffier. „Knoop

dat in je oor, spitsboef.”

„Als ik mijnheer een genoegen ermee kan doen,” hernam Stefenson

spottend.

„Wat heeft hij nu weer uitgehaald, agent,” zoo wendde de rechter zich

tot een van de beide ordebewaarders, die den beklaagde hadden binnen

gebracht.

„Een boek gestolen van een stalletje,” antwoordde de agent.

„Op heeterdaad betrapt?”

„De boekverkooper kon hem juist vast grijpen, Sir. Hij probeerde zich

nog los te worstelen, maar ik was er juist bijtijds bij.”

„Waarom heb je dat boek gestolen?” vroeg de rechter, Stefenson met

gefronste wenkbrauwen aankijkend.

„Om het te hebben, edelachtbare.”

„Maar weet je dan niet dat je niets weg mag nemen, wat je niet

toekomt?”

„Waarom kwam mij dat boek niet evengoed toe, als ieder ander? Was het

dan speciaal voor iemand geschreven, alleen niet voor mij?”

„Dat zijn spitsvondigheden, bespaar mij die,” riep de rechter boos uit.

„Het boek was een andermans eigendom en daarom mocht jij het niet

aanraken, begrijp je dat niet eens?”

Stefenson schudde ontkennend het hoofd en antwoordde op boetvaardigen

toon:

„Neen, edelachtbare. Het zal wel aan mij liggen, maar ik begrijp het

niet.

Ik wilde dat boek bijzonder graag lezen, ik had geen geld om het te

koopen en dus was ik wel genoodzaakt om het te nemen.”

„Wat was het voor een boek, agent,” vroeg de rechter terwijl hij zich

opnieuw tot den ordebewaarder wendde.

De agent antwoordde niet dadelijk, maar haalde een opschrijfboekje te

voorschijn, begon er in te snuffelen en mompelde half luid:

„Het was een rare naam, Sir, ik wist wel, dat ik dat niet zou onthouden

en daarom heb ik het maar opgeschreven. Wacht daar heb ik het al. Het

heet „De Metamorphose” en de schrijver is een zekere Ovidius.”

De rechter zette groote oogen op en riep uit:

„Wat is dat? Had jij de „Metamorphose” van Ovidius willen lezen,

beklaagde?”

Stefenson knikte, zonder te antwoorden.

„In het origineel. In het Latijn?” vervolgde de rechter op hoogen toon.

„Dat helaas niet, edelachtbare. Ik had mij tevreden willen stellen met

een goede Engelsche vertaling,” antwoordde de jonge man.

„Zeg eens agent?” kwam de rechter weder. „Was het een open etalage?”

„Het was een stalletje, Sir. Het was op de boekenmarkt.”

„Stond het boek geprijsd?”

„Het lag bij een hoop andere, Sir. En die kostten allemaal vijf pence.

Het waren allen oude boeken.”

De rechter trommelde eenige oogenblikken met zijn dik blauw potlood op

het wetboek, dat open geslagen voor hem lag, begroef zijn spitse kin in

zijn hand en wendde zich eensklaps tot den inspecteur van politie met

de vraag:

„Wat zijn de omstandigheden van den beklaagde?”

De inspecteur haalde even de schouders op en begon toen als een lesje

op te dreunen:

„Van tamelijk goede familie, vader vijf jaar geleden in den oorlog

gevallen als gewoon soldaat, moeder in zorgelijke omstandigheden achter

gebleven, zuster een zeer braaf meisje, waarop volstrekt niets te

zeggen valt....”

Hier werd hij in de rede gevallen door Stefenson, die zijn vuisten

gebald had, terwijl zijn oogen vlamden en nu op doffen, geheel

veranderden toon zei:

„Ik zou ook wel eens den man willen zien, die het zou wagen ook maar

het minste ten nadeele van mijn zuster te doen of te zeggen, ik zou hem

dooden, als een hond.”

Maar de inspecteur scheen dezen uitroep niet eens te hebben gehoord en

ging onverstoorbaar voort:

„De knaap na het sneuvelen van zijn vader totaal verwilderd, vurige

inborst, wel wat al te veel fantasie, zwakke moeder, die hem niet in

bedwang weet te houden, kennis gemaakt met slechte kameraden, aangetast

door het kwaad van dezen tijd,—vermindering van het zedelijk bewustzijn

en van het verantwoordelijkheidsgevoel, gaande tot volmaakte inzinking

van het moreel. Hij heeft reeds tallooze kleine diefstallen begaan,

meerendeels echter zonder bepaald geldelijke winst te beoogen. Verstokt

en een spotter, zonder eerbied voor wat dan ook, zonder bepaald

misdadig te zijn. Verdient echter mijns inziens een flinke straf die

hem wellicht zou verbeteren.”

„Dank u, mijnheer,” zeide de rechter.

Hij dacht even na en toen sprak hij het vonnis uit: „Vijf dagen.”

HOOFDSTUK II.

RAFFLES GRIJPT IN.

Stefenson liet het hoofd hangen, toen hij dit vonnis hoorde.

De spot was eensklaps uit zijn zwarte oogen verdwenen en op zijn

schrander gelaat was iets van angst te lezen, geen gewetenswroeging,

alleen maar angst.

Nu hief hij het hoofd plotseling op en vroeg op een toon, die bijna

smeekend klonk: „Zou het niet wat minder gaan, mijnheer. Zou het niet

met een boete afgedaan gunnen worden, in gedeelten te betalen?”

„Neen,” antwoordde de rechter streng. „Ditmaal geen boete. Wij moeten

jou eens krachtig aanpakken, jonge man.”

„Maar mijn arme moeder, mijnheer....”, begon Stefenson weder en nu

beefde zijn stem.

„Je had aan die ongelukkige vrouw moeten denken, toen je het misdrijf

pleegde. Nu is het te laat,” hernam de rechter op barschen toon.

„Maar zij zal in doodelijke ongerustheid zitten,” riep de jongen uit.

„Toen ik de vorige maal een dag heb moeten brommen, heb ik haar

naderhand wijs gemaakt, dat ik met kameraden een voetreisje had

gemaakt, maar als ik nu vijf dagen onder water blijf,—zij zal het

besterven.”

De rechter was ongetwijfeld een streng man, maar hij was volstrekt niet

ongevoelig.

En daarom zeide hij na eenig nadenken:

„Wij zullen je moeder waarschuwen, ofschoon je het niet verdient.

Griffier, zijn adres.”

De man met het roode haar dook als het ware weg in een reusachtig

register, sloeg de groote bladzijden om en riep eindelijk door zijn

neus:

„Richard Douglas Stefenson, Burrellstreet 17.”

„Heb je het onthouden, agent?” zoo wendde de rechter zich tot een der

reuzen, die Stefenson gevankelijk had binnen gebracht.

„Jawel, Sir, Burrellstreet 17.”

„Je gaat zoodra je dienst je vrij laat naar de moeder van dezen

onverbeterlijken deugniet, en je zegt haar hoe de zaken staan. Doe het

een beetje voorzichtig.”

„Laat u dat maar aan mij over, Sir,” bromde de agent. „Ik zal haar

zeggen dat haar hondsvot van een zoon voor de zooveelste maal weer eens

gestolen heeft en dat hij voor vijf dagen achter slot en grendel zit,

en dat zij zich dus niet ongerust over hem behoeft te maken.”

„Nu, je kunt het haar wel een beetje minder op den man af zeggen en met

andere woorden,” hernam de rechter met een kwalijk verholen glimlach.

Daarop wendde hij zich opnieuw tot Stefenson en hernam:

„Ik hoop, dat dit je een les zal zijn, Stefenson. Het gaat zoo niet

langer. Je wordt op den duur een groot gevaar voor de maatschappij. Hoe

is het mogelijk dat een jongen zooals jij, die volgens de papieren op

school altijd heeft uitgeblonken door je ijver en je aanleg, zoo diep

hebt kunnen zinken.”

„Vraagt gij, hoe dat mogelijk is?” barstte Stefenson eensklaps op

schorren toon uit. „Hoe is het mogelijk geweest met duizenden andere

jongens, het is alles de schuld van den oorlog, van den vervloekten

oorlog, die opruiming heeft gehouden onder onze vaders, die heeft ons

doen verwilderen, die heeft ons begrip van recht en onrecht

afgestompt.”

„Breng hem maar weg,” beval de rechter kortaf. „Als hij gaat

theoretiseeren komt er geen eind aan.”

Stefenson werd weder vastgegrepen en weg geleid, maar op den drempel

van de deur keerde hij zich nog eens om en zeide op smeekenden toon:

„Spaar mijn moeder, mijnheer. Spaar haar in Godsnaam. Zij weet nog

niets van.... van alles wat ik deed. Laat het haar toch zoo voorzichtig

mogelijk worden meegedeeld.”

„Daarvoor zal ik zorgen, Richard Stefenson,” klonk eensklaps een

heldere stem uit een donker hoekje van de zaal.

Iedereen keek verbaasd op, en zelfs de halfbeschonken schippersgast

werd wakker, en keek met verschrikte oogen om zich heen.

Het was Lord Aberdeen, die deze woorden had uitgesproken.

„Wie praat daar zonder dat het hem gevraagd wordt?” vroeg de rechter op

strengen toon.

„Ik heb mij die vrijheid veroorloofd, Sir, ik, Lord Aberdeen,” klonk

het weder.

„Dan vraag ik u verschooning, Mylord,” hernam de rechter haastig. „Het

is zeer edelmoedig van u, dat gij u het lot van dien jongen,

onverbeterlijken rekel wilt aantrekken.”

„Zijn lot en dat van zijn moeder, Sir,” antwoordde Lord Aberdeen.

Op dit oogenblik viel de deur achter den arrestant dicht, maar deze

ging nu tenminste naar de gevangenis met de blijde zekerheid, dat er

althans een mensch in het reusachtige Londen belang stelde in zijn lot

en zijn arme, oude moeder zou beschermen.

Lord Aberdeen noteerde snel het adres van de moeder van den jongen man

en daarop verliet hij met zijn secretaris haastig het gerechtsgebouw.

Toen zij uit de donkere koetspoort weder de straat bereikten, waar de

gouden zon alles in gloed zette, bleef Lord Aberdeen een oogenblik

staan en zeide op zachten toon:

„Hoe vreeselijk dat die knaap, wien men het kan aanzien, dat hij zon en

licht noodig heeft als een visch het water, vijf dagen in een half

duistere nauwe cel moet doorbrengen, terwijl hier buiten de zon

schijnt, zooals zij het den geheelen zomer nog niet heeft gedaan.”

„Ja, voor zulk een jongen man, bijna nog een kind en met zulk een

opgewonden natuur moet de eenzame opsluiting verschrikkelijk zijn,”

bevestigde Charly Brand.

„En als men daarmede nu nog maar verbetering bereikte,” hernam Lord

Aberdeen schouderophalend, „maar dat acht ik buitengesloten. Het is

onzinnig, wanneer men ook maar een oogenblik veronderstelt, dat een

misdadiger zijn tijd, dien hij in de gevangenis doorbrengt, besteed aan

boetvaardige overpeinzingen. Het is mogelijk dat hij ergens berouw over

heeft, maar dan is dat alleen over zijn ezelachtigheid, dat hij zich

heeft laten vangen, voor de rest telt hij de dagen, die hem nog van de

vrijheid scheiden, met het vaste voornemen, die dadelijk weder op de

hem vertrouwde wijze te besteden. Ik ben er zeker van, dat men reeds

binnen vijftig jaar met medelijdend schouderophalen zal terug zien op

den tijd, dat men een misdadiger om hem te verbeteren, geheel alleen in

een donker hok opsloot, dat wil zeggen, in het noodlottigste

gezelschap, dat men een mensch kan mede geven. Maar kom, laten wij nu

spoedig naar die ongelukkige vrouw gaan en dien reusachtigen agent voor

zijn, die geloof ik, nu juist niet de aangewezen persoon was om een

boodschap als deze over te brengen.”

„Waar is die Burrellstreet ergens.”

„Naar ik meen aan de overzijde van de Theems. Wij zullen een taxi

nemen, de chauffeur zal wel beter op de hoogte zijn.”

Het duurde nog eenige minuten voor de beide heeren zich meester hadden

kunnen maken van een huurauto en toen moesten zij nog eenigen tijd

onderhandelen met den weerspannigen chauffeur, die verschrikt had

opgezien bij het hooren noemen van de Burrellstreet, die volgens hem

aan het andere eind van de wereld lag.

Slechts het vooruitzicht op een goede fooi kon hem bewegen de beide

passagiers op te nemen en naar het opgegeven adres te brengen.

De chauffeur bleek een weinig te hebben overdreven, want de rit duurde

ternauwernood een half uur.

De Burrellstreet bleek een zijstraat te zijn van de Black Friars road,

niet ver van de Theems, en aan de overzijde van de rivier gelegen,

temidden van een zeer volkrijke buurt.

Het huis, dat nummer 17 droeg, was een van de oudste van de straat en

deze moest zelven minstens twee eeuwen bestaan.

Het was een smal, eenigszins voorover hangend huis, in welks

benedenverdieping een „zaak in oudheden” gevestigd was, zooals de

eigenaar haar wel wat wijdsch noemde, terwijl het niets anders was dan

een uitdragerij.

Daar het op deze plek niet zoo gemakkelijk zou wezen opnieuw een auto

te vinden, wist Lord Aberdeen den chauffeur te bewegen, op hem te

wachten maar niet dan tegen de belofte van een fooi, waarvan de hoogte

zijn secretaris het bloed naar de wangen dreef van verontwaardiging.

In den kleinen winkel vroeg Lord Aberdeen naar de juiste verdieping en

een oud gebogen mannetje met rood omrande spleetoogjes en een tot den

draad versleten calotje op het kale hoofd, deelde hen mede, dat het

onder de dakpannen moest zijn.

De bestijging van de smalle steile trappen begon en de beide heeren

maakten bij zichzelf de opmerking, dat dit huis zeer geschikt was voor

kippen en ander pluimvee, maar dat het voor redelijke wezens op twee

beenen bepaald gevaar opleverde.

De portalen waren smal en pikdonker. De traptreden uitgesleten, de

leuning hield hier en daar plotseling op en men moest zich dan

vasthouden aan een rafelig eind touw, waarschijnlijk aangebracht door

een van de huurders, die reeds op onzachte wijze het gemis van de

leuning aan den lijve gevoeld had door van de trap te tuimelen.

De twee vrienden bereikten echter heelhuids de bovenverdieping en hier

bleek het portaal eenig licht te ontvangen door een klein rond

tuimelraam, dat in den buitenmuur was aangebracht.

Er bevonden zich twee deuren en Lord Aberdeen stond in beraad, welke

hij zou kiezen toen een der deuren geopend werd en er een jong meisje

naar buiten trad, dat met een lichten kreet van schrik bleef staan,

toen zij daar zoo eensklaps de beide vreemde, deftig gekleede heeren

zag staan, en hen met groote oogen aanstaarde.

Het meisje kon ongeveer negentien jaar zijn en met den eersten

oogopslag ontwaarden de beide bezoekers, dat haar lief gelaat een

groote gelijkenis met de trekken van Richard Stefenson vertoonde.

Zij behoefden er geen oogenblik aan te twijfelen. Zij stonden hier

tegenover zijn zuster.

Het waren dezelfde groote zwarte oogen, het was hetzelfde hooge

voorhoofd, het was dezelfde fijn gevormde neus.

„Gij zijt hier zeker verdwaald, heeren?” vroeg het jonge meisje op

heeschen toon.

„Dat geloof ik haast niet, Miss,” antwoordde Lord Aberdeen glimlachend,

„tenminste, wanneer gij Miss Stefenson zijt.”

„Die ben ik, mijnheer, maar gij komt toch zeker niet voor mij?” hernam

het jonge meisje verwonderd.

„Slechts ten deele, Miss. Ik had gaarne met uw moeder willen spreken.

Is zij thuis?”

„Mijn moeder gaat heel weinig uit, mijnheer, want zij is gebrekkig en

het valt haar moeilijk al die trappen op en af te klimmen. Wees zoo

goed binnen te treden, al moet ik u eerlijk verklaren, dat ik volstrekt

niet kan begrijpen wat twee zulke heeren, zooals gij zijt wel van mij

arme oude moeder willen.”

„Gij wildet juist uitgaan?” vroeg Lord Aberdeen. „Laten wij u vooral

niet ophouden.”

„O, ik kan mijn boodschap wel uitstellen.... het had niet veel om het

lijf,” antwoordde het meisje, maar Lord Aberdeen zag daarbij tot zijn

verwondering, dat zij beurtelings rood en bleek werd en dat haar

wenkbrauwen zich samentrokken.

Het meisje hield de deur voor de bezoekers open en dezen bevonden zich

nu in een klein, armoedig gemeubeld vertrek, waar echter alles er op

wees, van de withouten tafel tot de matten stoelen en de helderwitte

gordijntjes voor de ramen, dat hier zorgzame handen het weinigje dat

zich hier bevond, althans met liefde onderhielden.

Dicht bij het raam zat een oude vrouw.

Men zou haar tenminste oud moeten noemen want haar haar was sneeuwwit,

en toch kon zij onmogelijk ouder zijn dan vijftig jaar. Zij had

verschrikt opgekeken bij het vernemen van voetstappen en verborg

haastig haar zakdoek, dien zij tegen de oogen had gedrukt.

Maar Lord Aberdeen had scherpe oogen, en hij had dadelijk gezien, dat

de vrouw geweend had. Haar oogen waren nog rood.

Voor haar, op een kleine tafel, die dicht bij het raam geschoven was,

lag een briefje, dat zij haastig weg moffelde.

„Moeder, deze twee heeren wenschen u te spreken,” begon het jonge

meisje.

„Mij, Dora?” vroeg de oude vrouw verbaasd. „Dat moet zeker een

vergissing zijn.”

„Het is geen vergissing, mevrouw,” antwoordde Lord Aberdeen ernstig.

„Miss Dora heeft u goed ingelicht. Wij komen spreken over den jongen

Richard, uw zoon.”

Bij het hooren van deze woorden drukte de oude vrouw de hand op het

hart en werd zeer bleek.

„Over Richard,” herhaalde zij toonloos. „Er is toch niets met hem

gebeurd.”

„Wat er met hem gebeurd is, heeft in ieder geval niet veel te

beteekenen, maar toch wilde ik het u mededeelen, voor gij het zoudt

hooren uit den mond van een ander, die minder reden heeft dan ik, het u

een weinig voorzichtig mede te deelen.”

„Voorzichtig, mijnheer,” kwam de oude vrouw weder. „Mijn God, wat is er

dan toch gebeurd. Er is hem toch geen ongeluk overkomen. Hij is veel

bij de straat. Hij is zoo onvoorzichtig en volgt altijd zijn eigen wil.

Ja, als zijn vader maar niet gevallen was in dien vervloekten oorlog.”

„Ik weet het, mevrouw,” hernam Lord Aberdeen zacht. „Ik heb dat alles

vernomen in de rechtzaal. Neen, gij behoeft werkelijk niet zoo te

schrikken, wat Richard gedaan heeft is in ieder geval afkeurenswaardig

en ik wil hem dan ook geenszins verdedigen, maar ik neem in aanmerking

dat hij de laatste jaren om zoo te zeggen tot een vrijbuiter is

opgegroeid.”

En nu deelde Lord Aberdeen zoo behoedzaam mogelijk aan de moeder van

den knaap mede, wat hem wedervaren was en hij trachtte, diep bewogen

met de arme vrouw, het misdrijf zooveel mogelijk te verontschuldigen.

De vrouw had zwijgend geluisterd, zonder den spreker een enkele maal in

de rede te vallen.

Zij zat daar met gebogen hoofd en langzaam druppelden tranen over haar

vermagerde wangen en vielen in haar schoot, zonder dat zij het

blijkbaar merkte.

Toen Lord Aberdeen zijn mededeeling geëindigd had, zweeg de oude vrouw

nog geruimen tijd en zeide toen met een bevende stem:

„Het is edel van u, mijnheer, dat u dit hebt gedaan voor een u

onbekende vrouw, wij hebben niet veel vrienden,” voegde zij er op

bitteren toon aan toe. „Ik dank u, zeg mij uw naam, opdat ik mij dien

steeds kan herinneren.”

„Ik ben Lord Aberdeen, mevrouw, maar gij vergist u, als gij denkt, dat

gij nu al van mij af zijt,” zeide de filantroop glimlachend. „Ik wil u

niet verzwijgen dat ik groot belang stel in uw zoon. Ik geloof niet dat

hij een slecht hart heeft, of booze inborst, want daar ziet hij in het

geheel niet naar uit. Wanneer de jongen andere kameraden had gehad, zou

hij hiertoe zeker nooit vervallen zijn.”

Op dit oogenblik viel mevrouw Stefenson met het hoofd voorover op tafel

en barstte in hartstochtelijk snikken los.

„Het is mijn schuld, het is alles mijn schuld. Ik had strenger moeten

zijn. Ik heb hem altijd verwend en hem in alles zijn zin gegeven. Reeds

bij het leven van zijn goeden vader en nu pluk ik er de vruchten van.

Hij heeft een goed hart Mylord, dat bezweer ik u, maar is altijd een

wildebras geweest en in den laatsten tijd had hij omgang met kornuiten,

die zijn vader zeker de deur zou hebben gewezen.”

„De knaap hield toch zeker van u?” vroeg Lord Aberdeen op ernstigen

toon.

„O, daar durf ik wel op zweren,” riep de arme moeder uit, terwijl zij

haastig het betraande gelaat ophief.

„Welnu, dan is er ook nog niets verloren. Een hart waarin de

kinderliefde nog niet gestorven is, kan steeds behouden worden. Ik

blijf er bij, ik wil mij met den knaap bezig houden, want ik geloof dat

hij beter verdient, dan voor galg en rad op te groeien. Zeg mij eens,

had hij in het geheel geen vak geleerd?”

„Toen zijn vader sneuvelde, mijnheer, bezocht hij nog een school. Hij

wilde letterkundige worden, of journalist. Hij had een verbazend goed

hoofd en hij leerde alles, wat hij wilde, maar een handwerk heeft hij

helaas nooit gekend, en dat is heel jammer Mylord, want naar het

schijnt betaalt men tegenwoordig een loodgieter beter dan een reporter

en een timmerman beter dan een advocaat.”

„Er is veel waars in wat u zegt,” hernam Lord Aberdeen glimlachend.

„Wat gebeurde er, nadat uw man op het slagveld zijn leven verloor?”

„Wat zou er gebeurd zijn, Mylord,” kwam de oude vrouw op bitteren toon.

„Er gebeurde wat onvermijdelijk gebeuren moest. Ik was gedwongen hem

van die dure school af te nemen, die hij bezocht en die ons al heel wat

hoofdbrekens had gekost, toen zijn vader nog leefde en hij moest naar

een werkkring omzien, wij moesten toch eten nietwaar?”

„Maar het pensioen.”

„Het pensioen? Zijn vader sneuvelde als soldaat en het pensioen is

nauwelijks voldoende voor een oude vrouw als ik, zelfs al zou zij haar

eischen aan het leven nog veel lager stellen dan ik, maar mijn twee

kinderen, moeten die honger lijden?”

„Maar Richard had toch een baas kunnen zoeken. Hij is toch jong en

sterk?”

„Hij heeft wel zes bazen gehad, Mylord. Nergens hield hij het uit. Zijn

onrustige geest dreef hem van den eenen patroon haar den anderen. Zijn

handen stonden niet naar den arbeid. Hij schreef en las boeken, die

hij, de hemel weet waar vandaan haalde, terwijl hij eigenlijk moest

werken en gij zult wel begrijpen, dat de patroons dit niet konden

dulden.”

„Misschien zou ik, als ik timmermansbaas was, ook niet goed vinden, dat

mijn personeel onder het werk de „Metamorphose” van Ovidius las,”

hernam Lord Aberdeen glimlachend. „Ik geloof nu wel, dat ik uw zoon

langzamerhand leer doorgronden, mevrouw. Een avontuurlijke geest,

onrustig, en die in de laatste jaren eenvoudig een vaste hand heeft

gemist, die hem zou kunnen leiden. Wilt gij mij toestaan, dat ik mij

eens met den jongen man bemoei?”

„Als gij dat deed Mylord, dan zou ik u ten eeuwige dage dankbaar zijn,”

riep mevrouw Stefenson uit. „Ik ben een oude vrouw, ik ben niet zoo

vlug ter been en... ik heb hem te lief. Ook nu kan ik hem niet hard

vallen, dat weet God.”

„Dat pleit voor uw moederhart, maar het is toch niet de goede weg,”

hernam Lord Aberdeen op ernstigen toon. „Nu moet ik u een vraag

stellen, die gij mij moet vergeven. Wanneer het pensioen niet

toereikend is voor u drieën om van te leven, hoe gaat het dan?”

De oude vrouw boog opnieuw het hoofd en fluisterde bijna onhoorbaar:

„Het gaat heel moeilijk, mijnheer, mijn dochter Dora verdient nu en dan

een kleinigheid als hulp in de huishouding. Nu hier, dan daar, maar

daar kunnen wij nooit op rekenen.”

Zij wilde nog iets zeggen, maar eensklaps werden de tranen haar weer te

machtig en barstte zij in snikken uit.

Charly was zwijgend op haar toegetreden met een glas water dat hij

haastig had gevuld uit een kleine karaf, welke hij op een kastje had

zien staan en Dora trad met een paar stappen op Lord Aberdeen toe en

zeide haastig op gedempten toon, terwijl zij zenuwachtig de vingers

wrong:

„Gij zijt een goed mensch, Mylord. Waarom zouden wij er een geheim van

maken? Wij zijn reeds een paar maanden met de huur ten achter. Bijna

een half jaar en de huisheer heeft gedreigd, dat hij ons binnen een

week van de woning zal afzetten, als wij niet willen betalen. Hij weet

heel goed, dat wij dat niet kunnen, de schurk. Maar hij zou tevreden

zijn, als ik.... als ik....”

Maar Dora Stefenson kon haar zin niet beëindigen.

Zij werd zeer bleek en viel op een stoel neer, de kleine hand op het

hart gedrukt.

Lord Aberdeen nam Charly Brand snel terzijde en voegde hem op

fluisterende toon toe, zoodat alleen de jonge man het kon verstaan:

„Ik geloof, dat hier een adder onder het gras schuilt, Charly, of mijn

naam is geen John Raffles en als ik hier niet duchtig opruiming houd,

dan wil ik er een eed op doen, mijn geheele leven geen brandkast meer

aan te raken.”

HOOFDSTUK III.

DE HUISHEER.

Er waren omstreeks vijf dagen verloopen sedert den dag, waarop John

Raffles, alias Lord William Aberdeen met zijn onafscheidelijken vriend

Charly Brand de kleine sombere zittingzaal in de Shafterbury Avenue

hadden bezocht.

De Gentleman-Inbreker had zijn belofte gestand gedaan en hij had tot

tweemaal toe een bezoek gebracht aan de oude mevrouw Stefenson en haar

bevallige dochter. Zoo discreet mogelijk, zonder zich in het minst op

te dringen, had hij de oude dame er eindelijk toe kunnen brengen

geldelijke hulp te aanvaarden, maar alleen op die voorwaarde, dat haar

zoon hem het bedrag met rente zou terug betalen. Wat de jonge Richard

betreft, Raffles had door zijn tallooze connecties als Lord William

Aberdeen gedaan weten te krijgen, dat de jeugdige booswicht zooveel

boeken kon lezen, als hijzelf maar verkoos.

Het was omstreeks drie uur in den middag en het kleine vertrek onder de

hanenbalken in de Burrellstreet was keurig aan kant. De kleine

gordijntjes waren extra gestreken, de grond was geboend, de kleine

withouten tafel in de keuken was geschuurd tot er geen smetje op te

bespeuren viel en het weinige koperwerk blonk als een spiegel.

Op het midden van de tafel prijkte een blauw aarden vaas, met een

ruiker veldbloemen, dienzelfden morgen door Dora geplukt.

Mevrouw Stefenson zat op haar oude plaatsje bij het raam. Zij had een

kanten mutsje op het witte haar gezet, dat eveneens scheen te moeten

bijdragen tot de blijde plechtigheid van het oogenblik. Over een half

uur ongeveer verwachtte men den verloren zoon terug.

Op het vermagerde gelaat van de oude vrouw was een trek van innige

vreugde te bespeuren, want de toekomst scheen zich eindelijk een weinig

gunstiger te laten aanzien.

Van Lord Aberdeen had zij menigmaal hooren spreken in de buurt en zij

wist dat hij een machtige beschermer was, die nooit zijn woord brak.

Nu hij eenmaal de hand naar Richard had uitgestoken, zou alles met den

driftigen, lichtzinnigen knaap weer in orde komen, daarvan was zij

overtuigd.

Dora was in het aangrenzende kleine keukentje, niet veel grooter dan

een ruime kast, druk bezig met het bereiden van het lievelingskostje

van haar broeder.

Daar kraakten de treden van de bovenste trap.

„Moeder, moeder, daar is Dick.”

„Maar dat is bijna onmogelijk, kind,” riep de oude dame uit, terwijl

haar oogen begonnen te schitteren, nadat zij een blik op het kleine

goedkoope wekkerklokje had geworpen.

Intusschen naderden de schreden en toen werd op de deur geklopt.

Als bij ingeving keken de beide vrouwen elkander zwijgend aan.

Toen haalde het jonge meisje de schouders op en zeide op verachtelijken

toon:

„Nu, hij kan komen, wij kunnen hem nu tenminste ontvangen.”

En met deze woorden wendde zij zich af.

De deur werd geopend en op den drempel verscheen een man van omstreeks

vijftig jaar, met een breed opgezet gezicht, en geheel kale kruin en

kleine half dichtgeknepen groengrijze oogen.

Er lag een valsche glimlach om zijn lippen, toen hij een stap vooruit

deed en de deur behoedzaam achter zich sloot.

Hij legde zijn hoed op den stoel die het dichtst bij de deur stond,

wreef zich in de handen, en keek beurtelings van de moeder naar de

dochter.

„Wel, lieve dames, hoe staat het leven,” begon hij op zoetsappigen

toon. „Nog altijd een beetje sukkelend, mevrouw Stefenson? Ja, ja, dat

is de oude dag. Maar gij Miss Dora, ziet er nog steeds uit als een

lentebloempje. Ik geloof, dat gij met den dag schooner wordt.”

„Gij kunt uw complimenten wel voor u houden, mijnheer Blackpool en

terzake komen,” zeide Dora koel.

„Wel, wel, mijn hartje, wat is dat nu?” hernam de bezoeker, steeds zijn

handen wrijvend, en met denzelfden hatelijken glimlach om zijn lippen.

„Dien toon ben ik niet van je gewend. Maar als je er op staat, laten

wij dan maar eerst de zaken af doen. Je staat zeker wel toe, dat ik er

bij ga zitten?”

„U is wel de huisheer en wij zijn maar uw huurders, maar ik geloof niet

dat het noodig zal zijn,” antwoordde Dora koeltjes. „Wat wij te

bespreken hebben, kan in minder dan een paar minuten zijn afgeloopen.”

De huisheer staarde het jonge meisje een oogenblik verwonderd en

achterdochtig aan en vroeg toen zoetsappig:

„Gelooft gij dat werkelijk? Nu, dat zal mij verbazen. Maar laat ik geen

tijd verspillen. Gij zijt op heden zes maanden met de huur ten achter,

en de hemel hoort het mij getuigen, dat ik nooit met eenigen huurder

zooveel geduld heb gehad als met u. Vraagt u er de benedenburen maar

naar. Ik vraag u dus kort en goed, kunt gij mij nu het bedrag betalen,

of niet.”

Dora keek den huisheer een oogenblik minachtend aan, draaide zich toen

op haar hielen om, liep snel op de kleine penantkast toe, opende de

lade, nam er iets uit, en keerde weder naar Blackpool terug.

„De kwitanties, als ik u verzoeken mag,” beval zij kortaf.

De huisheer deed een stap achteruit en scheen van verbazing niet te

weten wat hij zeggen moest.

Hij werd vaal bleek en stotterde:

„De kwitanties, wat wilt gij daarmee zeggen?”

„Niets anders dan dat ik betaal,” antwoordde Dora met een kort lachje.

„Dat verwondert u zeker? Kom, de kwitanties. Hier zijn de negen pond

sterling.”

Er kwam een giftige uitdrukking in de kleine begeerige oogen van den

huisheer.

Hij liet een gemeen lachje hooren en riep op schellen toon:

„Wel, wel, waait de wind uit dien hoek? Hebben we geld? Kunnen wij maar

zoo negen pond sterling betalen? Zes maanden huishuur? Wel, het schijnt

ons voor den wind te gaan.”

„De kwitanties,” herhaalde Dora bevelend en met ongeduldig gebaar.

Blackpool stak de hand in den zak en haalde er met trillende vingers

een vette beduimelde portefeuille uit, waaruit hij een zestal

kwitanties nam.

Hij was bleek van woede en teleurstelling geworden. Het begeerde wild

dreigde hem ter elfder ure te ontgaan.

Hij stak het jonge meisje de kwitanties aarzelend toe.

Dora trok ze hem uit de hand, keek ze vluchtig door en wierp toen negen

gouden ponden op de tafel.

Als met tegenzin streek Blackpool het geld op en toen klonk hetzelfde

hatelijke lachje van zooeven.

„Goudstukken nog wel,” riep hij uit. „Het gaat ons voor den wind? Nu,

als men zoo jong en schoon is als gij zijt, dan wordt het geld heel

gemakkelijk verdiend.”

Het jonge meisje slaakte een luiden kreet en deinsde doodsbleek

achteruit en op hetzelfde oogenblik vloog de deur open.

Richard Stefenson stond op den drempel.

Blackpool had zich op het gerucht haastig omgewend en keek nu in een

gelaat, vertrokken van haat en woede.

Hij wilde zich haastig wegpakken, maar de jonge man trad hem in den

weg, en beval op doffen toon, terwijl hij den rechterarm ophief.

„Blijf daar, herhaal nog eens, wat gij daareven gezegd hebt.”

Blackpool had onwillekeurig een stap achteruit gedaan, maar nu scheen

hij zijn verwaandheid en zelfbeheersching reeds weder te hebben terug

gekregen.

Hij nam Richard van het hoofd tot de voeten op en zeide op schamperen

toon:

„Kijk, kijk, daar hebben we den zoon des huizes. Komt mijnheer nog eens

boven water? Je moeder beleeft veel plezier van jou, jongmensch. Ik heb

mooie dingen van jou gehoord. Je hebt in de gevangenis gezeten. Jij

bent....”

Met een paar stappen was Richard bij den huisheer.

Hij was tot in zijn lippen bleek geworden en hij scheen zich slechts

met de grootste moeite te kunnen beheerschen.

Zijn stem had een heeschen klank toen hij zeide:

„Op het oogenblik spreken wij niet over mij. U hebt zooeven over mijn

zuster gesproken, herhaal wat je zeide, of moet ik je de woorden met

geweld uit je strot knijpen?”

Het gelaat van den jongen man had op dit oogenblik zulk een dreigende

uitdrukking, dat Blackpool verschrikt achteruit week en een schuwen

blik wierp naar de deur.

Toch beefde hij van woede, toen hij uitriep:

„Ik ben jou geen verklaring verschuldigd, brutale vlegel. En nu zal ik

je een ding zeggen. Ik heb genoeg van jullie gehad, betaald of niet

betaald, je maakt, dat je uit het huis komt. Ik kan zulke huurders als

jullie niet gebruiken.”

„Wat, u stuurt ons weg terwijl de huur betaald is, en u heel goed weet

dat wij nergens anders onderdak kunnen krijgen?” riep mevrouw Stefenson

op smeekenden toon. „Dat kunt niet meenen, mijnheer Blackpool. Dat zou

onze ondergang zijn. Waar moeten wij heen?”

„Dat is jullie zaak,” antwoordde Blackpool barsch. „Ik geef je nog een

week en dan maak je dat je weg komt.”

De oude vrouw wilde nog wat zeggen, maar Richard legde zijn moeder met

een gebaar het zwijgen op en zeide:

„Laat den ouden schurk praten, moeder. Hij kan het niet doen. Er zijn

toch zeker nog rechters hier in Londen? Hij kan u volstrekt niet

dwingen om te verhuizen.”

„Zou jij dat denken, jongetje?” hernam de huisheer met een gluiperigen

blik in zijn oogen. „Dat zal ik je dan toch anders toonen.”

Weer stak hij de hand in zijn zak, haalde er de portefeuille uit en

zocht er een oogenblik zenuwachtig in en nam er toen een aantal kleine

papiertjes uit, die hij zegevierend in de hoogte hield, en daarna met

schelle stem zeide:

„Hier heb ik nog eenige papiertjes, waarvan jullie misschien niets

weet. Nu heb ik alleen met je moeder te doen. Als jullie mij het vuur

zoo na aan de schenen legt, dan bijt ik van mij af.”

De oude vrouw trad wankelend op hem toe, met een smeekende houding en

een uitdrukking in haar oogen, die een steen zou hebben vermurwd.

Maar Richard wilde zekerheid hebben.

Hij hield zijn moeder tegen en zeide kortaf:

„Geen smeekbeden tot dien ellendeling, wat zijn dat voor papieren?”

„Schuldbekentenissen, vriendje!” riep Blackpool zegevierend uit. „Ja,

daar schrik je van, nietwaar? Ik heb je moeder in den loop van het

laatste jaar telkens kleine bedragen geleend—als jij beter had

opgepast, was dat niet noodig geweest, knoop dat in je ooren! Het waren

telkens kleine bedragen, maar je moeder heeft mij nooit een penny

terugbetaald—en nu is het opgeloopen tot.... laat eens even zien, tot

bijna vijf en dertig pond sterling! Kunt U dat terugbetalen? Ik wil nu

eindelijk eens de kleur van uw geld zien!”

Mevrouw Stefenson wilde iets zeggen, maar weer hief Richard de hand op.

„Zeg mij eens, jij schobbejak—met welk doel heb je mijn moeder geld

geleend, terwijl je toch heel goed wist, dat zij het je nooit zou

kunnen terug betalen, en dat er ook op ons niets te verhalen viel—er

staat hier voor geen twee pond aan meubelen, geef je mij antwoord,

schavuit?”

„Waarom ik haar geld geleend heb?” vroeg Blackpool, die worstelde om

zich van den ijzeren greep te bevrijden, „natuurlijk om haar uit den

brand te helpen. Laat mij los! Laat mij los, zeg ik je!”

„Ik zal je los laten wanneer ik dat verkies!” schreeuwde Richard nu,

wit van woede. „Ik begrijp wat je hier altijd had te zoeken, wat het

beteekende als je hier met je zuurzoet lachje complimentjes kwam maken!

Dat was om mijn zuster, niet waar?”

Met onweerstaanbaar geweld trok Richard den tegenspartelenden huisheer

naar de deur, en stootte die met den voet open.

Hij wierp Blackpool met geweld op het portaal, zoodat hij te land kwam

tusschen eenige nieuwsgierige buurvrouwen, die op het geluid van de

twistende stemmen onhoorbaar naderbij waren gekomen, en schreeuwde hem

toe:

„Waag het nu nog eens, een voet in onze woning te zetten! Waag het

eens, den naam van mijn zuster nog eens uit te spreken in mijn

aanwezigheid—dan schiet ik je neer als een hond! En daar zou ik goed

aan doen, ik zou de aarde verlossen van een ondier! Wat—je bent nog

niet weg?”

Hij liep op Blackpool toe, maar deze nam haastig de vlucht, verschrikt

door de woeste uitdrukking op het gelaat van den jongen man, en snelde

de trap af.

Maar op het portaal gekomen stond hij stil, en schreeuwde dreigend naar

boven:

„Je zult van mij hooren, gevangenisaas! Nog van avond maak ik werk van

betalen, en over een paar dagen, zoowaar als ik Blackpool heet—ik laat

jullie armzalig boeltje voor je neus verkoopen, en ik werp je de woning

af!”

En na deze woorden zette Blackpool zijn vlucht haastig voort.

HOOFDSTUK IV.

DE MOORD IN SHORT GARDENS.

Raffles en Charly zaten den morgen, volgend op deze gebeurtenis, in de

kleine eetkamer van het heerenhuis, hetwelk de Groote Onbekende sedert

eenige jaren in de Regentstreet bewoonde, aan het ontbijt, en lazen hun

krant, toen Charly plotseling een kreet van schrik slaakte, en Raffles

over het nummer van de „Daily Mail”, welke hij juist bezig was te

lezen, sprakeloos aanzag.

„Wat is er?” vroeg Raffles, die zelf in de „Times” verdiept was, en nu

Charly vragend aankeek.

„Je stelde veel belang in den jongen Stefenson, niet waar?” vroeg

Charly met moeite zijn ontroering beheerschend.

Lord Lister No. 0376: De moord in Short Gardens · 第 1 / 4 段