Men zag niets van hem dan zijn rug, en daarop de gevouwen handen,

waarvan de vingers krampachtig in elkaar waren geklemd.

Hij scheen recht voor zich uit te staren over het dak heen van het

tegenoverliggende huis.

Raffles scheen een oogenblik verzonken te blijven in den aanblik van de

twee sterke, zenuwachtig trillende handen en vroeg toen eensklaps:

„Neem mij niet kwalijk, dat ik u de vraag stel, mijnheer Burton, kendet

gij Miss Dora reeds lang?”

„Sedert twee jaar, mijnheer,” antwoordde de jonge man, zonder zich om

te wenden.

„Gij—hebt haar zeer lief?”

„Ik heb haar liever dan mijn leven, Mylord. En ik zweer u, dat dit geen

gemeenplaats is. Ik zou, als het moest den vuurdood voor haar

trotseeren.”

Weer zag men niets dan den breeden, eenigszins gebogen rug.

„Dat pleit voor u, mijnheer Burton,” hernam Raffles. „Zeg mij eens,

hebt gij dien Blackpool ook gekend?”

Een hoofdknik, dat was alles.

„Persoonlijk?”

Weer een hoofdknik.

„Gij moet het mij niet kwalijk nemen, mijnheer Burton, als ik

onbescheiden lijk, maar in deze zaak kunnen schijnbaar onbeteekenende

voorvallen van groot gewicht blijken te zijn. Was het u bekend, dat die

schurk uw meisje achtervolgde met zijn liefdesverklaringen?”

Nu wendde Burton zich eensklaps om en riep uit:

„Ik hoorde het gisternacht voor het eerst, Mylord. Ja, als ik het

vroeger had geweten.... dan....”

Hij hield eensklaps op, streek zich met de hand over het hoofd,

mompelde iets binnensmonds en hernam toen met een wrang lachje:

„Ik geloof dat ik wartaal begin te spreken, Mylord! Hoe kon ik dat

zeggen? Ik wist het al zeker maanden, dat die Blackpool het Dora lastig

maakte.”

Nu was het de beurt van de oude vrouw, om verrast op te zien.

„Wat zeg je daar, Harry?” vroeg ze. „Waarom heb je ons dat dan nooit

verteld? Daar wisten wij niets van. Hoe kwam je er toe, om dat voor ons

te verbergen?”

Het gelaat van den jongen man was krampachtig vertrokken, toen hij

stamelend antwoordde:

„Ik heb.... ik wilde.... het lag niet in mijn bedoeling om het te

verzwijgen, moeder, maar ik wilde Dora alles besparen, wat haar hartje

zou kunnen kwetsen. Ik verzeker u....”

Hij brak den zin plotseling af, haalde zijn zakdoek te voorschijn,

veegde er zijn voorhoofd mee af en draaide zich vlug weer om, teneinde

uit het raam te zien.

Raffles trommelde zachtjes met zijn vingers op het tafelblad en er lag

een zonderlinge glimlach op zijn gelaat, waarvan Charly zich den

oorsprong volstrekt niet kon begrijpen.

Eensklaps stond de Groote Onbekende weder op en zeide:

„Luister eens, mevrouw Stefenson. Deze zaak moet tot klaarheid worden

gebracht, op welke wijze dan ook. Heeft uw zoon de misdaad inderdaad

gepleegd, het is vreeselijk om het te moeten zeggen, dan zal hij ook

zijn straf moeten dragen, maar ik zeg u, dat ik daar niet zeker van ben

en daarom begin ik van dit oogenblik af mijn onderzoek. Ik zal u van

alle vorderingen nauwkeurig op de hoogte houden. Wat Dora betreft, ik

smeek u mij toe te staan om de twee uren naar haar welzijn te laten

informeeren. Over de kosten der verpleging behoeft u zich natuurlijk

niet te bekommeren. Wij zullen dat wel regelen.”

Voordat de oude vrouw haar dankbaarheid kon uiten wendde Raffles zich

tot Burton en vroeg op vriendelijken toon:

„Zoudt ge mij uw adres niet willen geven, mijnheer Burton?”

„Mijn adres, Mylord?” vroeg Burton toonloos.

„Ja, het mocht eens noodzakelijk zijn, dat ik u eenige inlichtingen heb

te vragen of te geven.”

De jonge man scheen een oogenblik te aarzelen en antwoordde toen:

„Ik woon in de Sloanstreet 107, vierde verdieping. Maar ik wil u wel

waarschuwen, dat gij mij in de eerste dagen waarschijnlijk weinig of

niet thuis zult vinden,—ik blijf hier. Ik blijf bij haar, die mij meer

waard is dan het leven, en als zij sterft, dan wil ik met haar

sterven.”

Hij had dit laatste op een toon van woeste wanhoop uitgeroepen, sloeg

zich met de beide gebalde vuisten voor het hoofd en viel kermend op een

stoel neer.

Droge snikken deden het krachtige lichaam schokken.

Raffles legde hem troostend de hand op den schouder en zeide op

ernstigen toon:

„Gij zijt een man, mijnheer Burton en als een man zult gij alles moeten

dragen, wat het ook zij.”

HOOFDSTUK VI.

BEWIJZEN EN TEGENBEWIJZEN.

De auto stond nog steeds te wachten en Henderson, de reusachtige

chauffeur, zat onbewegelijk achter het stuurwiel, zonder zich te storen

aan de veertig of vijftig buurkinderen die hem en zijn auto met de

grootste verbazing aanstaarden.

Met de hand aan de kruk van het portier vroeg Raffles zijn trouwen

chauffeur:

„Weet jij waar de Sloanstreet is, Henderson?”

„Zeker, Mylord.”

„Is het ver hier vandaan?”

„Een kwartier rijden.”

„Breng ons daar dan heen en houd stil voor het huis dat het nummer 107

draagt.”

Zoodra de auto zich in beweging had gesteld, vroeg Charly verwonderd:

„Wat wil je in dat huis uitvoeren, waar de jonge monteur woont?”

„Ik wil eens informeeren, waarom hij gelogen heeft!”

„Gelogen?” herhaalde Charly verwonderd.

„O, onze vriend Burton liegt heel slecht! Maar heb je dan zelf niet

opgemerkt, mijn waarde, dat hij zich tweemaal zoogenaamd versproken

heeft?”

„Om je de waarheid te zeggen....” stotterde Charly.

Raffles haalde een weinig ongeduldig de schouders op en hernam toen:

„Dat gebrek aan opmerkingsgave is toch wel wat sterk! De eerste maal

dat hij zich op zulk een eigenaardige wijze vergiste, was, toen hij

eerst verklaarde, om halftwaalf uit Leeds te zijn teruggekeerd en dit

naderhand verbeterde, door te verklaren dat hij alweer om zeven uur in

Londen was. De tweede keer was, toen hij eerst beslist verklaarde,

niets te hebben geweten van de achtervolgingen, waaraan Dora van den

kant van dien Blackpool bloot stond, hetgeen dan ook het

waarschijnlijkste is, want een jong meisje als Dora vertelt zulke

dingen niet—en dit naderhand weder herriep.”

„Je hebt gelijk, Edward!” riep Charly opgewonden uit. „Ik had daar in

het eerst geen acht opgeslagen! Dat is eigenlijk wel vreemd!”

„Dat meen ik ook!” zeide Raffles droogjes. „En wij gaan nu naar de

Sloanstreet om eens te hooren, of men ons daar niet kan mededeelen, hoe

dat zit met het uur van aankomst; of Burton om half twaalf of reeds om

zeven uur terug was. Ik denk dat het half twaalf was.”

„Waarom denk je dat?” vroeg Charly verwonderd.

„Ik kan er geen bepaalde reden voor opnoemen—het is een ingeving.”

„Maar dan zou Harry Burton met opzet gelogen hebben?”

„Dat heeft hij dan ook waarschijnlijk.”

„Met welk doel dan toch?”

„Dat weet ik nu nog niet, maar zeker voor een doel van het grootste

gewicht.”

„Maar die jongen heeft toch met de heele zaak volstrekt niets te

maken?” riep nu Charly uit.

„Slechts in zooverre, dat hij de verloofde is van de zuster van den

gevangene, van den man, die op dit oogenblik van moord beticht wordt.

Maar ik geloof, dat Henderson, die natuurlijk weer veel te hard gereden

heeft, de plaats van bestemming reeds bereikt heeft.”

Inderdaad, de groote auto verminderde haar vaart en stond nu stil voor

een eenvoudig huis, een soort huur-kazerne, waarvan de breede voordeur

wagenwijd open stond.

„Blijf maar even op mij wachten, ik zal aanstonds wel terug zijn,”

zeide Raffles, terwijl hij het portier opende.

De jonge man zag hoe Raffles een paar woorden wisselde met Henderson en

daarop in het huis verdween.

Er waren nog geen drie minuten verloopen of Raffles keerde weder terug.

Zijn gelaat had een ernstige uitdrukking toen hij het portier weder

opende, na Henderson een kort bevel te hebben gegeven.

„Welnu?” vroeg Charly, nadat Raffles weder naast hem had plaats

genomen.

„Hij is om half twaalf terug gekeerd. Het was zelfs nog iets later. Hij

heeft zijn handvaliesje, dat hij bij zich had, aan den portier

afgegeven met verzoek het naar zijn kamer te laten brengen en daarop is

hij dadelijk weer in de auto gestapt, die hem waarschijnlijk regelrecht

naar het huis van zijn meisje heeft gereden.”

„Dus dan zal hij toch hebben gelogen?” riep Charly verrast uit. „Maar

wat kan hij daar toch mee hebben voor gehad?”

„Dat moeten wij nu juist onderzoeken, Charly. Er schuilt achter dat

alles iets geheimzinnigs, dat ik zal trachten te doorgronden.”

„Waar gaan we nu heen?”

„Naar Scotland Yard. Ik wil den hoofdinspecteur van politie, mijn

besten braven vijand Baxter, verlof vragen om onderzoek te mogen doen

in het huis, waar Blackpool den dood had gevonden.”

Er werd slechts weinig meer gesproken gedurende den rit en toen de auto

eindelijk weer stil hield voor het sombere gebouw in de Downingstreet,

hadden de beide vrienden ternauwernood eenige woorden met elkander

gewisseld.

Ook nu bleef Charly weder wachten, terwijl Raffles, die als

amateur-detective, natuurlijk onder den naam van Lord Aberdeen, een

grooten roep had verworven, aan den hoofdinspecteur van politie Baxter,

denzelfden man, die Raffles reeds jaren lang zoo meedoogenloos, maar

zonder vrucht achtervolgde, verlof ging vragen op eigen gezag een

onderzoek te mogen instellen inzake den moord in het huis in Short

Gardens.

Baxter, maar al te verheugd, dat hij den vice-president van de

Windsor-club, waartoe hij zelf ook behoorde, een dienst kon doen, vulde

aanstonds een formulier in, hetwelk den Lord toegang zou verschaffen

tot het huis waar de misdaad was gepleegd.

Voorzien van dit kostbare document, dat alle deuren voor hem moest

openen, begaven de beide vrienden zich weer op weg en een half uur

later, het was toen juist twaalf uur, hield de auto weder stil voor het

tragische huis.

Er stond een agent voor de deur en een paar dozijn leegloopers en

nieuwsgierigen gaapten het huis aan.

Raffles en Charly hadden niet de minste moeite, te worden toegelaten,

zoodra zij het formulier vertoonden, en een paar oogenblikken later

stonden zij tegenover den portier, wiens getuigenis van zoo’n groot

belang was geweest bij de arrestatie van Richard Stefenson.

Raffles keek den man een oogenblik onderzoekend aan, haalde toen een

goudstuk te voorschijn, hield het even tusschen duim en wijsvinger in

de hoogte en zeide toen glimlachend:

„Ik ben wel een detective, mijn vriend, maar niet van de officieele

politie en daarom heb ik ook wel eens de gewoonte, deze aardige ronde

schijfjes te schenken aan lieden, die zich in een of ander opzicht

verdienstelijk hebben gemaakt. Gij lijkt mij een zeer schrander man te

zijn. Uw antwoorden kunnen mij van nut zijn. Zoudt gij geen lust

hebben, dit goudstuk te verdienen?”

„Dat zal niemand afslaan, mijnheer,” antwoordde de portier met

glinsterende oogen. „Wat ik weet zal ik u gaarne zeggen. Ik vrees

echter, dat ik niet veel toe te voegen heb aan mijn verklaringen,

zooals gij die reeds in de bladen hebt kunnen lezen.”

„Ik kan dus aannemen, dat uw opgaven volkomen juist zijn?”

„Volkomen.”

„Misschien valt mij toch wel iets in, waarvan ik nog niets in de bladen

aantrof, bijvoorbeeld, weet gij zeker dat gij uw post in de vestibule

niet verlaten hebt, vanaf het oogenblik dat Blackpool van zijn diner

terugkeerde?”

„Dat weet ik heel zeker, mijnheer.”

„Gij denkt dus, dat niemand tusschen negen uur en half tien uw loge

voorbij kan zijn gegaan, of ge hadt hem moeten zien?”

„Dat denk ik, mijnheer. En ik denk het niet alleen, maar ik ben er ook

vast van overtuigd. Ik wil natuurlijk volstrekt niet zeggen, dat er ook

niemand gepasseerd is, maar dat waren een paar bewoners van het huis,

die op de bovenste verdieping wonen.”

„Goed zoo. Waren het er veel?”

„Hoogstens twee of drie. Laat eens zien, toen mijnheer Blackpool

terugkeerde, stond ik een oogenblik met hem te spreken, en juist toen

ging juffrouw Brown van vijf hoog voorbij. Een kwartier later verscheen

die dikke rentenier van twee hoog, die wel een half uur noodig heeft om

de trap op te komen en dan heelemaal uitgeput is en om half tien ging

de onderwijzeres van het dakkamertje voorbij, die mij nog toeknikte en

dat is alles.”

„Zeide ik het niet, dat gij een bijzonder scherp opmerkingsvermogen

hebt,” riep Raffles uit, terwijl hij den portier het goudstuk in de

hand drukte, „maar gij zijt nog niet van mij af.”

„Vraag maar gerust, mijnheer.”

„Kan men nog op een andere wijze naar boven komen, dan langs dezen

weg?”

„Welzeker, langs de achtertrap, die weg is ook korter. Mijnheer

Blackpool ging meestal de achtertrap op, want hij was nog al lui

uitgevallen. Maar in ieder geval moet men dan toch mijn loge

passeeren.”

„Ei, ei, dat kan van belang zijn,” zeide Raffles, half binnensmonds.

Daarop vervolgde hij luid:

„Het is dus volstrekt niet onmogelijk dat men de woning van Blackpool

binnen gaat, zonder aan de gangdeur op het groote portaal aan te

bellen?”

„Het is niet geheel onmogelijk, maar dan moet men toch een sleutel van

de achterdeur hebben, de deur, die op een smalle brandgang uitkomt.”

„Natuurlijk, tenzij men met mijnheer Blackpool tegelijk zou

binnengaan,” voegde Raffles er aan toe.

De portier zette groote oogen op en zeide verbaasd:

„Ja, dan zouden noch de huishoudster, noch de oude bediende het

behoeven te merken? Maar wie zou die bezoeker dan wel geweest zijn? Ik

zeg u immers dat mijnheer Blackpool alleen terug kwam.”

„Zeker, dat heb ik heel goed gehoord. Maar iemand zou hem bijvoorbeeld

bij de achtertrap hebben kunnen opwachten.”

De portier krabde zich met een bedenkelijk gezicht achter het oor en

antwoordde:

„Hoor eens hier, mijnheer. Aan dergelijke mogelijkheden heb ik

natuurlijk niet gedacht. Ik wil er u alleen maar op wijzen, dat dan

toch die geheimzinnige persoon had moeten terugkomen, die kan toch niet

in de lucht zijn opgelost. Het is waar, een aantal bewoners heeft het

huis verlaten tusschen negen uur en half tien en ik moet bekennen, dat

ik daar minder op gelet heb.”

„Nu, men kan ook niet van u verlangen, dat gij uw oogen op uw rug

hebt,” zeide Raffles vriendelijk. „Hier is nog een goudstuk. Misschien

wilt gij ons wel even den weg wijzen naar de woning van den heer

Blackpool.”

„Gaarne tot uw dienst, mijnheer.”

„Maar ik zou het liefste eveneens de diensttrap gebruiken.”

„Dat kan gebeuren, mijnheer.”

De drie mannen liepen de koetspoort ten einde, gingen de hoofdtrap

voorbij en bereikten zoo den tweeden ingang, die met een smalle deur

kon worden afgesloten.

Hier begon de trap, die steeds door de bedienden en door

slagersknechts, melkboeren en boodschaploopers gebruikt werd.

En het werd al spoedig duidelijk, waarom mijnheer Blackpool dezen weg

bij voorkeur gebruikte, want de trap liep rechtdoor en eindigde in een

portaal, dat juist achter zijn woning liep.

„Waartoe behoort die deur?” vroeg Raffles, toen zij op het portaal

stonden.

„Tot de werkkamer van mijnheer Blackpool.”

„Dezelfde kamer, waar de misdaad plaats vond?”

„Ja, mijnheer.”

„Is zij geopend?”

„Neen.”

„Maar ge hebt misschien den sleutel bij u?”

„Dien heeft de politie. Wij kunnen echter wel door de keuken de

voorgang bereiken en vandaar de kamer.”

„Vooruit dan maar.”

De drie mannen zetten hun weg voort en bereikten nu de keuken, waar zij

een oude dame vonden, gekleed met hoed en mantel en met een behuild

gezicht, die bezig was in een klein valies eenige voorwerpen te pakken.

Het was Miss Dayton, de oude huishoudster van het slachtoffer.

Raffles zeide eenige woorden van sympathie tot haar en vervolgde toen:

„Zoud ge mij eens willen zeggen, Miss, of ge hier gisteren den geheelen

avond geweest zijt?”

„Neen, mijnheer,” antwoordde de huishoudster. „Ik ben zoowat een

kwartier weg geweest om een boodschap te doen.”

„Voor uzelf?”

„Neen, mijnheer zond mij uit.”

Raffles wisselde een snellen blik met Charly, die er echter tamelijk

onbeholpen bij stond, daar hij er de betekenis volstrekt niet van

begreep en vroeg toen verder:

„Hoe laat was dat?”

„Dat weet ik niet precies, maar in ieder geval was mijnheer pas een

paar minuten thuis.”

„Wat moest ge doen?”

„O, het was een onbenullige boodschap. Het had niets om het lijf. Ik

had het evengoed den volgenden dag kunnen doen, maar mijnheer stond er

op, dat ik aanstonds ging.”

„Waar gaf hij u de opdracht voor die boodschap?”

„Hij kwam er voor in mijn kamertje, dat vlak naast de keuken is.”

„Had hij zijn hoed en jas nog aan?”

„Neen, die had hij afgelegd.”

„Vroeg of zeide uw meester nog iets anders?”

„Hij vroeg, waar Blunt was, dat is de bediende.”

„En waar was die?”

„Het was zijn uitgaansdag. Hij was bezig zich op zijn kamer te

verkleeden.”

„Waar is dat kamertje?”

„Onder de hanebalken.”

„Zijt gij toen dadelijk de deur uitgegaan?”

„Dadelijk.”

„Hoe lang zijt ge ongeveer weg gebleven?”

„Omstreeks twintig minuten.”

„Zijt ge aan uw meester gaan zeggen, dat de boodschap gedaan was?”

„Neen, het was van volstrekt geen beteekenis.”

„Waar zijt ge toen heen gegaan?”

„Naar mijn kamertje.”

„Kunt gij het daar hooren als er in de werkkamer gesproken wordt?”

„Als men tamelijk luid spreekt wel.”

„Hebt ge iets gehoord?”

„Volstrekt niets.”

„Tien minuten later verscheen een bezoeker, Richard Stefenson,

nietwaar?”

„Het kan hoogstens tien minuten geweest zijn.”

„Volgens de bladen moeten er vijf minuten of minder zijn verloopen, van

het tijdstip af, dat gij den bezoeker de deur van de werkkamer aanwees

en dat, waarop gij den kreet hoorde. Is dat zoo?”

De huishoudster schudde ontkennend het hoofd en antwoordde:

„Ik geloof, dat ik wel wat ruim ben geweest in die opgave, mijnheer,

het kan bijna niet langer dan een volle minuut zijn geweest. Misschien

nog wel minder.”

„Waarom denkt ge dat?”

„Wel, ik leid het uit den afstand af, dien ik had afgelegd.”

„Zoudt gij zoo vriendelijk willen zijn, ons het eens voor te doen? Wij

zouden dat zeer op prijs stellen.”

„Ja zeker, mijnheer! Wilt gij mij even volgen?”

De huishoudster, gevolgd door de drie mannen, begaf zich naar de deur

die op de hoofdgang uitkwam, of liever op het portaal, waarmede de

hoofdtrap eindigde.

Hier stond zij stil en zeide:

„Ik was voornemens eens te gaan zien, waar Blunt bleef. Ik liet de deur

op een kier staan en ik erken, dat dat wel wat onvoorzichtig was.”

„Weet gij precies, hoever gij gekomen zijt?”

„O ja, Heel precies. Ik had juist mijn voet op de onderste trede van de

trap van de vierde verdieping gezet. Gij kunt van hier het portaal van

de derde gedeeltelijk zien.”

„Mooi zoo. Gij stond dus bij de deur en wees den bezoeker met een

hoofdknik op welke deur hij moest aankloppen. Hebt gij toen nog gewacht

om te zien, of hij zich niet zou vergissen?”

„Daarop behoefde ik niet te wachten. Overtuig u maar zelf, dat een

vergissing onmogelijk is. Er is aan dien kant van de gang maar een

deur.”

„Ge hebt gelijk. Ga dan eens bij die deur staan, zoodra ik zeg „nu”

begint ge te loopen en keert dan even snel terug als gij het

gisteravond deed.”

Miss Dayton ging voor de deur staan, Raffles haalde zijn horloge te

voorschijn en hield den blik op den secondenwijzer gevestigd.

Na eenige oogenblikken hief hij de hand op en zeide op korten toon:

„Nu.”

De huishoudster begon de trap te beklimmen. Het was een trap van

achttien breede treden.

Zij bereikte het portaal van de derde verdieping en zette daarop den

voet op de onderste trede van de trap die naar de vierde voerde.

Op dat oogenblik gaf Raffles een luiden schreeuw, zonder evenwel van

zijn horloge op te zien.

Verschrikt kwam de huishoudster terug loopen.

„Wat is er, mijnheer, Waarom schreeuwt u zoo?” vroeg ze. „Ik krijg er

zoowaar een hartklopping van.”

„Neem me niet kwalijk, als ik u aan het schrikken gemaakt heb,” zeide

Raffles glimlachend. „Het was maar om uw haast wat natuurlijker te

maken. Gij denkt dus, Miss, dat gij een minuut gedaan hebt van hier tot

de onderste trede van de trap?”

„Het zal wel korter zijn geweest,” hernam de huishoudster aarzelend.

„Het was juist een en twintig seconden, Miss,” antwoordde Raffles

bedaard. „Over het terug loopen hebt gij maar twaalf gedaan.”

Hij wendde zich tot Charly, die vol belangstelling het kleine

tooneeltje had gade geslagen en vroeg:

„Wat dunkt u, mijnheer Brand. Zou de moordenaar werkelijk den tijd

hebben gevonden in die een en twintig seconden eerst van de woningdeur

naar de deur van de werkkamer te loopen, daar naar een wapen te zoeken

en vervolgens zijn slachtoffer neer te stooten?”

Charly twijfelde even voor hij antwoordde:

„De tijd lijkt wel wat heel kort, vooral wanneer men nagaat dat het

vertrek in duisternis gedompeld was.”

„Dat meende ik ook,” hernam Raffles droogjes. „Over die duisternis

gesproken, Miss Dayton, was het de gewoonte van uw meester, in donker

in zijn werkkamer te zitten?”

„Dat deed hij nooit, mijnheer.”

„Nu, misschien vinden wij er later de oplossing wel van. Ik wil u niet

langer ophouden, Miss. Ik begrijp dat gij zoo vlug mogelijk het huis

wilt verlaten.”

„Dat moogt ge wel zeggen, mijnheer. Ik tel de minuten. Het is

verschrikkelijk om hier te zijn. Het lichaam van mijnheer.... ligt nog

altijd daar binnen. De politie laat het pas vanmiddag weg halen. Er

zijn al een paar detectives geweest.”

„Dan is de deur misschien gesloten?” vroeg Raffles en zijn voorhoofd

fronste zich.

„Ja, mijnheer, de politie heeft de deur afgesloten en den sleutel

meegenomen.”

„Nu, dan moeten wij maar eens zien of een van mijn sleutels past,”

zeide Raffles luchtig.

Hij haalde zijn sleutelbos te voorschijn en trad snel de gang in.

En de anderen hadden zich nauwelijks bij hem gevoegd, of hij had de

deur geopend.... al was het dan niet met een van zijn sleutels, dan

toch met een looper.

Zoodra hij binnentrad viel zijn oog op het lichaam van den verslagene.

De politie had het zeker juist zoo laten liggen als zij het gevonden

had.

De spitse Japansche dolk was uit de wonde getrokken en lag op de

schrijftafel. Klaarblijkelijk wachtte men op het bezoek van een beroemd

detective.

Raffles was binnen getreden en onderzocht allereerst het wapen.

De kling was ongeveer twee decimeter lang en zeer scherp.

Over een lengte van hoogstens een paar duim was het lemmet met bloed

bespat.

Raffles balanceerde het wapen een oogenblik op zijn vinger en zeide

toen half tot Charly gewend:

„Ik zou eigenlijk gedacht hebben, dat Richard Stefenson over meer

spierkracht beschikte.”

„Hoe zoo?”

„Wel, een sterk man in dolle drift zou dit wapen zeker tot aan de

stootplaat in de borst van zijn vijand kunnen steken.”

Hij wendde zich tot den portier die mede naar binnen was getreden,

ofschoon wel wat bleek om den neus en vroeg hem:

„De politie heeft dit vertrek natuurlijk reeds onderzocht?”

„Van doorzocht kan men eigenlijk niet spreken, mijnheer. Ze hebben even

rond gekeken. Ze waren van oordeel dat hier niets te zoeken viel.”

„Wel, het is een standpunt als ieder ander,” hernam Raffles droogjes.

„Maar wij zullen een weinig grondiger te werk gaan en de kamer duchtig

onderzoeken. Mijnheer Brand, wees gij zoo goed en begin aan gindschen

hoek en sla niets over wat ik u verzoeken mag. Ik zal de schrijftafel,

deze sofa en het vloerkleed wel voor mijn rekening nemen.”

En zonder zich aan de anderen te storen begon Raffles aanstonds met

zijn onderzoek.

Er was nog geen minuut verhopen of Charly hoorde hem een gedempten

kreet slaken.

Raffles stond op dat oogenblik gebukt over een kleine tafel, waarover

een zwart loopertje was gespreid van zwarte imitatie kant.

„Wat is er?” vroeg de jonge man nieuwsgierig.

„Hebt gij iets gevonden?”

„Neen—ik dacht.... ik meende... ik heb mij vergist! Hoe staat het daar

ginds?”

„Ik heb volstrekt niets ontdekt.”

„Nu, dan zullen wij het voorloopig maar opgeven, mijnheer Brand,”

hernam Raffles, terwijl hij zich oprichtte, en het vergrootglas weder

in zijn zak stak, dat hij dien morgen als wijze voorzorgsmaatregel had

meegenomen.

Charly keek hem even vragend aan, en zag op zijn gelaat iets, hetwelk

hem duidelijker dan woorden zeide, dat Raffles reeds op een spoor

was—ja, dat hij de waarheid waarschijnlijk reeds had ontdekt.

Raffles wendde zich weder naar de deur om heen te gaan, maar op den

drempel keerde hij zich nog eens om en vroeg, zich tot de huishoudster

wendende:

„Hoe vaak werd de werkkamer van mijnheer Blackpool schoongemaakt.”

„Iederen dag werd er stof af genomen, en tweemaal in de week kwam de

schoonmaakster.”

„Werd bij het stof afnemen ook dat zwarte loopertje op de tafel

uitgeklopt.”

„Zonder mankeeren, mijnheer,” hernam de huishoudster verwonderd.

„Dat was gisteren natuurlijk reeds gebeurd voor mijnheer Blackpool van

het diner terugkeerde?”

„Dat spreekt vanzelf.”

Lord Lister No. 0376: De moord in Short Gardens · 第 3 / 4 段