V.

Eene bruiloft te Loeksor.—De almehs.—De watervallen.—Philae.

Op zekeren dag dat ik van eene wandeling door het dal der Koningsgraven

terugkwam, en zwijgende den Nijl overstak om naar Loeksor terug te

keeren, werd ik eensklaps uit mijne mijmering gewekt door een luid

gerucht van muziekinstrumenten en gezang. Mahmoed, een onzer matrozen,

ging trouwen en vierde zijn bruiloft.

Voor de woning der bruid was eene groote tent opgeslagen, waar reeds

sedert twee dagen de vrienden waren bijeengekomen: voor ons was eene

bijzondere estrade ingericht, met kussens en tapijten belegd. Het was

Vrijdag, dat wil zeggen Zondag voor de Mohammedanen. Toen het uur des

gebeds gekomen was, begaf de bruidegom, gevolgd door al de genoodigden,

zich naar de moskee: dadelijk na zijn terugkomst begon het feestmaal.

Alle schotels werden ons aangeboden: maar, ondanks onze welgemeende

begeerte om Mahmoed geen verdriet aan te doen, was het ons onmogelijk

van de meesten te proeven; al de vriendinnetjes der bruid waren bij het

bereiden dezer schotels behulpzaam geweest, en in hare vreugde hadden

zij waarschijnlijk de regelen der kookkunst vergeten: althans de

spijzen waren voor ons volkomen ongenietbaar.

Des avonds hielden de genoodigden een optocht door het vlek, waarbij

zich gaandeweg al de leegloopers aansloten; mannen met lantaarns liepen

nevens ons. Bij onze terugkomst wachtte ons eene volledige illuminatie:

toortsen en fakkels schitterden allerwege; een rijke buurman had een

dier prachtige oostersche kandelabres geleend: getakte ijzeren boomen

met geslepen glazen buizen, die het licht honderdvoudig weerkaatsen.

Het was een heerlijk gezicht: de weerspiegeling van het licht op de

gebronsde aangezichten, de veelkleurig tarboesjes, tulbanden, gordels

en mantels dier saamgegroepte menigte.—Mahmoed was alleen het vertrek

binnengetreden, waar hem zijne bruid en hare naaste verwanten wachtten;

hij trad eindelijk naar buiten, vergezeld van eenige vrouwen; plaatste

zich tegen den muur der woning, en ontving de gelukwenschen der

genoodigden, die in eene rij langs hem heen gingen en hem eenig

zilvergeld in de hand drukten. Inmiddels weergalmde van alle kanten

gezang en gejuich, afgewisseld met geweer- en pistoolschoten. Toen de

optocht gedaan was, ging Mahmoed weer naar binnen, maar kwam bijna

onmiddellijk naar buiten, met zijn bruid—een kind van nog geen twaalf

jaar—in zijne armen. Gevolgd door de vrouwen en, op eenigen afstand,

door de mannen, begaf hij zich naar den oever van den Nijl, nam een

weinig van het water der rivier in zijn mond en blies dat in den mond

zijner bruid. Daarmede was de plechtigheid afgeloopen. Niemand geleidde

de jong getrouwden naar de echtelijke woning.

Men weet in Egypte niets van een burgerlijken stand. Zijn de bruidegom

en de ouders van het meisje het eens, is de som, die de man moet

betalen (de bruid brengt geene huwelijksgift mede) vastgesteld, dan

wordt het huwelijk voltrokken, voor twee getuigen; somwijlen wordt de

kadi daarvan verwittigd, maar dat wordt zeer dikwijls nagelaten. Bij

eene dergelijke verbintenis, waar iedere waarborg ontbreekt, is de

vrouw weinig meer dan eene gekochte slavin; wanneer zij den man niet

langer bevalt, zendt hij haar naar hare ouders of verwanten terug; zij

zelve kan slechts in een enkel geval echtscheiding vorderen. Van de

geboorte der kinderen wordt nooit aanteekening gehouden; een gevolg

daarvan is, dat kindermoord niet zeldzaam is; somwijlen worden zij, in

hunne eerste jeugd, omgebracht door eene der mededingsters van hunne

moeder. Het is toch onder de matrozen der Nijlschepen eene vrij

algemeene gewoonte, om op verschillende plaatsen, b.v. te Kaïro en te

Assoean, eene vrouw te huwen. Naar gelang zijne zaken dat toelaten,

gaat de echtgenoot nu eens een maand bij deze, dan weder bij de andere

doorbrengen: hij brengt eenige piasters, een paar stukken blauw katoen

en andere snuisterijen mede, die de vrouw, na zijn vertrek, verkoopt.

In ruil daarvoor ontvangt zij dan granen en andere vruchten des lands,

en onderhoudt aldus den handel der andere echtgenoote. De veelwijverij,

aldus opgevat, is eene winstgevende zaak: toch kwijnt zij dagelijks

meer, en niet alleen onder de armen, maar ook onder de meer gegoeden,

die veelal slechts ééne wettige vrouw te gelijk hebben.

Wij hebben Thebe verlaten en vervolgen onze reis naar het zuiden, te

midden van welige akkers en plantages. Daar ligt Erment, het oude

Hermonthis, met zijne schoone ruïnen, half achter een boschje van

sykomoren en mimosa’s verscholen. Vier heerlijke antieke zuilen vormen

den ingang tot een kleinen tempel, uit den tijd der Ptolomeën, en

vooral merkwaardig om zijn beeldwerk, ter verheerlijking der geboorte

van een zoon van Caesar en Cleopatra.—Wederom akkers en velden, tuinen

en boomgaarden, met de bergen in het verschiet, tot de witte huizen van

Esneh zich langs den oever scharen. Esneh is de stad der almehs. Zij

bewonen verschillende huizen, dicht bij de rivier; onze drogman stelde

voor, ons naar het beste etablissement te geleiden. Wij namen zijn

aanbod aan, en werden nu naar eene vrij smerige en armoedige hut

gevoerd: in het midden eener groote kamer zaten de danseressen, allen

van vrij alledaagsche schoonheid, maar jong en welgemaakt. De hoop op

buitengewone ontvangst had haar bewogen, groote zorg aan haar toilet te

besteden. Ik zie nog hare zeer lage en korte vesten, hare wijde zijden

pantalons, om de heupen door schitterende gordels opgehouden; haar half

doorzichtige gazen tunika’s; hier bloote voeten, daar gele of roode

pantoffels; halskettingen en armbanden, en op het voorhoofd, kleine

munten; eindelijk, achter op het hoofd, zijden doeken, los omgeworpen.

De dans, die met eene reeks van bevallige standen aanving, ging weldra

tot de meest hartstochtelijke bewegingen over, waarbij het bovenlijf

onbewegelijk bleef. Na een poos dit tooneel te hebben aangezien,

verwijderden wij ons en lieten olijven, liqueur en een aantal talaris

(kleine muntstukken) uitdeelen, waarvoor ons op de hartelijkste wijze

dank werd gezegd. De almehs hebben maar zelden dergelijke

buitenkansjes, de inboorlingen zijn te arm om hare talenten te betalen;

zeer bedreven in fraaie plastische standen, zijn zij zelven ongeschikt

voor iederen arbeid en moeten tot allerlei kunstmiddelen hare toevlucht

nemen om te kunnen leven. Zij brengen haar tijd door met rooken en met

het drinken van aquavite—eene soort van anisette—en van koffie. De

bezwaren aan dergelijke levenswijze verbonden, hebben het getal der

almehs, die ten tijde der Mammelukken nog geheel Egypte als

overstroomden, zeer doen verminderen. Hare laatste wijkplaats is Esneh,

dat wellicht ook haar geboorteland was; waardige zusters der bayadèren

van Indië en der priesteressen van Mylitta en Astarte, hebben de almehs

in vroeger eeuwen gedanst voor de altaren van Neith, de schutsgodin van

Esneh, de moeder, echtgenoote en dochter van Amun-Ra. Nog ziet men,

midden in de stad, aan den voet eener helling met mummiënkisten en

andere overblijfselen bezaaid, den schoonen voorhof van een tempel van

Neith, tegenwoordig een korenmagazijn. Ten tijde der Romeinen, op de

puinhoopen van een zeer oud gebouw gesticht, verraden de slechte

beeldwerken des tempels het verval der kunst; maar de ernstig-schoone

lijnen der architraven, de grootsche afmetingen der vier-en-twintig

hooge zuilen, maken hem toch waardig nevens de wonderen van Karnak en

Medinet-Aboe te worden gesteld.

Zonder ons op te houden, varen wij voorbij de indrukwekkende pylonen en

welbewaarde tempelruïne van Edfoe, want onze wensch om Assoean en de

watervallen te zien drijft ons met haast voort. De wind is gunstig; de

Nijl vernauwt zijn bedding en bruist voort tusschen steile rotswanden,

wier spleten en kloven met armelijke struiken zijn begroeid. Deze

struiken wemelden van kleine vogels, die als vruchten aan de takken

schenen te hangen. Door onze boot opgeschrikt, verhieven zij zich in de

lucht, daarbij een geruisch makende als met kracht uitgedreven stoom.

Zij waren zoo talrijk, dat zij letterlijk een oogenblik den hemel aan

onze blikken onttrokken; eenige geweerschoten deden er honderden in den

Nijl nedertuimelen. Onze kok haastte zich er zooveel mogelijk van op te

visschen, en onthaalde ons op een zeer smakelijk gebraad.—Maar andere

merkwaardigheden vorderen weldra onze aandacht. Hier is de

Djebel-Selseleh, oudtijds Silcilis, met zijne groote steengroeven,

waaruit de tallooze schare der kolossen en obelisken is voortgekomen,

die Thebe en al de steden van Opper-Egypte versierden. Deze beroemde

steengroeven zijn, bij wijze van zalen en galerijen, in de rotsen

uitgehouwen; de wanden zijn overal met beeldwerk en opschriften bedekt;

nog worden hier eene menigte overblijfselen en half voltooide werken

aangetroffen, als hadden de beeldhouwers zoo pas hunnen arbeid

gestaakt. In de onmiddellijke nabijheid van den oever verheft zich eene

groote rots, van zeer eigenaardigen vorm: naar men zegt, werden aan

deze rots en aan eene andere, even zoo vooruitspringende, op den

tegenoverliggenden oever, de ketens vastgemaakt, die de rivier moesten

afsluiten en het land verdedigen tegen de invallen der ethiopische

stammen. Onze tijd, die alles beter weten wil dan de ooggetuigen der

oudheid, heeft deze ketens voor eene fabel verklaard en den oorsprong

van het verhaal gezocht in den arabischen naam van den berg:

Djebel-Selseleh, Kettingberg. Zou het omgekeerde evenwel niet

waarschijnlijker zijn? en is het denkbeeld, om den nauwen ingang van

het Nijldal op deze wijze af te sluiten, vooral in de oudheid, zoo

onnatuurlijk?

Wij varen voort. In het licht der volle maan vertoont zich aan ons oog,

hoog boven de rivier, de groote tempelruïne van Kom-Ombos, half onder

het zand bedolven. Een kleinere tempel, dichter aan den oever, is door

den stroom weggespoeld. Wij kunnen niet verder voortgaan, maar zien ons

verplicht den dag af te wachten nabij het fraaie dorp Elganeh, half

weggedoken achter palmen en mimosa’s, wier takken zich over het water

heenbuigen. Nog een dag en een nacht, en wij zijn te Assoean; de ons

vijandige wind, de veelvuldige rotsen en de snelvlietende stroom

vertragen gelijkelijk onze reis. Tusschen de stille dorpen, aan den

voet der rotsen en aan den zoom der rustige inhammen schuilende, varen

wij met moeite en voorzichtigheid voort, te midden van groote

steenklompen, voorloopers der katarakten en kolken. Een groenende,

bloeiende gordel van eilanden omvat den stroom: ter rechterzijde ligt

het groene Elephantine, met bijna onzichtbare ruïnen bedekt: het

fabelland dier ichthyophagen (vischeters), die Kabuya (Cambyses) als

gezanten naar Ethiopië zond. Eindelijk den onstuimigen stroom dwars

overstekende, varen wij het kanaal binnen dat naar de haven voert van

Assoean, het antieke Syene, de stad der watervallen.

Den 4den Juni, des morgens ten tien ure, zouden wij den engen doorgang

der katarakten passeeren. Daar wachtten ons eene menigte helpers, meest

jonge lieden, onder het bevel van een ouden reis, met een langen witten

baard; een man, even kalm te midden der bruisende draaikolken van den

Nijl, als een onzer schippers tusschen twee sluizen. De jonge lieden

zijn allen Nubiërs:—krachtige, gespierde en meest beeldschoone figuren,

geheel naakt; hunne zwartachtig bronzen huid ziet er uit als een dof

krip, over eene purperachtige stof gespannen. Onder luid gejubel en

geschreeuw zetten zij zich aan het werk. Groote granietblokken, door

het water overspat, bedekken bijna de geheele breedte der rivier: het

schijnen versteende buffels, in allerlei houdingen te midden der golven

neergehurkt. Onze Nubiërs springen en klauteren er op, bevestigen

sterke touwen en kabels aan de uitstekende rotspunten, en trekken zoo

ons vaartuig voort, dat anderen, al zwemmende, deels duwen, deels

dragen. Zoo ging het langzaam voort; en de avond begon te vallen, toen

wij nog slechts de eerste katarakt waren doorgeworsteld; en wij moesten

voor den nacht ons vaartuig stevig vastmeeren, opdat het niet door de

bruisende en schuimende wateren zou worden weggevoerd. De Nubiërs

wenschten ons geluk met den aanvankelijken goeden uitslag en juichten:

Allah is groot!—wat in dit geval zeggen wilde: Goede Franken, geeft ons

iets! Toen zij hun baksjies—trouwens welverdiend—ontvangen hadden,

keerden zij naar hunne woningen om te slapen. Ik gevoelde daartoe geen

lust, maar beklom een der hooge rotsen, en wierp een blik op den wilden

chaos rondom mij. De maan, haar fantastisch licht over het wonderlijke

landschap uitgietende, gaf aan de reusachtige grillige steenmassa’s

haast menschelijke vormen. Het zijn geen granietblokken meer: zie, met

de voeten aan den harden bodem geketend, door de kokende golven

ombruist, rust daar in de wateren een geheel geslacht van Titanen,

dezelfden wel die, de sphinxen uithouwende in de rotsen, zoo als een

herder een beeldje snijdt uit een wilgentak, en met eene hand de

obelisken in evenwicht zettende, de paleizen van Karnak hebben gebouwd

en de bergwanden in tempelgrotten herschapen.

Met het krieken van den dag keeren de Nubiërs terug om den arbeid te

hervatten; en eindelijk, tegen drie uren na den middag, ligt onze bark

rustig voor anker boven de drie katarakten, die wij nog hadden door te

varen. De laatste, el-Kebir, waar de rivier het nauwst en de klippen

het menigvuldigst zijn, was de lastigste. Twee honderd jonge mannen

ongeveer, op de rotsen en klippen langs en in den stroom verspreid,

hielden de touwen en trokken ons met alle kracht voort: wij hadden dan

ook te doen met een verval van anderhalf el. Het was letterlijk de

beklimming van een waterheuvel. Zoo als men ziet, hebben de katarakten

van den Nijl niets gemeen met de watervallen van den Niagara of van

Schaffhausen: zij worden gevormd door een reeks rotsige dammen of

klippen en snelle stroomingen en kolken, niet ongelijk aan gebogen

spiegels; de nauw ingesloten rivier schiet, met duizelende vaart,

bruisend en wielend, over en tusschen de rotsen en klippen heen. Toch

zijn deze katarakten inderdaad gevaarlijk: en er wordt groote

behendigheid en niet minder groote kracht gevorderd, om het vaartuig

zonder ongeval over de watervallen te brengen. Er is dan ook een

bijzondere reis (hoofd) der katarakten, op wiens kunde, moed en

ervaring men zich veilig verlaten kan: het was de kloeke grijsaard, die

onze flinke jongelieden bestuurde en aanvoerde.

Vóór ons, als twee groene bouquetten, verrijzen uit den stroom de beide

eilanden Philae en Beghiëh. Dit laatste, omzoomd van groote, met

hiëroglyphen bedekte steenklompen, ligt aan den lybischen oever; het

andere, vrij wat schooner en vooral van meer gewicht, roemt op zijne

prachtige ruïnen, door een bevalligen tempel gekroond. Philae is

inderdaad een toovereiland; wie hier den voet zet, voelt, al ware het

maar voor enkele oogenblikken, den wensch in zich opkomen, om hier ook

zijn leven te slijten: de zuivere lucht, het heerlijke groen, de kalme

eenzaamheid, de ongestoorde vrede, zijn zoo vele aanlokselen, waaraan

het moeielijk valt weerstand te bieden; gezwegen nog van de prachtige

ruïnen en de herinnering van het verleden.

Op den oever wachtte ons een grijsaard, de eenige bewoner en getrouwe

bewaker van het tooverachtig eiland. En terwijl wij de sporen nagingen,

door zoo vele eeuwen op deze kleine plek achtergelaten, wandelde hij

voor ons uit, en haspelde, in zijne naïeve uitleggingen, alles dooreen:

Isis en Mohammed, de Khaliefen en Sultans, en de Pharao’s en Caesars.

Zoo trokken wij het eiland over, van het zuiden naar het noorden, het

westelijk strand volgend.

Op de zuidelijke punt verrijst een kleine obelisk, zonder hiëroglyphen,

voor den tempel van Hator: een gebouw van middelbare grootte, in het

midden van boven open; opmerkelijk door sommige zuilenkapiteelen,

bestaande uit vrouwenkoppen met koeienooren. Hator en Isis zijn de twee

beschermgodinnen van Philae: beiden zijn zij godinnen der liefde en der

vruchtbaarheid. Behooren de sperwer en de krans van blauwe bloemen meer

bepaald tot de attributen van Hator: zij en Isis beiden onderscheiden

zich door de schijf, alsmede door de hoornen, het hoofd, of wel het

geheele beeld eener jonge koe, welk dier haar was toegewijd. Beiden

zijn na verwant aan Aphrodite, aan Cybele, aan de koe Iö. Met de

zonneschijf en de hoornen gekroond, schijnen zij tot hare aanbidders te

zeggen: gij ziet op ons hoofd het zinnebeeld des lichts; wij kennen het

geheim des levens en het raadselwoord des lots: maar tracht niet ons

die te rooven, want wij hebben geduchte wapenen om ze te verdedigen!

Twee zuilenrijen van ongelijke lengte, wier gelijkmatig afnemende

verhoudingen juist berekend zijn naar de regelen der perspectief,

verbinden den tempel van Hator met de pylonen van den Isistempel. De

grootste dezer kolonnaden, de westelijke, telt drie en dertig zuilen,

waarvan de schacht gekorven is, en waarvan de kapiteelen, met grooten

smaak geteekend, allen verschillen. Zestien minder fraai bewerkte

kolommen vormen de oostelijke kolonnade, die schijnt af te breken bij

een klein, bijna geheel onder het zand bedolven heiligdom, een tempel

van Tmouth, den zoon van Hator en Phta. Midden in de westelijke galerij

bevindt zich een trap, die den steilen rotsoever doorsnijdt en naar den

Nijl afdaalt. Deze propylaeën behooren tot het romeinsche tijdvak, en

zijn er niet minder schoon om; al maken de koppen van Augustus,

Tiberius of Claudius eene wonderlijke vertooning op die magere schrale

gestalten; allen naar de vaste type geteekend, waarvan de egyptische

kunst zich nooit verwijderde.

In dezelfde richting verheffen zich, achter hoopen puin, waaronder men

nog twee geschonden leeuwen herkent, de twee eerste pylonen en verdere

overblijfselen van den Isistempel, onder Nectanebus (378–360 voor Chr.)

gesticht, en later, onder de Ptolomeën, verbouwd en vergroot. Op de

voorzijde der pylonen is Ptolomeus Philometor afgebeeld, zoo als hij

aan Isis en aan Har (Horus) gevangenen, die hij met eene hand bij de

hairen vat, toewijdt. Een nog bruikbare trap, in den hof achter de

pylonen uitkomende, voert naar boven. Deze hof of binnenplaats wordt

begrensd door twee gebouwen, mede uit den tijd der Ptolomeën, en aan de

moeder-godinnen Isis en Hator toegewijd. Twee andere pylonen sluiten

deze eerste binnenplaats af; zij zijn ruim 14 el hoog en op eene rots

gebouwd; een opschrift, in het graniet uitgebeiteld, vermeldt hare

stichting door Euergetes II. De binnenhof, die dan volgt, heeft door

eene zijgang gemeenschap met den Nijl, en bezit eenige schoone

beeldwerken op de nog gespaarde muren. Een vooral trok onze aandacht.

Het is een bas-relief, een der Ptolomeën voorstellende, maar geheel als

een echte Pharao: dezelfde lange, schrale gestalte, dezelfde breede

schouders, dezelfde onmogelijke houding der armen en handen, waarmede

hij van de achter hem staande tafel allerlei geschenken neemt, om die

Isis aan te bieden. Hij is zoo linksch en onbeholpen mogelijk, en toch

zoo indrukwekkend edel en vol majesteit. De schoone uitdrukking van de

figuur doet u onwillekeurig de ongerijmde teekening vergeten.

De vier pylonen en de beide hoven vormen den waardigen toegang tot den

grooten tempel van Isis. Tien fraaie slanke kolommen, waarop nog de

kleuren zijn te herkennen van het oude schilderwerk, steunen een

indrukwekkenden pronaos (voortempel), de roem van Philae; verschillende

vertrekken, met beeldwerken en bas-reliefs versierd, vormen het

eigenlijke heiligdom; in het laatste bespeurt ge eene nis met een

sperwer van rozenrood graniet: de sperwer is hier zoowel aan Isis als

aan Hator gewijd. Naar de zijde van den Nijl zijn de muren geheel

bedekt met beelden en hiëroglyphen.

Vóór ons, bijna geheel op de noordelijke spits van het eiland,

verheffen zich, te midden van palmboschjes, drie poorten, van waar een

vervallen trap naar beneden, naar het water, voert. Dit is de kazerne

of triomfboog van Diocletianus. Langs den oostelijken oever

terugkeerende, bereiken wij eindelijk die heerlijke open zaal, die, op

een verheven terras boven den Nijl tronende, onwederstaanbaar aller

oogen tot zich trekt, den kleinen Isistempel, bestaande uit veertien

zuilen en een prachtigen architraaf, maar overigens geheel ongedekt.

Half in het geboomte weggescholen, is deze tempel, vooral des avonds,

als de zon in het westen zinkt, een heerlijke plek om te mijmeren of te

lezen. De ruimte tusschen den voet van dit terras en de pylonen van

Nectanebus is bezaaid met ruïnen en puin; onder anderen ligt hier ook

nog de verminkte bouwval van een klein heiligdom aan de moedergodin

Hator gewijd; het bevallige portaal en de fraaie bas-reliefs zijn bijna

onkenbaar geworden door den rook en het vuur: want deze tempel wordt

door de reizigers in den regel als keuken gebruikt.

Bijna de gansche oppervlakte van het eiland Philae, dat 370 el lang en

240 el breed is, wordt door deze gebouwen en ruïnen ingenomen: maar de

nog tamelijk gespaarde tempels beslaan ter nauwernood een negende

gedeelte dier oppervlakte. De tempels van Hator en Isis zouden

gemakkelijk te herstellen zijn; ook zou men het verder verval der

anderen kunnen stuiten. En men achtte deze overblijfselen niet gering,

van wege hun betrekkelijk jongeren oorsprong: inderdaad, niet enkel aan

de schoonheid van het landschap waarin zij prijken, danken zij hun

roem. Het moge waar zijn, dat de eeuw der oude Pharaonen, van Ramses en

Sesostris, de meesten der kolossen en grootsche tempelburchten heeft

zien oprijzen; het tijdperk der Ptolomeën was getuige eener zeer

merkwaardige herleving in kunst en letteren. De halfverstorven

egyptische geest ontwaakte nog eens uit zijn sluimer, bij de aanraking

met den genius van het Hellenisme, waarvan de Ptolomeën de

vertegenwoordigers waren. Wat de tempels verloren in omvang en

kolossale afmetingen, wonnen zij in evenredigheid, in maat en

bevalligheid, waarvan alleen de grieksche kunst het geheim bezat. De

romeinsche restauratiën verdienen over het algemeen de minachting,

waarmede de egyptologen ze bejegenen: maar de invloed der grieksche

kunst, die reeds twee eeuwen voor Alexander, onder Psammetichus en

Amasis, in het tot dusver gesloten land doordrong, heeft gaandeweg de

aloude stereotype traditiën gewijzigd en vervormd, zonder den zin en de

beteekenis er van te verminken, en ook zonder op de inlandsche

kunstwerken een vreemden stempel te drukken. De pylonen hier, bij

voorbeeld, vormen een zeer goed geheel met den Hator-tempel, bijna een

eeuw vroeger door Nectanebus gesticht; en de prachtige pronaos van den

grooten Isistempel paart de attische bevalligheid en sierlijkheid aan

de ernstige majesteit van het oude Egypte.

Dit kleine eiland Philae, of eigenlijk Pilak, zoo als de oud-egyptische

naam luidt, heeft zijne eigene geschiedenis. Beheerscher der katarakten

en sleutel van het Nijldal, was Philae het bolwerk der thebaansche

dynastieën tegen de invallen der ethiopische barbaren, en werd het

wellicht haar laatste toevluchtsoord, toen de mannen van het noorden,

de Hyksos of Herders, Beneden- en Midden-Egypte hadden overstroomd en

onderworpen. De Pharao’s, wederom, na langen kamp overwinnaars gebleven

en de vreemdelingen verjaagd hebbende, bouwden tempels op de beide

heilige eilanden, van waar het herstel der nationale onafhankelijkheid

was uitgegaan; en zoo op Philae al niets van hunne stichtingen is

overgebleven, op het zuster-eiland Beghiëh vindt men uitgestrekte

bouwvallen uit de regeering van een koning Amenhotep, opvolger van

Moeris en voorvader van Sesostris. Amenhotep, ten krijg trekkende tegen

de Ethiopiërs, liet op een der rotsen een opschrift beitelen, ter

herinnering aan zijn doortocht. De armoede van Philae aan zeer oude

gebouwen is waarschijnlijk een gevolg der gruwelijke verwoestingen, op

bevel van Kabuya (Cambyses) den koning der Perzen, aangericht;

Nectanebus, een der koningen uit de laatste nationale dynastie, begon

omstreeks het jaar 370 vóór Chr. de omgeworpen heiligdommen te

herstellen; de Ptolomeën zetten dien, door eene nieuwe perzische

verovering gestoorden arbeid voort; en de romeinsche Caesars traden in

de voetstappen der grieksche vorsten. Toen het rijk, ten noorden

bedreigd, zijne zuidelijke grenzen prijs gaf, bleef Philae zijne

laatste vesting in Nubië; Diocletianus versterkte het eiland, en

richtte er den triomfboog en de kazerne op, waarvan nog, zoo als ik

zeide, aan de noordspits drie gewelfde poorten overig zijn.

Toen de Pharaonen, de Ptolomeën en de Caesars Philae reeds lang

verlaten hadden, bleven er nog de oude goden, en hielden deze er zich

staande tegen het immer voorwaarts dringende nieuwe geloof. Hier was

het graf van Osiris; Isis en Hator bezaten hier eene gansche kolonie

van priesters en priesteressen, die het heilige eiland nooit verlieten,

en na hun dood ter ruste werden gelegd in onderaardsche grafgewelven,

nabij de grafstede van den god. De heiligheid van Philae wies naarmate

de eeredienst zijner goden zich uitbreidde: want geene andere

egyptische godheid vond in geheel de romeinsche wereld zoo vele

aanhangers als Osiris en Isis, wier roem in de tijden kort voor en

onmiddellijk na Chr., zelfs die der oude grieksche goden overstraalde.

Het Christendom drong eerst laat tot Philae door; en nog in de tweede

helft der zesde eeuw werd hier de oude Isis aangebeden. Eerst het

Islamisme maakte voor goed een einde aan den dienst der oude goden,

maar het stelde er niet veel anders voor in de plaats dan dood en

vernietiging.

Langs den Nijl: Herinneringen eener reis in Egypte De Aarde en haar volken, 1868 · 第 8 / 10 题