VI.

In Nubië—Kalabsjeh.—Ipsamboel—De katarakten van Ouadi-Alfa.—Slot.

Sedert gisteren zijn wij in Nubië: maar aan niets bespeuren wij het,

dat wij niet meer in Egypte zijn; slechts de plantengroei, die de

smalle strooken ter wederzijde van den Nijl aan den voet der steile

rotsgebergten siert, is wellicht nog rijker en weelderiger. Aan den

lybischen oever hangt deze groene zoom letterlijk als een fluweel en

franje aan de vaalkleurige bergwanden. ’t Is een opeenvolging van

allerlei gezichten: hier volgt een lange karavane den hoogen

slingerenden weg; elders zijn de rotsen gekroond door een groot somber

klooster, welks wijduitgestrekte muren rijzen en dalen naarmate de berg

zich verheft; ginds wederom is het eene oude, verlaten moskee,

halverwege de berghelling gebouwd, waar de omwonende bevolking

samenstroomt ten gebede. En voorts, overal bouwvallen uit den tijd der

Pharaonen. Hebt ge eene of andere uitstekende steile rots beklommen,

dan ziet ge, geheel aan den gezichteinder, te midden van een doolhof

van bergen, kolommen oprijzen, door de avondzon met purperen glansen

getooid: ligt daar eene of andere geheimzinnige stad, nog door geen

vreemdeling betreden? Hoe het zij: niemand wist mij te zeggen hoe de

plek heette, waar die zuilen verrezen, en niemand wist ook den weg

derwaarts te wijzen.

De Kreeftskeerkring welft zich boven onze hoofden, en zendt ons haar

vurigen adem naar beneden. Het is stikkend heet; geen windje koelt de

brandende lucht af, en slechts de onmiddellijke nabijheid van het water

geeft eenige verfrissching. Aan deze buitensporige hitte bemerken wij

het toch, dat wij niet langer in Egypte zijn, maar de tropische

gewesten van Nubië hebben bereikt. Hier wordt geen arabisch meer

gesproken; en onze teleurgestelde drogman moet zijne stille winstjes

afstaan aan een der matrozen, die de taal van het land verstaat. De

Nubiërs, over het algemeen zachtzinnig van aard, zien er evenwel vrij

krijgshaftig uit; de met een riem om hun arm gebonden dolk, de boog van

ijzerhout, en het schild van krokodillenvel, moeten hunne vrijheid

beschermen; de egyptische regeering moet steeds tot geweld hare

toevlucht nemen, als zij van deze onderdanen iets verkrijgen wil. Als

ijverige landbouwers betwisten zij aan den stroom iederen duim van het

vruchtbare slib, dat hij, bij zijn dalen, achterlaat en dat vier

achtereenvolgende oogsten draagt. Meen echter niet dat men hier den

grond bebouwt: men strooit eenvoudig het zaad in kleine ondiepe gaten,

en de natuur doet het overige. Een zoo zacht en warm klimaat ontslaat

de Nubiërs van de moeite om zich te kleeden: zeer dikwijls hebben zij

niets aan hun lichaam dan alleen hunne wapenen; anderen slaan eenvoudig

een doek om de heupen of een witten mantel over de schouders. De

vrouwen dragen allerzonderlingste kostumes, meestal zeer eenvoudig; zij

verwen zich de lippen en vlechten hare hairen in een groot aantal

kleine tressen, die zij juist niet alle dagen op nieuw opmaken. De

Nubiërs zijn een krachtig en fraai gebouwd menschenras, donker

bronskleurig en met zwaar krullend haar. De dorpen, die doorgaans dicht

aan elkander grenzen, bestaan meestal uit een vijftien of twintigtal

hutten, met een plat dak van palmbladen; voor de hutten staan dikwijls

groote aarden kruiken, waarin het koren bewaard wordt.

In Nubië vindt men bouwvallen uit allerlei tijden en sporen der

vereering van alle goden der oude wereld. In den omtrek van Philae

heerschen Isis en Osiris; evenzoo vindt men te Deboet en te Gertassi de

overblijfselen van tempels aan Isis gewijd. Maar veel belangrijker dan

de ruïnen van Deboet en Gertassi zijn die te Kelabsjeh, wellicht de

schoonsten van geheel Nubië. Te midden van eerwaardige sykomoren

verheffen zich groote steenhoopen, als hadde de naburige berg zijn

schoot geopend en uitgestort over de enge vlakte. Een prachtige

heirbaan van gehouwen steenen voert van den Nijl naar een grooten

pyloon. Achter de uitgestrekte, maar ter aarde gestorte propylaeën

verrijst nog, met zijne poorten en zijmuren, de voorgevel van den

pronaos, geheel bedekt met beeldwerk, waarin de zonneschijf vooral het

oog trekt. In den tempel zelf schittert veelkleurig schilderwerk;

rondom het heiligdom scharen zich zalen en kamers, trappen en

galerijen, die echter meest allen in puin verkeerd zijn. Een dubbele

omwalling van kolossale steenblokken omgeeft, als een reuzengordel,

geheel den tempel. Deze grootsche bouwval verrijst te midden van een

woest, bergachtig landschap, waarvan de indruk nog verhoogd wordt door

de onstuimig bruisende rivier, die zich, kokend en schuimend, een weg

baant door de rotsengte van Taphis. Aan den voet der ruïne liggen de

armelijke hutten van een akelig dorp verspreid. Hier bloeide eens het

oude Talmis, onder de hoede van zijn beschermgod Mandou-Ra, zoon van

Horus en Isis.—De tempel van Dandoer werd onder Augustus gebouwd: de

bloeitijd der kunst was voorbij; en het beste wat de ruïne heeft is wel

hare schilderachtige ligging op eene rots boven den Nijl.

Eenige uren ten zuiden van Dendoer ligt het dorp Djerf-Hoessein, waar

een zeer merkwaardige tempel gevonden wordt: een zoogenoemde

hemispheos, dat is een half in de rots uitgehouwen tempel. Een breede,

zeer vervallen trap, vroeger met sphinxen en beelden versierd, voert

naar den voorhof, die tegen den berg is aangebouwd, en mede in zeer

bouwvalligen toestand verkeert. Deze voorhof is misschien uit den tijd

van Ramses III: maar de tempelzalen zelven, in de rots uitgehouwen,

zijn zeer zeker van veel ouder dagteekening, zoo als door het ruwe en

plompe der beeldwerken bewezen wordt. De zoldering der eerste en

grootste zaal wordt gedragen door ontzettende, bij de dertig voet hooge

kolossen, die met den rug tegen ware vierkante pilaren rusten; in de

muren zijn nissen uitgehouwen, die met grof bewerkte beelden prijken.

Beelden en muren en pilaren zijn allen met een zwarte tint overtogen:

het gevolg van het vuur, dat misschien eeuwen aan eeuwen in dezen aan

Phta gewijden tempel werd onderhouden; en niets kan een denkbeeld geven

van de fantastische spookachtige uitwerking der fakkels en toortsen op

deze wonderlijke duistere gestalten, die u van alle zijden omringen. De

andere zalen en vertrekken zijn bevolkt met nachtvogels en slangen, die

hier en daar glimmende sporen op de vochtige steenen hadden

achtergelaten. Wij gevoelden geen lust in deze nachtelijke duisternis

verder door te dringen, en keerden naar onze boot terug.

Langzaam, zeer langzaam gaat de reis voort, en dit, gevoegd bij de

steeds toenemende hitte en het treurig sombere voorkomen der streek,

maakte ons in het eind zwaarmoedig. Hier en daar een bijna geheel

verwoeste bouwval; geen bergen meer, maar opeenhoopingen van verkalkte

rotsen, door den tijd of door de werking der zonnestralen gebarsten en

gescheurd, en uren ver den grond in wilde wanorde bedekkende; rondom

ons niets dan gloeiend zand; de woestijn raakte tot aan den oever; de

dorpen worden schaarscher en de menschen onhandelbaarder. Dicht bij de

bouwvallen van Seboeah zagen wij ons door hardnekkigen tegenwind

gedwongen, van onzen firman gebruik te maken: maar toen wij in een

aangrenzend gehucht lieden wilden pressen om onze bark te helpen

trekken, geraakte de gansche bevolking in opstand. In groote spanning

verwachtten wij reeds langen tijd de terugkomst van den reis en van den

kawas; toen eensklaps een geweerschot viel. Dadelijk gaven wij bevel

met de boot aan te leggen, en stegen aan land, gevolgd door een deel

der bemanning, ten einde de onzen bij te staan. Zij naderden reeds,

gevolgd door een luid tierende menigte, die evenwel op het gezicht van

ons geleide terugweek, maar voortging met schreeuwen, terwijl de

gillende stemmen der vrouwen boven alles uitklonken. In de eerste

verrassing hadden wij niet gezien, dat onze lieden een gevangene mede

voerden, en nog wel den sjeikh in eigen persoon: onze kalme en tevens

verzoenende houding was evenwel van invloed op deze wilde

natuurkinderen; en daar het schot, dat, zoo als men zeide, bij ongeluk

was afgegaan, niemand had gekwetst, werd de vrede spoedig hersteld.

Koffie en eenige sigaren herschiepen de oproerigsten weldra in onze

beste vrienden. De sjeikh zelf hielp meê trekken en de bark ging lustig

vooruit: dat was al wat wij wenschten. Van toen af vonden wij de

bevolking overal bereidwillig; vooruitgezonden loopers verwittigden de

dorpen van onze nadering, en ten bepaalden tijde vonden wij onze

versche manschappen gereed.

Telkens werd onze voortgang gestuit door rotsen, die tot de oppervlakte

des waters reikten, en ook door steenen dammen, die sedert Philae

gedurig onze aandacht getrokken hadden. Op deze dammen zijn dan sakiëhs

geplaatst, dat zijn zeer eenvoudige toestellen, niet ongelijk aan de

schepraderen van baggerschuiten of watermolens, en bestemd om het water

uit de rivier op te voeren, ter besproeiing der hooge landerijen. In

Nubië zijn deze sakiëhs van reusachtigen omvang: zij gelijken bijna op

bolwerken, met platformen van palmhout. Op deze hooge terrassen zit,

boven op een breeden balk, een man die de ossen of buffels moet

besturen, welke het rad in beweging brengen; daar, half droomend zijne

dieren aandrijvend, geniet hij al de zaligheden van een echt

oosterschen kiëff, siësta, of zingt halfluid een zijner wonderlijke

nationale liederen.

Wij hielden twee dagen rust te Korosko, een armzalig, maar druk bezocht

dorp, van waar de karavanen vertrekken, die door de woestijn van Atmoer

naar Khartoem gaan. Dit oponthoud, louter een gevolg van de gemakzucht

onzer matrozen, gaf ons gelegenheid eene nubische bruiloft bij te

wonen. Die van Mahmoed te Loeksor won het in betamelijkheid en

betrekkelijke zindelijkheid: hier dansten en lachten en zongen mannen

en vrouwen door elkander, te midden van eene onbeschrijfelijke

onreinheid van stof, geschreeuw en duisternis. Een groote, welgebouwde

negerin danste een niet onbevalligen, maar vooral zeer

hartstochtelijken dans, bijgestaan door verschillende groepen van jonge

lieden, die haar met uittartende houdingen steeds naderden. Op het

oogenblik dat de dans het meest geanimeerd was, staken wij eensklaps

bengaalsch vuur af, hetgeen met uitbundig geschreeuw werd begroet,

waarna wij ons verwijderden, den roep van toovenaars achterlatende.

En nu, op! luie matrozen! op, het is tijd! De zon verrijst; de nacht is

koel en verkwikkend geweest; op! aan het werk! Weer zijn de oevers

schilderachtig: loodrechte rotsen, enge bloeiende velden, aan tuinen

gelijk. Te Dheer vindt men in een door Sesostris aan Amun en Phta

gewijden en half in de rots uitgehouwen tempel, zeer goed bewaard

schilderwerk uit den tijd der Ptolomeën, en standbeelden van Isis,

waarvan het gelaat, naar men wil, eene koningin Arsinoë moet

voorstellen. Ginds, in de verte, verrijst de berg van Ipsamboel of

Aboe-Simbel, zoo bekend om zijne tempelgrotten. Reeds sedert vier uren

hebben wij hem in het gezicht; en telkens, bij iedere kronkeling der

rivier, is het alsof hij zich weder verwijdert. Eerst tegen den avond

werpen wij het anker uit bij het dorp Ipsamboel, op den lybischen

oever, tegenover de tempels gelegen. De ondergaande zon verlicht met

hare schuine stralen de kolossen en reusachtige friezen dezer

wondervolle gebouwen, eenig in hunne soort, door menschenhanden in het

graniet uitgehouwen, en die eerst zullen vergaan wanneer de gedaante

der wereld veranderen zal.

Voor den ingang van den grooten tempel, die vier-en-veertig ellen breed

en drie-en-veertig ellen hoog is, zitten, tegen den bergwand geleund,

vier reusachtige standbeelden, niet minder dan zeven-en-twintig ellen

hoog. Zij zijn grootendeels onder het zand bedolven, dat bij het eene

beeld tot zelfs aan de schouders reikt; ook heeft een der kolossen zijn

hoofd verloren, dat door een afgevallen rotsklomp gedeeltelijk

verbrijzeld is. Toch maken deze vier reuzenbeelden, die, wat de

kolossale afmetingen betreft, zelfs te Thebe geen wedergade vinden, een

wonderbaren en onuitsprekelijken indruk. Hoe kalm zitten zij daar, de

handen op de knieën uitgestrekt, met de kroon op het hoofd, het fijn

gevormde, half glimlachende gelaat naar den stroom gekeerd, in wiens

geelachtige wateren zij zich reeds sedert meer dan dertig eeuwen

spiegelen. Geheimzinnige gestalten, als voor de eeuwigheid geschapen,

onverwoestbaar als het graniet, waaruit zij gehouwen zijn! Eene

vijf-en-twintig voet hooge deur voert in de voorhal, waarvan de

zoldering op pilaren rust, waartegen wederom kolossale beelden van

Osiris, met de armen over de borst gekruist, leunen. Uit deze groote

zaal komt men, door twee kleinere, in het eigenlijke heiligdom, kenbaar

aan vier zittende kolossale godenbeelden. Behalve deze zijn er nog vele

nevenzalen en vertrekken, in het geheel veertien, allen in de rots

uitgehouwen. De wanden dezer zalen zijn met gekleurde bas-reliefs

bedekt: voorstellingen uit den krijg, door de Egyptenaren tegen een

vreemd, door kleur en kleeding van hen onderscheiden volk gevoerd. Wij

zien hier den koning, aan zijne hooge gestalte boven de anderen

kenbaar, op zijn strijdwagen zijne krijgers aanvoerend; andere wagens

volgen hem; de boogschutters beschieten met hunne pijlen een burcht,

waarvan de verdedigers deels reeds getroffen zijn en nederstorten,

deels op hunne knieën vallend genade afsmeeken, deels in allerijl

wegvlieden. Op een ander tafreel treedt de overwinnaar over de lijken

der verslagenen voort, en worden hem de krijgsgevangenen te gemoet

gevoerd. Op deze tafreelen hebben de Egyptenaars, even als op

soortgelijken in Egypte zelf, eene roodachtig bruine kleur. Het

overwonnen volk is geel van kleur; onder de gevangenen zijn evenwel

donkerbruine en zwarte figuren. Ook de goden zijn aan hunne kleur

kenbaar: zij zijn blauw, grijs, roodachtig en geel.

De tweede, kleinere rotstempel is van buiten versierd met zes kolossale

staande figuren, ter wederzijde der deur eene godin tusschen twee

goden: deze beelden zijn echter niet zoo vrij als de zittende kolossen

van den hoofdtempel: het zijn meer hoog-reliefs. Ook hier is weder eene

voorhal en verschillende nevenvertrekken, allen met beeldwerken

voorzien. Deze tempel is aan Hator gewijd, zooals de groote aan Amun en

Phta. De stichter dezer reusachtige werken, de machtige heerscher,

wiens zegepralen op de wanden verheerlijkt zijn, was gewis geen ander

dan de groote Ramses-Sesostris, van wiens veroveringstochten de oudheid

zoo veel te verhalen weet, en wiens naam door Champollion onder de

hiëroglyphen-opschriften van dezen tempel werd gevonden.

Te Ipsamboel maakten wij kennis met een zeer beleefden kâsjef, zoo veel

als onderprofect. Deze man verliet ons bijna nooit. Dadelijk na onze

aankomst kwam hij ons verwelkomen; den geheelen dag door rookte hij

onze sigaren en dronk hij onze koffie, hierin trouw nagevolgd door eene

gansche schaar van inboorlingen, die tot zijn gevolg behoorden. Toen

het avond werd bleef de kâsjef zitten, en wij moesten, welstaanshalve,

hem ten eten vragen. Hij ging eerst laat weg, en den volgenden morgen,

met het krieken van den dag, stond hij weer voor ons, door nog

meerderen gevolgd dan gister. De gansche troep ontbeet van onzen

voorraad, ditmaal zonder uitnoodiging af te wachten; de bark werd bijna

leeggeplunderd. Eindelijk vertrokken wij; de kâsjef wandelde treurig

aan den oever mede, en riep ons nog toe, als om ons te waarschuwen:

„Allah behoede u voor den khamsîn!”

De ongeluksprofeet! Nauwelijks had hij ons verlaten, of plotseling

steeg de thermometer tot twee-en-veertig graden. Dadelijk overviel ons

een gevoel of wij stikken zouden: de lucht, het schip, onze longen:

alles in één woord is in een oogenblik gevuld met een brandend en

onzichtbaar stof. Onze matrozen liggen roerloos op het dek; de lieden

van het land weigeren ons schip voort te trekken. Eerst tegen den avond

gelukt het ons, met veel moeite, Kosko te bereiken, waar wij

overnachten. De khamsîn had ons, in het voorbijgaan slechts, beroerd:

de geweldige vuuradem, die de brandende zandwolk voor zich uitdrijft,

en de karavanen in de woestijn ademloos versmachten en sterven doet.

Den volgenden morgen, nog nauwelijks van onze benauwdheid bekomen,

zetten wij onze reis voort tusschen zandige onbewoonde oevers, door

wilde ruwe rotsmassa’s afgewisseld. De berg van Quadi-Alfa vertoont

zich van verre op den lybischen oever, te midden van eene gele vlakte;

de tegenoverliggende oever prijkt weder, voor een oogenblik, met al de

weelderigheid eener tropische vegetatie. Wij naderen Quadi-Alfa, en

moeten nu de heerlijke heirbaan verlaten, die ons sedert twaalf weken

zoo onmerkbaar zacht heeft gedragen: de tweede katarakt, veel

ongenaakbaarder dan de eerste, belet ons verder voort te gaan. Wij

stappen aan land en wandelen een poos voort langs den wilden, eenzamen

oever; zoo ver het oog reikt, strekt zich de bleekgele, vlakke woestijn

uit, hier en daar met witte plekken geteekend, die de plaats aanduiden

waar een of ander ongelukkige reiziger, door den khamsîn verrast, met

zijne dromedaris is bezweken en door de jakhalzen verslonden. De

uitgebleekte beenderen schitteren als elpenbeen in het zonlicht, tot

zij tot stof zijn vergaan en met het zand der woestijn vermengd.

Na een vermoeienden tocht van twee à drie uren bereiken wij een heuvel,

van waar wij den geheelen val kunnen overzien. Het is een ontzettend

gezicht; minder schoon dan de eerste katarakt bij Philae, maar

ernstiger, minder majestueus, maar grootscher. Met lage golvingen daalt

de grond af in eene vallei, die misschien twintig mijlen breed is, en

het beeld eener volkomen verwoesting vertoont. Ordelooze hoopen zwarte

rotsen, sommigen met schraal gewas bedekt, verdeelen den Nijl in

duizend wilde, kokende beken, waarvan geen enkele bevaarbaar is. Het

water schuimt, bruist, ziedt, en dringt onstuimig voort tusschen deze

dooreengeworpen steenmassa’s: het is een wilde baaierd, een woestijn

van rots en water, waar geen boot zich wagen durft.

Hier eindigde onze tocht. Wel liggen ginds nog enkele ruïnen verspreid;

wel vindt men ook nog daar de sporen der oude beschaving, de sporen der

Pharao’s; wel schemert daar ginds, in de verte, de herinnering aan den

priesterstaat Meroë: maar toch, hier is de grens der eigenlijke

cultuur. Daar ginds, zuid- en oostwaarts heen, heerscht, sinds eeuwen

en misschien nog voor eeuwen, de barbaarschheid; daar ligt eene andere

wereld, waarvan de sluier nog maar half is opgelicht. Maar terwijl ik

op dezen woesten heuvel stond en het eenzame landschap overzag, keerde

ik mijn blik nog eens naar het noorden: en weder verrees daar voor mijn

geest het beeld van dat wondervol verleden, waarvan ik de

gedenkteekenen had aanschouwd. Welk eene geschiedenis, zich verliezende

in de morgenschemering der wereld: de geschiedenis van een volk, dat

mede zijn stempel heeft gedrukt op de beschaving van geheel het Westen;

een volk, dat op het toppunt stond van macht en heerlijkheid, toen onze

voorvaderen omdoolden op de bergen en door de wouden van Azië, en met

de wilde dieren kampten om den buit. Herroept ze voor uwe verbeelding,

die nu begraven koningssteden, zich spiegelende in de wateren van den

heiligen vloed; die prachtige tempels, door wier ruïnen ge nog in

verrukking omdwaalt; die in de rotsen gehouwen graven, waar de dooden

nog schenen voort te leven, zoolang hun lichaam voor het verderf was

bewaard! Welke beelden dagen op uit het verleden. De Pharao’s,

heerschende over millioenen slaven, hunne onverdelgbare tempels en

pyramiden stichtend, en hunne zegevierende wapenen tot diep in Azië

voerend; de nomadenstammen der Hyksos het oude erfland der beschaving

overstroomende; Mozes, aan het hoofd der kinderen Israëls optrekkende,

om aan de grenzen van Egypte een nieuwen staat te gronden; dan de

Perzen, de Grieken, de Romeinen; Cambyses, Alexander, Caesar; dan de

Arabieren, de Mammelukken, de Turken:—stroomen van veroveraars, eeuwen

en eeuwen achtereen, verwoestend heenstormende over dit ongelukkige

land. Isis en Osiris wijkende voor het Evangelie, dat straks weder

verdrongen wordt door den noodlottigen Islam, onder wiens looden

schepter alle leven kwijnt en sterft.—Eene geschiedenis van meer dan

veertig eeuwen ontrolt zich voor den verbijsterden blik: een bont,

afwisselend geweldig drama, waarvan de ontknooping nog altijd wordt

verwacht. Zal dat Egypte uit zijn slaap ontwaken; zal ook hier het

Kruis zegevieren over de verbleekte halve maan, en het Evangelie nog

eens, als een adem des levens, deze dorre doodsbeenderen bezielen, als

in de dagen van ouds? Wie zal op deze vragen antwoorden? Genoeg: wij

weten de uitkomst is gewis, de eindelijke zegepraal is beslist; maar,

voor den Eeuwige zijn duizend jaar als een dag, en die gelooven haasten

niet.

Langs den Nijl: Herinneringen eener reis in Egypte De Aarde en haar volken, 1868 · 第 9 / 10 题