In Nubië—Kalabsjeh.—Ipsamboel—De katarakten van Ouadi-Alfa.—Slot.
Sedert gisteren zijn wij in Nubië: maar aan niets bespeuren wij het,
dat wij niet meer in Egypte zijn; slechts de plantengroei, die de
smalle strooken ter wederzijde van den Nijl aan den voet der steile
rotsgebergten siert, is wellicht nog rijker en weelderiger. Aan den
lybischen oever hangt deze groene zoom letterlijk als een fluweel en
franje aan de vaalkleurige bergwanden. ’t Is een opeenvolging van
allerlei gezichten: hier volgt een lange karavane den hoogen
slingerenden weg; elders zijn de rotsen gekroond door een groot somber
klooster, welks wijduitgestrekte muren rijzen en dalen naarmate de berg
zich verheft; ginds wederom is het eene oude, verlaten moskee,
halverwege de berghelling gebouwd, waar de omwonende bevolking
samenstroomt ten gebede. En voorts, overal bouwvallen uit den tijd der
Pharaonen. Hebt ge eene of andere uitstekende steile rots beklommen,
dan ziet ge, geheel aan den gezichteinder, te midden van een doolhof
van bergen, kolommen oprijzen, door de avondzon met purperen glansen
getooid: ligt daar eene of andere geheimzinnige stad, nog door geen
vreemdeling betreden? Hoe het zij: niemand wist mij te zeggen hoe de
plek heette, waar die zuilen verrezen, en niemand wist ook den weg
derwaarts te wijzen.
De Kreeftskeerkring welft zich boven onze hoofden, en zendt ons haar
vurigen adem naar beneden. Het is stikkend heet; geen windje koelt de
brandende lucht af, en slechts de onmiddellijke nabijheid van het water
geeft eenige verfrissching. Aan deze buitensporige hitte bemerken wij
het toch, dat wij niet langer in Egypte zijn, maar de tropische
gewesten van Nubië hebben bereikt. Hier wordt geen arabisch meer
gesproken; en onze teleurgestelde drogman moet zijne stille winstjes
afstaan aan een der matrozen, die de taal van het land verstaat. De
Nubiërs, over het algemeen zachtzinnig van aard, zien er evenwel vrij
krijgshaftig uit; de met een riem om hun arm gebonden dolk, de boog van
ijzerhout, en het schild van krokodillenvel, moeten hunne vrijheid
beschermen; de egyptische regeering moet steeds tot geweld hare
toevlucht nemen, als zij van deze onderdanen iets verkrijgen wil. Als
ijverige landbouwers betwisten zij aan den stroom iederen duim van het
vruchtbare slib, dat hij, bij zijn dalen, achterlaat en dat vier
achtereenvolgende oogsten draagt. Meen echter niet dat men hier den
grond bebouwt: men strooit eenvoudig het zaad in kleine ondiepe gaten,
en de natuur doet het overige. Een zoo zacht en warm klimaat ontslaat
de Nubiërs van de moeite om zich te kleeden: zeer dikwijls hebben zij
niets aan hun lichaam dan alleen hunne wapenen; anderen slaan eenvoudig
een doek om de heupen of een witten mantel over de schouders. De
vrouwen dragen allerzonderlingste kostumes, meestal zeer eenvoudig; zij
verwen zich de lippen en vlechten hare hairen in een groot aantal
kleine tressen, die zij juist niet alle dagen op nieuw opmaken. De
Nubiërs zijn een krachtig en fraai gebouwd menschenras, donker
bronskleurig en met zwaar krullend haar. De dorpen, die doorgaans dicht
aan elkander grenzen, bestaan meestal uit een vijftien of twintigtal
hutten, met een plat dak van palmbladen; voor de hutten staan dikwijls
groote aarden kruiken, waarin het koren bewaard wordt.
In Nubië vindt men bouwvallen uit allerlei tijden en sporen der
vereering van alle goden der oude wereld. In den omtrek van Philae
heerschen Isis en Osiris; evenzoo vindt men te Deboet en te Gertassi de
overblijfselen van tempels aan Isis gewijd. Maar veel belangrijker dan
de ruïnen van Deboet en Gertassi zijn die te Kelabsjeh, wellicht de
schoonsten van geheel Nubië. Te midden van eerwaardige sykomoren
verheffen zich groote steenhoopen, als hadde de naburige berg zijn
schoot geopend en uitgestort over de enge vlakte. Een prachtige
heirbaan van gehouwen steenen voert van den Nijl naar een grooten
pyloon. Achter de uitgestrekte, maar ter aarde gestorte propylaeën
verrijst nog, met zijne poorten en zijmuren, de voorgevel van den
pronaos, geheel bedekt met beeldwerk, waarin de zonneschijf vooral het
oog trekt. In den tempel zelf schittert veelkleurig schilderwerk;
rondom het heiligdom scharen zich zalen en kamers, trappen en
galerijen, die echter meest allen in puin verkeerd zijn. Een dubbele
omwalling van kolossale steenblokken omgeeft, als een reuzengordel,
geheel den tempel. Deze grootsche bouwval verrijst te midden van een
woest, bergachtig landschap, waarvan de indruk nog verhoogd wordt door
de onstuimig bruisende rivier, die zich, kokend en schuimend, een weg
baant door de rotsengte van Taphis. Aan den voet der ruïne liggen de
armelijke hutten van een akelig dorp verspreid. Hier bloeide eens het
oude Talmis, onder de hoede van zijn beschermgod Mandou-Ra, zoon van
Horus en Isis.—De tempel van Dandoer werd onder Augustus gebouwd: de
bloeitijd der kunst was voorbij; en het beste wat de ruïne heeft is wel
hare schilderachtige ligging op eene rots boven den Nijl.
Eenige uren ten zuiden van Dendoer ligt het dorp Djerf-Hoessein, waar
een zeer merkwaardige tempel gevonden wordt: een zoogenoemde
hemispheos, dat is een half in de rots uitgehouwen tempel. Een breede,
zeer vervallen trap, vroeger met sphinxen en beelden versierd, voert
naar den voorhof, die tegen den berg is aangebouwd, en mede in zeer
bouwvalligen toestand verkeert. Deze voorhof is misschien uit den tijd
van Ramses III: maar de tempelzalen zelven, in de rots uitgehouwen,
zijn zeer zeker van veel ouder dagteekening, zoo als door het ruwe en
plompe der beeldwerken bewezen wordt. De zoldering der eerste en
grootste zaal wordt gedragen door ontzettende, bij de dertig voet hooge
kolossen, die met den rug tegen ware vierkante pilaren rusten; in de
muren zijn nissen uitgehouwen, die met grof bewerkte beelden prijken.
Beelden en muren en pilaren zijn allen met een zwarte tint overtogen:
het gevolg van het vuur, dat misschien eeuwen aan eeuwen in dezen aan
Phta gewijden tempel werd onderhouden; en niets kan een denkbeeld geven
van de fantastische spookachtige uitwerking der fakkels en toortsen op
deze wonderlijke duistere gestalten, die u van alle zijden omringen. De
andere zalen en vertrekken zijn bevolkt met nachtvogels en slangen, die
hier en daar glimmende sporen op de vochtige steenen hadden
achtergelaten. Wij gevoelden geen lust in deze nachtelijke duisternis
verder door te dringen, en keerden naar onze boot terug.
Langzaam, zeer langzaam gaat de reis voort, en dit, gevoegd bij de
steeds toenemende hitte en het treurig sombere voorkomen der streek,
maakte ons in het eind zwaarmoedig. Hier en daar een bijna geheel
verwoeste bouwval; geen bergen meer, maar opeenhoopingen van verkalkte
rotsen, door den tijd of door de werking der zonnestralen gebarsten en
gescheurd, en uren ver den grond in wilde wanorde bedekkende; rondom
ons niets dan gloeiend zand; de woestijn raakte tot aan den oever; de
dorpen worden schaarscher en de menschen onhandelbaarder. Dicht bij de
bouwvallen van Seboeah zagen wij ons door hardnekkigen tegenwind
gedwongen, van onzen firman gebruik te maken: maar toen wij in een
aangrenzend gehucht lieden wilden pressen om onze bark te helpen
trekken, geraakte de gansche bevolking in opstand. In groote spanning
verwachtten wij reeds langen tijd de terugkomst van den reis en van den
kawas; toen eensklaps een geweerschot viel. Dadelijk gaven wij bevel
met de boot aan te leggen, en stegen aan land, gevolgd door een deel
der bemanning, ten einde de onzen bij te staan. Zij naderden reeds,
gevolgd door een luid tierende menigte, die evenwel op het gezicht van
ons geleide terugweek, maar voortging met schreeuwen, terwijl de
gillende stemmen der vrouwen boven alles uitklonken. In de eerste
verrassing hadden wij niet gezien, dat onze lieden een gevangene mede
voerden, en nog wel den sjeikh in eigen persoon: onze kalme en tevens
verzoenende houding was evenwel van invloed op deze wilde
natuurkinderen; en daar het schot, dat, zoo als men zeide, bij ongeluk
was afgegaan, niemand had gekwetst, werd de vrede spoedig hersteld.
Koffie en eenige sigaren herschiepen de oproerigsten weldra in onze
beste vrienden. De sjeikh zelf hielp meê trekken en de bark ging lustig
vooruit: dat was al wat wij wenschten. Van toen af vonden wij de
bevolking overal bereidwillig; vooruitgezonden loopers verwittigden de
dorpen van onze nadering, en ten bepaalden tijde vonden wij onze
versche manschappen gereed.
Telkens werd onze voortgang gestuit door rotsen, die tot de oppervlakte
des waters reikten, en ook door steenen dammen, die sedert Philae
gedurig onze aandacht getrokken hadden. Op deze dammen zijn dan sakiëhs
geplaatst, dat zijn zeer eenvoudige toestellen, niet ongelijk aan de
schepraderen van baggerschuiten of watermolens, en bestemd om het water
uit de rivier op te voeren, ter besproeiing der hooge landerijen. In
Nubië zijn deze sakiëhs van reusachtigen omvang: zij gelijken bijna op
bolwerken, met platformen van palmhout. Op deze hooge terrassen zit,
boven op een breeden balk, een man die de ossen of buffels moet
besturen, welke het rad in beweging brengen; daar, half droomend zijne
dieren aandrijvend, geniet hij al de zaligheden van een echt
oosterschen kiëff, siësta, of zingt halfluid een zijner wonderlijke
nationale liederen.
Wij hielden twee dagen rust te Korosko, een armzalig, maar druk bezocht
dorp, van waar de karavanen vertrekken, die door de woestijn van Atmoer
naar Khartoem gaan. Dit oponthoud, louter een gevolg van de gemakzucht
onzer matrozen, gaf ons gelegenheid eene nubische bruiloft bij te
wonen. Die van Mahmoed te Loeksor won het in betamelijkheid en
betrekkelijke zindelijkheid: hier dansten en lachten en zongen mannen
en vrouwen door elkander, te midden van eene onbeschrijfelijke
onreinheid van stof, geschreeuw en duisternis. Een groote, welgebouwde
negerin danste een niet onbevalligen, maar vooral zeer
hartstochtelijken dans, bijgestaan door verschillende groepen van jonge
lieden, die haar met uittartende houdingen steeds naderden. Op het
oogenblik dat de dans het meest geanimeerd was, staken wij eensklaps
bengaalsch vuur af, hetgeen met uitbundig geschreeuw werd begroet,
waarna wij ons verwijderden, den roep van toovenaars achterlatende.
En nu, op! luie matrozen! op, het is tijd! De zon verrijst; de nacht is
koel en verkwikkend geweest; op! aan het werk! Weer zijn de oevers
schilderachtig: loodrechte rotsen, enge bloeiende velden, aan tuinen
gelijk. Te Dheer vindt men in een door Sesostris aan Amun en Phta
gewijden en half in de rots uitgehouwen tempel, zeer goed bewaard
schilderwerk uit den tijd der Ptolomeën, en standbeelden van Isis,
waarvan het gelaat, naar men wil, eene koningin Arsinoë moet
voorstellen. Ginds, in de verte, verrijst de berg van Ipsamboel of
Aboe-Simbel, zoo bekend om zijne tempelgrotten. Reeds sedert vier uren
hebben wij hem in het gezicht; en telkens, bij iedere kronkeling der
rivier, is het alsof hij zich weder verwijdert. Eerst tegen den avond
werpen wij het anker uit bij het dorp Ipsamboel, op den lybischen
oever, tegenover de tempels gelegen. De ondergaande zon verlicht met
hare schuine stralen de kolossen en reusachtige friezen dezer
wondervolle gebouwen, eenig in hunne soort, door menschenhanden in het
graniet uitgehouwen, en die eerst zullen vergaan wanneer de gedaante
der wereld veranderen zal.
Voor den ingang van den grooten tempel, die vier-en-veertig ellen breed
en drie-en-veertig ellen hoog is, zitten, tegen den bergwand geleund,
vier reusachtige standbeelden, niet minder dan zeven-en-twintig ellen
hoog. Zij zijn grootendeels onder het zand bedolven, dat bij het eene
beeld tot zelfs aan de schouders reikt; ook heeft een der kolossen zijn
hoofd verloren, dat door een afgevallen rotsklomp gedeeltelijk
verbrijzeld is. Toch maken deze vier reuzenbeelden, die, wat de
kolossale afmetingen betreft, zelfs te Thebe geen wedergade vinden, een
wonderbaren en onuitsprekelijken indruk. Hoe kalm zitten zij daar, de
handen op de knieën uitgestrekt, met de kroon op het hoofd, het fijn
gevormde, half glimlachende gelaat naar den stroom gekeerd, in wiens
geelachtige wateren zij zich reeds sedert meer dan dertig eeuwen
spiegelen. Geheimzinnige gestalten, als voor de eeuwigheid geschapen,
onverwoestbaar als het graniet, waaruit zij gehouwen zijn! Eene
vijf-en-twintig voet hooge deur voert in de voorhal, waarvan de
zoldering op pilaren rust, waartegen wederom kolossale beelden van
Osiris, met de armen over de borst gekruist, leunen. Uit deze groote
zaal komt men, door twee kleinere, in het eigenlijke heiligdom, kenbaar
aan vier zittende kolossale godenbeelden. Behalve deze zijn er nog vele
nevenzalen en vertrekken, in het geheel veertien, allen in de rots
uitgehouwen. De wanden dezer zalen zijn met gekleurde bas-reliefs
bedekt: voorstellingen uit den krijg, door de Egyptenaren tegen een
vreemd, door kleur en kleeding van hen onderscheiden volk gevoerd. Wij
zien hier den koning, aan zijne hooge gestalte boven de anderen
kenbaar, op zijn strijdwagen zijne krijgers aanvoerend; andere wagens
volgen hem; de boogschutters beschieten met hunne pijlen een burcht,
waarvan de verdedigers deels reeds getroffen zijn en nederstorten,
deels op hunne knieën vallend genade afsmeeken, deels in allerijl
wegvlieden. Op een ander tafreel treedt de overwinnaar over de lijken
der verslagenen voort, en worden hem de krijgsgevangenen te gemoet
gevoerd. Op deze tafreelen hebben de Egyptenaars, even als op
soortgelijken in Egypte zelf, eene roodachtig bruine kleur. Het
overwonnen volk is geel van kleur; onder de gevangenen zijn evenwel
donkerbruine en zwarte figuren. Ook de goden zijn aan hunne kleur
kenbaar: zij zijn blauw, grijs, roodachtig en geel.
De tweede, kleinere rotstempel is van buiten versierd met zes kolossale
staande figuren, ter wederzijde der deur eene godin tusschen twee
goden: deze beelden zijn echter niet zoo vrij als de zittende kolossen
van den hoofdtempel: het zijn meer hoog-reliefs. Ook hier is weder eene
voorhal en verschillende nevenvertrekken, allen met beeldwerken
voorzien. Deze tempel is aan Hator gewijd, zooals de groote aan Amun en
Phta. De stichter dezer reusachtige werken, de machtige heerscher,
wiens zegepralen op de wanden verheerlijkt zijn, was gewis geen ander
dan de groote Ramses-Sesostris, van wiens veroveringstochten de oudheid
zoo veel te verhalen weet, en wiens naam door Champollion onder de
hiëroglyphen-opschriften van dezen tempel werd gevonden.
Te Ipsamboel maakten wij kennis met een zeer beleefden kâsjef, zoo veel
als onderprofect. Deze man verliet ons bijna nooit. Dadelijk na onze
aankomst kwam hij ons verwelkomen; den geheelen dag door rookte hij
onze sigaren en dronk hij onze koffie, hierin trouw nagevolgd door eene
gansche schaar van inboorlingen, die tot zijn gevolg behoorden. Toen
het avond werd bleef de kâsjef zitten, en wij moesten, welstaanshalve,
hem ten eten vragen. Hij ging eerst laat weg, en den volgenden morgen,
met het krieken van den dag, stond hij weer voor ons, door nog
meerderen gevolgd dan gister. De gansche troep ontbeet van onzen
voorraad, ditmaal zonder uitnoodiging af te wachten; de bark werd bijna
leeggeplunderd. Eindelijk vertrokken wij; de kâsjef wandelde treurig
aan den oever mede, en riep ons nog toe, als om ons te waarschuwen:
„Allah behoede u voor den khamsîn!”
De ongeluksprofeet! Nauwelijks had hij ons verlaten, of plotseling
steeg de thermometer tot twee-en-veertig graden. Dadelijk overviel ons
een gevoel of wij stikken zouden: de lucht, het schip, onze longen:
alles in één woord is in een oogenblik gevuld met een brandend en
onzichtbaar stof. Onze matrozen liggen roerloos op het dek; de lieden
van het land weigeren ons schip voort te trekken. Eerst tegen den avond
gelukt het ons, met veel moeite, Kosko te bereiken, waar wij
overnachten. De khamsîn had ons, in het voorbijgaan slechts, beroerd:
de geweldige vuuradem, die de brandende zandwolk voor zich uitdrijft,
en de karavanen in de woestijn ademloos versmachten en sterven doet.
Den volgenden morgen, nog nauwelijks van onze benauwdheid bekomen,
zetten wij onze reis voort tusschen zandige onbewoonde oevers, door
wilde ruwe rotsmassa’s afgewisseld. De berg van Quadi-Alfa vertoont
zich van verre op den lybischen oever, te midden van eene gele vlakte;
de tegenoverliggende oever prijkt weder, voor een oogenblik, met al de
weelderigheid eener tropische vegetatie. Wij naderen Quadi-Alfa, en
moeten nu de heerlijke heirbaan verlaten, die ons sedert twaalf weken
zoo onmerkbaar zacht heeft gedragen: de tweede katarakt, veel
ongenaakbaarder dan de eerste, belet ons verder voort te gaan. Wij
stappen aan land en wandelen een poos voort langs den wilden, eenzamen
oever; zoo ver het oog reikt, strekt zich de bleekgele, vlakke woestijn
uit, hier en daar met witte plekken geteekend, die de plaats aanduiden
waar een of ander ongelukkige reiziger, door den khamsîn verrast, met
zijne dromedaris is bezweken en door de jakhalzen verslonden. De
uitgebleekte beenderen schitteren als elpenbeen in het zonlicht, tot
zij tot stof zijn vergaan en met het zand der woestijn vermengd.
Na een vermoeienden tocht van twee à drie uren bereiken wij een heuvel,
van waar wij den geheelen val kunnen overzien. Het is een ontzettend
gezicht; minder schoon dan de eerste katarakt bij Philae, maar
ernstiger, minder majestueus, maar grootscher. Met lage golvingen daalt
de grond af in eene vallei, die misschien twintig mijlen breed is, en
het beeld eener volkomen verwoesting vertoont. Ordelooze hoopen zwarte
rotsen, sommigen met schraal gewas bedekt, verdeelen den Nijl in
duizend wilde, kokende beken, waarvan geen enkele bevaarbaar is. Het
water schuimt, bruist, ziedt, en dringt onstuimig voort tusschen deze
dooreengeworpen steenmassa’s: het is een wilde baaierd, een woestijn
van rots en water, waar geen boot zich wagen durft.
Hier eindigde onze tocht. Wel liggen ginds nog enkele ruïnen verspreid;
wel vindt men ook nog daar de sporen der oude beschaving, de sporen der
Pharao’s; wel schemert daar ginds, in de verte, de herinnering aan den
priesterstaat Meroë: maar toch, hier is de grens der eigenlijke
cultuur. Daar ginds, zuid- en oostwaarts heen, heerscht, sinds eeuwen
en misschien nog voor eeuwen, de barbaarschheid; daar ligt eene andere
wereld, waarvan de sluier nog maar half is opgelicht. Maar terwijl ik
op dezen woesten heuvel stond en het eenzame landschap overzag, keerde
ik mijn blik nog eens naar het noorden: en weder verrees daar voor mijn
geest het beeld van dat wondervol verleden, waarvan ik de
gedenkteekenen had aanschouwd. Welk eene geschiedenis, zich verliezende
in de morgenschemering der wereld: de geschiedenis van een volk, dat
mede zijn stempel heeft gedrukt op de beschaving van geheel het Westen;
een volk, dat op het toppunt stond van macht en heerlijkheid, toen onze
voorvaderen omdoolden op de bergen en door de wouden van Azië, en met
de wilde dieren kampten om den buit. Herroept ze voor uwe verbeelding,
die nu begraven koningssteden, zich spiegelende in de wateren van den
heiligen vloed; die prachtige tempels, door wier ruïnen ge nog in
verrukking omdwaalt; die in de rotsen gehouwen graven, waar de dooden
nog schenen voort te leven, zoolang hun lichaam voor het verderf was
bewaard! Welke beelden dagen op uit het verleden. De Pharao’s,
heerschende over millioenen slaven, hunne onverdelgbare tempels en
pyramiden stichtend, en hunne zegevierende wapenen tot diep in Azië
voerend; de nomadenstammen der Hyksos het oude erfland der beschaving
overstroomende; Mozes, aan het hoofd der kinderen Israëls optrekkende,
om aan de grenzen van Egypte een nieuwen staat te gronden; dan de
Perzen, de Grieken, de Romeinen; Cambyses, Alexander, Caesar; dan de
Arabieren, de Mammelukken, de Turken:—stroomen van veroveraars, eeuwen
en eeuwen achtereen, verwoestend heenstormende over dit ongelukkige
land. Isis en Osiris wijkende voor het Evangelie, dat straks weder
verdrongen wordt door den noodlottigen Islam, onder wiens looden
schepter alle leven kwijnt en sterft.—Eene geschiedenis van meer dan
veertig eeuwen ontrolt zich voor den verbijsterden blik: een bont,
afwisselend geweldig drama, waarvan de ontknooping nog altijd wordt
verwacht. Zal dat Egypte uit zijn slaap ontwaken; zal ook hier het
Kruis zegevieren over de verbleekte halve maan, en het Evangelie nog
eens, als een adem des levens, deze dorre doodsbeenderen bezielen, als
in de dagen van ouds? Wie zal op deze vragen antwoorden? Genoeg: wij
weten de uitkomst is gewis, de eindelijke zegepraal is beslist; maar,
voor den Eeuwige zijn duizend jaar als een dag, en die gelooven haasten
niet.