IV.

Het oude Thebe.—Loeksor.—Karnak.—Medinet-Aboe.—De doodenstad.

Ik heb vier weken te Thebe getoefd, en zou er gaarne maanden gebleven

zijn, om de wonderwereld van nabij te bestudeeren, die zich hier voor

mijn verbaasde blikken ontsloot. En toch, nu ik pogen ga, u den indruk

te schetsen, dien de beschouwing dezer geheel eenige plek op mij

gemaakt heeft, gevoel ik dat mij daartoe de woorden ontbreken. Het was

mij toen, en is mij nog in de herinnering, als had ik omgewandeld door

de puinhoopen eener stad van reuzen, waar alles andere verhoudingen en

afmetingen had, dan waaraan wij gewoon zijn. Wie eenmaal de bouwvallen

van het aloude Tape heeft gezien, vergeet dien aanblik nooit.

Thebe, waarvan de stichting zich in den nacht der vroegste oudheid

verliest, lag in eene wijde vlakte, ter wederzijde door de in een

halven boog terugtredende bergketenen begrensd, en in het midden door

den prachtigen Nijlstroom, die hier ongeveer 1300 voet breed is,

doorsneden. Ten tijde harer heerlijkheid besloeg zij deze gansche

vlakte, van de arabische bergen ten oosten tot de lybische bergen ten

westen; hare lengte van noord tot zuid bedroeg meer dan twee, hare

breedte van oost tot west ongeveer vier uren. De roem dezer reusachtige

metropolis was reeds ten tijde van Homerus tot de Grieken in Ionië

doorgedrongen: immers de dichter van den Ilias laat zijn held Achilles

van Thebe getuigen:

daar zijn de huizen aan schatten rijk;

Honderd poorten heeft zij, en twee honderd gewapende mannen trekken

Uit iedere poort ten strijde, met vele paarden en wagenen.

Thebe’s rijke huizen en honderd poorten zijn sinds lang verdwenen:

slechts eene enkele reusachtige poort, ver oostwaarts heen, bij het

arabische gebergte eenzaam verrijzende, wijst den omtrek der oude muren

aan; maar de kolossale ruïnenheuvels van Karnak en Loeksor op den

rechter, van Querneh en Medinet-Aboe op den linkeroever, zijn nog

zoovele zwijgende getuigen van de wondervolle heerlijkheid der oude

Pharaonenstad. Welk een panorama moet zich ontrold hebben voor het oog

van den reiziger, die, voor drie of vierduizend jaren, uit de woestijn

komende, den rand van de lybische bergketen had bereikt, en van de

hoogte nederzag in het prachtige Nijldal, met steden en vlekken

bezaaid, en op de heerlijke metropolis aan zijn voet. Wat aanblik, toen

het oude Tape daar prijkte in al hare heerlijkheid, met haar tempels en

paleizen, haar zuilenwouden, haar pylonen en obelisken, haar reeksen

van sphinxen en kolossen, haar onoverzienbare menigte van hooge huizen,

hare straten en pleinen, wemelende van eene ontelbare volksmenigte! Dit

alles is sedert eeuwen ondergegaan; en op en tusschen de half in het

zand bedolven puinhoopen der oude prachtgebouwen staan de leemen hutten

der armelijke, door Fellahs en Arabieren bewoonde dorpen verspreid,

wier namen den grooten naam van het onvergelijkelijke Thebe haast

hebben verdrongen. Geen scherper contrast denkbaar bijna, dan tusschen

de ellende en jammer van het heden en de heerlijkheid van vroeger: in

deze wildernis verrees eenmaal de prachtige hoofdstad van een der

merkwaardigste, een der vroegst beschaafde volken der oudheid! Meer dan

eens, wanneer ik des avonds, vermoeid van mijne omzwervingen door deze

ruïnenwereld, naar ons schip was teruggekeerd, en op het dak der hooge

kajuit nederzat; wanneer dan de maan boven het arabische gebergte

verrees en de wijde vlakte, waar de puinen van Thebe sluimeren, met

haar wonderlijk, fantastisch licht overgoot; wanneer dan mijne blikken

in de schemering nogmaals omdwaalden tusschen die zuilenhallen en

pylonen, die obelisken en kolossen, zoo geheimzinnig, zoo spookachtig

schier, oprijzende te midden van boomgroepen en verspreide hutten;—meer

dan eens, was het mij dan, als zweefden over die vlakte de groote

schimmen der helden en heerschers van den voortijd, van Sethos, en

Ramses, en Sesostris, en Amenhotep, en Menephta, die allen eens de

wereld huns tijds met het gerucht hunner daden hebben vervuld, en hier,

in de groote godsstad, de heilige stad van Amun-Ra, de onverwoestbare

gedenkteekenen hunner grootheid en majesteit hebben achtergelaten.

Wilt ge met mij een blik, zij het ook een vluchtigen blik, op die

gedenkteekenen werpen? Beginnen wij met Loeksor, het zuidelijkste punt

van het oude Thebe, op den rechter of arabischen oever. Dicht aan de

rivier verheffen zich, tusschen de palmen en de armelijke hutten van

het dorp, de indrukwekkende ruïnen van een aan Amun-Ra gewijden tempel,

tevens, als meest, koninklijken burcht. De hoofdingang van dit

tempelpaleis is niet, als anders bijna altijd, naar den Nijl, maar naar

het noorden gekeerd. Door eene laan of straat van sphinxen, waarvan

evenwel slechts enkelen overig zijn, bereikt men de trotsche poort,

voor welker hooge pylonen [2] een prachtige, vijf-en-zeventig voet

hooge obelisk van rozenrood graniet, en vier zittende kolossale beelden

zijn geplaatst. De tegenhanger dezer heerlijk obelisk staat

tegenwoordig op de Place de la Concorde te Parijs. Zijt ge de eerste

pylonenpoort doorgegaan, dan bereikt ge een door dubbele zuilenrijen

omgeven voorhof; en vervolgens, door een smalleren zuilengang, wederom

een pylonenpoort, waarop dan de overige deelen van het tempelgebouw, de

voorhof, de zuilenhal en de binnenzalen en vertrekken, volgen. Deze

laatste gebouwen vormden oorspronkelijk het eigenlijke heiligdom: zij

werden gesticht door Koning Amenhotep (Amenophis) III, van de

achttiende dynastie, die omstreeks 1500 voor Chr. regeerde. Nog staat,

in hiëroglyphenschrift, op de architraven te lezen, dat de Koning, de

Heer der gerechtigheid, de Zoon der Zon, Amenhotep, dezen tempel ter

eere van zijnen vader, den goddelijken Amun-Ra, heeft gebouwd. De

eerste voorhal met de groote pylonen, de beide obelisken en de vier

kolossen, is van later dagteekening; als haar stichter wordt de groote

Ramses (Sesostris) genoemd: „Ramses, de Heer der wereld, de Koning-zon,

de Wachter der waarheid, de Uitverkoorne van Phra, heeft dit gebouw

voltooid ter eere zijns vaders Amun-Ra, en heeft hem deze twee groote

obelisken van steen opgericht voor het Ramesseum, de stad van Amun.”

Toen de tempelburcht van Loeksor nog ongeschonden was, en met zijn

kolossale pylonen, zijne heerlijke obelisken en reuzenbeelden, zijne

zuilenrijen en hoven prijkte, voerde van den hoofdingang een breede

heirbaan naar een ander, nog grooter en prachtiger heiligdom, waarvan

de puinhoopen thans het dorp Karnak dragen. Die heirbaan was misschien

zonder wedergade op de wereld. Ter wederzijde van de breede straat, op

onderlingen afstand van tien voet, lagen op hooge voetstukken, niet

minder dan zeshonderd kolossale sphinxen als wachters van den weg

tusschen de beide heiligdommen. Hoe moet deze prachtige allée er hebben

uitgezien, als de groote processie van Amun daarlangs heen voorttrok!

Van deze sphinxen-allée zijn nu nog maar weinig sporen over: wij

wandelen voort, te midden van half begraven puinen en steenen, over het

groene veld. Ter linkerhand golft de breede Nijl; en welhaast vertoonen

zich voor ons oog de reusachtige bouwvallen van den tempelburcht van

Karnak. Groote pylonen, door Ramses II Meïamun (geliefde van Amun)

gebouwd, vormen den ingang tot een ruimen binnenhof, eens van alle

zijden door hallen omgeven, wier zoldering op zeventig voet hooge

zuilen, allen uit één stuk gehouwen, rustte. Tegenwoordig liggen zij

allen omgestort ter aarde, eene enkele uitgezonderd, die de doodenwacht

op dit slagveld houdt. Door eene tweede poort bereikt ge, langs eenige

trappen, de groote zuilenhal, een der wonderen der egyptische

bouwkunst. Een woud van zuilen, in den vollen zin des woords: en welke

zuilen! De zaal heeft eene lengte van 164, en eene breedte van 320

voet; het steenen dak rust op honderd vier en dertig zuilen. De

middelste doorgang wordt gevormd door twaalf reusachtige zuilen, die

een omvang hebben van 36 voet en eene hoogte van 70 voet; de andere

zuilen zijn 40 voet hoog en hebben een omvang van 27 voet. Het

middengedeelte der hal is alzoo aanmerkelijk hooger dan de zijschepen;

de muren, die dit hoogere dak dragen, zijn met openingen voorzien,

waardoor het licht in de ontzaglijke zaal valt. Doch wat zeggen deze

cijfers? Geen woorden zijn in staat, den overweldigenden indruk te

beschrijven, dien de aanblik dezer zuilenhal op den aanschouwer maakt.

Half verbijsterd bijna doolt ge om door dit woud van zuilen—inderdaad,

ik weet geen beter woord,—waar u aan alle zijden, aan de wanden en de

pilaren, de in half verheven beeldwerk uitgehouwen en met schitterende

kleuren bemaalde beelden van goden en koningen, in bonte mengeling

omgeven; en de grillige hiëroglyphen u alom tergend geheimzinnig

aanstaren. Eene derde kolossale poort leidt naar een smallen binnenhof,

waar twee heerlijke obelisken verrijzen voor eene vierde pylonenpoort,

die eerst den eigenlijken ingang vormt tot de binnenhoven en zalen van

het paleis. Galerijen en zuilenhallen, pylonen, obelisken en kolonnaden

volgen dan elkander op, tot schier aan den voet van het gebergte; maar

al deze heerlijkheid is haast niet meer dan eene wilde puinmassa. In

treurige gepeinzen verdiept, wandelt ge voort over de groene, hobbelige

vlakte, bezaaid met overblijfselen van sphinxen, brokken van zuilen en

kapiteelen; te midden van nog half bewaard gebleven resten van tempels

en hallen en pylonen. De tempelburcht van Karnak was eens het groote

nationale heiligdom, aan Amun-Ra, den koning der Goden, gewijd; hier

troonden eens, in al hunne heerlijkheid, de Pharao’s van de achttiende

en negentiende dynastie, onder wier regeering het egyptische rijk ten

toppunt van zijn macht en luister steeg. Wat is daarvan overgebleven?

Een puinhoop, niets meer.—Verder noordwaarts hadden de Ptolomeën

geheele lanen van sphinxen, kolossen en uitgestrekte propylaeën

gebouwd: van dit alles is niets meer over dan een kolossale pyloon, met

heerlijk beeldhouwwerk versierd. Naar het zuiden, dicht bij den Nijl,

liggen de indrukwekkende puinhoopen van den tempel aan den god Chonsu

gewijd: welke tempel oudtijds door vier pylonen en eene dubbele rij van

sphinxen met de groote zuilenhal van Karnak was verbonden.

Loeksor en Karnak zijn evenwel slechts de helft van het oude Thebe: aan

de overzijde der rivier hebben de oude heerschers niet minder grootsche

monumenten achtergelaten. De ruïnenheuvel van Medinet-Aboe bevat de

overblijfselen van het paleis van Ramses III; wederom eene opeenvolging

van pylonen, zuilenhallen en zalen, overal met beeldwerk en

hiëroglyphen bedekt. Vermoeid van het dolen door deze verwoeste hoven

en kolonnaden, rust uw oog met welgevallen op een kleiner gebouw, twee

verdiepingen hoog, met door karyatiden gedragen balkons versierd: naar

men gist, het paleis der vrouwen van Koning Ramses.

Op korten afstand van Medinet-Aboe ziet ge een bosschage van acacia’s,

waar de bodem overal met puinen van graniet, marmer en zandsteen, met

overblijfselen van zuilen en kapiteelen, is bezaaid. Aan den rand van

dit boschje verheffen zich twee zittende kolossen, zestig voet hoog: de

twee zoogenoemde Memnonsbeelden, waarvan het eene het zingende beeld

heet. Als de zon des morgens boven de arabische bergen verrijst en hare

eerste stralen het beeld treffen, dan placht dit, niet altijd maar

somwijlen, een klagend geluid te laten hooren. Een aantal opschriften,

in het grieksch en latijn, allen dagteekenende uit den tijd der

romeinsche keizers van Nero tot Septimus Severus, leggen getuigenis af

van dit wonderbare gezang. Ook oude schrijvers, van vroegeren tijd,

verhalen van dit zingende beeld. Later schijnt Memnon zijne stem

verloren te hebben. Toch is het, tegenover zoo vele en zoo ernstige

getuigen, moeielijk de waarheid van het feit te loochenen. Dan rijst de

vraag: van waar kwam dat geluid? De Grieken, wier dichterlijke fantazie

hen nooit verlegen liet, hadden een antwoord gereed. Memnon, zoon van

Tithon en van Eos (de dageraad), was koning der Ethiopiërs. Toen zijn

zwager, koning Priamus van Troje, met de Grieken streed, zond hij tot

Memnon om hulp, en bood hem tevens, tot ondersteuning van dat verzoek,

een gouden wijnstok ten geschenke. Memnon, de schoone, heldhaftige

jongeling, trok op naar Troje, verrichtte daar groote daden, verwondde

zelfs den geduchten Achilles: maar werd in het einde door dezen gedood.

Zijne ontroostbare moeder bad Zeus, haren zoon te eeren, zooals nog

geen held was vereerd geworden: en Zeus schiep uit de verbrande asch de

gevallene zwarte haviken, die iederen herfst naar Memnons graf

terugkeeren, en daar, met elkander strijdend, lijkspelen voor den held

vieren. De stemme van den betreurden zoon echter werd door de bedroefde

moeder aan het beeld gegeven, hem in zijn vaderland opgericht. En

wanneer nu, des morgens, de rozenvingerige Eos aan den hemel

verschijnt, dan begroet haar, uit het granieten beeld, de liefelijke

stemme des zoons; en dan besproeit zij den kouden steen met hare

tranen, nog altijd om den vroegen dood van den heerlijken jongeling

geschreid.—Onze geleerden met deze uitlegging niet tevreden, verwierpen

de liefelijke sage, en gingen den steen en hare bestanddeelen

onderzoeken, om te ontdekken of daarin ook de verklaring was te vinden

dier zonderlinge uitwerking van het eerste morgenlicht. En nu komen zij

ons vertellen, dat deze soort van steen, bij den plotselingen overgang

van de vochtige nachtlucht tot de zonnehitte van den dag, krimpt en

kraakt en alzoo zeker geluid geeft: en dat knappen en kraken zou dan

Memnons gezang, de morgengroete aan zijne moeder, zijn! Vindt ge niet,

dat wij, zoo we al in zoogenaamde positieve wetenschap het van de

Grieken winnen, in gevoel en fantazie ontzaglijk bij hen achterstaan?

Wel, wel, terwijl ik hier door de puinen van Tape omdool, geef ik aan

de roerende sage van den jong gesneuvelden held verre de voorkeur boven

uwe alledaagsche verklaringen, man der doode wetenschap. Zingt niet

deze gansche ruïnenwereld een klaagzang, iederen nieuwen dageraad? een

klaag- en treurzang aan de zonne, die haar eens zag in al hare

heerlijkheid en nu opgaat over haar somber graf?—Overigens heeft Memnon

met deze beelden niets gemeens: de kolossen, die voor ruim 3500 jaren

werden opgericht, stellen koning Amenhotep III en zijne gemalin voor.

Noordwaarts van dit acacia-boschje liggen de uitgestrekte puinhoopen

van den kolossalen graftempel van Ramses II (Sesostris), vroeger bekend

onder den naam van het graf van Osymandyas. Wederom hier, als elders,

eene opeenvolging van pylonen, kolossen, zuilenrijen en kolonnaden,

sphinxen en muren. Verder op, nog meer noordwaarts, verheffen zich de

bouwvallen van het paleis van Goernah, door Sethos, den vader van den

grooten Ramses, gebouwd: wat omvang betreft, een der kleinste, maar uit

het oogpunt der kunst een der belangrijkste overblijfselen van de

egyptische architektuur.

Al deze monumenten liggen in de wijde vlakte verspreid, die door het

lybische gebergte wordt afgesloten. Maar dat gebergte zelf bevat nog

een andere reeks monumenten: over eene uitgestrektheid van ongeveer

twee uren gaans is hier de kalksteenrots, tot op de hoogte van 300

voet, in alle richtingen doorgraven en tot grafkelders ingericht.

Steile en moeielijk begaanbare voetpaden voeren tot de meer of minder

ruime ingangen, en van daar naar lange corridors met kamers en zalen en

nevengangen, die elkander op allerlei wijze kruisen en door den

ganschen berg loopen. Dit is de groote doodenstad van het machtige

Thebe: eeuwen achtereen werden hier duizenden bij duizenden ter ruste

gelegd in hunne rotsgraven, om er ongestoord te sluimeren tot de ziel

hare lange omzwerving van drieduizend jaren door alle levensvormen zou

hebben volbracht, en weder van haar welbewaard lichaam bezit zou komen

nemen. Tallooze mummiën zijn reeds uit deze wereld van graven te

voorschijn gehaald, en nog sluimeren er gewis ontelbare geslachten den

vasten slaap des doods. In een zijdal, door naakte rotsen ingesloten en

waar zelfs geen grashalm het oog verkwikt, vindt men de graven van

bijna alle koningen uit de 19e en 20e dynastiën: dit dal draagt nog den

naam van Bab-el-Moluk (poorten der koningen). Tot dusver heeft, men

zestien dezer koningsgraven geopend, waaronder die van Sethos, van

Ramses III en Ramses V. De inrichting dezer graven is steeds dezelfde:

een lage, nauwe ingang voert in een langen, hoogen gang, waarvan de

wanden en het gewelf met schilderwerk zijn bedekt; hier en daar zijn in

de zijwanden kleine vertrekken aangebracht; eindelijk komt men in de

hooge gewelfde zuilenhal, wier wanden in den regel met schilderwerk op

gouden grond prijken, waarom zij ook den naam van gouden zaal voerde.

Deze zaal was bestemd voor de koninklijke sarkophaag, die, zes tot tien

voet hoog, in het midden stond. Zoodra een Pharao de regeering

aanvaardde, liet hij een aanvang met den bouw van zijn grafkelder

maken; was dan de zaal voltooid, en gevoelde de koning zich nog in het

volle bezit van kracht en gezondheid, dan werden nieuwe gangen en

nevenvertrekken, altijd verder den berg in, uitgehouwen, tot andermaal

eene groote zuilenhal werd aangelegd, nog ruimer en prachtiger dan de

eerste. Was er dan nog tijd, dan werden nevens deze halle wederom zij

vertrekken uitgebouwd, tot bijzondere offerplechtigheden voor den doode

bestemd; tot eindelijk voor den Pharao de laatste ure sloeg, en het

koninklijk lijk, na gedurende zeventig dagen te zijn gebalsemd, in de

sarkophaag werd nedergelegd. Deze werd dan zoo kunstig gesloten, dan de

lijkenroovers van later tijd immer de granieten kist moesten stuk

slaan, daar het onmogelijk was het deksel weg te nemen.

Dagen achtereen heb ik door deze doodenstad rondgedwaald, vaak niet

zonder moeite en gevaar; en hoe gaarne zou ik u medenemen op deze

tochten door die graven, die ons zoo trouw het beeld van het

oud-egyptische leven, in bijna al zijne vormen, hebben bewaard. Immers,

niet alleen de koningsgraven, ook de anderen zijn bedekt met

schilderwerk, nog in onverzwakte kleurenpracht prijkende, en eene

schier geheel volledige voorstelling gevende niet alleen van de

krijgstochten en overwinningen der koningen en de ceremoniën der

eeredienst, maar ook van het maatschappelijk en huiselijk leven der

gewone burgers, in alle standen der maatschappij. Juist daarom leveren

deze egyptische graven zoo onschatbare bronnen voor de studie van deze

oude, geheimzinnige wereld, van wier geschiedenis wij zoo weinig weten,

maar wier karakter en physionomie ons toch, niet enkel in hoofdtrekken

maar tot in menige bijzonderheid, juist door deze kunstwerken wordt

geopenbaard. Hoe gaarne zou ik u hier rondvoeren, en u beurtelings den

Pharao aan zijn hof, den priester in zijn tempel, den krijgsman in het

veld, den burger in zijn huis en zijne werkplaats, den landman op zijn

akker, doen aanschouwen: maar de ruimte ontbreekt mij daar toe. Een

boekdeel bijna zou er noodig zijn, om u deze zoolang ondergegane, ons

zoo geheel vreemde maatschappij, in duidelijke, aanschouwelijke trekken

af te malen: eene onvolledige schilderij zou slechts verwarring

stichten, niet uwe kennis vermeerderen. En dan—misschien doolden wij

reeds te lang te midden dezer graven en puinhoopen rond: zij behooren

toch tot een dood, een onherroepelijk vervlogen verleden, en niet allen

boezemt dat verleden belangstelling in. Zoo zij het dan voor ditmaal

genoeg: keeren wij tot het heden terug. In vergelijking met het

verleden, is dat heden treurig en arm en ellendig: maar, in de

schatting van zeer vele lieden, geldt ook hier de oude spreuk: een

levende hond is beter dan een doode leeuw.

Langs den Nijl: Herinneringen eener reis in Egypte De Aarde en haar volken, 1868 · 第 7 / 10 题