De pyramiden.—De groote Sphinx.—De Nijlbark.—Op den Nijl.
Na eenige oogenblikken toevens verlieten wij de grafkamer van koning
Chufu, en keerden langs denzelfden weg, dien wij gekomen waren. Er is
nog een ander vertrek in de pyramide, onder dat des konings; naar dat
vertrek, de kamer der koningin genoemd, voert de smalle lage gang, die
op het straks beschreven portaal uitkomt. Daar ik echter wist dat dit
vertrek geheel ledig is, gevoelde ik geen begeerte den benauwden gang
door te kruipen, om daarheen te gaan. Integendeel: ik voelde mij recht
gelukkig, toen ik, aan het einde der enge sleuf, waardoor wij ons naar
boven worstelden, den donkerblauwen hemel en het onbegrijpelijk sterke
zonnelicht schitteren zag. En toen ik, vermoeid en bestoven, naar
buiten trad en rondstaarde, nog half verblind van den plotselingen
overgang in het felle licht: toen scheen mij de naakte woestijn, met
hare gele zandheuvels en bruinachtige rotsen, haast een bekoorlijk
landschap; en het gindsche Nijldal, waarvan het frissche geboomte van
verre zichtbaar was, een hemelsch paradijs.
Eene pooze van rust en verkwikking was noodig, eer wij den tocht naar
den top der pyramide aanvaardden. Want ook dit is eene moeielijke en
uiterst vermoeiende reis. De treden van deze kolossale trap zijn
twee-en-een halve voet hoog: men moet dus letterlijk springen om van de
eene op de andere te komen. En op die wijze moet ge ruim tweehonderd
trappen bestijgen! Lang eer ge ter helfte zijt, ontzinkt u de kracht;
en ik twijfel, of wel een enkel europeesch reiziger den top bereiken
zou, zonder de krachtige hulp der Bedouïnen. Deze, met lange stokken
gewapend, klauteren als katten naar boven, en reiken u telkens de hand,
om u van de eene trede op de andere te helpen. Hebben zij met een
bijzonder onhandigen of spoedig uitgeputten reiziger te doen, dan
trekken twee hunner hem aan zijne handen naar boven, terwijl een derde
hem van achteren optilt en voortduwt: maar het ga hoe het gaat, voor
zoo veel dit van de Bedouïnen afhangt, komt ieder op den top.
Ook ik bereikte dien eindelijk, zonk doodaf op het vlakke terras neder,
en had eenige oogenblikken van verademing noodig, eer ik genoeg tot mij
zelven gekomen was, om een blik te kunnen slaan op het wijde panorama,
dat zich daar voor ons oog ontrolde. Maar ook, zoodra ik eenmaal een
blik op dat panorama geworpen had, was alle vermoeienis vergeten. Voor
mij lag het prachtige Nijldal, in al den tooi zijner wondervolle
vruchtbaarheid: akkers, tuinen, boomgaarden, elkander opvolgende en
afwisselende in onafzienbare verte. En daartusschen slingerde zich, als
een breed lint, de machtige stroom, wiens wateren schitterden in het
zonnelicht; terwijl de witte zeilen der vaartuigen blonken als
kapellenvleugels. Bijna vlak tegenover ons, verhieven zich de torens en
koepels van het groote Kaïro, scherp uitkomende tegen den donkeren
achtergrond van den Mokattam. Noordwaarts heen verliest zich de blik in
de wijde velden van de Delta, de rijke vruchtbare vlakte, die de Nijl
met zijn zeven armen omvat.—Achter mij, naar het westen, de woestijn,
de dorre huilende woestijn, ver, ver, eindeloos ver, zoo ver de
schemerende blik staren kan, hare gele zandgolven ontrollende. Niets
treft u zoo zeer, op den top der pyramide, als deze aangrijpende
tegenstelling tusschen dood en leven: het paradijsachtige dal vlak
nevens de naakte wildernis, waar zelfs geen grassprietje tiert: en de
grens tusschen die beiden scherp getrokken door de bergketenen, die ter
wederzijde den heerlijken stroom in zijn loop begrenzen.
Maar wat schemerende beelden uit den grijzen voortijd trekken hier uw
oog voorbij! Daar, aan den voet der pyramiden, tusschen de
berghellingen en den stroom, ligt de thans naakte, zandige vlakte, met
steenen en verbrokkeld puin overzaaid, waar eens Memphis stond, de
aloude hoofdstad, ongeveer vier duizend jaren voor Christus door koning
Menes gesticht. Hier heerschten eenmaal gansche dynastieën van
Pharaonen, wier namen ons alleen uit verminkte koningslijsten bekend
zijn, althans voor zoo ver de herinnering hunner daden niet in beeld-
of schilderwerk op tempels of obelisken, of wel op de wanden hunner
graven is bewaard. Hier troonde eens, in al zijne pracht, de geweldige
koning Chufu, op wiens reuzengraf wij staan; hier ook regeerden zij
eens allen, zij, die rustten in de veertig pyramiden, in een wijden
boog rondom Memphis gegroept. Waar zijn zij nu, en waar is de heugenis
hunner daden? Ja waar is hunne prachtige hoofdstad, met hare tempels en
paleizen, hare obelisken en kolossen? wat is er van gebleven? Niets dan
de naakte vlakte en het armzalige Bedouïnen-dorp Memf, dat nog, als ten
spot, in zijn naam aan de schitterende metropolis der Pharaonen
herinnert. Behalve de pyramiden en een gebroken kolossus, rest er geen
enkele herinnering aan het oude Memphis, dan alleen de groote Sphinx.
Zie daar, aan den voet der pyramide, verheft zij haar reuzenhoofd uit
het gele zand, waaronder geheel haar lichaam bedolven is. Nog ter
hoogte van bijna veertig voet steekt dat hoofd uit den lossen zandigen
bodem: maar toen de Sphinx voltooid in haar rotsdal lag, eer nog het
woestijnzand haar half overdekte, hief hij zich tot vier-en-zeventig
voet boven den grond op. Het hoofd zelf meet van de kruin tot de kin
een-en-twintig voet; het liggende leeuwenlichaam heeft eene lengte van
ruim negentig voet. Deze reusachtige figuur is uit de rots zelve
gehouwen: een arbeid, die ook nog heden den aanschouwer verstomd doet
staan. Over welke hulpmiddelen, welke krachten en werktuigen konden dan
die bouwmeesters van het oude Kemi beschikken, dat zij werken tot stand
brachten, die nog in deze eeuw, nu het menschelijk vernuft zich
honderdvoudige hulpbronnen heeft geschapen en over vroeger ongekende
natuurkrachten beschikt, voor wonderen zouden gelden? Zwaar heeft de
Sphinx geleden: minder nog door den tijd, dan door de hand der
menschen. In een der laatste oorlogen tusschen de Mammelukken, werd het
hoofd der Sphinx tot mikpunt voor de kanonskogels gebruikt! Wel is nog
in het algemeen de ernstige, half-weemoedige, half-glimlachende
uitdrukking van het gelaat—aan alle egyptische koppen eigen—te
herkennen; maar de neus en een gedeelte van het linker oog zijn
verdwenen, de kunstig bewerkte hairdos is vernield en met gaten
doorboord. Zoo ligt zij daar, eenzaam, in het zandige dal, en staart
nog altijd, als voor veertig eeuwen, met dat geheimzinnig gelaat, over
de omringende graven heen naar het Oosten, van waar de zon komt, wier
stralen nog heden, als voor veertig eeuwen, in de stille morgenure haar
granieten voorhoofd met een goudglans omspelen. Droomt zij ook soms van
haar lang, lang verleden; van de vervlogen pracht der oude dagen; van
al de bonte tafreelen, eeuw aan eeuw voor haren blik ontrold! O, zoo
die steenen lippen zich konden openen en spreken: wat wondere sproke
zouden ze te verhalen hebben!....
Wij hadden met den eigenaar van eene bark een contract aangegaan voor
eene reis op den Nijl. Bij dat contract werd het vaartuig voor een
onbepaalden tijd te onzer beschikking gesteld, tegen betaling van
zekere som, zoodat wij op ons gemak Egypte konden bezoeken. Maar een
logement is niet genoeg: er moet ook voor voeding gezorgd worden: want
reken er niet op, dat gij, wat gij noodig hebt, onder weg wel vinden
zult. Vooreerst zijn de hôtels en herbergen uiterst schaarsch, of
liever ontbreken geheel, zoodra gij de groote steden verlaat, waar de
invloed der europeesche zeden zich laat gelden. Nu kunt ge voorzeker
wel levensmiddelen koopen: maar de leefwijze van het volk is hier meer
dan eenvoudig, en hunne keuken voor een europeesche maag niet wel
bruikbaar. Ook leveren de boorden van den Nijl, uitgenomen graan,
weinig meer op dan melk, slechte boter, meloenen, pistachen,
komkommers, uien, linzen, spinazie, eieren, kippen, duiven en
kalkoenen. Wij sloegen dus een ganschen voorraad in: meel, deeg, oliën,
zout, suiker, azijn, wijn, koffie, thee, ingelegde groenten en vleesch;
engelsche ham en hollandsche kaas, de eenige die, onder een natten doek
bewaard, eetbaar blijft; voorts hout, tabak, thermometer en barometer;
geweren en pistolen, papier en potlood en pennen; photographische
toestellen, tenten, wat weet ik? Het leek inderdaad eene
volksverhuizing in het klein, toen onze Nijlbark in de haven van Kaïro
werd volgeladen.
Daar blies de wind in ons groot blank zeil, en wij voeren de prachtige
rivier op. Ter linkerzijde dreven ons de voorsteden van Kaïro voorbij:
Ramleh, met zijne dichte rijen van daäbies of reisbarken; Boelak, met
zijne drukke levendige haven; dan Sjoebrah, met zijne portieken en
marmeren hoven, met zijne breede kaaien en prachtige sykomoren; nog
verder, het oude paleis van Soliman-pâsja, den franschen renegaat, den
hervormer van het egyptische leger onder Mehemed-Ali; en de groote
bazar van Massara-Adim. Ter rechterzijde verhieven zich uit den breeden
stroom de lachende weilanden en altijd groene bosschages van het eiland
Rhoda, waarachter in de verte de groote pyramiden oprijzen, wier
schaduwen zich verre uitstrekken over de gele zandvlakte der lybische
woestijn.
Het leven op den Nijl begon op de aangenaamste manier en onder de
schoonste vooruitzichten. Alom, in de nabijheid van Kaïro, zijn de
oevers dicht bebouwd en bevolkt: vol leven, kleur en afwisseling. Onze
matrozen manoeuvreeren met het zeil, en zingen daarbij een eigenaardig
eentonig gezang, op eene zeer bijzondere, even eentonige wijze. Toch
trof mij dat lied en die melodie, meer dan de kunstigste muziek, de
meest gekunstelde zang dikwerf vermogen. Ik heb ze meer en elders
gehoord, in de Campagna van Rome, op de lombardijsche meren, in de
zwitsersche Alpen, in de vlakten van Hongarije, in de schotsche en
noordsche berglanden, ja en elders nog, die wonderlijke volksliederen
met hunne zoo eenvoudige, zoo eentonige en toch zoo aangrijpende
melodieën, waarin telkens en telkens hetzelfde thema terugkeert, en die
toch zoo oneindig rijk van uitdrukking, zoo vol afwisseling zijn. Ik
heb ze overal en altijd met innig welgevallen beluisterd, en doe het
ook nu, hier op den Nijl. Vooral des nachts, als het frisch en stil is
in het ronde, en wij op het platte dak onzer kajuit nederzitten; als de
rozengloed aan den hemel versmelt, en een voor een de groote starren
verschijnen, zoo veel helderder en schitterender dan bij ons; als de
zilveren maan boven de bergen van den Mokattam oprijst en met hare
heldere stralen de schaduwen bijna verdrijft en den vloed tintelen
doet, als ware hij met zilver bestrooid; als overal in het ronde eene
lichte, blauwachtig-zilveren schemering heerscht, en de hemel als te
zamen smelt met de zwevende omtrekken der verre bergen; als van het
strand, waar de kronen der slanke palmen zacht wuiven op den avondwind,
heerlijke geuren overwaaien; als geen ander geluid schier de heilige
stilte stoort dan het kabbelen der golven tegen den steven en de zijden
onzer bark:—dan vooral is het een genot te luisteren naar het halfluid
gezongen lied van den stuurman, in zijn witten mantel gehuld, staande
bij het roer. Hoor, hoe zonderling klinkt die toon: hij rijst en daalt
langs alle trappen van den toonladder: nauw hoorbaar soms, lichter en
doorzichtiger dan de peri met etherische vleugelen, suist de melodie
door de stille, geurige lucht. Dartel-lachend of weemoedig tot
schreiens toe, zweeft het lied over het sluimerende schip, over de
zacht ruischende wateren, over de donkere oevers: het rijst, het zwelt,
het daalt, altijd hetzelfde en toch altijd verscheiden.... Zang van den
sterveling, egyptische nachten, zacht gemurmel der rivier: o, als ik
aan u denk, dan klopt mij het hart, en rijst een traan in mijn oog.
De reis op den Nijl heeft zeker hare ontberingen en ongemakken,
waaronder vooral de muskieten en andere ongedierten behooren, die u
soms gruwelijk plagen;—maar zij heeft toch ook hare eigenaardige
vreugde en genietingen. Geen heirbaan, die er haalt bij eene kalme,
statige rivier, met bloeiende, schilderachtige oevers, waarlangs ge
heen wordt gevoerd, zonder dat ge u behoeft te vermoeien of te bewegen.
Schilderachtige, witte dorpen, in schaduw van palmen en olmen gegroept,
dagen op: naarmate wij naderen, verliezen zij hunne blanke reinheid,
worden geel, worden zwart schier; tot zij weder achter ons verdwijnen
en ons uit de verte groeten, even schoon en helder als straks: de lieve
zon en de weldadige afstand doen alle vlekken en onreinheden
verdwijnen. Overal ziet ge bij de dorpen groote vierkante duivetillen:
in het ronde zijn in den muur een menigte droge takken gestoken, waarop
de duiven in gansche scharen nederstrijken. Vrouwen, in lange blauwe
tunika’s gekleed, en met pakken linnengoed op het hoofd, treden uit het
dorp en richten zich naar den oever, om daar haar lijnwaad te wasschen.
Zij naderen door eene breede laan, waar de sykomoren afwisselen met de
mimosa’s, en die langs de ruïnen eener oude moskee heenslingert. Onder
haar zijn jonge meisjes, die groote aarden kruiken op het hoofd dragen,
om water te putten: zij dalen naar den oever, vullen haar antieke
kruiken, heffen ze weder op haar hoofd, en beklimmen den hoogen oever,
terwijl hare slanke gestalte zich scherp afteekent tegen de heldere
lucht. Half naakte kinderen spelen en rollen in het zand of helpen
kruiken en pakken aandragen, waaronder zij bijna bezwijken: zie dien
kleinen knaap daar, die den steilen oever afdaalt, met eene waterkruik,
die hij met twee handen omvat en tegen zijn borst klemt. ’t Is een
levende schilderij: maar een schilderij, waar het landschap alles is:
tegenover de groote lijnen, de oneindige perspectieven van dezen
koninklijken vloed, deze breede bergen en eindelooze vlakten, zijn de
figuren haast niet meer dan eene bijna onmerkbare stoffaadje. De in het
water wasschende en spoelende vrouwen zijn in onze onmiddellijke
nabijheid: de ondergaande zon, die nog even boven de lage toppen der
lybische bergen toeft, beschijnt haar ten volle en omvloeit de lijnen
en omtrekken met een gouden gloed. Sommigen, beschaamd dus door
vreemden te worden bespied, bedekken haar aangezicht met haar kleed;
anderen, minder schroomvallig of meer in haar arbeid verdiept,
vergunnen ons een blik op haar breed voorhoofd, hare groote donkere
oogen, haar welgevormden neus: in een woord, op haar fraai gelaat,
alleen ontsierd door dikke lippen, een lompe kin en getatouëerde
wangen. Bijna allen dragen een snoer van muntstukjes of koralen aan het
voorhoofd, armbanden, halskettingen en gouden ringen om de enkels;
somwijlen zijn de zoomen van haar blauwe tunika met stalen kralen
geborduurd. Een los omgeknoopte doek, waarin hare zwarte haren half
verborgen zijn, voltooit haar eenvoudig en luchtig kostuum. Het
onveranderlijke Oosten! Waarschijnlijk heeft reeds Mozes meermalen een
tafereel kunnen gadeslaan, in kleur en lijnen niet veel verschillend
van wat wij zagen, terwijl onze boot langs het fellah-dorp dreef.
De Fellahs vormen de landbouwende bevolking, of liever de hoofdmassa
der bevolking van Egypte. Of zij werkelijk van de oude Egyptenaars
afstammen, mogen de geleerden uitmaken; zeker schijnt het wel, dat
althans iets van het oud-egyptische bloed, hoe dan ook verbasterd en
vermengd, nog door hunne aderen stroomt. Op dit volk staat de stempel
der slavernij gedrukt. Niet dat zij zoo bijzonder ongelukkig of arm
zouden zijn: neen, hunne behoeften zijn zeer weinigen, en wat de
stoffelijke welvaart betreft, hebben de Fellahs het vergelijkenderwijs
niet slechter dan de groote meerderheid onzer arbeiders op het land of
onzer werklieden in de fabrieksteden. Ook zijn zij veeleer vroolijk dan
zwaarmoedig van aard; bij de geboorte van een kind, bij het sluiten van
een huwelijk, neemt het gansche dorp deel aan het feest; bij hunne
fantasia’s, hun gezang, hunne dansen, vertoonen zij iets van de
kinderlijk, ongebreidelde, dartele vreugde der Negers. Maar bij dit
alles, wat het leven dragelijk en aangenaam maakt, ontbreekt hun dat
eene, dat er ook waarde en beteekenis aan geeft, dat een mensch
eigenlijk eerst tot mensch maakt: het gevoel van vrijheid en
zelfstandigheid, van verantwoordelijkheid en onderlingen band. De
Fellah is wel aan zijn hut, aan zijn dorp gehecht: maar Egypte is voor
hem geen vaderland, dat hij lief, en waarvoor hij zijn goed en bloed
veil heeft; geen gemeenschappelijk belang, geen hand van nationaliteit
verbindt hem aan zijne landgenooten; hij behoort tot geene natie. Op
het eerste gezicht schijnt dit verwonderlijk: maar als men bedenkt,
welk juk reeds sedert eeuwen en eeuwen op den nek van dit volk heeft
gewogen, dan wordt deze verstomping, deze ontzenuwing van geest en
hart, begrijpelijk. Reeds tijdens de heerschappij der Pharao’s doemde
de wet der kastenindeling de overgroote meerderheid des volks tot
onderhoorigheid; later zuchtte Egypte achtereenvolgens onder den
schepter der romeinsche en byzantijnsche Caesars en der Khaliefen, om
eindelijk—diepste val van allen—door de Turken te worden vertreden en
vermoord. Nu is er wel eenige verandering gekomen, en zijn sommige der
ergste misbruiken afgeschaft; maar zal het volk uit zijn eeuwenlangen
doodsslaap ontwaken? Zonder dit toch baten alle pogingen tot hervorming
van boven en buiten af niets. Maar het is juist deze waarheid, die onze
hedendaagsche hervormers en staatskunstenaars geregeld, of liever
voorbijzien; altijd en overal, in Egypte en elders, willen zij de
vrucht zonder den boom, den eierkoek zonder de eieren. Zal het in
Egypte beter gelukken dan elders, om te midden eener oostersche
mohammedaansche bevolking de instellingen en inrichtingen over te
planten, die uitsluitend de vrucht der westersch-christelijke
beschaving zijn? Het is niet te verwachten en ook niet te hopen.
Tegenwind heeft onze reis vertraagd; en terwijl groote vaartuigen, met
gevlochten stroo beladen, met volle zeilen den Nijl afzakken, wordt
onze boot langzaam voortgetrokken langs de steile en naakte
rotshellingen van den Djebel-Mahagah. De arabische bergketen nadert den
oever en stijgt hooger; meer dan de lybische draagt zij dat karakter
van woestheid, dat zoo scherp contrast vormt met de lachende plantages
van katoen en suikerriet, die zich aan haar voet uitstrekken. Te midden
dier velden, in schaduw der rotswanden, verheffen hier en daar enkele
palmen, in schilderachtige groepen vereenigd, hunne slanke stammen en
onbewegelijke bladerkronen; elders weder zijn het tamarisken, met
bladeren, als vederen zoo zacht; of mimosa’s, tusschen wier dun
gebladerte de zonnestralen heenglijden en wier gele bloesemtrossen een
bedwelmenden geur verspreiden; of eindelijk, de egyptische vijgeboom:
een reuzenschild van ondoordringbaar groen, rustend op een krachtigen
stam, door de saamgevlochten armen van stevige wortels hoog uit den
grond getild. Wij wandelen langs den oever, nu en dan eene duif
schietende, en de dorpen bezoekende, die de grenzen der woestijn
naderen, en die zelfs in hun voorkomen iets van het woeste en
onherbergzame der wildernis schijnen te hebben overgenomen.
Het gaat langzaam voort: aan zeilen is niet meer te denken; het schip
wordt van het eene dorp naar het andere voortgetrokken door de Fellahs,
die daartoe, krachtens bevel van den Pâsja, worden geprest. Evenwel: de
reis verveelt ons niet. Aan de eene zijde verheffen zich de ruwe,
steile rotswanden der arabische bergen; aan de overzijde, naar de meer
verwijderde en minder steile lybische bergen, strekken zich
onafzienbare velden met katoen en suikerriet beplant, uit, afgewisseld
door dorpen en schilderachtige steden: Miniëh, Melauï, Manfaloet,
Sioet; sommigen vlak aan den oever der rivier, anderen een halve mijl
verder, aan den voet der eerste heuvelklingen. Geheel dit rijke land,
met twintig dorpen, behoort aan den Onderkoning, die bij Miniëh een
stoommachine heeft laten bouwen, om het water op te voeren en alzoo de
omringende vlakte te besproeien.
De stad Sioet, na Kaïro en Alexandrië de voornaamste des kinds,
onderscheidt zich ook door haar voorkomen van hare naburen. Hare
talrijke minarets, hare witte huizen komen zeer goed uit tegen den
grauwen achtergrond der lybische bergen. Een heerlijke weg, door
mimosa’s beschaduwd, voert van den oever naar eene soort van poort, die
toegang geeft tot een groot plein, rondom door kazernen ingesloten;
daar huizen de soldaten en arnauten van den gouverneur. Vervolgens
leidt eene kleine brug over een smallen, meestal drogen arm van den
Nijl, en naar eene nauwe en steile straat, die tot midden in de stad
voortloopt. Hier zijn de groote bazars, opgevuld met de voortbrengselen
der inlandsche nijverheid: rijke goudborduursels voor zadels en
harnassen; beroemd aardewerk, en fraaie pijpen. Midden in den bazar
bevinden zich twee baden: het eene, zoo als het heet, door Cleopatra
gebouwd, terwijl het andere den roem geniet van het best ingerichte van
geheel Egypte te zijn, zelfs met inbegrip van de baden van Kaïro. Sioet
is de hoofdstad van Opper-Egypte of Saïd; hare omstreken—een smalle
strook, even als overal elders tusschen de bergen en den Nijl
gevat—onderscheiden zich door buitengewone vruchtbaarheid en een
zeldzaam weelderigen plantengroei. Waar het oog dwaalt, overal dezelfde
rijkdom: velden met suikerriet, met koren, met tabak, met hennep, met
vlas; elders boomgaarden van oranje- en granaatboomen, dadels en palmen
en vijgeboomen; en allerwege een overvloed van bloemen, wedijverende in
kleur en geur.
Wederom wisselen bevallige dorpen en vlekken met akkers en tuinen af:
schilderachtiger en stouter worden de oevers. De snelle bochten der
rivier, die zich hier en daar bruischend een weg baant door de haar
inklemmende bergen, leveren telkens de schoonste, de verrassendste
gezichtspunten op. Nu eens naderen de rotsen tot bijna vlak aan den
oever; straks weder treden zij terug en openen zich heerlijke valleien,
bloeiende als een paradijs, waarin, afgezonderd van de wereld, het
nederige fellah-dorp wegschuilt. Van tijd tot tijd vormt de stroom
kleine inhammen en baaien: stille meren, door palmen omzoomd, zonder
een enkele woning, zonder eenig spoor van menschelijke bedrijvigheid;
zoo rustig, zoo kalm, dat ge hier uw leven zoudt willen slijten. Hoe
heerlijk moet het hier zijn, als de zon verrijst in haar purperen
pracht, en myriaden eenden en zwervende vogels haar met luide
vreugdekreten begroeten. Zie, hoe zij in zwermen opvliegen uit het
ruischende riet; hoe zij in de frissche heldere lucht wondervolle
arabesken teekenen, hooger en steeds hooger, tot de tooverketen breekt
en de verstrooide schakels verdwijnen in de wijde ruimte van den
blauwen ether.
Maar ge hebt geen oogen meer voor dergelijke tooneelen: een grootscher
aanblik wacht u: wij naderen Thebe, of Tape, hoofd, hoofdstad, zooals
de egyptische naam eigenlijk luidt. Ga voorbij Qeneh; en gij Denderah,
het oude Tentyris, met uw prachtigen tempel uit den tijd der Ptolomeën;
en gij Gamaunh, Hamandi; en gij, bloeiende akkers, heerlijke bosschages
van den arabischen oever! De lybische bergketen prijkt in al hare
pracht: en, ziedaar aan haar voet, Querneh, Medinet, de kolossen, het
Memnonium; en aan den anderen oever de tempels en paleizen van Loeksor
en van Karnak. Wij zijn te Thebe, de stad met hare honderd poorten, zoo
niet de oudste, dan toch de schitterendste metropolis van Egypte.