Kaïro.—De pyramiden.
Het was in den waggon bijna niet uit te houden van wege de hitte. De
reizigers, aamechtig, en zwijgend naast en tegenover elkander gezeten,
hadden zich van alle overtollige kleedingstukken ontdaan, en poogden
zich vergeefs te verweren tegen de stikkende warmte die door de
zoldering, door de wanden, door de vensters, naar binnen drong. De zon
straalde aan den koperen hemel, en overgoot het geheele landschap met
een hel gele tint. Geel is de mulle zandgrond, die zich, zoo ver het
oog reikt, naar alle zijden uitstrekt, slechts schaars afgewisseld door
enkele boomgroepen en schamele hutten. En ook deze zelfs zijn met geel
stuifzand overtogen, als wilden ze de eenheid van kleur niet verbreken.
Het is een treurig, somber gezicht: ge voelt en bespeurt het aan alles,
dat ge hier in de onmiddellijke nabijheid zijt der woestijn, wier
verzengende adem u de keel verschroeit, wier vluchtig zand u en alle
omringende voorwerpen overdekt. Is dit naakte land de wijd beroemde
Delta, de korenschuur van Egypte en weleer van Rome, waar de
onuitputtelijke bodem honderdvoudige oogsten droeg? Neen, de eigenlijke
Delta ligt verder oostwaarts: tot hier dringen, althans tegenwoordig,
de wateren van den Nijl niet door, en waar deze niet komen, daar
heerscht de dood. Nog eens, ge zijt hier eigenlijk in de woestijn, die
Egypte omgordt, die het bedreigt en voortdurend voorwaarts dringt om
ieder plekje te veroveren, dat de zegen brengende golven der heilige
rivier niet bereiken kunnen. En sedert het turksche despotisme zijn
looden schepter over dit land uitstrekte, en alle werkzaamheid en
geestkracht bij de bevolking werd uitgedoofd, heeft de woestijn reeds
menige verovering gemaakt, en heerscht de huilende wildernis, waar
vroeger een bloeiende hof de oogen verkwikte.
Zonder groote overhaasting rolt de trein voort, en laat van tijd tot
tijd een schellen, doordringenden kreet hooren, die een vreemd contrast
vormt met de ernstige stilte van het landschap en met het eigenaardig
weemoedig getingel der klokjes van de kameelen, die ter zijde op den
lageren rijweg, of liever de heerbaan, in breede karavanen of enkele
groepen, door ettelijke drijvers geleid, voorttrekken. Na eenigen tijd
aldus voortgestoomd te hebben, bereikten wij Kafr-el-Zayat, het eenige
station tusschen Alexandrië en Kaïro, waar de trein een poos stilhoudt,
om den reizigers gelegenheid te geven tot het gebruiken van eenige
ververschingen in het onooglijke vierkante stationsgebouw. Ieder
beijverde zich, om zoo goed het ging eenige spijs of drank meester te
worden; en welhaast klonk weder de duivelengil der locomotief, en
spoedden wij ons door het brandend heete zand naar de wagens. Maar niet
zonder even een blik geworpen te hebben op de waggons der derde klasse,
of geheel open of half overdekt, en meest allen volgepropt met
Egyptenaars, Turken, Arabieren, Armeniërs, mannen en vrouwen, in bonte
kleederdracht. Wat rijkdom van kleuren en lijnen viel hier te
bespieden, wat prachtige groepen te bestudeeren en af te teekenen, zoo
slechts de tijd er niet toe ontbroken had. Een vreemden indruk vooral
maakten de vrouwen, in donkerblauwe mantels gehuld, en allen met dien
zonderlingen witten sluijer, die, onder de oogen aanvangende en door
koralen snoeren aan het hoofddeksel verbonden, over gelaat, hals en
boezem nedervalt en soms tot bijna aan de voeten reikt. Van het
aangezicht is alzoo niets te zien, dan het goudblonde voorhoofd en twee
paar donkere oogen, die half spookachtig over den sluier heenstaren.
Doch eer ik mij in de beschouwing dier groepen en figuren verlustigen
kon, stond de trein gereed de reis te hervatten en stapte ik weder in
den wagen. Het was bijna nog heeter dan zoo even, en met hijgend
verlangen zagen wij allen uit naar het einde van den vermoeienden en
vervelenden tocht. Na lang wachtens kwam dat einde: de trein floot
wederom en hield stil: wij waren te Kaïro.
Te Alexandrië hebt ge een eersten blik geworpen op de wereld van het
Oosten, maar die wereld verschijnt u daar in te onzuivere, te vermengde
gestalte om u van haar een eenigszins juist denkbeeld te kunnen vormen.
Hier in Kaïro daarentegen overtuigt u alles dat ge werkelijk in het
Oosten zijt: het europeesche, het frankische element, ook al ontbreekt
het hier niet, neemt toch niet de eerste plaats in. De metropolis der
Fatimiden, de stad van Salah-ed-din, el-Musr-el-Kahirâ, is nog altijd
een koninginne onder de steden van het Oosten.
Hoe schilderachtig ligt ze daar, de groote hoofdstad, op korten afstand
van den Nijl, tegen de bergen van Mokattam aangeleund. Verg van mij
geene beschrijving van hare honderde moskeeën—sommigen, zoo als de
moskee el-Azhar, de moskee van Hassan, meesterstukken van arabische
bouwkunst; van hare paleizen en feodale burchten; van hare bazars en
fonteinen. Slechts enkele beelden, die voor mijne herinnering oprijzen,
wil ik u schetsen.
Volg mij in de gedachte door de nauwe, kronkelende straten, ter
wederzijde door de sombere muren der huizen ingesloten. Van afstand tot
afstand slechts eene nauwe deur: iets hooger, de uitstekende getraliede
balkons, de moesjarabiëhs. Maar, wanneer de deur opengaat, ziet ge, als
in een visioen, eensklaps den met marmer geplaveiden binnenhof, de
albasten zuilen, den springenden straal der fontein; een groep,
schitterende van licht en kleur, als een morgenlandsche sproke;—de deur
valt toe: alles wordt weder somber en naakt, eenzaam en doodsch.
Volg mij naar de bazars en meng u onder de menigte, die zich daar,
onder de uitgespannen tentdoeken, ernstig en zwijgend voortbeweegt te
midden der winkels, waar geborduurde zadels en purperen muilen,
wonderschoon gestikt, om den prijs dingen met prachtige armbanden, uit
de hand gewerkt; met heerlijke sabels, wier kostbaar bewerkte greep
schittert van goud en email; met geurige reukflesschen, in veelkleurige
linten gewikkeld. Rustig zitten daar de arabische en perzische
kooplieden, te midden van hun winkel neergehurkt: de mousseline tulband
overschaduwt hun ernstig schoon gelaat; met de oogen ter aarde
geslagen, rooken zij ongestoord hun narghileh, en nemen zelfs geen
oogenblik de moeite u eenige opmerkzaamheid te schenken. De menigte, de
bonte, veelkleurige menigte, beweegt zich rusteloos langs hunne
magazijnen: zij letten er niet op; gij blijft voor hun winkel staan,
blijkbaar met het doel om iets te koopen: de kalme handelaar geeft er
geen acht op; eerst wanneer ge rechtstreeks eene vraag doet, zal niet
hij, maar de knaap die nevens hem staat, u antwoorden, en slechts in
het laatste, beslissende oogenblik zal de koopman, met enkele korte
woorden, zich in het gesprek mengen, als bewees hij u eene gunst, niet
gij hem. Hetgeen evenwel niet belet, dat hij u, zoo er maar eenigszins
kans op is, gruwelijk beet zal nemen.
Hoor, daar klinkt de schorre kreet van den kameeldrijver: eene lange
rij van slanke kameelen trekt langzaam voort; onhoorbaar vallen hunne
gelijkmatige schreden op den zandigen grond; de kwasten hunner tuigen,
met schelpen van de Roode zee versierd, rinkelen als kristal. Tusschen
de kameelen heen, dringen zich met haastigen tred de ezels, door
opgeschoten knapen in blauwe buizen en met witte kapjes op het hoofd,
onder onophoudelijk geschreeuw, voortgedreven. In den wijden zadel zit,
in haar donkerblauwen mantel gehuld, met den witten sluier voor het
gelaat, eene of andere sittih, (dame), die zich naar de bazars begeeft.
Eensklaps weerklinken de scherpe tonen der trompet: een wanklank te
midden dezer eigenaardige geluiden:—ruimte voor het leger van den
Pâsja!—Zie, de zwarte, donkerbruine, gebronsde aangezichten, zoo vreemd
afstekend bij die half-europeesche uniformen; wilde zonen der woestijn
zijn het, maar half door de krijgstucht getemd; eene plaag voor het
land, vaak meer dan een schrik voor den vijand.
Esbekiëh! ik wandel weder in gedachte onder uw heerlijk lommer.
Esbekiëh is een groot plein, eigenlijk een reusachtig breede zandweg,
met heerlijke lanen van olmen en sykomoren. Tusschen het dichte groen
schemeren de gevels der van gelen zandsteen opgetrokken europeesche
huizen. Aan de eene zijde van het plein ligt het groote engelsche
hôtel, waar ik mijn intrek had genomen. Eene telkens afwisselende
schare van voorbijgangers beweegt zich voortdurend over deze ruime
vlakte. Zie daar den waterdrager, zwoegende onder den zwaren last
zijner beide vaten, die hij beneden aan den zoom der rivier met het
heerlijke Nijlwater heeft gevuld; zie de fruitverkoopster, in wier
omgebogen handpalm de stapel gouden oranjeappelen rust, zoo veilig en
vast, als de welriekende korf op haar donkere vlechten; een
bronskleurig kindeke, met oogen als starren en kaal geschoren hoofd,
troont op den ronden schouder en slaat argeloos de armpjes om het
voorhoofd der moeder. Zie, ter zijde, dien afstammeling van den
profeet, dien grijsaard met den groenen tulband, en den zilverwitten,
tot zijn kashmiren gordel afdalenden baard; in breede, statige plooien
omgolft hem zijn ruim, oud-oostersch gewaad; om zijne strenge lippen
speelt een smadelijke glimlach, en uit zijne half-neergeslagen oogen
schiet een straal van haat en verachting voor het gewoel en bedrijf der
luidruchtige, half-frankische schare, die de heilige stad der Khalifs
bezoedelt. Zie de vreemdelingen, uit bijkans allerlei tongen en natiën
verzameld: Europeanen, Arabieren, Grieken, Armeniërs, Turken,
Algerijnen, Nubiërs, Negers: allen in eigenaardige kleeding,
onderscheiden in houding en gelaatskleur, in spraak en gebaar en
physionomie: een tafreel, zoo bont, zoo rijk in lijnen en kleuren, dat
een bekwamer penseel dan het mijne wellicht vergeefs pogen zou u den
indruk daarvan weder te geven.
Verlangt ge rustiger tooneel? Tegen de helling der bergen ligt de
groote nekropolis, de doodenstad van Kaïro. Daar branden, in het heete
middaguur, de zonnestralen op het gele zand rondom de graven der
Khalifen. Eenzaam en verlaten verheffen de mausoleeën hunne koepels in
de strakke lucht: de ruwe wanden van den Mokattam vormen den somberen
achtergrond. Daar slapen zij, de geweldigen, de mannen des bloeds, die
mede den jammer der verwoesting over het schoone Egypte hebben
gebracht. Het felle zonnelicht omspeelt de opengewerkte koepels, de
uitgehouwen tulbanden, de fantastische lijnen. Het is hier doodstil:
rondzwervende honden huilen in de verte, te midden der lijkgesteenten;
nergens is eenig menschelijk wezen te bespeuren. Ondanks de
verstikkende hitte huivert ge, en spoedt u voort.
Kom mede naar een plek vol leven en koelte, vol weelde en schaduw, naar
de tuinen van Sjoebrah, het zomerpaleis van den Onderkoning. Uren lang
zoudt ge wandelen en rusten en droomen onder deze levende gewelven van
eeuwig groen, onder die prachtige sykomoren, die heerlijke
oranjeboomen; in die schemerende schaduwen, waar het licht slechts
flauwelijk doordringt en een doorzichtig halfdonker heerscht, een
smaragden glans, zoo wonderschoon, zoo tooverachtig.... Dwaal voort
onder de groene portico’s door lianen omlijst; dwaal voort door de
slingerende labyrinthen van myrthenhagen, door de duizendkleurige
bloemperken, door de dichte bosschages van cypressen, waarboven de
slanke palm zijne wuivende bladerkroon verheft. Boven uw hoofd buigen
de citroenboomen hunne bloeiende twijgen; de rozenstruiken vlechten
geurige priëelen; de jasmijnen hangen hare schitterende festoenen op;
narcissen en tuberozen ademen hare betooverende geuren. De zonnestralen
spiegelen ginds op de sluimerende vijvers; de fonteinen laten hare
diamanten stralen nederdruppelen in porphyren kommen; een eerbiedige
stilte huivert door geheel den omtrek en noodigt u tot mijmerend
droomen, uren en uren lang. Niets stoort u. Van tijd tot tijd slechts
wandelt, onder de dichte schaduw der sykomoren, een zwarte slaaf. Ook
hij droomt van de eindelooze woestijn, van de ouadi met de bron,
waarboven de enkele palmen wuiven en waaromheen de versmachtende
karavane zich legert; van het eenzame Negerdorp, in de wouden
verscholen nabij den oever der groote rivier.
Maar, gegroet, heerlijk paradijs van Sjoebrah; gegroet Esbekiëh; en
bazars en straten van Musr-el-Kahirâ! Mij roept de Nijl en het
oud-geheimzinnige Egypte, het wonderland der pyramiden.
De pyramiden. Ik had ze reeds uit de verte aanschouwd, toen ik, van een
der toppen van den Mokattam, de stad Kaïro en het prachtige Nijldal
overzag. Ginds aan den horizon, boven de eindelooze gele golvende
vlakte der woestijn, verhieven zich de ontzaggelijke gevaarten in de
heldere lucht en lokten mij aan met onwederstaanbare macht. Zeer zeker
zou ik daarheen gaan. „Ja—zeide de gedienstige kastelein—ja, Sir, de
pyramiden moet gij gaan zien, maar dan moet ge gezelschap opzoeken:
want, ziet ge, de Bedouïnen, die als gidsen met u gaan, zijn schurken:
zij zouden u ligt kunnen berooven.”—Ik stelde mijn bezorgden waard
gerust, en verzocht hem slechts, mij een vertrouwden ezeldrijver mede
te geven. Hij beloofde daarvoor te zullen zorgen, en zoo besloot ik tot
den tocht.
Het was een heerlijke morgen. De zon was nog niet boven de kimmen
gerezen: een flauw licht omvloeide het landschap: zacht ruischte de
uchtendwind door de toppen der olmen en sykomoren op het plein
Esbekiëh. Abdallah, een bediende van het hôtel, een kloek en flink
jonkman, met bruin gelaat en flonkerende oogen, een echte Fellah-kop,
stond met den ezel gereed: ik steeg op en wij aanvaardden de reis.
Voort ging het over een breeden zandweg, door struikgewas omzoomd: ter
wederzijde moestuinen en akkers, hier en daar door woningen
afgewisseld. Het was nog stil op den weg: slechts enkele
fruitverkoopers, waterdragers en kudden ezels kwamen ons van tijd tot
tijd tegen.
Inmiddels is het dag geworden: de felle zonnestralen beginnen over
geheel het landschap eene zee van licht uit te gieten die bijna overal
elke schaduw verzwelgt. Wij zijn te Oud-Kaïro of Fostat, een vervallen
vlek, met meest uit hout en leem opgetrokken huizen van eene
verdieping. Bij eene kromming van den weg omslaande, zag ik plotseling
den Nijl voor mij: eene geweldig breede rivier, zacht kabbelend hare
geelachtige wateren voortstuwend tusschen twee eenigszins heuvelachtige
boorden. Aan de overzijde teekenen zich, maar even zichtbaar, de
woningen en palmen tegen den wit-gelen hemel af. Een breed vaartuig met
platten bodem wacht ons beneden aan den oever. Weldra zijn wij
ingescheept; de schipper maakt het driehoekig zeil los; de frissche
morgen wind doet het zwellen—en wij drijven den Nijl op. Langzaam
klieft de boot de breede watervlakte, een meer gelijk; en terwijl de
vuurroode, stralende zonneschijf boven de toppen van den Mokattam
stijgt, en lichtvonken strooit over den statig ruischenden vloed, staar
ik, in gepeins verzonken, voor mij uit. Ik denk aan de nog altijd
verborgen bronnen der geheimzinnige rivier, tot wier oorsprong nog geen
Europeër mocht genaken. Ik denk aan de ondoordringbare wouden en
onafzienbare stoppen van haar ver, ver geboorteland, ginds in het hart
van Afrika, waar rondzwervende Negerstammen sinds eeuwen en eeuwen hun
eenvoudig herdersleven leiden; waar, in de hooge grasvelden en dichte
slingerplanten der savannas, en in de donkere tamarisken- en
sykomorenwouden, leeuwen en olifanten, hyenas en rhinocerossen,
antilopen en reuzenslangen huizen; terwijl uit de wateren van den
jongen vloed de geharnaste krokodil den spitsen muil opheft, en de
logge hippopotamus den wanstaltigen kop tilt. Ik denk aan de kale
zandvlakten en aan de ruwe, naakte gebergten van Nubië, waartusschen de
machtige rivier zich, bruischend in katarakt bij katarakt, dwars door
en over de granietrotsen een weg baant, tot zij eindelijk bij de
palmbosschen van Syene de grenzen van Egypte bereikt. Daar wacht haar
een laatste kamp. Tusschen de rotseilanden Philae en Elephantine door
baant zij zich, schuimend en wervelend, een weg over de verspreide
granietblokken; maar eens dien laatsten slagboom doorgebroken, vervolgt
zij rustig, in kalme majesteit, haar weg naar de Middellandsche zee,
waar zij uitrust van haren langen tocht. Doch eer zij, door zeven
monden, hare wateren in de zee uitstort, schept zij zich, van Syene tot
Alexandrië en Damiate, een eigen wonderland. Zie, zoodra zij den
bergpas is doorgeworsteld, treden ter wederzijde de gebergten terug, en
laten voor den stroom een dal, dat tot voorbij Kaïro gemiddeld eene
breedte van vier tot zes uren heeft. Ter rechter zijde verheffen zich
steile, kale rotsgebergten, waar boom noch plant tiert, en die, dwars
van diepe, dorre dalen of kloven (ouadis) doorsneden, zich tot de
kusten der Roode zee uitstrekken. Ter linkerzijde wordt het dal
begrensd door de minder steile glooiingen van het lybische gebergte,
een breede rotsige keten, die de vruchtbare vallei beschermt tegen het
doodelijke stuifzand der woestijn. Daar, in dat breede dal, stuwt nu de
stroom zijne wateren voort, en overal waar hij, bij zijne jaarlijksche
overstroomingen, zijne met slib bezwangerde golven brengen kan, siert
zich de grond met kruid en vrucht, met honderdvoudigen oogst; waar
zijne wateren niet komen, daar heerscht de dood. Egypte is, in den
vollen zin des woords, eene schepping van den Nijl en dankt nog
voortdurend aan den Nijl zijn gansche bestaan. Werd deze stroom te
Syene opgehouden, of wel traden zijne wateren niet telken jare buiten
zijne oevers, geheel het land werd eene wildernis, eene naakte
woestijn, voor mensch nog dier bewoonbaar. Want in geheel Egypte geen
tweede rivier, geene beek of bron, geen ander water dan de rivier, dan
de Nijl, de „vader des lands”, de bron van allen zegen.
Wat wonder, dat de oude bewoners van Kemi (Egypte) den Nijl—of gelijk
hij in hunne taal heette, den Jaro—heilig hielden, hem eerden als eene
godheid? Wat wonder ook, dat geheel hun maatschappelijk en geestelijk
leven, geheel hun denken en werken, den machtigen invloed ondervond van
het zoo eigenaardige natuurleven in dat wondervolle Nijldal, met zijn
geheimzinnigen stroom: geheimzinnig en ondoorgrondelijk, niet alleen in
zijne oorsprongen, maar ook in zijne geregeld wederkeerende
overstroomingen, in geheel het regelmatig en toch zoo dramatisch
verloop zijner lotgevallen?
Maar de boot heeft den tegenoverliggenden oever bereikt: wij bestijgen
den hoogen rand en spoeden ons voort, over een heuvelachtig terrein,
waarover de armelijke woningen van het dorp Dsjizeh verspreid liggen.
De horizon voor ons uit wordt breeder en breeder, als naderden wij de
kusten eener verwijderde zee: verblindend straalt en weerkaatst de
felle zonnegloed op het gele zand, dat meer en meer de overhand
verkrijgt; weldra hebben wij den oever der geheimzinnige zee, die ons
reeds van verre had tegengeblonken, bereikt. Nooit zal ik den
aangrijpenden indruk van dit oogenblik vergeten. Naar alle zijden, zoo
ver wij zien konden, strekten zich de zwijgende zandvelden en heuvels
uit:—nergens eenig spoor van leven, geen boom, geen struik, geen
grassprietje was te bespeuren, geen vogel, geen insekt zelfs: niets dan
de dood, de dood, in zijn dofgeel lijkkleed van gloeiend zand.
„De pyramiden!” riep Abdallah—en plotseling zag ik op. En ja, daar
verhieven zij zich uit de doodsche zandzee, drie gele, driehoekige
rotsen, drie reusachtige hoopen steen. Naarmate wij naderden, schenen
zij in hoogte en omvang te groeien;—scherper teekenden zich de witte
lijnen tegen de lucht;—weldra kon ik de groote vierkante steenblokken
onderscheiden;—nog eenige oogenblikken, en wij rijden een zandheuvel op
en stijgen af aan den voet der grootste pyramide, de pyramide van
koning Chufu of Cheops, zoo als Herodotus hem noemt.
Het is moeielijk te zeggen, welk gevoel zich op dit oogenblik van mij
meester maakte. Zoo vaak ik, niettegenstaande het felle zonnelicht mij
de oogen schemeren deed, naar boven, naar den top der pyramide opzag,
overviel mij een gevoel van kleinheid en machteloosheid, een zekere
angst tegenover deze ontzettende, deze alles overweldigende grootte:
het was mij soms of de onmetelijke massa, aan wier voet ik stond, op
mij zou nederstorten. Het duizelde mij, en ik was verplicht een
oogenblik op den grond te gaan zitten en de hand voor mijne oogen te
houden. Ik weet niet of gij dit gevoel kent: het had mij, maar in veel
geringer mate, enkele malen ook aangegrepen bij den blik op sommige
onzer oude gothische kathedralen, vooral bij schemeravond. En wat zijn
onze torens en kathedralen bij deze pyramide? Cijfers zijn dood en
spreken noch tot het hart noch tot de verbeelding: daarom baat het u
luttel als ik u zeg, dat de pyramide van koning Chufu, schoon hare
spits afgebrokkeld is, nog een hoogte bereikt van ruim 450 voet: maar
misschien zal dat dorre getal begrijpelijker voor u worden, wanneer ik
er bijvoeg dat deze hoogte die der hoogste torens in Europa evenaart of
overtreft, en zoo ongeveer het dubbele bedraagt van die der
Oudekerks-toren te Amsterdam, en anderhalfmaal de hoogte van den
domtoren te Utrecht. Doch het is deze duizelingwekkende hoogte niet
alleen, het is vooral de ontzaggelijke omvang, de ontzettende massa,
die zulk een overweldigenden indruk maakt. Wederom wil ik u cijfers
sparen: bedenk alleen dit, dat de grootste tempel der Christenheid de
Sint-Pieterskerk van Rome, geheel binnen deze pyramide zou kunnen
worden geplaatst, zonder ergens de buitenwanden te raken.
Maar, toen ik daar aan den voet der pyramide stond, dacht ik aan
cijfers noch vergelijkingen, en ik had geene ooren voor wat mijne
gidsen, waarvan er twee goed engelsch spraken, mij verhaalden. Een
hunner had mij reeds medegedeeld, dat de pyramiden waren gebouwd door
den reuzenkoning Gan ibn Gan, die lang voor Adam had geleefd. En
inderdaad, ik begreep het sprookje: want te gelooven dat deze wonderen
door menschenhand, ja veellicht door de hand zijner eigene voorouders,
zijn gewrocht, is voor den hedendaagschen Fellah niet wel mogelijk. Wij
zelven, schoon we beter weten, wij zelven hebben moeite hier aan geene
onbekende, bovennatuurlijke krachten te gelooven. Want bedenk: deze
ontzaggelijke steenklompen, in regelmatig slinkende rijen tot honderde
voeten hoog opgestapeld, zijn ginds, aan gene zijde der rivier, in de
oostelijke gebergten uitgehouwen. Zij moesten alzoo over den vloed
gevoerd, en uren ver naar de grenzen der woestijn gebracht worden. Maar
dit is niet alles: de pyramiden verheffen zich op een vooruitstekend
bergplateau, dat ter hoogte van honderd-veertig voet, vrij steil, uit
de zandvlakte oprijst. Welke arbeid is er noodig geweest, om de
gehouwen steenklompen tegen deze hoogte op te werken, en ze dan op
elkander te stapelen en in elkander te voegen tot de reuzenbouw
voltooid daar stond? En toen de pyramide dus stond, vertoonde zij niet,
als nu, nu zij door den tijd, en meer nog door de roofzuchtige handen
der Arabieren geschonden is, een kolossale giganten trap van
twee-honderd-vijf treden; neen: geheel hare oppervlakte was, van boven
tot onder, met gepolijst graniet (soms ook wel marmer) bekleed, zoodat
van den eigenlijken steen niets te bespeuren was. Zie, als wij dit
alles bedenken, komt het ons niet langer ongeloofelijk voor, wanneer
Herodotus bericht, dat honderd-duizend menschen dertig jaren lang aan
dit werk bezig waren. De bouw van den hellenden weg alleen, waarlangs
de steenen naar het rotsterras moesten worden opgevoerd, vorderde tien
volle jaren; nog twintig anderen vervlogen eer de pyramide voltooid
was. En dat alles waarvoor? Alleen om den koning Chufu een graf te
bereiden! Men heeft, in later tijd, moeite gehad dit te gelooven: men
heeft de pyramiden voor astronomische gebouwen, eene soort
sterrewachten, aangezien; men heeft naar allerlei oogmerken gegist, om
den bouw dezer ontzaglijke steenklompen—die, de voortreffelijke
bewerking van den steen daargelaten, toch hoegenaamd geen kunstwaarde
hebben—te verklaren. Dat het in eens menschen hoofd kon opkomen, zulk
een gevaarte te stichten, enkel en alleen om er zijne doodkist in te
plaatsen:—zie dat scheen volstrekt ongelooflijk! Toch is het zoo: de
naam zelf van pyramide (egyptisch P=uro=ma, letterlijk: Koningsgraf)
geeft dit reeds te kennen: zij is niets meer dan de reusachtige
grafkamer, waarin het lijk van den Pharao, den Zoon der Zon, den
Beheerscher des Volks, rust. Welk een licht werpt dit op geheel den
maatschappelijken toestand eens volks, waarvan honderd-duizend man,
dertig jaren lang, gedwongen konden worden aan het grafmonument des
konings te arbeiden! En bedenk dan ook, dat er weleer ruim veertig
pyramiden, zoo grooten als kleinen, de graven van even zoo vele
koningen, in de nabijheid der oude hoofdstad Memphis verrezen! Vergeet
echter ook niet, dat de buitengewone zorg voor lijken en graven een
diep ingewortelde karaktertrek van geheel het egyptische volk was; aan
de rustplaatsen der dooden besteedden zij veel meer zorg en moeite dan
aan de huizen der levenden: deze laatsten waren, in hun oog, slechts
herbergen, de graven daarentegen de eeuwige woningen. Geen wonder dus,
dat waar allen er in de eerste plaats op bedacht waren, zich een statig
en sierlijk graf te bereiden, de koning vooral zich eene eeuwige woning
wilde bouwen, die ook aan het verste nageslacht zijne macht en
heerlijkheid zou vermelden, en waar hij, ongestoord, den langen
doodslaap slapen kon. Immers, welke sterfelijke hand zou hem aanroeren,
wanneer eenmaal zijn gebalsemd lijk was nedergelegd, in de granieten
kist, daar in het kleine, donkere vertrek in het hart der reusachtige
pyramide, waarvan de ingang zorgvuldig gesloten en bedekt werd? Toch
geschiedde het! Ongeveer 800 jaren na Chr., toen de Khalif Al-Mamoem
over Egypte regeerde, werd de verborgen ingang der groote pyramide
ontdekt: wilde Saracenen drongen naar binnen, worstelden zich door de
enge gangen, en bereikten, ondanks alle hinderpalen, de stille
grafkamer, waar koning Chufu toen reeds vier duizend jaar ongestoord
had gerust. De granieten lijkkist konden de roovers niet medenemen—die
staat heden nog op hare plaats—maar het lijk werd er uit en naar buiten
gesleept. De koninklijke mummie was overal met kostbare gesteenten
versierd: op de borst prijkten de beeltenissen der vier doodenwachters
in gedreven goud; aan het olijfkleurige voorhoofd straalde een
karbonkel van zeldzame grootte. De barbaren plunderden de
edelgesteenten en het goud, wierpen de mummie op het veld en vertraden
ze tot stof.... Aldus eindigde de groote koning Chufu.
Eer wij naar boven klauterden, wenschte ik het inwendige der pyramide
te zien. De ingang is aan de noordoostzijde, op den vijftienden trap.
Ik nam vijf mijner gidsen mede, en beval de overigen buiten te wachten.
De fakkels werden aangestoken en met moed de tocht aanvaard. Maar...
gemakkelijk of aangenaam is die reize niet. Vooreerst gaat de weg steil
naar beneden; en ten andere—en dat is het ergste—is de nauwe gang maar
drie en een halve voet hoog, zoodat men letterlijk op handen en voeten
voortkruipen moet. Daarbij omgeeft u welhaast de volstrekste
duisternis, welke de walmende en stinkende fakkels slechts noode, vlak
voor u, verdrijven kunnen. Toen wij dus een heel eind voortgekropen en
gegleden hadden, werd de weg plotseling door een granietblok versperd.
Toen, voor duizend jaar, de Arabieren tot hier gekomen waren en niet
verder konden, verbrijzelden zij, naar buit dorstend, den zandsteen
nevens het granietblok en kropen er om heen. Wij volgden denzelfden
weg, en kwamen nu in een even nauwen en lagen gang, die echter ditmaal
naar boven liep. Doch liever dus, dan naar beneden. Weer gaat het, met
moeite en arbeid, kruipende en hoestende en worstelende voort, tot wij
een soort van portaal bereiken, waarvan de zoldering ongeveer dertig
voet hoog was. Hier konden wij althans rechtop staan en adem halen. Aan
onze rechterhand was eene loodrechte kloof of liever sleuf, die,
volgens het zeggen mijner gidsen, geen bodem had en nooit eindigde. Dit
is natuurlijk dwaasheid: daar in de diepte moet nog een kamer zijn:
maar hoewel ik stukken brandend papier en zelfs een fakkel naar beneden
wierp, ook ik vermocht geen grond te ontdekken. En om zelf in den
nauwen koker af te dalen: daartoe gevoelde ik geen lust.—Tegenover ons
voerde een vlakke, zeer enge gang verder de pyramide in; hooger op was
weder een andere gang, die naar boven liep. Om in dien gang te komen,
moesten wij tegen den muur opklauteren: met behulp van uitgehouwen
gaten, waarin de handen en voeten moeten worden geplaatst, gelukte dit;
schoon niet zonder moeite, daar de gaten zeer ver van elkander zijn
verwijderd. De tamelijk breede en hooge gang, waarvan de zoldering in
de tastbare duisternis verdwijnt, loopt steil naar boven. Half gedragen
en aan de hand geleid door mijne Bedouïnen klauterde ik voort. Nogmaals
door een laag, smal gangetje gekropen: eindelijk staan wij voor den
ingang eener ruime, hooge kamer: de grafkamer van koning Chufu. Vloer,
wanden en zoldering zijn met gepolijst graniet bekleed, thans, door den
tijd en den rook der fakkels, zwart en smerig geworden. De lijkkist is
evenzoo van gepolijst graniet, zeven voet lang, drie voet breed, en
drie en een halve voet hoog. Het deksel is spoorloos verdwenen; wat van
het lijk geworden is, zeide ik reeds.