De Middellandsche zee.—Malta.—Alexandrië.—Naar Kaïro.
Wat ik u mededeelen ga, zijn schetsen uit mijne reisportefeuille:
herinneringen aan een tochtje door Egypte, in het voorjaar van 1863
ondernomen. Het doel mijner reis is voor u van geen belang: het eenige,
waarvoor ik uwe welwillende aandacht durf vragen, zijn mijne eenvoudige
schetsen; en ook dat niet om haar zelfs wil, maar om den wil van het in
zoo menig opzicht hoogst merkwaardige land, aan welks natuur,
geschiedenis en volk ze zijn ontleend.
Kalm en statig klieft de fransche paketboot l’Aigle de zacht kabbelende
golven der Middellandsche zee, en laat op de breede watervlakte een
zilveren spoor van vlokkig schuim achter. Boven onze hoofden welft zich
de wolkeloos blauwe hemel, en giet een stroom van tintelend licht uit
op de even heldere en even blauwe wateren der wonderschoone zee, als
een glad gepolijst schild stralend en fonkelend in het felle
zonnelicht. Boven en beneden eene oneindige, doorzichtige, blauwe
diepte; het is als zweeft de boot in een azuren ether, doortrokken van
licht. Voor hem, die ze nooit zag, is het niet wel mogelijk zich een
denkbeeld te maken van deze wondervolle verlichting, deze
onvergelijkelijke helderheid der lucht, die scherpte van alle
omtrekken, dien gloed van alle kleuren: van geheel dit magisch
lichteffect, aan het Oosten en Zuiden eigen. Het is een schouwspel,
waarvan ik, hoe dikwijls reeds genoten, mij niet verzadigen kan, ook al
vermoeit het mij soms dien verblindenden luister aan te staren. Ja, en
menigmalen, wanneer ik, in sombere herfst- of winterdagen, voor de
vensters mijner kamer sta en uitzie over het grijze veld en het vale
bosch, of opzie naar den doffen, kleurloozen, lagen hemel, als een
grauw kleed op de aarde nederhangende; als ik dan bijna nergens kleur
of licht bespeur:—ja menigmalen rijst dan eensklaps voor mijne
verbeelding het prachtig visioen van dien stralenden oosterschen hemel,
van dien alles overwinnenden, alles doordringenden zonnegloed, die aan
alles vorm, kleur, diepte geeft. Ik heb de zon lief, en vreugde rijst
er in mijn gemoed, als zij ons verkwikt met haar heerlijk licht en
toelacht uit haar reine, blauwe hemeltent; mijn hart gaat uit tot haar,
met heimwee en wonderzoet verlangen. Is het omdat nog steeds, hoezeer
mij onbewust, diep in mijne ziel het beeld staat gegrift van het land
des lichts en der kleuren, van het prachtige Java, mijn geboortegrond?
Maar meen niet, dat ik daarom op onze minder prachtige, maar in hare
bescheidenheid en verscheidenheid veellicht nog rijker, natuur met
geringschatting nederzie; meen niet, dat ik blind zou zijn voor de
heerlijkheid van een schoonen herfstmorgen in onze duinstreek, voor het
wondervolle kleurenspel van een zonsondergang aan onze stranden. Neen,
ik weet het: juist aan onzen vochtigen, minder helderen dampkring
danken wij, wat het Oosten en het Zuiden missen, dien oneindigen
rijkdom van tinten en halve tonen; dat wondervol spel van licht en
schaduw en kleur in onze bewolkte luchten; die fijne, wazige, zilverige
tinten, die als een feeënsluier onzen horizon omwuiven en zoo
uitlokkend geheimzinnig verhullen; danken wij geheel dat eigenaardig
karakter onzer landschappen, wier schoonheid alleen hij miskennen kan,
die den zin voor waarachtig natuurschoon mist, en die dan ook, overal
en altijd, wel door het vreemde, het onverwachte, het grootsche,
getroffen kan worden, maar in wiens gemoed nooit de zachte taal
doordringt, die Gods heerlijke schepping, overal en altijd, spreekt
voor wie ooren heeft om te hooren en een hart om op te merken.
Een eindelooze horizon naar alle kanten: overal de blauwe, stralende
zee, door den blauwen, stralenden hemel overweld. Drie dagen geleden
heb ik Malta verlaten, en sedert geen land gezien. Dikwijls wendt mijn
oog zich onwillekeurig naar het noordwesten, als kon ik nog den aanblik
genieten van het prachtig rotseiland, in volle wapenrusting oprijzende
uit de heldere wateren der Middellandsche zee. Wat grootsche
herinneringen omzweven deze rotsen, eenmaal het bolwerk der
Christenheid tegen de turksche macht, die zich hier den trotschen kop
te pletter stiet. Hier vierde de ridderlijke orde van Sint-Jan haar
laatste triomfen; hier ook ging zij ten onder, in later, somberder
dagen. Immers, wat er nog van haar overig is, wat is het meer dan een
naam, eene ijdele schaduw? Maar schitterend heeft zij hare taak
volbracht: onversaagd en onvermoeid heeft zij de kruisbanier hoog
gehouden en met haar bloed verdedigd tegen de horden der ongeloovigen,
die op haar aandrongen als een stroom; op alle slagvelden in Palestina
heeft zij gestreden; op Rhodus en op Malta den kamp met de turksche
barbaren bestaan en zeeghaftig bestaan: want zij heeft de
Middellandsche zee van de turksche heerschappij gered. Een heldendicht
is hare geschiedenis, ook op haar laatste wijkplaats, op haar wild
rotseiland Malta, door haar in een tuin en een vasten burcht
herschapen: een heerlijk heldendicht, dat ons hart verkwikt, en te
midden van de koude zelfzucht en berekenende gelddorst onzer veelszins
materialistische eeuw, nog de geestdrift voor hoogere bedoelingen, voor
een nobeler streven dan naar het bezit van goud, in de ziel kan doen
ontgloeien. Maar deze ridderlijke heldengeest, die eens de orde van
Sint-Jan bezielde, is geweken; de engelsche vlag waait van de tinnen
van la Valette, en Malta is een belangrijk middelpunt voor den handel
geworden; nog meer, een zeer gewichtig maritiem station voor de vloten
van Groot-Brittannië, dat in Malta en Gibraltar de beide sleutels der
Middellandsche zee bezit. Voorzeker, in deze hoede is de prachtige zee
veilig; trouwens geen turksche vlootvoogd of barbarijsche kaperkapitein
bedreigt meer de kusten van Italië; de heerlijkheid der halve maan is
lang ondergegaan, en het eens zoo gevreesde damasceensche zwaard sinds
lang verbroken. Ach waarom, waarom houdt onderlinge naijver en
verfoeielijk egoïsme nog altijd dat verdorven geraamte, dat het
turksche rijk heet, met allerlei kunstmiddelen in stand? waarom duldt
Europa het nog langer, dat een afgeleefde, diep verbasterde
barbarenhorde den ruwen voet blijft zetten op de aloude erflanden der
Christenheid en der beschaving? O, keerde maar voor een oogenblik de
geestdrift, de heilige geestdrift terug, die eenmaal duizenden bij
duizenden naar het zwaard deed grijpen, om den gewijden grond van
Palestina van den vloek des Islams schoon te vegen, hoe gemakkelijk zou
nu de taak te volbrengen zijn. Ontwaakt en verheft u uit uwe graven,
gij ridders van Sint-Jan! schaart u nog eens om uwe onbevlekte banier
met het witte kruis; ontbloot nog eens uwe goede, trouwe zwaarden;
trekt op naar het Oosten, het oude tooneel uwer heldendaden en
glorierijke triomfen, uwer worstelingen en roemrijke nederlagen; trekt
op naar de heilige stad Jeruzalem, uw geboortegrond; en drijft de
ontzenuwde, verachtelijke barbaren voor u uit, terug naar hunne steppen
in het hart der woestijn!
Een ijdele droom, niet waar? maar dat ik aldus droomde, terwijl de
vlugge boot de golven dezer zee doorkliefde, in vroeger eeuw zoo vaak
door de galeien der vrome ridders doorkruist, zoo vaak getuige van den
verwoeden kamp met de ongeloovigen, dat verwondert u wel niet.—En nu,
ik wend mijne blikken van den noordelijken gezichteinder, en staar uit
naar het zuiden. Daar moet welhaast de kust van Egypte opdoemen uit de
wateren; wij zijn niet verre meer van het land verwijderd. Ware slechts
die kust niet zoo laag en vlak, wij zouden ze reeds zien. Doch wat
schemert daar ginds aan den verren gezichteinder? Zie, een gele lijn,
een gouden streep, maakt scheiding tusschen de blauwe zee en den
blauwen hemel. Naarmate wij naderen, komt die lijn duidelijker uit,
verbreedt en verheft zich die streep. Reeds herkent ge de lage kust en
de gele zandheuvels; reeds onderscheidt ge de witte gebouwen van
Alexandrië, oprijzende tusschen die gele heuvels en de azuren golven.
Op de reede een mastbosch, schepen van allerlei natiën; daarachter
groote, witte gebouwen; verder eene ordelooze massa van lage,
onaanzienlijke huizen; hier en daar groepen van palmboomen; en ter
zijde, waar het paleis van den Onderkoning zijne muren verheft,
prachtige bosschages van bananen en tamarisken.
Voor den reiziger, die uit Europa komt, is Alexandrië de eerste
openbaring van het Oosten. Heeft hij zich van dat Oosten voorstellingen
gevormd, aan de Duizend-en-eene-Nacht ontleend, dan wacht hem eene
bittere teleurstelling. Trouwens Alexandrië is toch ook maar half een
oostersche stad; het europeesche, het frankische element speelt hier
eene zeer gewichtige rol, en de frankische wijk verplaatst u in eene
der zuid-italiaansche steden. En bovendien, de stad is van haar vorigen
luister vervallen; zij is, ja, nog een belangrijk middelpunt voor den
handel, en misschien wacht haar nog eene groote toekomst, als eens het
kanaal door de landengte van Suez mocht voltooid worden [1]: maar wat
beteekent zij, vergeleken bij vroeger?
Het was een geniale gedachte van den griekschen veroveraar, hier, aan
den ingang van Egypte, aan den oever der Middellandsche zee, de groote
handelstad te stichten, die het hart van drie werelddeelen worden zou.
Lag zij niet als in het middelpunt tusschen Azië, Afrika en Europa; in
het middelpunt der toenmalige grieksche wereld? En wel bewees de
uitkomst dat het genie van Alexander den Groote hem niet bedrogen had;
want zijne stad Alexandrië werd niet alleen de eerste koopstad der oude
wereld, maar werd ook, in meer dan een opzicht, eene metropolis van het
Oosten; eene kweekplaats van wetenschappen en kunsten, die zelfs met
Athene wedijveren kon. In de scholen van Alexandrië vond de helleensche
geest nieuw voedsel in de studie der aloude oostersche wijsheid; daar
ontwikkelde zich, als vrucht van beider ontmoeting, die eigenaardige
wijsbegeerte, die zoo veelbeteekenenden invloed op den gang der
philosophische ontwikkeling heeft uitgeoefend; daar vond de dichterlijk
dwepende bespiegeling van het neo-platonisme haar laatsten tolk in de
schoone en ongelukkige Hypatia; daar streed het wegstervende heidendom
zijn laatsten kamp tegen het zegevierend Evangelie. Want dit Alexandrië
heeft nog andere herinneringen dan van half-droomende theosophen en
diepzinnige wijsgeeren, die zich uitputten om in nevelachtige
bespiegelingen het raadsel des heelals op te lossen; hier leeft ook nog
de heugenis der groote kerkvaders, der heldhaftige bisschoppen, die,
door eene onversaagde schare van monniken ondersteund, den strijd
ondernamen tegen het despotisme der Caesars, tegen de gruwelijke
verdorvenheid eener onuitsprekelijk verbasterde eeuw. Clemens,
Origenes, Athanasius, Cyrillus: wat grootsche gestalten uit den
bloeitijd der oostersche moederkerk; wat beelden uit een schitterend
verleden, toen dit zelfde Egypte eene der kweekplaatsen was van de
christelijke gemeente, en Alexandrië eene hoofdstad der christelijke
wereld. Die tijden zijn lang voorbij; de oostersche kerk, zelve
dienaresse der Caesars geworden, in onvruchtbare twisten hare eenheid
verscheurend en hare krachten verspillend, menschenvonden en
bespiegelingen stellende boven het Woord van God; de oostersche kerk is
machteloos en reddeloos gezonken voor het zwaard der Moslemen, en de
koran heeft ook in Egypte den bijbel verdrongen. Toen is het geestelijk
leven geweken, en daarmede beschaving en wetenschap en vooruitgang;
straks volgde op den nog voor ontwikkeling vatbaren, den begaafden en
voor wetenschap niet onverschilligen Arabier de ruwe barbaar, de Turk;
en ook over Egypte daalde de nacht neder, die overal de vestiging der
turksche heerschappij volgt. Eeuwen aan eeuwen van ellende en slavernij
zijn over dit ongelukkige land heengegaan; is het wonder dat het
geworden is wat het is? En is daar nu een betere toekomst aangebroken?
Ach, ik weet wel, sinds de europeesche, met name de fransche diplomatie
er belang bij had, de oproerige pogingen van den ouden tyran
Mehemed-Ali te ondersteunen, om zich zoo doende vasten voet in Egypte
te verwerven;—is daar zeer veel geschreven over de zegepraal der
westersche beschaving, over hervorming en vooruitgang; is de gansche
voorraad uitgeput der klinkende phrasen en groote woorden, waaraan onze
eeuw zoo rijk is, om te vermelden wat goeds en voortreffelijks bereids
door het geslacht van dien albaneeschen soldaat is verricht en nog
verder verricht zal worden;—maar, van nabij beschouwd, wat blijft er
over van al dien roem? Heeft deze geheele schepping van Mehemed-Ali,
deze zoogenaamde hervorming naar westersche, vooral fransche
voorbeelden, wel eenige waarheid? hangt zij niet volkomen in de lucht?
en blijkt ze niet, hoe langer hoe meer, in het wezen der zaak niet veel
anders te zijn dan eene georganiseerde exploitatie van land en volk ten
bate van de achtenswaardige familie van den Onderkoning, diens
gunstelingen en de altijd aangroeiende schaar van fortuinzoekers en
intriganten, uit alle oorden van Europa, maar voornamelijk uit
Frankrijk en Italië, naar herwaarts gesneld, om, onverschillig hoe, zoo
spoedig en zoo goed mogelijk hunne beurs te vullen? Het wemelt hier in
Alexandrië en te Kaïro van deze lieden, die zich overal weten in te
dringen en meest uitnemend goede zaken doen. Het is niet te
verwonderen, dat zij een luiden jubelkreet aanheffen over den grooten
vooruitgang in dit land, dat zij alom den roem verkondigen van de
verlichte liberale egyptische regeering, dat zij alle dingen hier in
rozenkleur zien en schilderen. Doch moeten deze lieden, waarvan
onderscheidenen zelfs hun geloof hebben afgezworen en Mohammedanen zijn
geworden, moeten deze lieden de dragers zijn der christelijke
beschaving? moeten zij de dorre doodsbeenderen in het land der Pharao’s
weder tot nieuw leven bezielen? Wel, God beware Egypte voor hunne
handen! Beter, veel beter nog de doodslaap, de echt oostersche apathie,
waarin dit land sinds eeuwen verzonken ligt, dan de verachtelijke
bedrijvigheid onzer moderne fortuinzoekers en goudaanbidders; dan het
luidruchtig en onvruchtbaar rumoer onzer politieke intriganten en
zelfzuchtige wereldhervormers. Zal Egypte herleven en wederom eene
plaats onder de volkeren der wereld innemen, voorwaar, dan moet de
redding van elders komen dan van Ismaïl-pasja en zijne half-turksche,
half-frankische omgeving!
Vernederd en ontkroond ligt zij daar, de eenmaal zoo heerlijke
metropolis, het afrikaansche Rome; vernederd en ontkroond zit zij neder
op haar smalle landtong, ingesloten tusschen de doodsche woestijn en de
prachtige zee, te midden der verspreide bouwvallen harer vroegere
grootheid, droomende van haar schitterend verleden. Hoe weinig is haar
gebleven van de heerlijke kunstgewrochten, die haar eens sierden, toen
hare trotsche muren den ganschen wijden omtrek omspanden tusschen hare
beide havens en het meer Mareotis. Van het serapion, van het Museum,
van haar prachtige tempels, is geen spoor meer over. Ginds op het gele
strand ligt, te midden van puinhoopen, de naald van Cleopatra neder, de
rozekleurige obelisk, met wonderlijke hiëroglyphen gegraveerd; verder
nog, op het arabisch kerkhof, verrijst van tusschen de graven, de
eenzame zuil van Pompejus, en teekent zijn scherpen omtrek in de blauwe
lucht: stomme getuige van vervlogen heerlijkheid. Dat is alles, of
bijna alles: want de zoo genoemde katakomben zijn geen bezoek waard.
Wilt ge u evenwel voor een poos in het verleden terug droomen, begeef u
dan naar de tuinen, die het paleis van den Onderkoning omringen en
gedeeltelijk voor het publiek toegankelijk zijn. De slanke stammen der
bananen schieten in schilderachtige wanorde uit den grond op, en
verheffen allerwege hunne saamgerolde schachten en zacht omgebogen
groene bladeren. Hier en daar dringt een tamarisk met zijne gevederde
bladerkroon door het dichte gewelf: ieder windje dat van de woestijn
aan komt ruischen, ontplooit den prachtigen vederbos in de heldere
lucht. Eene lauwe schemering, van licht doortrokken, omgeeft u van alle
zijden. Door de openingen glijden de zonnestralen als een gouden regen,
en spelen in het weelderig, warm halfdonker der geheimzinnige
schaduwen. Het is hier heerlijk: onwederstaanbaar bekruipt u de
begeerte hier neder te zitten, u geheel over te geven aan den invloed
dezer tooverachtige natuur, en het leven langs u heen te laten vlieten,
zoo als eene beek hare golfjes vlieten laat, zonder zorg en bekommering
over iets wat daar buiten in de wereld geschieden mag. Als ge hier
toeft, zoudt ge bijkans met Madame de Gasperin zeggen: „Je comprends
les Alexandrins rêveurs.”—Aan de poort van dit Eden heerscht de dood.
Het arabische kerkhof verliest zich, in zachte golvingen, in de zandzee
der woestijn. Verder verheffen zich langs het strand de gele heuvels,
waarover de dromedarissen in lange rijen heentrekken: hunne hooge
gestalten teekenen zich, reusachtig groot, tegen den helderen horizon;
daarachter ruischt de zee.
De haven van Alexandrië levert een eigenaardig gezicht op. Niet zoodra
is de stoomboot voor anker gekomen, of van alle kanten komen booten en
schuiten opzetten, bemand met lieden van allerlei natie en voorkomen,
bereid om ons naar land te voeren, bij het ontladen behulpzaam te zijn,
of op eenige andere wijze zich verdienstelijk te maken. Het is een
levendig, bont, kleurenrijk tafreel. Arabieren, Fellahs, Nubiërs,
Negers, Turken: hier kunt gij ze allen zien in hunne eigenaardige
kleederdracht, met geheel den stempel hunner eigene nationaliteit. Want
dit is een kostelijk voorrecht van het Oosten, dat daar ieder volk,
bijna zeide ik iedere stam, nog zijne eigenaardige individualiteit
behouden heeft; dat daar nog niet die allen gelijkmakende eenvormigheid
is doorgedrongen, die bij ons alle verscheidenheden uitwischt, op alles
denzelfden banalen stempel drukt, en alle poëzie en vooral al het
pittoreske, schilderachtige, oorspronkelijke, reddeloos verwoest. Zie
eens rondom u, en vermeid uwe oogen in het aanschouwen dier oostersche
figuren, dikwijls, ja, in smerige lompen gehuld, maar ook dan nog
altijd schilderachtig. Zie, hoe goed die doordringende oogen, die fijn
gevormde ernstige trekken, en die welbesneden adelaarsneus uitkomen
onder de plooien van dien groen en wit gestreepten burnoes, waarvan de
kap over het hoofd is geworpen en met een koord omwonden. Wat
wonderlijk weemoedige, geheimzinnige uitdrukking ligt er op het donker
gelaat van gindschen Fellah, achteloos tegen dien muur geleund, en
wachtende of gij zijne diensten ook behoeven zult. In zijne groote
donkere oogen en een weinig vooruitstekende lippen meent ge inderdaad
de type te herkennen der oude Egyptenaars, wier afstammeling hij heet
te zijn.—Drukte en beweging aan alle kanten. Zoo het u eindelijk gelukt
is, ongedeerd aan land te komen, zie dan toe, dat ge u redt uit de
handen der luid schreeuwende gidsen, pakkedragers, ezeldrijvers en
dergelijken, die u omringen, op u aandringen, u in allerlei taal, meest
in bastaard fransch of engelsch, toeschreeuwen, en u bijna met geweld
medevoeren. Het gebeurt dikwijls genoeg, dat ge, ook uws ondanks, tot
den stok uw toevlucht moet nemen, of de hulp inroepen der
policie-soldaten, die op de kaaien wacht houden. Zijt ge eindelijk door
dien schreeuwenden, vechtenden, dringenden drom heengeworsteld, dan
begeeft ge u naar een der hôtels in de frankische wijk, om daar uw
intrek te nemen en uwe plannen voor de verdere reis te ontwerpen.
Ook ik deed zoo, schoon het mijn voornemen niet was langer dan hoog
noodig in Alexandrië te vertoeven. De stad had zeer weinig wat mij
aantrok: de onder Mehemed-Ali aangelegde en weder half vervallen werken
konden mijne belangstelling niet wekken; het heden is hier bij
uitnemendheid dor en prozaïsch, en van het verleden zijn maar luttel
sporen overig. Zoo geschiedde het dan, dat ik reeds den derden dag na
mijne aankomst te Alexandrië mij gereed maakte tot den tocht naar het
binnenland, naar de hoofdstad, naar Kaïro. Hoe ik die reis zou doen,
was haast geen vraag meer: een spoorweg verbindt de beide steden met
elkander; en hoezeer mij in het klassieke land der Pharaonen een
spoorweg nog meer dan elders een gruwel was, zag ik mij toch wel
verplicht er plaats in te nemen, omdat haast iedere andere geschikte
reisgelegenheid ontbreekt. Ik steeg dan in een spoorrijtuig en liet mij
naar Kaïro voeren.