Vrome! die, in nedrigheid,

Heil op 't eenzaam pad verspreidt,

In uw lot en stand tevreden...

Ruil ze niet voor ijdlen schijn,

Bloemelijn!--

Zalig hij, die, hierbeneden,

't Eenzaam bloempje in 't woud mag zijn!

GEBROKEN.

Dat ruikertje staat mooi genoeg,

't Staat allerliefst.... o maagdelijn!

Maar weet ge wel, dat morgen vroeg

De geur en kleur verwelkt zal zijn?

Och! dat gij niet méér meêlij hadt

Met zooveel kostlijk bloesemblad!

Zoo 't bloempje op stam gebleven was,

Het waar' misschien tot vrucht gegroeid,

En zelfs met water in een glas

Had het nog dagen lang gebloeid;

Maar nu--een uur of wat--hoe kort!

En 't arme bloempjen is verdord.

Zoo is 't ook met des levens vreugd!....

Wie al te veel op eens begeert,

Die ziet al spoedig, lieve jeugd!

Hoe gaauw 't verflenst is en verteerd!

Verlangt gij, dat er vrucht van koom?...

Zoo breek de bloem niet van den boom.

KORENBLOEMEN.

Blaauwe bloemetjes in 't koren!

Aardig staat gij tusschen 't graan;

Maar een plekje gaat verloren,

Waar een rijke halm kon staan.

Lieflijk sieraad moogt ge wezen;

Maar, zoo ge al te welig groeit,

Zou ik (en met reden) vreezen,

Dat ge gaauw wordt uitgeroeid.

Als de landman in de voren

Kostbre korrels heeft gezaaid,

En, in plaats van voedzaam koren,

Niet dan blaauwe bloempjes maait,

Zal hij 't land onvruchtbaar noemen,

Dat zoo schralen oogst hem gaf--

En hij snijdt met regt uw bloemen

Als verdervend onkruid af.

Daarom, bloemetjes in 't koren,

Weest een siersel, niet een last!

't Best van d'akker gaat verloren,

Waar gij al te welig wast.

Wilt ook ons de leering geven:

"Nut moet vóór genoegen gaan,

En 't vermaak in ieders leven

Zij eene enkle bloem in 't graan!"

KORENÄREN.

Korentje, dat er zoo weelderig wast!

Hoe zijn uw halmen zoo dun en zoo spichtig?

'k Zie ze daar ginder wel dubbel zoo wigtig,

Schoon er hun lengte niet half bij u past;

Toch staat ge lekker in 't kleijige land,

En 't is daar ginder meest allemaal zand.

'k Vrees, als de landheer zijn koren vergaârt,

Dat hij niet eens u tot schoven laat binden;

Dat hij maar stroo en maar sprieten zal vinden,

D'akker en 't oogsten en dorschen onwaard';

Dat hij, te onvreden hoe weinig je gaf,

Mooglijk uw halmen in 't vuur gooit bij 't kaf.

't Vette der aarde, dat was u gegund,

Mits ge ook een dubbeltal korrels zoudt geven;

Niet, om alleen voor u zelf maar te leven,

En om te groeijen zoo hoog als ge kunt;

Niet, om te worden tot nutteloos stroo,

Hadt ge die plek en dat akkertje zoo.

Korentje, dat er zoo weelderig wast!

Mogten toch velen uit dorpen en steden

Met me dat paadje langs je akker betreden,

Ligt dat uw voorbeeld op enklen wel past:

Ik voor het minste, dat staat bij me vast,

Zal er om denken, hoe weeldrig gij wast.

DE KROMME BOOM.

Wel, boom, wat zijt ge krom gegroeid!

't Is haast, alsof gij om wilt zakken;

En hoe verward zijn al uw takken,

Alsof gij nooit nog waart gesnoeid;

't Is waar (ik zeg het zonder schroom)

Ik vind je leelijk, kromme boom!

--Ja, kind! het is zoo als gij zegt,

Ik moet mij zelv' óók leelijk vinden:

Had ik mij vroeger laten binden,

Dan was ik nu niet krom, maar regt;

'k Was dan misschien een pronk van 't woud...

Nu ben ik slechts onbruikbaar hout.

Nog gistren ('k hoorde 't met verdriet)

Zeî tuinman: "Waart ge jong gebogen,

Dan stondt gij als een lust der oogen;

Nu zijt ge brandhout, anders niet!"

Gij vindt mij leelijk, lieve kind!....

Zorg, dat geen mensch 't ook U eens vind'.--

DE WIJNRANK.

Gij, arme wijnrank! lig je daar

Zoo vuil te slingren langs den grond?

Wat zijn uw druifjes klein en naar,

Onrijp, en zeker ongezond!

Kom, als ik je aan de schutting bond,

Dan raakte je misschien weêr klaar.

--Neen! 'k vrees, mijn kind! 't is nu te laat....

Wanneer dat iemand had gedaan,

Toen 'k jong en sterk was--en in staat

Om frisch mijn ranken uit te slaan,

Dan zou ik nu vol vruchten staan,

Zoo zoet en geurig als muskaat.

Och! 't gaat me als menig' armen man,

Die niet in tijds geholpen wordt:

Die hulp komt later soms--maar dan

Schiet moed en lust en kracht te kort....

Steun dus de wijnrank eer zij dort,

En d'Arme, wen 't nog baten kan.--

BLOEMEN EN VOGELS.

De kleine bloempjes op de heide,

De kleine vogels in het nest,

Zij hebben 't óók niet altoos best,

Maar worden dan toch groot op 't lest...

De Heer des Hemels zorgt voor beide;

En dikwijls waakt een vrome hand

Voor vogelijn en heideplant.

Dàn kunnen ze onbekommerd groeijen

En krachten putten uit den nood:

Des vogels lied juicht: "God is groot"!...

De plant geeft bloesems, wit en rood,

En zoete geuren onder 't bloeijen;

En beide danken God den Heer,

En wie hen kweekte, Hem ter eer.

Gij knapen, meisjes, dartle kleenen!

Gij wilde vogels, plantjes teêr!

Ook u beschermt des Hemels Heer;

Zijn Geest daalt in de harten neêr,

Opdat ze u hulp en schuts verleenen.

o Zingt en bloeit dan Hem ter eer,

Gij wilde vogels--plantjes teêr!

HAANTJE.

Haantje, haantje, koekeloer!

Wat een stappen,

Wat een grappen

Maak je, voor een handje voêr!

'k Denk, als Ik zoo'n spuls moest maken,

Eer ik wat te bikken had,

Eer ik aan den kost kon raken....

Dat ik liever nooit weêr at.

--Dwaze knaap, onnoozle bloed!

Al dat praten

Zoudt ge laten,

Waren je ouders niet zoo goed;

'k Zal, als te avond of te morgen

Ook Uw disch niet is gedekt,

En ge eens voor u zelv' moet zorgen,

Zien, wat voor gezigt gij trekt.

Als gij de ouders eens verliest,

Die u geven

Om te leven,

Zal het blijken wat gij kiest;

'k Denk, dan maakt ge, onnoozle jongen!

Zoo ge ondankbaar blijft en traag,

Nog wel àndre kromme sprongen

Voor het vullen van uw maag.--

DE MIEREN.

Wilt gij in uw jonge jaren

Wijsheid gâren,

Komt dan, kinders, komt dan hier!

Ziet die rappe, kleine mier

Slaven, draven, gâren, sparen,

Of ze 't deed voor haar plêzier....

Jongens! wat een aardig dier!

Zoo te werken, zoo te zwoegen,

Is genoegen

Om te zien en om te doen:

Voorraad, in het goed saizoen,

Voor den winter zaâm te voegen,

Als er vruchten zijn noch groen....

Kinders! 'k raad je 't ook te doen.

Luije meisjes, luije knapen!

Gapen, slapen.....

Doet gij 't in uw' jonger' tijd,

'k Vrees, dat ge ouder honger lijdt.--

Leert ge dus geen voorraad rapen,

'k Zeg u: dat ge (tot mijn spijt)

Dommer dan de mieren zijt.

ZOET EN BITTER.

De bij gaart uit den zoeten knop

En uit het bittre kruid

De reinste en beste sappen op

En puurt er zuivren honig uit:

'k Hoop niet, dat iemand dommer zij,

Mijn kind! dan zulk een kleine bij!

De goede God gaf u verstand,

En kloekheid van gemoed,

Een scherpziend oog, een rappe hand,

Een fijn gehoor, een' vluggen voet....

En wat de bij, onwetend, kan,

Daar weet Gij doel en oorzaak van.

Dus--ziet gij 't aardig diertjen aan,

En hoe 't zijn taak verrigt,

Zorg dan om niet beschaamd te staan,

Maar doe, met dubblen lust, Uw' pligt;

En vindt ge zoet of bitter kruid,

Och, puur er steeds den honig uit!

HET DOODE MUGJE.

Dood is het mugje!.... met uw hand

Hebt gij 't, o knaapje! doodgeslagen;

Maar dacht ge wel, mijn jonge kwant!

Hoe of 't u zelven zou behagen,

Wanneer nu eens een olifant

U 't zelfde deed, met snuit of tand?

Ja, zie! nu doet het u verdriet;

Nu hebt ge rouw, dat gij zoo-even

Dat arme beest niet leven liet.

Voor ditmaal zij het u vergeven!--

Maar doe dan ook een' ander' niet

Wat gij niet wilt, dat u geschied'.

GLIMWORM.

Gij mooije glimworm, die in 't woud

Des nachts zoo helder blinkt door 't hout,

Alsof het sappig groen der bladen

Met diamanten is beladen,

Och! zeg me eens (zoo ik 't weten mag)

Waarom glim je ook niet over dag?

Als Ik zoo prachtig licht kon geven,

Dan deed ik 't vast mijn heele leven,

En niet alleen, dat waar' gewis,

Als 't donker is.

--Wel, kind! ik zeg 't je met plêzier;

En, ben ik maar een simpel dier,

Toch kunt ge er mooglijk nut uit halen...

Wanneer de warme zonnestralen

Een stroom van licht, een stroom van goud

Doen vloeijen over veld en woud,

Zou 'k vreezen heel verwaand te 'lijken

Als ik mijn' zwakken glans liet kijken;

En deed ik 't al... 'k wed, dat bij dag

Toch niemand 't zag.

Och! denk om mij, mijn lieve kind!

Als gij bij andren u bevindt,

Die, als een zon, met warme stralen

Van liefheid, deugd of kennis pralen;

Hoû dan bescheiden 't mondje toe

En wacht, gelijk ik zelf het doe,

Tot gij, wanneer die andren zwijgen,

In ootmoed ook een beurt kunt krijgen....

Slechts als ge er nut of vreugd door sticht,

Geef dan uw licht.--

ZWAANTJE.

Zwaantje, met uw witte pluimen,

Met uw vlerken groot en wijd!

'k Zie het wel, hoe trotsch ge zijt,

Als ge 't water zoo doet schuimen!

Al de vogels klein en teêr

Jaagt gij weg van beek en vlieten,

En de schuchtre vischjes schieten

Haastig in de diepte neêr.

Mooi, dat zijt ge boven velen,

Slank en statig buiten kijf;

Kostbaar dons bedekt uw lijf;

Maar, wat kan dat andren schelen?

Zie dien kleinen nachtegaal,

Graauw en pover in de veêren,--

Maar wat kan hij kwinkeleren....

Zwaanlief! hè! dat 's meer dan praal?

Zwaantje! wilt gij nedrig wezen,

'k Wed, dat gij, door heel de streek,

Als het siersel van de beek

Wordt bewonderd en geprezen:

Maar blijft gij zoo trotsch en fier,

'k Zeg dan, als ik u hoor gagglen

En op ganzenpoot zie wagglen....

Och, 't is toch een ak'lig dier!

OOIJEVAAR.

Ooijevaar, lepelaar!

'k Zit zoo graag naar u te kijken,

Als gij (dragend dat ge zweet)

Door de heldre lucht komt strijken--

En van rust noch poozen weet,

Voor' uw nest, geheel gereed,

Hoog in d'eikenboom mag prijken.

Ooijevaar, lepelaar!

Als ge dan nog vele weken

Zoo geduldig de eijers broedt,

En--als 't jong er uit komt breken,

't Met zoo trouwe liefde voedt,

Zie, dan vind ik u zóó goed,

Dat ik 't haast niet uit kan spreken!

--Lieve vrind, aardig kind!

'k Dank u voor uw vriendlijkheden!

Maar, hebt gij weleens bedacht,

Wat Uw Ouders voor U deden

Sinds men u ter wereld bragt,

En hoe ze altijd, dag en nacht,

Nòg hun moeite aan u besteden?

Lieve vrind, aardig kind!

Breng het telkens u te binnen:

Ik zorg weinig maanden maar,

Zie!.... doch de ouders, die u minnen,

Zorgen reeds zoo ménig jaar....

Dàt is liefde en trouw, voorwaar!

Die 't van mijne ver nog winnen!--

EEN MIDDAGSLAAPJE.

Wie rusten wil in 't groene woud,

Wie rusten wil met lusten,

Hij kieze een plekje, digt in 't hout

En vlijê zich tot rusten;

Een peluwtje van mollig mos,

Een kussentje van varen

En een gordijn van blâren.....

Geeft zoeten middagslaap in 't bosch.

De hemel van het ledekant

Blinkt prachtig-blaauw door 't loover,

De heesters slingren om den rand,

De bloesem hangt er over;

Het koeltje fluistert met de vliet,

De dartle vlinders spelen,

De nachtegalen kwelen....

Is 't niet een lieflijk wiegelied?

En 't best is: dat het groene woud

Met koelte en rust u lavend,

Van u geen zilver vraagt of goud,

Al slaapt gij tot den avend;

't Vraagt enkel: zijt gij mat, of moê?...

De slaapsteê is voor allen!

En is ze u goed bevallen,

Dan krijgt gij 't avondgoud nog toe!

DOEN EN LATEN.

Wat ge doet of niet en doet,

Flinke jongens, knappe meiden!

Laat Voorzigtigheid den Spoed

Zachtjes bij de hand geleiden;

Maar denkt altijd, dat gij 't Kwaad

Haast wel nooit te langzaam laat.

Wat ge laat of niet en laat,

Knappe deerens, flinke knapen!

Haastig geef Voorzigtig raad,

Niet, bij ondeugd, in te slapen;

Och! denkt altijd, dat gij 't Goed

Haast wel nooit te langzaam doet.

Wat ge laat of wat ge doet,

Flinke jongens, knappe meiden!

Zij niet sneller dan het moet:

Doch, wil iemand u verleiden

Tot iets boos--zegt dàn, met spoed:

"'k Ben, voor kwaad doen, veel te goed!"

ZWEMMEN.

Wilt ge koeling voor den gloed

Van de felle Zomerzon?

In het vocht van de bron,

In den stroom, in den vloed...

Knapen!--in de frissche wellen

Voelt ge uw kracht zich weêr herstellen,

Als het nat

U omspat!

Duik omlaag en spring omhoog,

Klief den stroom met forsche spier,

Wend en keer, zwenk en zwier....

Als een pijl van den boog

Knapen! moogt ge voorwaarts schieten;

't Zal u kracht in de aders gieten,

Als het nat

U omspat.

Blijv' de bloodaard aan het strand,

Blijv' de lafaard op den dijk,

Waterland, Waterland,

Gij zijt ons Koninkrijk!

Uit het diepste van de stroomen

Is Oud-Neêrlands kracht gekomen;

Haal dien schat

Weêr uit 't nat!

REGTOP.

Regtop van lijf, regtop van ziel,

Dat is een stand naar mijn behagen.

't Zij, dat ge een' staatsierok moogt dragen,

't Zij, dat ge een' buis draagt of een kiel...

Regtop van lijf, regtop van ziel!

En buig' men ooit zijn hoofd of knie,

't Zij dan alleen voor God, den Heere!

Voor elk, wien men als braver eere,

Voor ieder, dien men wijzer zie....

Voor die slechts buig' men hoofd of knie.

Maar anders--regt van lijf en ziel,

In vreugd of leed, door heel ons leven!

Niet links, niet regts, maar 't hoofd geheven,

Wat of er buig', wat of er kniel'....

Dat 's Nederlandsch, naar lijf en ziel!

DE LANGSTE DAG.

Almanak,

Leugenzak!

Och, 't is klaar,

Je fopt ons maar;

Slechts één langste dag in 't jaar?

Als men mij om raad woû vragen,

Maakte ik honderd langste dagen.--

Wie het eerst ten bedde uit was,

Maakt den langsten dag;

Wie het knapst en vlijtig was,

Maakt den langsten dag;

Wie de liefste en braafste was,

Maakt den langsten dag.

Dat kan je immers alle dagen,

Driemaal honderd zestig keer,

Ja, al was het vijfmaal meer,

Zonder d'Almanak te vragen:

Deedt gij 't flink en met verstand,

Ware 't ook maar honderd malen,

Laat ons dan in koor herhalen,

Vrolijk dansend hand aan hand:

Almanak,

Leugenzak!

Och, 't is klaar,

Je fopt ons maar;

Slechts één langste dag in 't jaar?

Als men ons om raad wil vragen.

Zijn er honderd langste dagen!

MEDICIJN.

Weet ge 't?--bitter in den mond

Is voor 't kranke hart gezond!

Ril niet voor dat leelijk drankje;

Slik het kloek en handig door,

Laat geen' druppel gaan te loor;

'k Wed, ten laatste zeg je: dank je!

Weet ge 't?--bitter voor 't gemoed

Is der kranke ziele goed!

Moog' ook 't slikken moeilijk wezen,

Als ge beter weêr zult zijn,

Dankt gij voor die medicijn,

Die zoo goed u heeft genezen!

VOORZIGTIG.

Kindren, brandt je bekje niet!

Beter is 't wat hard geblazen,

Kleine bazen!

En een beetje meer geduld,

Dan te krijgen door uw schuld

Hier een blaar en daar een' bult.

Kindren, brandt je handjes niet!

Beter is 't niets aan te raken,

Kleine snaken!

Dan te merken naderhand,

Tot uw schaê en tot uw schand',

Dat ge uw pootjes hebt gebrand.

Kindren, brandt je hartjes niet!

Dat zou 'k nog het ergste vinden,

Kleine vrinden!

Dat geeft vlekken, bruin en zwart,

Dat geeft plekken, ruw en hard,

Dat geeft eeuw'ge rouw en smart.

SMAKELIJK ETEN.

Wie 't lekkerst eet en altijd graag.....

Dàt weet ik en ter dege:--

Die daaglijks van zijn volle maag

Iets afhoudt voor een leêge!

Het beste middel tot aptijt,

Dat 'k ooit nog heb geweten,

Dat is: een' man, die honger lijdt,

Eens smaaklijk te zien eten!

Of gij dus weinig hebt of veel....

Mogt gij regt smullen willen,

Laat dan het halfjen of een deel

Der armren honger stillen.

MATIG.

Al te veel is ongezond!

Lieverts, zult gij 't niet vergeten?

Watertandt uw kleine mond

Bij een' schotel lekker eten,

Hangt de tak tot aan den grond,

Moogt ge plukken naar behagen....

Denkt er om, gij, grage magen!

Al te veel is ongezond.

Nu zal Moeders vriendlijk oog

U nog wel met zorg bewaken

(Welk een trek uw hart bewoog)

Dat gij 't niet te bont zult maken;

Maar, wanneer gij grooter zijt,

En niet jong hebt willen leeren

Maat te houden in 't begeeren,

Raakt ge lust en welvaart kwijt.

Al te veel is ongezond!

Zie, dat geldt voor alle zaken,

Die eens op dit wereldrond

U begeerig zullen maken:

Waakt dan over oog en mond,

Waakt dan over hart en zinnen,

En brengt telkens u te binnen:

Al te veel is ongezond!

VAN EEN AAPJE.

Ik ken een aapje, loos en vlug,

Een baasjen onder de apen;

Een rokjen dekt zijn' slanken rug,

Een hoedje dekt zijn slapen;

Wanneer hij voor zijn hokje staat,

Denkt gij een' Heer te groeten,

Maar als hij aan het klimmen gaat,

Ziet gij zijn bloote voeten:--

En wat ge dan nog verder ziet,

Dat zeg ik niet....

Of waarom zou ik woorden spillen?....

Gij weet toch, Jongens (Meisjes)! wat men ziet,

Als apen hoogop klimmen willen.

Gij, aardige aapjes, klein en groot!

Die hoedjes draagt en rokken,

Och! denkt'reis aan uw beentjes bloot

En blijft wat bij uw hokken:--

Wie hooger zijn wil dan zijn staat,

Of meer dan zijns gelijken,

(Gij kunt er vast op gaan) die laat

Zijn bloote beenen kijken:

En wat ge dan nog verder ziet,

Dat zeg ik niet....

Of waarom zou ik woorden spillen?....

Gij weet toch, Jongens (Meisjes)! wat men ziet,

Als apen hoogop klimmen willen.

DUINLIED.

Lustig gesprongen door 't mullige duin,

Lustig gezongen op helling en kruin;

Hoor, in ons lied stemt het lied van de streek:

't Bruisen der zee en het ruischen der beek.

Holland, zoet Holland! hoe zwelt ons het hart

Daar, waar uw duinwand de zeevloeden tart,

Waar al de schat van uw' weligen tuin

Grenst aan de dorheid van 't stuivende duin.

Nedrig van buiten, maar rijk in uw borst,

Zijt ge, zoet Holland! door duinen omschorst;

Wat u belaag' op den vloed of op 't land,

Zwichte, als de golven voor 't schuttende zand!

VADERLANDSCH LIED.

Komt, knapen en meisjes! verheft nu in koor

Den grond, die uw wieg heeft gedragen;

Uw lied klink' de beemden van 't Vaderland door,

Dat de oogen op u houdt geslagen:

Dat Vaderland eert en verheerlijkt gij nu,

Eens, hopen wij, eens zal het fier zijn op u.

In moed en in kennis, in vroomheid en deugd,

Was 't eenmaal het sieraad der aarde;

Die glorie verbleekte; maar 't wacht van Uw jeugd,

Dat gij het herstelt in zijn waarde:

Dan--als gij het eert en verheerlijkt als nu,

Dan zal eens dat Vaderland fier zijn op u.

KLOEK EN BLANK.

Kloek van ligchaam, kloek van geest,

Zijn de Nederlandsche knapen

Steeds geweest!

Op dan, Jongen, niet geslapen!

Oefen oog en oor en hand,

Rek uw pezen, staal uw spieren,

Streef naar kennis en verstand!--

Goede zeden, goê manieren,

Scherpe zinnen, sterke spieren,

Zijn de steunsels van een Land!

Blank van ligchaam, blank van ziel,

Was het, wat in Neêrlands maagden

Steeds geviel!

Meisje!--wie er Gistren klaagden:

"t Was slechts zóó in Ouden tijd!"

Doe hun 't Heden anders blijken!

Laat die nijders, tot hun spijt,

Hoe ze turen, hoe ze kijken,

Schaamrood vonnis moeten strijken:

Dat ge zonder smetjes zijt!

Och! bedenk het, jong geslacht!

In Uw harten, in Uw handen,

Ligt de kracht,

Ligt het heil der Nederlanden!

Houd dan beiden kloek en blank...

't Land, waarin gij zijt geboren,

Geeft ge nimmer beter dank,

Voor het goede aan u beschoren,

Dan, dat we als uw lofspraak hooren:

Kloek is 't ligchaam,--'t hart is blank!

VOLHOUDEN.

Stapje voor stapje, dat vordert toch:

Denk het in 't goede, denk het in 't kwade,

Denk het bij voordeel, denk het bij schade:

Meestal, mê-jongen, vergat gij het nog!

Vliegen of stilstaan... gij kent maar geen midden,

Wat ik moog' praten en raden en bidden.

Drupje voor drupje, waar 't vallen kan,

Maakt wel een kuiltjen in 't hart van de steenen;

Gudst er het nat in een' stroom overhenen,

Och, het loopt weg en gij ziet er niet van;

Daarom bedenk het, bij al uw beginnen:

Sparen doet gâren... wie volhoudt, moet winnen.

EEN VIJAND.

Jongens! als een Vijand kwam

Om ons Neêrland te overheeren,

Iedre jongen, wed ik, nam

(Vond hij sabels noch geweren)

Tang of asschop in de hand

Tot behoud van 't Vaderland.

Durven Meisjes ook niet veel....

'k Denk dat zij (in zulke tijden)

Toch nog met een bezemsteel

Voor ons Neêrland zouden strijden;

Ja zelfs met een ragebol

Joegen zij 't gespuis op hol.

Zeg eens, kindren!--zoudt ge niet?

Nu.... dan zal ik 't U maar zeggen

Dat mijn oog een Vijand ziet....

Die (met listig overleggen)

Reeds ons arme Vaderland

Lang, ter sluips, heeft aangerand.

Wilt gij weten, wie hij is?....

't Kwaad, dat insloop in uw zielen!

Dat, als 't overwint, gewis

Eens ons Neêrland zal vernielen!

Op dan--helpt het Land uit nood,

Kindren! slaat den Vijand dood!

TREUZELTJE.

Treuzelaartje! treuzelaartje!

Altoos, altoos tijds genoeg....

Schaam je wat--als iemand vroeg:

Heb je een aardje naar je vaârtje?

Was je moederlief zoo traag?....

Zeg, wat antwoordt ge op die vraag?--

Maar, voor 't antwoord (had ik 't graag)

Dien ik zelf nog wel te zorgen,

Want ook dáárin zijt ge traag!.....

't Luidt:--"Kom ik er niet van daag,

Och! dan kom ik er toch morgen!"

Neen, mijn liefje!... met geteuter

Komt ge er ook op morgen niet!--

't Geeft u eens nog zielsverdriet

Dat gepeuter en geleuter!

Als ge nadert aan den dag,

Die nog nooit een morgen zag,

Zal, in vruchteloos geklag,

De verloren tijd u rouwen....

Liefje! nu 't nog wezen mag,

Och! gebruik nu uur en dag,

Steek de handen uit de mouwen!

Treuzelaartje, treuzelaartje!

Anders zijt ge lief en goed;

Maar, ik bid je, maak wat spoed:

Of dat snaartje heeft een staartje!

't Klinkt nu nog als jokkernij;

Maar, arm kind! voor u en mij

Kwam er vreeslijke ernst wel bij,

Zoudt ge eens Andrer hulp behoeven....

'k Smeek dus: maak me haastig blij!

En--moet er getreuzel bij....

Treuzel enkel.... in 't bedroeven!

KRINGETJES IN 'T WATER.

Kittelsteentje, rond en glad,

Als gij plompt in 't klare nat,

En het water

Met geklater

Paarlend uit elkander spat,

Zijt ge pas der hand ontgleden,

Of ge wiggelt naar beneden.

Doch, waar 't vocht u heeft omvat,

Komt een kringetjen op 't nat;

Verder vloeit het,

Lang nog groeit het,

Eer het uit elkander spat:

't Wijst, hoe snel ge ook zinkt, aan allen

't Plekje, waar gij zijt gevallen.

Elk onthoû het steeds--het gaat

Even zoo met goed en kwaad:

Uren, Dagen,

Jaren, dragen

Nog het teeken van uw daad.

Och, onthoû het toch, mêvrinden,

't Plekje is lang nog weêr te vinden!

BEURTZANG.

In het groene loover

Zit een vogelijn,

Onder 't groene loover

Zit een maagdelijn;

't Vogeltje zingt boven,

't Meisje zingt beneên

Weltevreên!

En hun zoete stemmen

Smelten zacht ineen.

In de kruidjes luistert

Al het wollig vee,

In de blaadjes fluistert

Ieder koeltje meê;

't Vogeltje zingt boven,

't Meisje zingt beneên

Weltevreên!

En hun zoete stemmen

Smelten zacht ineen.

't Vogelkeeltje ontglippen

Liedren God ter eer,

En de maagdenlippen

Danken God den Heer;

't Vogeltje zingt boven,

't Meisje zingt beneên

Weltevreên!

En hun zoete stemmen

Smelten zacht ineen.

IN TIJDS.

Is uw vlerkje stuk geslagen,

Vogel, toen de stormwind kwam;

Bleef uw wol, onnoozel Lam,

Hangen aan de dorenhagen?

Vogel, 'k bid je, schuil dan wat

Als de stormwind zich doet hooren--

Schaapje, pas wat op den doren,

En zoek u een ander pad!

Wilde vogels, woeste knapen,

'k Zie wel, hoe ontvlerkt gij zijt....

Och! wat zijt ge al vlokjes kwijt,

Meisjes-lief, onnoosle schapen!--

'k Bid dan, dat ge willig hoort,

Dat ge intijds hoort naar vermanen;

Zuchten spaart het u en tranen....

Meisjes, Knapen, zegt het voort!

SNEEUWLIEDJE.

Blanke vlokjes, fijn en zacht,

Doe uw duizend-duizendtallen

Spoedig vallen....

De Aard' heeft u al lang gewacht.

Dek haar digt en warmpjes toe,

Dat ze eens van haar last en lusten

Uit moog' rusten....

Och! ze was zoo bitter moê.

Had ze niet het heele jaar

Onder zorg voor bloem en vruchten

Zitten zuchten--

Of het nimmer rusttijd waar'?

Eindlijk viel het arme schaap

Tusschen al 't verdorde loover

Achterover....

En in diepen, vasten slaap.

Ligt ze daar nu bloot en kaal,

Als de Winter met zijn vlagen

Aan komt jagen--

Dan bevriest zij heelemaal.

Daarom, vlokjes, fijn en zacht,

Dekt haar, tot ze moog' ontwaken,

Met uw laken,

Dekt haar met uw warme vacht.

Als het dan weêr Voorjaar is,

Springt zij uit uw donsen veêren

In de kleêren,

Even flink en even frisch!

DE HOLLE BOOM.

Wel, oude boom! zeg, zijt gij niet bedroefd,

Dat gij de zwakste zijt van allen,

Dat gij van zooveel kloven zijt doorgroefd,

En, enkel schors, bijna dreigt om te vallen?

'k Zie om u heen een heele laan

Van jonge, regte, gave boomen staan,--

Gij, uitgehold aan alle zijden,

Gij, dunkt mij, moet hun frischheid wel benijden!

--Och neen, mijn kind! ik heb al véél doorleefd;

'k Heb zestigmaal al vrucht gegeven,

En 'k heb gezien, wat kalme vreugd het geeft,

Zoo ge, even dankbaar, leert te sterven als te leven;

Ja, zelfs die holten in mijn' stam,

Waaruit de tijd mijn beste sappen nam,

Weet--dat ze, als in eens grijsaards armen,

Nog menigeen' beschutten en verwarmen.

Zie, in mijn kruin, hoe ik een nest bescherm,

Waar, rustig, 't jong gebroed kan tieren,

Hoe, lager weêr, een wilde bijenzwerm

De diepe kloof met honig in komt zwieren;

Hoe, aan mijn' voet, het wegeblad

De holte dekt, waar 't haasje veilig zat,

En, in mijn' wortel, tusschen rozen,

Het veldhoen zich een schuilplaats heeft gekozen.

Zoo heeft ook de Ouderdom zijn troost en vreugd,

Al neigt de dorre kruin ter aarde,

Wanneer zijn hart nog deelneemt in de jeugd,

Zijn rijpe ervaring haar voor leed bewaarde....

Dus, kind! zoo lang ik leven mag,

Verheug ik mij in iedren schoonen dag;

En (moet het!) ik zal willig vallen,

Als 'k, dood en levend, nuttig ware aan allen.--

VROEG VERWELKT.

Een Roosje zag ik bloeijen,

Geen schooner kan er zijn;

Een Maagdlijn zag ik stoeijen,

Het liefste maagdelijn!....

Wat was er te avond over?

Een lijk.... en dorrend loover!

Al de Kinderliederen · 第 3 / 5 段