Die voor mijn venster staat;
Hij zingt zoo vroeg, hij zingt zoo laat,
Ik hoor hem 's nachts nog in mijn' droom;
En 's morgens roept zijn heldre zang:
"Wat slaap-je lang, wat slaap-je lang!"
Wel, lieve, kleine nachtegaal!
Zeg, slaap-je zelf dan niet?
En 's nachts, wie hoort dan naar uw lied?
De menschen slapen allemaal!
Of zingt ge mooglijk voor den wacht.
Omdat hij oppast in den nacht?
De Meester zeît, als 't winter wordt,
Dan trekt ge ver van hier;
Och, kom maar binnen, aardig dier,
Als 't dan aan dek of eten schort!
Ik zal u koestren aan mijn zij,
En 'k laat u 's zomers vrank en vrij!
'T BINNENST.
Hoorde ik vogels kwinkeleren
In het stille, koele woud,
'k Zag dan eertijds naar hun veêren:--
'k Dacht, dat purper, blaauw of goud
Om het gorgeltje moest spelen,
Dat zoo hemelsch mooi kon kwelen.
Maar--mijn lieve nachtegaaltjes
Och! ze leerden mij alras,
Dat een keeltje graauw en vaaltjes
't Volst met schoone liedren was,
En bij 't heerlijkst klankgetoover
't Zedigst wegschool in het loover.
Zijt ge pover in de kleêren,
Arme knaap, arm maagdelijn!
'k Wil u lieven toch en eeren,
Toont ge, in 't hart, wat flinks te zijn:
'k Mogt van 't nachtegaaltje leeren,
Dat het niet zit in de.... veêren!
KLEIN SPINNEKOPJE.
Wel, aardig spinnekopje! wat ben-je bitter kleen!
Hoe durf-je zoo te loopen, en dat nog wel alleen?
Zeg, heb-je dan geen moeder, geen zuster of geen meid,
En niet als ik een bedje, waarin ge u 's avonds leît?--
Wel, aardig spinnekopje! als ik je eens bij me nam,
En gaf je een rozenblaadje voor avond-boterham;
Maar zult ge dan beloven, wanneer ge grooter zijt,
Dat gij die kleine vliegjes niet meer zoo vinnig bijt?
SPINNEWEB.
Of er de wind ook uw webbetje scheurt,
Of er een hommel doorhenen komt strijken,
En of het nogeens en nogeens gebeurt,
Spinnetje! nooit zit ge lustloos te kijken:--
"'t Wordt niet weêr heel, of men pruttelt of treurt!"
Denkt gij, en tijgt maar weêr pootig aan 't werk
En maakt uw webbetje dubbel zoo sterk.
Hoor eens, ik woû, dat Ik altijd zóó was,
Wierd soms mijn arbeid bevlekt of bedorven.....
Dat ik zoo lustig, zoo handig, zoo ras
Maar weêr verhielp, wat een aêr had verkorven;
Waarlijk, uw voorbeeld dat komt me te pas....
't Blijkt weêr: er is toch zoo leelijk geen beest,
Of 't is wel ergens nog nut voor geweest!
DE BIJENKORF.
Foei! stoute bij!
Wat steek-je mij!
Ik deed u toch geen kwaad:
Ik keek maar even hoe het gaat
En hoe het met uw korfje staat,
En of ge voor de winterdagen
Al menig vette honigraat
Hebt zaâmgedragen.
--Ja, kind! ik gaâr
Het halve jaar
Mijn' honig en mijn was;
Ik zwerf en vlieg langs beemd en plas,
En zoek de bloempjes in het gras
En op de hoogste heuveltoppen,
En zuig mijn' honig en mijn was
Uit alle knoppen.
En als ik dan,
Mijn kleine man!
Vermoeid naar huis toe dril,
En 'k zie daar sluipen, zacht en stil,
Een' knaap, die heimlijk snoepen wil,
Dan ben ik 't steken niet vergeten....
Want 'k meen, dat wie niet werken wil,
Ook niet mag eten.--
ONS POESJE.
Wel, poesje! wat is er uw velletje zacht,
Uw pootjes, die lijken fluweel,
Zoo wit is uw neus en zoo bont is uw vacht,
Gij spint er zoo goedig als ik met u speel,
Zoo aardige poesjes, die zijn er niet veel:--
Wat let me, dat ik je 'reis zoen!
Want weet-je, mijn dief! ik heb-je zoo lief!
Maar krabben, dat moet ge niet doen!
--Wel, vrind! met mijn pootjes zoo zacht als fluweel
Daar strijk ik mijn haartjes meê glad;
Ik wasch me wel telkens, ik wasch me wel veel,
Wie speelt er toch graag met een morsige kat?
En 'k heb van uw melk ook zoo dikwijls gehad;
Och, geef me gerust maar een' zoen:
En krabben, mijn vrind!--Gij zijt een zoet kind,
Dat zou ik de Stouterts maar doen.--
LORRETJE.
"Lorretje, kaporretje, kapoe!...."
Foei, ik hoû mijne ooren toe,--
Wat geschreeuw en wat getier,
Leelijk dier!
Hè! mijn heele hoofd is moê....
"Lorretje, kaporretje, kapoe!"
--Ja, mijn kind! al vindt ge het verkeerd,
Ik heb anders niet geleerd;
Maar een kind, dat beter weet,
En vergeet
Hoe zijn snappen andren deert....
Doet dan willens dubbel zoo verkeerd.--
DRAAITOL.
Tolletje, tolletje! ben-je niet lui?
Als ik je niet met mijn zweep kom te raken,
Geef-je van 't loopen en draaijen den brui;
Stoutert, je zult me nog tureluurs maken!
Vader! och, geef mij een' tol, die blijft staan,
Weet u! met snoer en met knoopjes er aan,
Dan ben ik los van dat vliegen en slaan!
--Jongetje, zeg eens! gij praat zoo van lui?
Maar zoo de Meester u niet komt vermanen,
Geeft ge van lessen en schriften den brui;
Jongen! het kost me wat zuchten en tranen;
Waarlijk, ik vrees,--als het langer zoo duurt,
Wordt ge met schande, ten spot van de buurt,
Lui als uw tol, naar de mieren gestuurd.--
HOBBELPAARD.
Hop, hop! mijn vrolijk hobbelpaard!
Nu moet gij rijden met een vaart;
Want och! ik heb zoo'n groote haast,
Ik moet wat halen van hiernaast;--
Daar is door Moeder, om de pret,
Een bord met kersen neêrgezet,
En als ge nu niet voort en maakt,
Misschien is 't bord dan leêggeraakt:
Dus rep-je, rep-je, wat je kan,
Dan krijg-je er ook een kersje van;
Want Vader zeît: 'een vlijtig paard
Dat is de haver dubbel waard'.
LUILEKKERLAND.
'k Heb van Luilekkerland gistren gelezen,
Jongens! daar moet het wel wonderlijk wezen,
Dáár heb-je grachten van melk en van wijn,
Dáár heb-je straten, die theerandjes zijn!
Om er te komen, dat dient ge te weten,
Moet men door bergen van rijstepap eten:
Ben-je er, dan leg-je maar lui op den grond,
Eten en drinken, dat loopt je in den mond!
Jongens!--hoe aardig het is om te lezen,
'k Denk, dat die luiheid vervelend moet wezen;
Neen! als men arbeidt met ijver en lust,
Dan smaakt het eten, dan smaakt de rust!
HONGER.
Honger is de beste saus;
Draven, slaven, zwoegen, zweeten,
Geeft den regten trek tot eten;
Wie gewerkt heeft flink en goed,
Smaken raauwe boonen zoet.
Honger is de beste saus!
Had-je taarten en pastijen,
Had-je 's werelds lekkernijen,
Och wat hielp het u, mijn schat!
Als ge toch geen' honger hadt.
Honger is de beste saus!
Loopt het somtijds op een schraaltje,--
Denk, wat baat het beste maaltje
Aan een' luijen lekkerbek.....
Groote schotels, kleine trek!
'T EEN EN 'T ANDER.
Eten, is een kostlijk ding!
Doch, zoo u de spijs zal smaken,--
Acht den honger niet gering,
Die de saus er op moet maken!
Waarlijk!--zoo ik kiezen moet,
Òf geen honger, òf geen eten...
Och! dan dient gij maar te weten,
Ik kies honger... kort en goed!
Rusten, is een kostlijk ding!
Doch, zult gij het welkom heeten--
Acht het werken niet gering,
Dat den prijs er van doet weten!
Waarlijk!--zoo ik kiezen moet,
Meest te werken... meest te rusten...
Och! trots al de zoetste lusten,
Ik kies werken... kort en goed!
Rijkdom, is een kostlijk ding!
Doch, wilt gij hem goed waarderen,
Acht het arm zijn niet gering
Om u 't regt gebruik te leeren!
Waarlijk--zoo ik kiezen moet,
Altijd rijk... soms arm te wezen,
Och! ik zeg het zonder vreezen,
Ik kies arm zijn... kort en goed!
VOGELVERSCHRIKKER.
Wel, vogeltjes! wat ben-je dom,
Dat ge alle wegvliegt als ge 't ziet!....
Het is een pop en anders niet,
Met menig' ouden lap er om:
Kijk! of ge 'em pikt en of ge 'em slaat,
Hij blijft een doode, kameraad!
En doet u zeker leed noch kwaad.
--Wel, jongelief! zijn wij zoo dom,
Gij zijt toch ook zoo'n slimmert niet;
Want, als ge 's avonds eens wat ziet,
Dan schrikt ge er van, en loopt weêrom,
En vreest voor spook of ander kwaad....
En keek-je eens op de keper, maat!
Dan was 't verbeelding, kameraad!--
ONPARTIJDIG.
Braaf is braaf en slecht is slecht!
Of het vrind of vijand doet;
Daarom, jongens! hoû-je goed,
Dat ge trouw uw meening zegt,
Dat ge spreken durft in 't regt:
"Dat is braaf, en dat is slecht."
Heb-je een' goeijen kameraad,
Daar ge magtig veel van houdt,
En hij is soms boos of stout,
Zeg hem dan: "Mijn beste maat!
"Dat is slecht",--of, "dat is kwaad!"
'k Wed, dat hij het verder laat.
Vond-je er één' een' raren kwant,
Maar ge zaagt er, nu of dan,
Eens wat braafs of nobels van,
Geef hem dan uw regterhand
En vertel aan allen kant:
"Hij is toch een ferme klant!"
Maar bedenk u eigen goed,
Eer ge tot een' ander' spreekt,
Of je zelv' ook wat ontbreekt,
Dat ge nog verhelpen moet:--
Zeg dan eerlijk, wat ge ook doet:
"Dàt was kwaad, en dàt was goed."
EEN KLEIN JOKKENTJE.
Een klein, klein jokkentje,
Zou dat wel zonde wezen?
Me dunkt, het heeft geen' nood....
Maar--kleine kindren worden groot,
Dat heb ik laatst gelezen;
En zijn ze jonk een beetje kwaad,
Me dunkt, dat men van zelv' al raadt,
Wat ze ouder zullen wezen.
Een klein, klein jokkentje,
Al was het nog zoo'n diefje,
Groeit tot een boozen gast,
En grijpt-je en knijpt-je en houdt-je vast,
Dat geef ik je op een briefje;--
En menig brave man of vrouw
Heeft van zoo'n jokkentje berouw
Hun heele leven,--liefje!
KRACHTIG EN ZEDIG.
Kort en krachtig in het goede,
Kort en krachtig tegen 't kwaad,
In den voorspoed kalm te moede,
Dubbel flink als 't kwalijk gaat....
Zoo ge dàt leert, kameraad!
Zult ge zien, dat--kort en krachtig
Meer nog is, dan rijk en magtig.
Stil en zedig in het goede,
Stil en zedig bij het kwaad,
In den voorspoed kalm te moede,
Dubbel zacht als 't kwalijk gaat....
Zoo ge dàt leert, meisjemaat!
Zult ge zien, hoe--stil en zedig,
't Best eens ieders wensch bevredig'.
Knapen, Meisjes!--Uitgelezen,
Vol van heil en vol van vreê,
Zou de heele wereld wezen,
Hoorde een ieder naar mijn beê;
Doch!--doen ze Allen ligt niet meê,
'k Waar tevreê, wierdt Gij, eendragtig,
Stil en zedig, kort en krachtig!
SCHOUDERMANTELTJE.
Een lapje hier, een lapje daar,
Waar ik ze maar kan vinden,
Die gaâr ik netjes bij malkaar
Van buurtjes en van vrinden;
En geef voor chits,--ja, voor katoen,
Een hand, een lachje, en soms een' zoen.
Een lapje hier, een lapje daar,
Die snij ik dan tot ruiten,
En stik ze netjes aan malkaâr,
De mooiste zij naar buiten;
En, zijn dan alle hoekjes vol,
Dan voer ik ze met warme wol.
Een lapje hier, een lapje daar
Ging anders toch verloren....
Nu ben ik menig' winter klaar
En warm me naar behooren:--
'k Ben met dien mantel dubbel blijd',
Want 'k heb hem door mijne eigen vlijt.
NIEUWE KLOMPJES.
Mijn Kees-oom is een timmerman,
Daar is geen knapper op de werf;
Hij maakt in huis en op het erf
Al wat-je zien of denken kan;
Zijn hand is ruw, en grof zijn stem,
Maar 'k ben daarom niet bang voor hem.
Hij kneep me lestmaal in mijn oor
En zeî: "Nu, als ge vlijtig leert,
Uw' Vader en uw Moeder eert,
Dan krijgt ge er wat op Kerstijd voor!"
En tintelde ook mijn oor er van,
Toch keek ik Kees-oom vriendlijk ân.
En denk 'reis wat hij heeft gebragt?....
Een nieuw paar klompjes, puik en net,
Met zilvren neusjes afgezet,
Gevoerd met witte schapenvacht....
En binnen in daar lag een brief,
Waar op stond: "Voor mijn Neefje-lief!"
En Moeder zeî me, met een' lach:
"Nu ziet ge maar, mijn beste maat!
Hoe of het zoete kindren gaat;
'k Hoop, dat je nu zoo blijven mag!"
En 'k gaf mijn Moeder-lief een' zoen
En zeî: dat ik mijn best zou doen!
WINTER.
Och winter, barre winter,
Wat zijt ge bitter koud!
Ik woû, ik had een' gulden,
Dan kocht ik turf en hout.
Een vuurtje zou ik bouwen
Als onze plaat zoo groot,
En 'k vroeg mijne arme buurtjes
Op koffij en op brood.
Wat zouden ze dan smullen
In 't hoekje van den haard!
Voor mij wierd zachts een plaatsje
En ook wat brood bewaard:
Och had ik maar een' gulden....
Maar toen ik Moeder vroeg,
Toen zeî ze: "Kind! we hebben
Pas voor ons zelv' genoeg."
Hoor, Jongens! als ik groot ben,
Dan zult ge 'reis wat zien:
Een' cent wil ik bewaren
Van wat ik daags verdien;
Dan heb ik een' driegulden
Met Nieuwejaar bespaard,
En 'k vraag mijne arme buurtjes
In 't hoekje van mijn' haard.
BROODKRUIMELS.
Wat pikt er tegen 't vensterglas,
Alsof het vroeg: doe open!--
Zoo 't eens die kleine vogel was,
Die 'k op de plaats zag loopen!
Och ja! daar zit hij, koud en stram;
Hoe sjilpt hij om wat eten....
Och, dat ik nu mijn boterham
Maar niet had opgegeten!
Of had ik al de kruimels maar,
Die Moeder weg moest vegen,
Dan was het arme diertje klaar
En ik stond niet verlegen!--
Och, Moeder! help mij uit den nood,
En 'k zal het nooit vergeten,
Dat ook geen krûmmeltje van brood
Mag worden weggesmeten.
IN DE KAARS.
"Wat danst ge vrolijk om het licht,
Zeg, mugje! heb-je dan geene oogen,
Of schemert het voor uw gezigt?
Zoo menig is er ingevlogen,
Die half verbrand te spartlen ligt,
En, 'k moet het waarlijk vreezen,
't Zal straks met u wel ook zoo wezen!"
Doch, wat de huisvrouw zeî of deê
En of zij 't beestje al weg woû jagen,
Het hoorde naar vermaan noch beê
Maar volgde blind zijn welbehagen:--
En 't duurde pas een tel of twee,
Of zie! tot straf van 't dartlen,
Daar lag het in de kaars te spartlen!
Ik woû wel, dat een zeker kind
(Ik zal zijn' naam hier maar niet zeggen!)
Dat waanwijs mugje, zoo verblind,
Daar in die heete kaars zag lêggen!--
Maar 't beestje is dood, eer ik hem vind....
Misschien kan 't nog genezen,
Als ik er handig bij wil wezen!
IN 'T DONKER.
Gij kruipt vergeefs in struik en heg,
Nu dat ge kwaad deedt aan de liên;
Gij dacht misschien:
"Het is toch donker op den weg
En niemand zag me bij mijn vlugt!"--
Kijk eens naar boven, naar de lucht....
De Sterren hebben het gezien!
Nu zijt ge 's avonds, vroeg of laat,
Voor iedren struik en iedren boom
In angst en schroom;
Want waar ge zit, of waar ge staat,
Daar kijken u de Sterren aan
En roepen: "Gij hebt kwaad gedaan!...."
En 's nachts nog hoort ge 't in uw' droom.
Maar is dan 't hartje droef te moê
En voelt ge regt berouw en leed,
Omdat ge 't deedt,
Dan lagchen u de Sterren toe,
En zeggen: "Doe 't maar nimmer weêr,
Zoo kijken wij weêr vriendlijk neêr!"
Slaap wel nu--mits ge 't nooit vergeet!
TWEE SCHILDWACHTS.
Of ge deur en venster sluit,
Booze dieven, booze boeven,
Die berooven en bedroeven,
Weert ge daarmeê 't huis niet uit!
Neen! twee schildwachts moet ge kiezen,
Wilt ge geld noch rust verliezen.
"Arbeid" sta getrouw op post
Om voor "buitenshuis" te zorgen;
Wakend van den vroegen morgen,
's Avonds laat pas afgelost;--
"Liefde" hoû, met kalme zinnen,
Vroom en ijvrig wacht "van binnen."
Waar die beiden staan op wacht,
En de blanke wapens trekken
Als ze boef of dief ontdekken,
Zijt ge veilig, dag en nacht!
Kunt gij roepen, zonder schromen:
"Laat het booze volk maar komen!"
IN DEN MANESCHIJN.
Kindren! kijk! de maan schijnt klaar:
Komt een beetje hier!
Zingt eens lustig met elkaâr,
Zingt wat voor plêzier!
Liedjes kent ge toch genoeg,
'k Hoor u laat en 'k hoor u vroeg,
Komt nu haastig hier!
Als het werk is afgedaan
En de taak volbragt,
Mag er wel een liedje op staan;
't Klinkt zoo mooi bij nacht!
Open gaat er menig raam,
Al de buurtjes scholen zaam;
Zingt nu rein en zacht!
Zingt vooreerst maar, hoe een kind
Leerzaam wordt en zoet!
Dan een liedje, welbemind,
Van "Wien Neêrlandsch bloed!"
Dan hoe men zijne ouders eer',
En hoe onze lieve Heer
Magtig is en goed!
Kindren! kijk! de maan schijnt klaar:
Komt nu allen hier!
Zingt eens lustig met elkaâr.
Zingt wat voor plêzier!
Spoedig roept de wacht: naar bed!
Daarom zingt nu voor de pret,
Komt maar haastig hier!
DES AVONDS LAAT.
Des avonds laat, des avonds laat,
Dan komt mijn Vader, loof en moê,
En dikwijls straat en grachten ver,
Van 't werk af naar ons huisje toe;
Dan sta ik voor ons kleine raam
Te hunkren of ik hem bespeur',
En als hij dan den hoek omslaat,
Dan loop ik haastig naar de deur.
Des avonds laat, des avonds laat,
Als Moeder koffij heeft gezet,
Schuif ik mijn Vaders leuningstoel
In 't hoekje tusschen haard en bed;
Ik zet zijn sloffen op de plaat
En dan, voorzigtig opgepast,
Krijg ik mijn Vaders lange pijp
En zijn' tabakspot van de kast.
Des avonds laat, des avonds laat,
Als zoo mijn Vader huiswaarts keert,
Dan geeft hij mij een lekkren zoen
En vraagt: "Wel, heb je braaf geleerd?"
Dan val ik Vader om zijn' hals
En zeg: "Ik heb mijn best gedaan,
Omdat ik gaauw zoo knap woû zijn,
Om flink voor u naar werk te gaan!"
STERRETJES.
Sterretjes! zie ik u blinken en staan,
Is het mij vaak door mijn hoofdje gegaan,
Waar komt ge 's avonds toch wel van daan,
Waar gaat ge 's morgens weêr henen,--
Vindt ge den weg zoo alleenen?
Sterretjes! als ge zoo vriendelijk lacht,
Heb ik er menigmaal wel aan gedacht,
Wie u laat schijnen in duistren nacht;
Menschen die kunnen 't niet wezen,
Zijt ge zoo groot als wij lezen!
o Dat moet God zijn, die groot is en goed,
Die uit zijn' Hemel de kinderkens hoedt,
Als zij Hem vreezen met vroom gemoed;
Leer ons Hem danken en prijzen,
Of ge moogt dalen of rijzen.
TER RUSTE.
Eer wij 't hoofd ter ruste buigen,
Waar ons leger is gespreid,
Willen we onze dankbaarheid
Aan den goeden God betuigen
Voor den zegen ons bereid:
Wil, o Vader! ons vergeven
Wat, in onbedachtzaamheid,
Door uw kindren is misdreven:--
Laat ons droomen heel den nacht
Van Uw liefde, van Uw magt!
III.
BIJ 'T ONTWAKEN.
Zonneschijntje, morgenlicht,
Als ge tintelt op de ramen
En weêr blinkt in ons gezigt,
Vouwen wij de handen zamen
En wij danken, met ontzag,
Voor dien nieuwen, schoonen dag.
Zie! wij leggen 's avonds 't hoofd
Altijd maar zoo rustig neder,
Alsof iedereen gelooft:
Morgen komt het zonlicht weder!--
Niemand onzer denkt er aan,
Dat ge ook eens niet op kondt staan.
Niemand mooglijk heeft gedacht,
Dat, zoo gij al weêr mogt komen,
Ons misschien geen morgen wacht
Na ons slapen, uit ons droomen....
Daarom, schoone morgengloed,
Wees met blijden dank gegroet.
VROEG OP.
Vroeg op, vroeg op, in alle ding,
Dat maakt een' domme tot een' wijze,
Dat maakt aanzienlijk van gering,
Dat maakt een' jongling van een' grijze,
Een' grijsaard van een' jongeling.
Vroeg op, vroeg op, in deugd en vlijt,
Vroeg op, gij maagden en gij knapen!
Dan kunt gij, als ge moede zijt,
Met een geruste ziel gaan slapen,
Hetzij voor eens of voor altijd.
MORGENLIED.
Komt de dag en wijkt de nacht,
Waak dan op tot frissche kracht,
Klaar van oogen en verstand,
Blank van hart en rein van hand.
Roep, met vromen kinderzin,
Dan des Vaders zegen in;
Hij, die van zijn' Hemeltroon
D'arbeid krachten geeft en loon.
En bedenk, als--zwaar of ligt,
Gij uw taak en werk verrigt:
Dat geen Eeuwigheid hergeeft
't Uur, hier ongebruikt doorleefd.
LEEUWRIK.
Wat zijt gij vroeg al in de weêr,
Wat vliegt gij juichend af en aan!
Hoe vroeg of ik ook op moog' staan,
Gij, leeuwrik! wint het ieder keer!
Wat jaagt zoo gaauw u 't leger uit,
En wat beduidt uw blij geluid?
--Wel, kind! als in de heldre lucht
Het ochtendlicht zijn stralen giet,
Dan houdt mijn bed mij langer niet
En 'k stijg omhoog met snelle vlugt;
En, zwevend naar des hemels boog,
Rijst ook mijn lied tot God omhoog.
Geloof me, ik weet het, lieve kind!
Hem gaat het daaglijks zeker goed,
Die 't eerst het morgenlicht begroet
En met Gods lof den dag begint...
Al blijft dat lied ook laag bij de aard',
Gods Englen dragen 't Hemelwaart.--
HANDJES WASSCHEN.
Wie zijn handjes schoon wil wasschen,
Moet ze wasschen met elkaâr;
't Baat je niet, probeer het maar,
Om met een voor een te plassen:
Als ge niet ze zamen wrijft,
Wed ik, dat er vuil aan blijft.
Wascht ge dan zoo de een door de ander',
Leer er uit: dat, vroeg of laat,
't In de wereld ook zoo gaat:
Helpen moeten wij elkander!--
Wie maar werken wil voor loon,
Krijgt zijn handen nimmer schoon.
ZAMEN.
Roggebrood en wittebrood
Dat 'hoort op elkander!
Eet ge 't een vóór 't ander,
Och! gij brengt u zelv' in nood!
Roggebrood moet óók gegeten;
Is er 't wittebrood doorheen,
Dan, gij dient het maar te weten,
Eet ge 't roggebrood alléén.
Rust en werk--en werk en rust
'Hooren bij elkander!
Doet gij 't een vóór 't ander,
Och! gij maakt u last van lust!
Ieders taak moet afgeweven:
Wie te gaauw te rusten tracht,
Loopt gevaar zijn heele leven,
Dat hem nooit weêr rust verwacht.
DAUW.
Och, kijk! wat zijn de bloempjes nat!
't Is of ze huilden van den nacht!
Zie eens! daar ligt een heele vracht
Van druppeltjes op ieder blad:
Zeg, moeder!--wàt ze schelen zou?
Kan het ook wezen van de koû?
--Ja, liefje! zeker weet ik 't niet,
Wat of de bloempjes deren kan;
Maar, moet ik 't zeggen, kleine man,
't Zijn ook geen traantjes, die gij ziet;
Die druppels doen de bloempjes goed...
't Is dauw, die 't plantje laaft en voedt.
Zoo zal 't u nog wel dikwijls gaan!
Zoo ziet ge, eerst als gij ouder wordt,
Wat heil op ons wordt uitgestort
In menig', schijnbaar droeven, traan
En hoe die dauw, in ons gemoed,
De Hemelbloemen groeijen doet.
HEBT GIJ 'T GEHOORD?
Zeg, kindren! hebt gij 't al gehoord?
De Lente is weêr verschenen!
Zij joeg den boozen Winter voort,
En grommend trok hij henen.
Nu strooit ze bloempjes hier en daar
En leert de vogels kwelen,
En roept de kinders bij elkaâr
Om lustig weêr te spelen.
Kijk! hoe de beestjes ginds en hier
Nu zingen en nu springen;--
Me dunkt, we moesten voor plêzier
Nu ook een liedje zingen:--
o Lieve Lente! wees gegroet
En leer ons, als we u prijzen
Voor 't goede, dat men aan ons doet,
Den Schepper dank bewijzen!
AL TE VROEG.
De zon scheen koestrend op het kruid,
De Lente was gekomen,
En alle knopjes liepen uit,
Als waar' er niets te schromen;
Ze dachten, dat de Wintervorst
Bij zonneschijn niet keeren dorst.
Maar toen de zon ter ruste lag,
Toen kwam, met sneeuw beladen,
De Winter eensklaps voor den dag,
En knakte steng en bladen;
En al de bloempjes wit en rood
Die waren 's morgens ziek of dood.
Het leed woont meestal naast de vreugd,
De koû naast lentedagen;
En wie het spoedigst zich verheugt,
Moet vaak het langste klagen;
Vertrouw dus, als ik bidden mag,
Vertrouw geen' eersten lentedag.
EEN PRIJS.
De lieve Mei staat voor de deur,
Wij roepen al: kom binnen!
Zij geeft ons bloempjes zacht van kleur
En zoet van geur,
En opgeruimde zinnen;
Want wie van 't jaar zijn best hier deê,
Dien brengt ze alligt een prijsje meê,--
Kom binnen!
Dat ware ook wel een stoute gast,
Die roepen dorst: blijf buiten!
'k Wed, hij had wis niet opgepast,
En dacht wel vast:
'k Moet naar mijn' prijs toch fluiten!
Doch was er onder ons zoo'n guit.....
De Mei er in, en hij er uit:
Blijf buiten!
Maar neen! dat loopt wel geen gevaar;
Hoor, ieder roept: kom binnen!
En, prijs òf niet, wij toonen maar,
Wat wij van 't jaar
Aan knapheid mogten winnen:
Kom, lieve Mei! en hoor het lied,
Dat dankbaar uit ons harte vliet:
Kom binnen!
VERGEET-MIJ-NIETJE.
Blaauw bloempje-lief, vergeet mij niet!
Hoe komt het toch, als aan de vliet
Mijn oog u ziet,
Dat ik van alle lieve menschen,
Als gij, niet vragen durf en wenschen:
"Vergeet mij niet!"
Och, bloempje-lief, ik weet het wel!...
Maar 'k bidje, zoo ik 't u vertel,
Vergeet het snel...
Ik zou op véle, véle dagen
Met angst en schaamte moeten vragen:
"Vergeet mij wel!"
Blaauw bloempje-lief, vergeet mij niet!
'k Beloof 't u--als weêr aan de vliet
Mijn oog u ziet,
Dat ik van alle lieve menschen,
Als gij, durf vragen en durf wenschen:
"Vergeet mij niet!"
VLASBLOEMETJE.
"Wat bloeit ge snel, wat welkt ge ras,
Blaauw bloemetje van 't groene vlas!
De zon rees pas ter middaghoogte;
Van morgen stondt ge in volle praal,
En nu reeds zijt ge dor en vaal
En zaâmgeschrompeld van de droogte;
Kijk! onbewimpeld zeg ik 't maar,
Als Ik zoo'n aardig bloempje waar',
Dan bloeide ik vast het heele jaar!"
--Ja! dat is allerliefst bedacht,
Als men maar leeft voor pret en pracht,
En niet tot werken en tot winnen;
De mooije bloempjes, die ge ziet,
Die zijn bij mij 't voornaamste niet....
Ik maak de draadjes voor uw linnen
En oliezaden tot gerijf....
En als ik nu maar bloeijen blijf,
Dan krijg je ligt geen hemd aan 't lijf.
Wanneer de winter komt in 't land,
Dan zult gij menig ijdle plant
Vertreden op den mesthoop vinden;
Maar ik, al ben ik tweemaal dood,
Dan leef ik nog voor klein en groot,
Want linnen wordt papier, mêvrinden!
Daarop leest ieder dan de leer:
"Och bloei wat minder, werk wat meer...
Van nut zijn, is de kostlijkste eer!"--
MAANDROZEN.
Dat is groeijen uit den treuren,
Dat is bloeijen, altijd klaar!
Nieuwe knoppen, nieuwe kleuren,
Nieuwe bloemen, nieuwe geuren,
Of er nooit een einde aan waar'.
Staat het windeken in 't zuijen,
Maandroos bloeit in volle pracht;
Plundren haar de hagelbuijen....
Eer ze er iets van laat verluijen,
Bloeit ze weêr in volle kracht.
Altijd bloemen, altijd geuren,
Altijd knoppen, altijd meer....
Maandroos! mogt het ons gebeuren,
Onder juichen, onder treuren,
Zóó te bloeijen, God ter eer!
EEN WOUD-BLOEMPJE.
Eenzaam bloempjen in het bosch,
Diep verscholen onder 't mos,
Niemand slaat uw bloeijen gade;
Maar gij bloeit toch evenzeer
God ter eer,
En gij dankt voor zijn genade
Hem, der Schepping wijzen Heer!
Als een bij, in 't woud verdwaald,
Op uw knopjes nederdaalt,
Sluit ge uw kelkjes wijder open;
En gij denkt in uw gemoed,
Hoe uw zoet
't Moêgevlogen, moêgekropen
Diertje nu verkwikken moet!
o Dan juicht gij, dat Gods hand
U zoo eenzaam heeft geplant,
Om uw laafnis dáár te geven,
Waar de bij op 't doornig pad,
Moede en mat,
Zeker van gebrek zou sneven,
Als zij geen verkwikking had.--