Al de Kinderliederen
Van
J. P. Heije.
Met vertalingen van
A. Clavareau, Prof. Karl Arenz en F. J. Millard.
Photographie van VAN KONINGSVELD,
Teekeningen van CHANTAL en ROCHUSSEN,
Staalgravuren van SLUIJTER.
Amsterdam,
P. N. van Kampen.
1861.
Gedrukt bij C. A. Spin & Zoon.
AAN DE KINDEREN!
Herinneren sommigen uwer, mijn Lievertjes! zich nog, hoe 'k, bij
de Nieuwe Kinderliederen, wenschte, dat ge op mijn Verjaardag aan
mij dacht? 'k Zette toen (als een Onder-ons-je) den datum bij 't
Woordje-vooràf. Dàt doe 'k thans ook hier-onder, opdat ge 't allen
zoudt kunnen weten.
Want zie! ik geef U hier al de Versjes en Liedjes bijéén, die ik
voor U gemaakt heb! Behalve de Bundeltjes van vroeger (ook dat van
't Nut), staan in dit boekje nog wel een dertig Gedichtjes, waarvan
ge de meesten in 't geheel niet kende'.
En hoe vindt ge dan de vriendelijkheid van de HH. Clavareau, Arenz
en Millard om U (haast zonder dat ge 't merkt) drie vreemde talen te
leeren? Ik ten minste ben er hun zeer dankbaar voor, want Vader Cats
reeds heeft gezeîd:
Zóóveel mannen in één man,
Als hij vreemde talen kan!
en dit geldt net zoo goed voor meisjes als voor jongens!
Mooije prentjes hebben de HH. Rochussen en Sluijter er bij gemaakt;
en zoo ge verlangd hebt te weten, hoe ik zelf er ten naasten bij
uitzie, dan moet ge den Heer Chantal, den Heer Sluijter en den Heer
van Koningsveld (die er eerst eene photographie van maakte) bedanken
voor het portret op den titel. 't Meisje, dat vóór mij staat, is
mijn éénig dochtertje Sophie! Een zoon heb ik niet; maar, opdat de
jongens niet vreezen zouden, dat ik dáárom minder van hen hield,
heb ik er ook een kleinen knaap bij laten teekenen.
En nu, zoo als gezeîd is:--doe uw best, om t' elken dag liever,
flinker, knapper, braver, zachtmoediger en blijmoediger te worden,
óók (zoo 'k hoop) door 't véél lezen en zingen van deze Versjes en
Liedjes: en ontvang, als ge zóó zijt of worden wilt, en zóó aan mij
denkt, in gedachten een kus en een hand, en een hand en een kus
Amsterdam, Van Uw Vriend
1 Maart 1861. Dr. Heije.
INHOUD.[1]
I. Schoudermanteltje 96.
Nieuwe klompjes 97.
Bladz. Winter 98.
Dageraad 3. Broodkruimels 99.
Morgenlied 4. In de kaars 100.
Weddenschap 5. In 't donker 101.
Zons-opgang 6. *Twee schildwachts 102.
*Winterkoning 7. In den maneschijn 103.
*Schoolexamen 8. Des avonds laat 105.
Voorjaarsdag 9. *Sterretjes 107.
Voorjaarskoelte 10. Ter ruste 108.
Van zeven kikkertjes 11.
Lentelied 12.
*Meimaand 13. III.
Mei-regen 14.
*Groen takje 15. Bij 't ontwaken 111.
Onkruid 16. Vroeg op 112.
Bloemkweeken 17. *Morgenlied 113.
Klimop 18. Leeuwrik 114.
Appelboom 19. Handjes wasschen 115.
Grazen 20. Zamen 116.
Kersentijd 21. Dauw 117.
Kersenplukken 22. Hebt gij 't gehoord? 118.
Vogelnestje 23. Al te vroeg 119.
*Jonge vogeltjes 24. *Een prijs 120.
Vogelen-lied 25. Vergeet-mij-nietje 121.
Duifje 26. Vlasbloemetje 122.
Roodborstje 27. Maandrozen 124.
Nachtegaal 28. Een woud-bloempje 125.
In 't bosch 29. Gebroken 127.
Wensch 30. Korenbloemen 128.
Honigbijen 31. Korenären 129.
't Verdwaalde lam 32. De kromme boom 130.
De Herder 33. De wijnrank 131.
*Kleeding 34. Bloemen en vogels 132.
*Geärmd 35. Haantje 133.
De kleine bedelaarster 36. De mieren 134.
*Van Glas 37. Zoet en bitter 135.
*Nemen en geven 38. Het doode mugje 136.
Vlieger oplaten 39. Glimworm 137.
Blindemannetje 40. Zwaantje 139.
Onze manieren 41. Ooijevaar 140.
Voor de smidse 42. *Een middagslaapje 142.
Haasje 43. *Doen en laten 143.
't Jagertje 44. *Zwemmen 144.
*October 45. *Regtop 145.
Sint-Nicolaas 46. De langste dag 146.
Sneeuwballen 47. Medicijn 148.
Winteravond 48. Voorzigtig 149.
Naar bed 49. Smakelijk eten 150.
Maneschijn 50. Matig 151.
Avondbede 51. Van een aapje 152.
Engelen 52. Duinlied 153.
Vaderlandsch lied 154.
*Kloek en blank 155.
II. Volhouden 157.
*Een vijand 158.
Ochtenddank 55. Treuzeltje 159.
Zondag-morgen 56. Kringetjes in 't water 161.
Meesters verjaardag 57. *Beurtzang 162.
Des morgens vroeg 58. *In tijds 164.
Naar school 59. Sneeuwliedje 165.
*Kis-kassen 60. De holle boom 167.
Klein zusje 61. *Vroeg verwelkt 169.
Stukjes-draaijen 62. *Winternacht 170.
Opgepast 63.
*Kerk-examen 64.
*Nieuwsgierig 65. IV.
*De lente kwam 66.
In Mei 68. *Le lever du soleil 171.
Boterblômmetje 69. *Le printemps 173.
Och Heer! 70. *Le nid d'oiseaux 174.
't Viooltje 71. *Le rossignol. 175.
Brandneteltje 72. *Le petit lièvre 176.
*Niet plukken 73. *Le clair de lune 177.
't Verflenste bloempje 75.
Verwelkte rozen 76. *Sonntag-morgen 178.
De vlinder 77. *Zur Schule 179.
In de weî 78. *O Herr! 181.
Lijsterbessen 79. *Der Bienenkorb 182.
Nachtegaals-liedje 80. *Schultermäntelchen 184.
*'t Binnenst 81. *Der Winter 185.
Klein spinnekopje 82. *Brodkrümchen 187.
Spinneweb 83.
De bijenkorf 84. *On Awaking 188.
Ons poesje 85. *Forget-Me-Not 190.
Lorretje 86. *The Flax-Flower 191.
Draaitol 87. *A Wood-Flower 193.
Hobbelpaard 88. *Flowers and Birds 195.
Luilekkerland 89. *Cock-a-Doodle 197.
Honger 90. *The Longest Day 199.
*'t Een en 't ander 91. *Circles in the Water 201.
Vogelverschrikker 92.
Onpartijdig 93.
Een klein jokkentje 94. V.
*Krachtig en zedig 95.
Honderd spreuken 205.
I.
DAGERAAD.
Wel zoo! gij schoone dageraad!
Wat zeggen ons de liên,
Komt gij met rozen in uw' mond?
Dat mogt ik weleens zien!
En plukt gij ieder' knaap of maagd,
Die langer slaapt dan gij,
Een roosje van de volle wang
Wanneer ge gaat voorbij?
En geeft gij ieder' knaap of maagd,
Die korter slaapt dan gij,
Twee roosjes uit uw rijken schat
Wanneer ge gaat voorbij?--
Op, kinders! op, het schemert al,
Daar komt de Dageraad!--
Hij houdt wel veel van bleek te zien,
Die nu niet op en staat!
MORGENLIED.
Kinderkens! 't is uchtend!
Komt ter slaapsteê uit!
Hoort! de voglen zingen
Reeds met zoet geluid.
't Haantje roept u wakker,
Hoort! hij kraait uw' naam,
En de boomtak tikt u
Tegen 't vensterraam.
Langer niet geslapen!
Doopt uw hoofd in 't nat,
Dat het frissche water
Om uwe ooren spatt':
Veel moet nog begonnen,
Veel is nog te doen;
Kinderkens! wordt wakker;
Al te ras is 't Noen![2]
WEDDENSCHAP.
Ei roosje! kijk eens uit uw' knop,
Of 't niet haast dag zal wezen!
Kom, steek uw kopje veilig op,
Ge hebt geen leed te vreezen;
Of ziet ge mij niet voor u staan,
Met al mijn beste kleêrtjes aan?
Had Moeder gistren niet gewed,
Dat gij al lang zoudt prijken,
Eer ik, nog domlend in het bed,
Uit mijn gordijn zou kijken!--
Ei, sliep uit! 'k ben al lang gekleed,
En gij zijt nog niet half gereed!
Maar 'k ben ook vroeg naar bed gegaan:
Daar zal het wel van komen,
Dat ik het eerst nu op kon staan,
En gij nog staat te droomen:--
Och, Moederlief! och zeg me noû,
Wie dacht u, dat het winnen zoû?
ZONS-OPGANG.
Och! 't is wel aardig in mijn' tuin
Als 's morgens vroeg de zon opgaat,
Maar 'k woon zoo midden in een straat,
Zoo tusschen muren, grijs en bruin:--
Doch, naar ik gistren heb gelezen
En zoo mij Moeder heeft verteld,
Daarbuiten, in het vrije veld,
Dáár, kindren! moet dat heerlijk wezen.
Dan, zeî ze, is eerst de lucht nog graauw
En hier en daar blinkt nog een ster,
Maar langzaam schemert er van verr'
Wat rozenrood en hemelsblaauw;
Dan ziet men witte wolkjes dwalen,
Doortrokken met een purpren tint;
Dan komt, als waar' 't een koningskind,
De zon, met al haar gouden stralen.--
Zie! 't is wel aardig in mijn' tuin
Als 's morgens vroeg de zon opgaat,
Maar 'k woon zoo midden in een straat,
Zoo tusschen muren, grijs en bruin:--
Och! wie dat buiten mogt aanschouwen,
Die knielde vast van blijdschap neêr,
En zou voor onzen Lieven Heer
Wel duizendmaal zijn handjes vouwen.
WINTERKONING.
Hoe grijs van haar, hoe wit van baard,
Waart gij, o Winterkoning!
Wij hebben bang op u gestaard,
Al kleumend aan den killen haard
In onze leege woning!
Wat was het eten vreeslijk duur,
Wat was het drinken schraaltjes;
Wat was het buiten bitter guur,
Wat was er binnen weinig vuur,
Wat was de plunje kaaltjes.
Welop dan, hartjes! weest nu blij,
En zingt eens uit den treuren!
Daar is het zoele jaargetij
Met duizend bloempjes, rij aan rij,
Met kleuren en met geuren.
Gij kwaamt alweêr dien Winter door
En ziet weêr de Aard zich tooijen:
Dankt God er voor, in juichend koor...
En--zoo ook stem en hart bevroor,
Zij zullen wel ontdooijen!
SCHOOLEXAMEN.
April, April,
Doet wat hij wil,
En geeft, naar zijn behagen,
Ons zonneschijn of hagelvlagen;
Toch zingen wij met luider stem
Een lied voor hem,
En hopen, dat het dezer dagen
Wel enkel, klinkklaar zonneschijn
Voor ons zal zijn.
April, April,
Doet wat hij wil;
Maar wie zich goed gedragen,
Die hebben thans wel niet te klagen;
Wie 't heele jaar heeft opgepast,
Die weet wel vast,
Dat hij een' prijs hier weg zal dragen,
En met een' halfbeschaamden lach
Bedanken mag.
April, April!
Doe wat je wil,
En geef, naar uw behagen,
Ons zonneschijn of hagelvlagen;
Toch zullen wij voor al het goed',
Wat men ons doet,
U dankbaar in ons hartje dragen,--
En groeten u, met zoet gezang,
Ons leven lang.
VOORJAARSDAG.
De boomen ontluiken, de bloesem komt uit,
De vogeltjes zingen met lieflijk geluid,
De schaapjes die springen door 't groenende gras,
Ik spring met ze meê, of ik zelf er een was.
En weet ge, wáárom ik zoo spring en zoo zing?
Die Winter dat vond ik zoo'n akelig ding;
Toen had ik het koud in mijn' duffelsên jas,
En denk 'reis, hoe koud dan een beedlaar wel was!
Maar nu is het lekker en zacht op het land;
Weg, mantel en das! in de kas aan den wand;
Komt, jongens! naar buiten, en houdt je maar kras,
Wij schelden hem luilak, die 't laatste daar was.
VOORJAARSKOELTE.
Zoele, koele Zuidewind,
Bode! wien ons hart bemint,
Draagt gij op uw vleuglenpaar
Niet den schoonsten tijd van 't jaar?
Bloemengeuren, frisch en zoet,
Brengt gij, als der Lente groet;
Vogelfluiten, bladgeruisch,
Smelten in uw wiekgesuis.
Goede vriend, zoo lang verwacht!
Zeg ons! waait ge dag en nacht?
Kom dan 's nachts ook zonder schroom,
En omzweef ons in den droom!
VAN ZEVEN KIKKERTJES.
Daar zaten zeven kikkertjes
Al in een boerensloot,
De sloot was toegevroren,
Ze lagen hallef dood,
Ze kwekten niet, ze kwaakten niet
Van honger en verdriet.
De jongste, die een wijsneus was,
Zei tot zijn kameraads:
"Die malle nachtegalen,
Wat hadden die een praats!
Was eerst het ijs maar in den dooi,
Wij zongen eens zoo mooi!"
De milde, lieve Lente kwam;....
Zij kwaakten de oude wijs:
Als zij dat zingen noemen,
Wensch ik ze weêr in 't ijs;
Ik geef die kikkers allemaal
Voor éénen nachtegaal.
LENTELIED.
Voelt ge wel de koeltjes zweven;
Riekt ge wel den zoeten geur?
Kindertjes! dat is een leven!
Lente staat weêr voor de deur:
Laat haar binnen, laat haar binnen;
Lentelief, die wij beminnen!
Hoort ge wel dat slepend fluiten,
Dat door alle vensters dringt?
Nachtegaaltje slaat daarbuiten;
Hoort, hoe zuiver dat hij zingt!
Laat hem binnen, laat hem binnen,
't Zangertje, dat wij beminnen!
Neen! zet deur en venster open,
Hangt aan kapstok hoed en jas,
Máár--om prettig vrij te loopen
Door het frissche, malsche gras:
Lente! toef nog, kom niet binnen,
Buiten zullen we u beminnen.
MEIMAAND.
De vogels springen door de heg
En zingen uit den treuren;
De Mei strooit bloesems langs den weg
En klopt aan alle deuren,
En zie! daar komt bij 't blij geluid
Het jonge volk de huizen uit.
Gij, kinders! zat een winter lang
Te kleumen en te treuren;
Nu lijkt die lieve vogelzang
Uw hartjes op te beuren;
Komt, zingt en springt dan nu om strijd,
Zoo flink alsof gij vogels zijt.
En zingt gij laag en zingt gij hoog,
En zingt gij uit den treuren,
En ziet gij aan des Hemels boog
De voorjaarsnevlen scheuren,
Denkt dan aan onzen lieven Heer,
Die bloesems geeft en Lenteweêr.
Mijn vogelkoor, mijn kinderkoor,
Dat 's beter dan te treuren!
Zingt vrij en blij uw Lente door
Bij zonneschijn en geuren,
En denkt--ook als gij ouder zijt--
"Na winterdag komt lentetijd!"
MEI-REGEN.
Wie graag sterk wil zijn en groot,
Groeijen wil ter degen,
Loop' maar met zijn hoofdje bloot
In den zoelen regen!
Wees niet angstig voor een spat,
Frisch er in gesprongen,
Vrees niet voor een drop of wat,
Dreumes van een' jongen!
Zie de blômmetjes maar aan,
Hoe ze 't buitje drinken!
Kijk maar goed, hoe op de blaân
Al die druppels blinken!
In dat lekkre, zoele nat
Ligt des Hemels zegen;
Daarom, dreumes! rep je wat,
Loop 'reis in den regen!
GROEN TAKJE.
Groen takje, dat uit de aarde spruit,
Wat zal er van u groeijen?
Wordt gij onnut of schaadlijk kruid,
Zult ge als een roos of anjer bloeijen,
Of zult gij geven lekker fruit?--
Jong volkje! nu nog klein en teêr,
Wat zal er van u groeijen?
Zult gij tot schande meer en meer,
Of wel tot heerlijk sieraad bloeijen,
En vruchten dragen, God ter eer?
Doch 't plantje--zij het kwaad of goed.
Och! kan niet anders groeijen;
Gij--kunt, naar ligchaam en gemoed
In kracht en kunde en vroomheid bloeijen...
Wanneer ge er maar uw best toe doet!
Als gij dus wandelt in den hof
En plant en kruid ziet groeijen,
Dan geev' 't u ruime dankensstof,
Dat gij, naar vrije keus, kunt bloeijen
Tot vreugde of smart--tot schande of lof!
ONKRUID.
Zeg, Baasje! wat staat er uw tuintje frisch,
Wat is er uw hofje toch keurig!
Het mijne dat lijkt wel een wildernis,
Mijn bloempjes zijn half niet zoo fleurig;
Zoo wit is uw zand en zoo groen is uw gras;
Ik gaf er wat om, als het mijne zoo was!
--Wel, geef dan een' zoen... en ik leer je gaauw
Uw tuintje zoo netjes te hoûen;
Maar dan uit de veêren vóór dag en dauw,
De handjes wel flink uit de mouwen,
En waar ge dan spruitjes van onkruid mogt zien,
Daar ga je maar vlijtig aan 't harken en wiên.
--Dat Onkruid, melievert! daar zit de plaag,
Daar kunnen geen bloempjes in groeijen;
En daarom, dat rooi je maar alle daag,
Dan zal eerst uw tuintje gaan bloeijen!
En, groeit in uw hartje misschien van dat kruid....
Och! doe me plêzier, trek meteen het maar uit!--
BLOEMKWEEKEN.
Ik heb een' kleinen, kleinen tuin,
Daar kweek ik bloemen in;
En als mijn aardig zusje komt,
Dan zing ik blij van zin:
--"Klein kleuterke, klein kleuterke!
Wat doet gij in mijn' hof?
Gij plukt er al de bloemkens af
En maakt het veel te grof!"--
En als zij dan die plantjes ziet,
Met zooveel zorg gekweekt,
Dan wed ik, dat het lieve kind
Geen van de bloempjes breekt.
KLIMOP.
Groene bladen, spits van punt,
Hoekig aan de randen!
Zeg eens hoe ge groeijen kunt
Aan die naakte wanden?
--'k Lag versmeten voor de deur,
Vuil en overloopen;
Vond ik hier of daar een scheur,
'k Ben er in gekropen.
Ieder straaltje, dat ik ving,
Gaf mij kracht en leven,
Ieder druppel, die er hing,
Deed mij hooger streven.
Dankend onzen Lieven Heer
Voor zijn zon en regen,
Groeide ik daaglijks meer en meer
In des Hemels zegen.--
Wie het kleinste niet versmaadt,
Wat hem God wil geven,
Die kan groeijen naar zijn' staat
En tevreden leven!
APPELBOOM.
Wel, appelboom! wat sta je rijk,
Gij lijkt wel éénen bloesem!
Waar dat ik tuur, waar dat ik kijk,
'k Zie enkel, enkel bloesem;
Ik zie geen tak, ik zie geen' blad;
Me dunkt, gij hebt ze nooit gehad!
En toch, 't is pas een' dag of wat,
Terwijl ik keek naar buiten,
Of 'k zag uw takken kaal en glad
Daar slingren voor mijn ruiten,
En 'k vroeg al aan de tuinmansvrouw,
Of je ook gestorven wezen zou?
"Neen," zei ze toen, "neen, lieve schat!"
En kneep mij in mijn kaken;
"Neen, wacht nog maar een' dag of wat,
Dan staat hij als een laken:--
En als ge braaf zijt, kleine man!
Dan krijgt ge er nog wel appels van."
GRAZEN.
Pluk bloemen, pluk bloemen,
Pluk bloemen en gras!
En wrijf die elkaâr
Door het haar
Bij het stoeijen:
Waar anders zou gras en waar bloemen voor groeijen
En bloeijen!
En wie er een knorrig gezigtje
Bij trekt,
Of wie er bij geeuwt,
Of bij schreeuwt
Als wij stoeijen,
Die 'hoeft niet te zien hoe de bloemkens al groeijen
En bloeijen.
Hij trekk' maar naar huis
En hij kruip' in den hoek,
De brompot, die mort
En die knort
Bij het stoeijen:
Voor hem is het niet, dat de bloemkens zoo groeijen
En bloeijen!
KERSENTIJD.
Nu eens in 't rond gesprongen,
Gesprongen hand aan hand,
Nu vrolijk eens gezongen,
De Zomer is in 't land;
De bloesem van de boomen
Vloog lang reeds wijd en zijd;
De Zomer is gekomen:
Nu is het kersentijd!
Wat zal ze lekker smaken
Die kers, waar wijn in zit;
Wat zullen wij haar kraken
Die harde kersenpit;
Och! waren we al gezeten
Voor boordevolle schaal,
Wij zouden er van eten
Al was het honderdmaal.
KERSENPLUKKEN.
Kersen, kersen, zacht en rood,
Hangen tusschen groene bladen;
o! De boom is rijk geladen;
Vang bij 't plukken, in uw schoot,
Kersen, kersen zacht en rood!
Kersen, kersen, rijp en frisch,
Is 't niet om te watertanden?
Kom, ik pluk met volle handen,
't Meest krijgt wie het handigst is,
Kersen, kersen, rijp en frisch!
Kersen, kersen van de Mei,
Iedre maand de rozen bloeijen,...
Alle maanden moest ge groeijen
Voor der kindren zoeten rei,--
Kersen, kersen van de Mei!
VOGELNESTJE.
Jongens! ginder zitten spreeuwen!
Laat ons klimmen om het best;
Ziet, ze kijken over 't nest:
Hoort dat jonge goed eens schreeuwen!
't Oudje dat vliegt af en ân,
Net alsof hij 't raden kan.
Och! wat kijkt dat beest verslagen;
'k Vind het wel een beetje naar:--
Jongens! of 't niet beter waar',
't Arme dier maar niet te plagen?
Denkt eens als er iemand kwam,
Die ons zoo van Moeder nam!
JONGE VOGELTJES.
Ze vlogen hoog, ze vlogen laag,
Ze sprongen en ze zongen,
Ze pikten wurmpjes gaauw en graag,
En bragten ze aan hun' jongen;
En 't kleine volk in 't nestje riep:
"Piep, piep.... 'k bedankje wel.--Piep, piep!"
En 'k dacht, toen 'k dat zoo aardig vond:
"Ben 'k ook zoo'n dankbre jongen?"--
En 'k ben mijn Moedertje terstond
Eens om den hals gesprongen;
En Moeder pakte mij, toen 'k riep:
"Piep, piep.... 'k bedankje wel.--Piep, piep!"
VOGELEN-LIED.
Klein vogelijn, op groenen tak!
Wat zingt ge een lustig lied!
Wij vinden in ons heele boek
Zoo'n vrolijk wijsje niet;
o! Zeg ons, zeg ons, aardig beest!
Wie of uw meester is geweest?
Zoo zuiver zingt gij en zoo hoog,
Zoo keurig in de maat,
En 't hart dat popelt ons van vreugd,
Wanneer uw keeltje gaat;
o! Zeg ons, zeg ons, aardig beest!
Wie of uw meester is geweest?
o! Zeker is 't de goede God,
Die 't u heeft toebetrouwd,
Opdat gij aan der blinden oor
Zijn goedheid melden zoudt;
o Ja! wij weten 't, aardig beest!
Wie of uw meester is geweest.
DUIFJE.
Duifje met uw blanke veêren!
Vlieg je niet door alle weêr,
Kan geen regenbui u deren
Als ge ronddwaalt heinde en veer?
Altijd proper is uw kuif,
Zijn uw pluimpjes, blanke duif!
--Waait het al te hard daar buiten,
Ik kan thuis zijn als ik wil;
'k Vind er alle mijn kornuiten
In de warme duiventil:
Maar ter vlugt of op het slag,
'k Net mijn veêrtjes alle dag!
--Opgenebt en gladgestreken
Met wat waters uit mijn' pot,
Ben ik waard te zijn bekeken
In de lucht en in het kot:....
Kinders! nu ge 't kunstje weet,
'k Bidje, dat ge 't niet vergeet!--
ROODBORSTJE.
Roodborstje, roodborstje, geestige dief!
Hebje wel ooit zoo te pronken gezeten?
't Kooitje van koper en 't bakje vol eten:
Aardige springer! wat heb ik je lief!
Toch kweelt uw keeltje geen lustige zangen,
Vogeltje! zeg me, wat is er gebeurd,
Dat ge de veêrtjes zoo slapjes laat hangen,
Roodborstje! zeg me waarom dat ge treurt?
--Knaapje lief, knaapje lief! was er mijn kooi,
Was er mijn eten ook lekker en keurig,
Buiten in 't bosch is het eens nog zoo fleurig:
Vrij te zijn, lievert! is beter dan mooi!
Och! laat mij los, laat in vrijheid mij springen,
Ginds op dien boom, waar geen tralie mij stoort;
Vriendje! dan zal ik een lied voor u zingen
Zoo als ge nimmer of nooit hebt gehoord!--
NACHTEGAAL.
Hoort, kindren! wat een klaar geluid
Dringt ginder door de bladren heen!
De vogels zijn allang in slaap,
En zóó, zoo zingt er zeker geen.
Wie of zóó heerlijk zingen kan?
't Is waar, mijn hartje klopt er van!
Stil!--Dat is vast de nachtegaal,
Daar Moeder lest zooveel van zeî;
'k Wist niet, dat dàt te hooren was
Wanneer men ons te slapen leî,
'k Had anders Moeder lang verzocht,
Of ik wat laat naar bed toe mogt?
Och! zoo ik ooit weêr ziek mogt zijn,
'k Woû, dat het voorjaar dan begon;
Dan hoorde ik vast den nachtegaal
Wanneer ik 's nachts niet slapen kon!--
Zeg, Moeder! zingt dat lieve beest
Wel niet voor zieke kindren meest?
IN 'T BOSCH.
Gij, lieve vogels, schuw en wild!
Wat zijt ge met uw liedren mild,
Wat kweelt ge blijde zangen!
't Is of er 't heele bosch van trilt,
Die toonen op te vangen!
Het ruischt en suist van ieder blad,
Alsof het vol met ooren zat
En 't lieflijk lied kon hooren;
Alsof het duizend tongen had
En meê zong in uw koren.
Gij, schuwe vogels! zijt niet bang,
Al stemmen in uw wild gezang
Der kindren vrome wijzen;
Wij wenschen met u, vaak en lang,
Den goeden God te prijzen.
WENSCH.
Ik woû dat ik een vogel was,
Een vogeltje met veêren,
Wat zou me kunnen deren?
Ik vloog maar hoog, ik vloog maar ras
En niemand kon me keeren:
Geen school of bed kwam meer te pas
Als ik een vrije vogel was!
--Zeg, vrindje! hebje wel bedacht,
Hoe dikwijls op de stangen
De lijsters blijven hangen,....
Wat vinkjes onder 't net gebragt,
Wat snipjes zijn gevangen,
En dat er menig vooglaar wacht
Op dat onnoozele geslacht?
--Al vloog je hoog, al vloog je ras,....
Die lastige geweren
Ze zouden je wel keeren:
Wat hielp dan of je een vogel was,
Een vogeltje met veêren?
Geloof me ('t komt nog best van pas):
Wie wijs is, blijft hetgeen hij was!--
HONIGBIJEN.
Wel zoete honig zuigt de bij
Uit bloem en geurig kruid;
Gij, lieve kinders! doet als zij:
Gaat in uw lente niets voorbij,
Of trekt er leering uit.
En in haar huis van klevend was
Daar heeft ze zaâmgegaard
Al wat ze vond in veld of kas;--
De bloemkens, kindren! dorren ras!
Wie wijs is, die bewaart!
Doet ook zoo in uw blijde jeugd,
Waar alles bloesem draagt;
Wat is het, later dan, een vreugd,
Als u op ouden dag nog heugt,
Wat ge in uw jonkheid zaagt!
'T VERDWAALDE LAM.
Lammetje! loop je zoo eenzaam te blaten
Over de hei?
Hoe kom je hier, zoo van allen verlaten?
Bleef je niet liever daarginds op de wei?
Lammetje! hier groeijen bloemen noch gras,
Hier is geen watertje, dat ge zoudt lusten,
Hier is geen schaduw om onder te rusten,....
En als je dan nog zoo klein maar niet was!
--Kindren! ik had al zoo lang loopen spelen
Ginds op de weî;
Altijd dat grazen begon te vervelen,
'k Woû weleens zien hoe het was op de heî.
Ach! nu verdwaalde ik al verder en meer,
'k Zoek er mijn moedertje, 'k zoek er mijn vrinden,
'k Zoek om wat gras en wat water te vinden:
Was ik eens thuis, ik verliet het niet weêr!--
Schaapje! wij zullen den weg u wel leeren
Over de hei,
Ga maar met ons en geen leed zal je deren,
Zeker! wij brengen u weêr op de weî.
Maar, maak dan voort, of wij laten je staan,
Moeder ziet zeker al uit, waar wij toeven,
Waarlijk, ik woû haar niet graag zóó bedroeven,
Als gij uw moeder vandaag hebt gedaan!
DE HERDER.
Daarbuiten op de weide
Gaan lam'ren, klein en groot;
Zij grazen van den morgen
Tot aan het avondrood.
Opdat geen leed hen deren,
Geen lam verdwalen zou,
Bewaakt een wakkre herder
De kudde vroom en trouw!
Maar meer nog dan de herder
De lammerkens bewaakt,
Waakt God voor brave kindren,
Dat hun geen onheil naakt;
Hij ziet van uit den Hemel
Behoedend op ons neêr,
En als we onwetend dwalen,
Voert hij ten goede ons weêr!
KLEEDING.
Lelie, met uw wit gewaad!
Roosje, met uw purpren hoedje!
De arme knaap en 't meisje groet-je...
En ze vinden, inderdaad,
Dat uw tooi u prachtig staat.
Ziet de knaap zijn halfsleets buis
Digt bezaaid met menig lapje,
Ziet het meisjen op haar kapje,
Hier vol gleedjes,--daar vol pluis...
Half bedroefd gaan zij naar huis!
Maar als moeder dáár, zoo blij,
Zit te naaijen en te stikken,
Om die plunjes op te flikken,--
Bloempjes! och dan vinden wij
Ons gelukkiger dan gij!
Of men veel of weinig heeft....
Ieder kunnen wij behagen,
Als wij knap en dankbaar dragen
Wat de hand der liefde ons geeft;--
Of men veel of weinig heeft!
GEÄRMD.
Honger, honger! leelijk woord,
Als een leêge maag u hoort!
Als de tanden watertanden,
En men staat met leêge handen....
Als ge op volle schaal of manden
Gretig u een' blik verstout,--
Maar de maag vacantie houdt.
Doch--hoe lastig gij soms zijt,
Toch maakt ge ons ook dubbel blijd,
Zullen we u graag welkom heeten
Als we happig zijn gezeten
Voor een' schotel lekker eten....
Grage tand de spijs vermaalt,
Zelf verdiend en zelf betaald!
Daarom roept ons blij gezang:
Lieve Honger! plaag ons lang!
Rijk en ziek zou menigmalen
(Kon het!) u met goud betalen--
Ons zult gij zoo ligt niet falen;
Maar verlangt gij dank en prijs,
Kom dan (kan 't!) geärmd met.... spijs!
DE KLEINE BEDELAARSTER.
Daar liep een meisje langs den weg;
Haar oogjes waren rood:
"Ik weet in 't land geen heg of steg,
Mijn vader en moeder zijn dood,
Mijn oudste broêr die is soldaat;
Och had ik maar werk, dan wist ik raad!"
Dat zag een brave boerenvrouw
En zei: "Mijn lieve kind!
Wat loop je barvoets in de koû
En huilt er uw kijkertjes blind!
Wie werken wil, vindt altijd raad!
Voor jou heb ik nog wel overdaad."--
Ze werkte laat, ze werkte vroeg
En diende braaf en trouw;
Een boertje flink en rijk genoeg
Die haalde haar thuis als zijn vrouw;
Maar had ze toen ook overdaad,
Toch bleef ze nog vlijtig vroeg en laat.
VAN GLAS.
Wanneer het maar voor 't geven was,
Dan gaf ik ieder kind,
Dat graag wou zijn bemind,
Een hartje van het fijnste glas;
Van glas.... van glas?
Ja wel van glas!
"'t Is zaak dat ik er goed op pass'!"
Dacht ieder dan (hoe klein!)
"Want, houd ik het niet rein,
Dan ziet men gaauw een smet op 't glas;
Op 't glas.... op 't glas?
Ja wel op 't glas!"
En--heeft het eerst een barst of kras
Zij gaan er nooit weêr uit
En 't geeft een valsch geluid
Wanneer er iemand tikt aan 't glas;
Aan 't glas.... aan 't glas!
Ja wel aan 't glas!
Och! dat het maar voor 't geven was....
Doch zie! 't is even goed
Wanneer ge, o kindren! doet,
Alsòf uw hartje waar' van glas;
Van glas.... van glas?
Ja wel van glas!
NEMEN EN GEVEN.
Ei! goeden morgen, Peereboom!
Wat zijt ge rijk geladen;
Ik zie, van welken kant ik koom',
Meer vruchten haast dan bladen;
't Is waarlijk, of zich blad bij blad
In peer bij peer veranderd had.
En waar gij, lieve Peereboom!
Zoo heerlijk staat te prijken,
Roept Vader:--"Jongen! nu niet loom
Daaronder staan te kijken;
Kom flink er in--zoo'n groote schat
Blijft groot nog, al verliest hij wat!"
Dus, allerbeste Peereboom!
Zal 'k maar niet lang meer temen
En van uw peertjes zonder schroom
Een fermen zak vol nemen;
En 'k geef dan elken buurknaap wat,
Die zulk een milden boom niet had.
VLIEGER OPLATEN.
Vieren, vieren!.... achteruit!....
Zal uw vlieger stijgen kunnen
Moet ge hem de strengen gunnen,
Of de kans die is verbruid:
Geef uw vlieger vrije lucht,
Geef hem ruimte voor zijn vlugt.
Loopen, loopen, wat je kan!
Als uw vlieger neêr wil dalen
Moet ge hem weêr op gaan halen,
Met een strakker, straffer span:
Zonder moeite geen plêzier
Met dat vliegende papier.
Palmen, palmen, wat je mag!
Kunt ge hem niet boven houên,
Zorg ten minste voor uw touwen....
't Is een les voor d' ouden dag:
Wie dat alles tijdig kan,
Die wordt een verstandig man.
BLINDEMANNETJE.
Stoelen en stoven op zij,
Dat hij zijn voetjes niet stoot;
't Heeft geen nood!--
Loop hem voorbij,
Trek hem op zij.
Blindeman, Blindeman!
Pak me maar ân,
Als je me krijgen kan.
Kijk! wat hij rondloopt en tast!
Sliep uit, dat 's mis, kameraad!....
't Is te laat!
Raagbol en kwast,
Hoû ze maar vast!--
Blindeman, Blindeman!
Pak me maar ân,
Als je me krijgen kan.
Meisjes! wat kraakt er uw kleed!
Jongens! uw fluistren verraadt
Waar je staat!
Eer dat ge 't weet,
Heeft hij je beet!....
Blindeman, Blindeman!
Hoû wat je kan:
Je bent weêr ziende, man!
ONZE MANIEREN.
Tusschen Keulen en Parijs
Leît de weg naar Rome:
Al die met ons meê wil gaan,
Die moet onze manieren verstaan:
Goeije manieren,
Zoete manieren,
Zoo zijn onze manieren.
Ben je klein of ben je groot,
Altijd kan je leeren;
Woudt ge gaarne zijn bemind,
Houdt maar onze manieren te vrind:
Brave manieren,
Vrome manieren,
Zoo zijn onze manieren.
Ben je niet van Hollandsch bloed,
Woudt ge dat niet blijven?
Houdt dan, kindren! waar het past,
Houdt dan Hollands manieren maar vast;
Oûwe manieren,
Trouwe manieren,
Zoo zijn onze manieren.
VOOR DE SMIDSE.
Heisa! dat hamert er lustig op toe,
Smidje! vertel me 'reis, wordt ge niet moê?
Toen wij van morgen naar school zijn gegaan,
Waart gij al lang aan het smeden en slaan;
Oef! wat een werken en zweeten is dat,
Wacht eens een omzien en rust ereis wat!
--Maatjes! je ziet er zoo dom nog niet uit,
Maar van het smeden versta je geen' duit;
't IJzer is gloeijend, zoo als jelui ziet;
Wacht ik een beetje, dan deugt het weêr niet;
Denkt er om, jongens! 't is goed, dat ge 't weet:
IJzer, dat deugd houdt, moet gloeijend gesmeed!--
HAASJE.
Haasje zat in 't rijpend koren,
Knabblend aan het groene kruid;--
Haasje, haasje! kijk wat uit,
Klonk daar niet een jagershoren?
Klonk daar niet een paardedraf?
Klonk daar niet een hondgeblaf?
"Nog een blaadje, nog een kruidje,....
Ik kan loopen, hard genoeg,
't Is, warempel! nog te vroeg,
Nog dat ééne, kleine spruitje...."
Paf!.... daar knalde het geweer,
't Haasje dat viel bloedend neêr!
Haasje, haasje! 't kan me spijten,
Maar uw lot dat is verdiend:
Waart ge minder gulzig, vriend!
Zou de hond je nu niet bijten:
Wie niet hoort naar goeden raad,
Die beklaagt het zich te laat!
'T JAGERTJE.
Jaapje woû een veldhoen schieten,
En hij trof zijns buurmans schaap.
Ieder zeî: Wat domme knaap!--
Jaapje liet zich 't niet verdrieten,
En hij laadde zijn geweer
Voor een' ander' keer.
Met zoo greep hij 't in zijn handen,
Schoot en trof een vetten haas;
Ieder riep: Je bent een baas!--
Jaapje liet ze watertanden,
En hij bragt hem blij te moê
Naar zijn' buurman toe.--
'k Heb in vroeger tijd gelezen:
"Hans komt door zijn domheid voort!"
't Is niet altijd waar, dat woord,
Mag 't ook nu en dan eens wezen;
Maar, wanneer ge een domheid doet,
Maak haar gaauw weêr goed!
OCTOBER.
Kijk! October is in 't land!
Vol van appels buigen, zakken,
Knakken haast, de dikste takken,
Geef een mand!
Neen! geef duizend, duizend manden!
Pluk en raap, met volle handen,
Doe, van al dien overvloed,
Nu uw buikje eens regt te goed.
Maar, bedenk het, jonge borst!
't Is (hoeveel gij ook moogt garen)
Goed--een appeltje te sparen
Voor den dorst!
Als de winter is gekomen,
Vindt ge er geen meer aan de boomen,
En uw al te grage tand
Bijt ligt in een leêge mand!
Zoo 't voor appel geldt en peer,
Lieve kind!--in rijper jaren
Zult gij zien, dat zóó te sparen
Geldt voor meer!....
Wil dus vroeg en jong beginnen
Steeds te sparen van uw winnen,
Om te maken, dat gij, oud,
Appels voor den dorst behoudt.
SINT-NICOLAAS.
Zie, de maan schijnt door de boomen,
Makkers! staakt uw wild geraas;
't Heerlijk avendje is gekomen,
't Avendje van Sint-Niclaas!
Van verwachting klopt ons hart,
Wie de koek krijgt, wie de gard!
o! Wat pret zal 't zijn te spelen
Met dien bonten arlekijn!
Eerlijk zullen we alles deelen,
Suikergoed en marsepijn;
Maar, o wee! wat bittre smart,
Kregen wij voor koek, een gard!
Doch ik vrees niet, dat wij klagen,
Vader, Moeder zijn te goed!
Waren we ook niet alle dagen,
Véle waren wij toch zoet!
Ban dus vrij de vrees van 't hart,
'k Wed, er ligt geen enkle gard!
SNEEUWBALLEN.
Sneeuw bedekt de landen:
Wascht de kille handen
Dat ze tintlend branden,
Kneedt den sneeuwbal vast;
Krachtig de' arm geheven,
Fiksch den bal gedreven:
Ha! dat is een leven,
Dat aan jongens past!
Koudkleum mag zich warmen
In zijn Moeders armen,
Schreijen om erbarmen,
Als de bal hem raakt;
Laat de kagchel gloeijen,....
Ons zal door het stoeijen
't Bloed wel sneller vloeijen,
Waar de sneeuwbal kraakt!
WINTERAVOND.
Zoo'n winteravond mag ik wel,
Al stormt het wat daarbuiten,
Al klettert ook de hagel schel
En ram'lend langs de ruiten;
Hierbinnen is een fiksche gloed
En chocolade, warm en zoet,
En knappende beschuiten.
Wij vroegen om dat lekkers niet,
Maar laten het ons smaken,
En zingen soms een vrolijk lied,
Dat kindren kan vermaken;
En leêgen menig groote schaal,
En hooren menig vreemd verhaal
Van allerhande zaken.
Maar zijn we aan 't einde van de pret,
En wordt het vuurtje zwakker,
Dan gaan wij vrolijk naar ons bed,
En groeten vriend en makker;
Dan leggen wij ons dankbaar neêr,
En bidden: "o! Behoed ons, Heer!
En maak gezond ons wakker!"
NAAR BED.
Kindertjes! zijt ge nog niet moê?--
Of gij uw oogjes al wilt wrijven,
Ziet! ze vallen zoo zachtkens toe;
Vroeg je niet om 'reis op te blijven?
Hadt ge maar om Klaas Vaak gedacht;
Kindertjes! komt, uw bedje wacht!
Is het niet of uw hartje slaapt?--
Worden uw koontjes niet al strakker?
Foei, hoe dat er uw mondje gaapt!
Zingt maar eens meê, dan wordt ge wakker!
Kleedt je dan uit en bidt den Heer;
Kindertjes! komt, 't is tijd en meer!
MANESCHIJN.
Die klare, heldre maneschijn,
Wat houdt hij trouw de wacht!
Ik kruip maar achter mijn gordijn
En slaap den heelen nacht.
Kijk vrij door 't venster met uw licht,
Gij allerliefste maan!
Ik knijp maar beî mijn oogjes digt
En laat je buiten staan.
Als morgen vroeg de zon opgaat,
Spring ik weêr voor den dag;
En wensch dan, beste kameraad!
Dat je ook eens slapen mag.
AVONDBEDE.
Kinders! zult ge slapen gaan,
Bidt met zulk een vroom gemoed,
Of ge 't voor het leste doet
En misschien niet op zult staan.
Dankt voor 't goeds, wat God u gaf,
Hem, die 't u geschonken heeft;
Smeekt voor 't kwaad, wat gij bedreeft,
Onzen Heer vergeving af.
De oogjes, door den slaap bezwaard,
Mogen dan ter ruste gaan;
Vrolijk zult ge ze openslaan
In den Hemel of op aard'.
ENGELEN.
In den Bijbel staat geschreven,
Dat Gods Englen ons omzweven,
En bewaken in den nacht;
Dat geen boosheid ons kan hindren
En dat alle vrome kindren
Veilig slapen in hun wacht!
Dikwijls als ik had gebeden
Was 't, of op mijn oogeleden
Nog een nachtkus werd gedrukt:
Zou dat niet een Engel wezen,
Dacht ik--en met heilig vreezen
Heb ik 't hoofd ter rust gebukt.
II.
OCHTENDDANK.
Wij, kindren, knielen dankend neêr,
En loven U, o Lieve Heer!
Nu wij uit zoeten slaap ontwaken.
Uw hand maakte onze peluw zacht,
Uwe Englen waakten heel den nacht,
Dat ons geen onheil mogt genaken;
En thans geeft Gij ons nieuwe kracht:--
o Vader! U zij dank gebragt!
ZONDAG-MORGEN.
Nu roept de kerkklok met zacht geluid
De kindren alle ter woning uit;
Naar 't Huis des Heeren gaat groot en kleen,
In stillen eerbied, aandachtig heen.
Om Hem te danken, die zoo veel goed
Aan alle menschen en kindren doet;
Om Hem te bidden, dat Hij vergeev',
Wat ieder onzer voor kwaad bedreef.
o Lieve Heere, Gij, goede God!
o Leer ons leven naar uw gebod!
En ieder kerkgang zij ons een feest,
Waarop we U loven met blijden geest.
MEESTERS VERJAARDAG.
Hoe! zijn uwe oogjes nog vol vaak?
Kijk uit, langs weî en akker,
De bloempjes worden wakker,--
Ontwaak, ontwaak, ontwaak!
Ei, bloempjes! dat is mis geweest,
Dat dien-je maar te weten!
Wij hadden 't niet vergeten
Dat blijde, blijde feest.
Neen, lang al zijn wij kant en klaar,
Van 't hoofd tot aan de voeten,
Om Meester-lief te groeten,
Te groeten paar aan paar.
En als ter school hij binnentreedt,
Dan zullen wij met zangen
En versjes hem ontvangen
Voor 't goed dat hij ons deed.
Dan bidden we onzen Lieven Heer:
"o Mogt uw gunst ons geven,
Om hem tot vreugd te leven,
En U, o God! tot eer!"
DES MORGENS VROEG.
Des morgens vroeg, des morgens vroeg,
Al lig ik warm nog in mijn bed,
Dan weet ik, dat mijn Moederlief
De deur en vensters openzet;
Dan staat mijn melk en boterham
Al netjes op de tafel reê,
En Moeder gaat al vroeg aan 't werk
En neemt hare eigen bótrâm meê.
Des morgens vroeg, des morgens vroeg,
Wanneer mij Moeder heeft gekust,
Dan sluipt zij op haar toontjes weg
En fluistert: "Slaap nog maar gerust!"
Maar 'k zorg wel, dat ik knap en blij
En tijds genoeg naar school toe ga,
En als ik eerst gebeden heb,
Kijk ik nog gaauw mijn lessen na.
Des morgens vroeg, des morgens vroeg,
Als ik gegroeid ben tot een' man (vrouw),
Spring ik het eerst de veêren uit,
Dat Moederlief wat rusten kan (zou);
Dan zet ik eerst haar bótrâm klaar,
En als ik haar dan heb gekust,
Dan sluip ik zacht ons huisjen uit
En denk: "Slaap gij nu maar gerust!"
NAAR SCHOOL.
"Naar school, naar school! de klok sloeg acht!"
Ei kijk! op alle wegen,
Van stoep en trap, langs straat en gracht,
Komt ons een troepje tegen;
Wel koud, maar rein van wang en hand;
Wel arm, maar helder als een brand;
En aan hunne oogjes zie-je 't aan,
Dat zij wàt graag naar school toe gaan.
Eerst stoeit en lacht de blijde schaar
En springt op stoep en steenen;
Dan ziet ge zachtjes paar aan paar
Zich tot een rij vereenen;
En is er hier of daar een guit,
Ze voeren toch geene ondeugd uit:--
Daar mag een ziertje pret op staan
Voor wie zoo graag naar school toe gaan.
Maar dan naar school,--en opgepast!
De les moet flink gelezen,
Het schrift moet netjes in de kast,
De som in orde wezen;
En denkt bij alles op het lest,
Het is toch tot mijn eigen best:--
Want zijt ge zóó ter school gegaan,
Dan komt ge er wijs en braaf van daan.
KIS-KASSEN.
Kom nu, mijn gladde kittelsteen,
Ik zal-je gooijen, scherp en plat!
Kom, huppel over 't water heen,
En kis-kas langs het vlak van 't nat,
Totdat ge, haast als een Pailjas,
Een sprong maakt tot in 't groene gras!
Hei, jongens! opgepast--hij gaat!
Kis-kas... één, twee, drie, vier! kas-kis,
Nog eens... plomp!... Mis is 't, kameraad!--
Een andre... plomp!... dat's daadlijk mis!
Nog eens--wat goed is, gaat in drie!...
Daar springt hij--hoep!--daar is hij... zie!
Hoezee!--of hij een vogel was,
Zoo scheerde hij het spiegelvlak!
En kijk! een heel eind in het gras,
Ligt hij, ginds, bij dien bruinen tak!...
Heb dank, mijn gladde kittelsteen!
Als gij spring 'k--maar naar School nu, heen!
KLEIN ZUSJE.
Mijn allerliefste zusje,
Dat zit op Moeders schoot;
Ik geef haar van mijn eten,
Dan wordt ze spoedig groot;
Ik zing haar al mijn liedjes,
Dan wordt ze spoedig zoet;
Ik leer haar al mijn lesjes,
Dan wordt ze wijs en goed.
Mijn allerliefste zusje!
Wat zal dat aardig staan,
Als wij met ons twee beidjes
Te zaam naar school toe gaan!
Dan op de kleine steentjes
Parmantig voortgestapt,
Ik zal wel op u passen,
Dat ge in geen plassen trapt.
Mijn allerliefste zusje!
Och, zeg! geloof-je nou
Hoe dat ik in mijn hartje
Zoo magtig van u hoû?
Toe, lach 'reis tegen broertje (zusje)
En geef me 'reis een' kus,
En pak me eens in je boutjes,
Mijne allerliefste zus!
STUKJES-DRAAIJEN.
Hé! dat 's wat anders, als op school
Te muffen op die harde banken,
Te kijken naar die zwarte planken,
En zoet te zijn als domme Jool!
Kom, kom! dat leeren is maar wind,
'k Denk, dat ik tòch mijn' kost wel vind!...
Wat woû-je, man?... een' halve cent?
Ik heb er waarlijk geen' te geven....
Maar kunt ge van uw werk niet leven,
En moet ge beedlen, arme vent?
Gij lijkt toch anders groot en sterk,
Hoe komt het--heb-je dan geen werk?
"Och, lieve kind! toen 'k jonger was,
Toen woû ik mij niet goed gedragen
En ging, als 't schooluur was geslagen,
Uit slentren in het groene gras;
Ik wou niet leeren toen ik môst,
En moet nu beedlen voor den kost."
Och, arme man! ik schrik er van:
Ik was daar juist aan 't stukjes-draaijen;
Maar 'k laat mij door uw voorbeeld raaijen.
Kom morgen maar 'reis bij ons ân:--
Als Moeder 't mij vergeven heeft,
Is 't vast, dat ze u een bótrâm geeft.
OPGEPAST.
Ik wou wel als een vogeltje
Zoo vliegen en zoo springen;
Ik woû wel als een vogeltje
Een vrolijk liedje zingen,
En iedereen' vertelde ik graag,
Dat ik zoo vrolijk ben van daag!
En wilt ge weten hoe dat komt?
Och, luister dan maar even!
Ik heb het best mijn les gekend,
Het best mijn schrift geschreven:
En Moeder trok mij op haar' schoot
En zoende beî mijn wangen rood.
KERK-EXAMEN.
Och Lentelief, och hartedief!
Hoe prachtig zijn uw kleêren,
Gestikt met bloempjes wit en blaauw
En paereltjes van morgendauw
En bonte vogelveêren!
Wat ben je mooi, wat ben je mooi,
Mijn lievert! in dien rijken tooi.
En God de Heer, die tot zijn eer,
o Lente! u zoo woû kleeden,
Zal zeker aan het arme kind,
Wiens mond Hem prijst, wiens hart Hem mint,
Nog grooter zorg besteden.
Zijn goedheid geeft der schaamle jeugd
Den tooi van kennis en van deugd.
Rijk jaargetij! dat mogen wij
Van daag weêr dankbaar toonen
(Zij 't met versleten jurk en buis),
Nu liefde ons in des Heeren Huis
Voor deugd en vlijt wil loonen;
Die liefde ziet op pronk noch tooi,
Maar denkt: "De hartjes zijn toch mooi!"
NIEUWSGIERIG.
De beek ontdooit, de sneeuwlaag smelt--
En duizend bloemenknopjes
Verheffen weêr hun kopjes
En kijken langs 't ontluikend veld;
Half, ja! met welbehagen--
Maar half met schuchter vragen:
"Zeg! is de Lente ver genoeg,
Dat wij het durven wagen...
Of komen wij te vroeg?"
Gij lieve bloempjes, wit en rood,
Gij teêre madeliefjes,
Och! wees voorzigtig, diefjes!
Gij zat zoo goed in Moeders schoot!
Geen winter kon u deren....
En als met donzen veêren
Dekte u de blanke sneeuwvlok-sprei:
Wat kondt ge méér begeeren
Gij bloempjes van de weî?
"Begeeren, ja!... begeeren, neen!
Maar toch, wat rond te kijken
Dat zou ons wel eens lijken!"...
't Is goed!--Ik ben er meê te vreên;
Ik antwoordde op uw vraagjes:
Doch schijnt de zon nog traagjes--
En komt weêr sneeuw en ijs...
Wordt dan, nieuwsgierige Aagjes!
Door schande en schaê maar wijs!
DE LENTE KWAM.
De winterkoû is weggejaagd:
Zie maar! wat bloemen, overal,
De hof, de haag, de boomgaard draagt.
'k Hoop, dat het niet meer vriezen zal!
En dat 'k geen andre sneeuw meer zie,
Dan die
Als witte bloesem sneeuwt!
Of haast de zwaluw komen zal?--
Met stroo en fijngekamde wol
Maakte ik de nestjes, in den stal
En onder aan de dakgoot, vol.
Ik denk: 't doet vast het trouwe dier
Plêzier,
Dat 'k zóóveel van hem hoû!
En komt onze ooijevaar dan weêr,
De langpoot met zijn langen bek,
Dan zal 't een pret zijn!--vrij wat meer,
Dan, toen hij stond op zijn vertrek,
En ieder droevig keek naar 't dak
En sprak:
"Hij neemt den zomer meê!"
Zoo klink' het dan, aan allen kant,
Terwijl we ons scharen tot een dans,
"Hoezee!--de Lente kwam in 't land,
Vlecht haar een madelievenkrans!"--
En de Armoê roept, nog eens zoo blij
Als wij:
"Koû en gebrek zijn nu voorbij!"
IN MEI.
In Mei,
Dan leggen alle vogeltjes
Een ei!
En waar ze zitten broeijen,
Daar zullen we niet stoeijen.
In Mei,
Dan kruipt een heel klein vogeltje
Door 't ei!
Wie zou het willen deren?
Het heeft geen eens nog veêren.
In Mei,
Dan leggen alle vogeltjes
Een ei!
En wie die beestjes hindren,
Dat zijn wel booze kindren.
BOTERBLÔMMETJE.
Ik moet u toch 'reis roemen,
Mijn kleine boterblôm!
Al keken de andre bloemen
Daar nog zoo knorrig om;
Gij staat zoo glinstrend in het hout,
Alsof ge waart van klinkklaar goud.
De bloempjes in de potten,
De bloempjes in de kast,
Die hebben mak'lijk spotten,
Zij worden opgepast;
Gij staat in alle wind en weêr
En groeit en bloeit toch evenzeer.
Ik kon wel van u leeren,
Heeft Vader mij gezeîd:
Meer dan de mooiste kleêren
Siert ons tevredenheid;--
Zoodat een arm en dankbaar kind
Verdient, dat men het dubbel mint!
OCH HEER!
Geen van de bloempjes heeft zijn' knop meer toe,
Het lieve zonnetje lacht weltemoê,
De dartle vogels springen hoog en laag;
Och Heer! wat is het alles mooi van daag!
Och Heer!... foei! 'k zeî dat woord daar onbedacht,--
En alles spreekt toch van Gods liefde en magt;
Ja alles roemt de goedheid van den Heer,
En bloeit en lacht en huppelt Hem ter eer.
En ik, die zoo veel goeds genieten mag,
Ik zou Gods naam niet noemen met ontzag,
Niet denken aan den Gever van dat goed,
Die ook mijn jeugd zoo vaderlijk behoedt!...
Vergeef't, o Heer! en moog' mijn liefde en dank
Uw goedheid prijzen heel mijn leven lank;
En iedren dag zeg' biddend mijn gemoed:
Och, lieve Heer! wat zijt Ge groot en goed!
'T VIOOLTJE.
Viooltje, zacht van kleuren!
Gij siert mijn' kleinen hof,
Viooltje, zoet van geuren!
Ik zing 'reis tot uw' lof;
Als alle bloempjes rusten
En sluimren in heur' knop,
Dan snuif ik nog met lusten
Uw lekkre geurtjes op.
En daarom steek uw kopje
Gerust maar uit het gras,
Zoo goed alsof-je een knopje
Van roos of lelie was.
Ei, waarom weg te schuilen,
Mijn kleine hartedief!
Zeg, waarom zou-je pruilen?
Ik heb u net zoo lief!
Wie lieflijk is van wezen
En nedrig van gemoed,
(Dat heb ik laatst gelezen)
Is dubbel schoon en goed:
En daarom, zedig bloempje!
Zing ik nu tot uw' lof,
En prijs u als het roempje,
Het roempje van mijn' hof.
BRANDNETELTJE.
Ai, ai, mijn heele handje brandt!....
Of heeft me een beest gebeten?
Wel neen! dat is die booze plant,
Hoe of ze wel mag heeten?
Dat stoute kruid,--
Het zag er toch zoo aardig uit!
"Brandneteltje, me-lieve kind!
Zoo is dat kruid geheeten,
En waart ge niet zoo haastig, vrind!
Het had u niet gebeten:
Dat beetje pijn
Dat leer-je nu voorzigtig zijn!"
"Al wat ge voor het eerste ziet
(Gij moogt het wel onthouên!),
Dat grijp-, of proef- of ruik-je niet,
Want bitter kon 't u rouwen:
Dus niets gewaagd,
Of 't eerst aan wijzer luî gevraagd."
NIET PLUKKEN.
Blaauwbloempje, bloeijend aan den vliet,
Ik meen, gij heet
Vergeet
Mij niet!
Als 'k wist dat ik U plukken dorst,
Ik zou u steken op mijn borst;
Dan zag ik
Den heelen dag uw kleurenpracht!
En 'k droomde er van den heelen nacht;
Zeg, bloempjen-blaauw! zeg... mag ik?
"Lief meisje! zoo ge 't heel graag deedt,
Pluk voor plêzier
Mij hier--
Doch weet,
Als ge mij vaststeekt op uw borst,
Dan sterf ik dáár van hitte en dorst!...
Zal 'k bloeijen
Bij 't felle stralen van de zon,
Dan moet het water van de bron
Mijn worteltjes besproeijen!"
"Laat mij dus hier, bij 't frissche nat!...
Maar wacht, mijn kind!
Ik vind
Nog wat!
Graaf, om mijn worteltjes, een kluit
Met aarde, heel voorzigtig, uit,
En zet mij,
Begoten, op een koele plek
In 't vensterbank van uw vertrek,
Dan leef 'k nog lang--wat wedt gij?"
Het meisje groef met zachte hand
De wortels uit
Van 't kruid
Der plant,
En liep naar huis, en zette haar
In een regt beeldig vaasje daar
Op 't plankje,
Aan 't kleine raam--en week op week
Bloeit daar 't Vergeet-mij-niet der beek
En fluistert daaglijks: "'k Dank je!"
'T VERFLENSTE BLOEMPJE.
Arm bloemetje! hoe staat ge zoo verdord,
Uw blaadjes rimplen aan den steel;
Wat zijn ze flets, wat zijn ze geel!
Zeg, bloemken! is 't aan water, dat het schort?
Ei! wacht, dat ik u handig eens begiet....
Dat doet-je goed, hê, bloemken! doet het niet?
--Och, aardig kind! wat zijt ge lief en goed!
'k Word frisscher weêr bij iedren drop,
En al mijn blaadjes luiken op:
Och, 't is zoo naar, als men verwelken moet,
Terwijl een weinig water uit de bron,
Zoo 't iemand geven woû, ons helpen kon.
En 't doet u zelv' plêzier, zeg! doet het niet?
Gij voelt uw hartje blijder slaan
Nu dat ge mij hebt welgedaan:
Och! denk om mij, als ge eens een' Arme ziet:
Ligt helpt den stumpert uit zijn' diepen nood
Één teugje water en één bete brood.--
VERWELKTE ROZEN.
Moeder, wat bloeijen de roosjes toch kort!
Gistren, u weet het, hoe mooi dat ze stonden,
'k Had ze nog pas aan de stokjes gebonden,--
Nu zijn de meeste verlept en verdord;
Kijk, hoe de wind nu haar blaadjes doet zweven,
Niets dan de bottels is overgebleven....
Moeder! ik vond, dat het aardiger waar',
Dat ze maar bloeiden tot laat in het jaar!
--Liefje! 't heeft alles zijn beurt en zijn' dag.
Hoe zou er zaad in de botteltjes groeijen,
Zoo al die roosjes niets deden dan bloeijen?
'k Wed, dat men spoedig geen een er meer zag!
't Is met de kindertjes net als de rozen:
Denk, als het spelen uw koontjes doet blozen,
"Altijd te spelen, dat geeft geen profijt;
Spelen en werken, 't heeft ieder zijn' tijd!"--
DE VLINDER.
Och! zou het waar zijn, dartel beest!
Wat Grootmoê straks mij heeft verteld,
Dat gij een rupsje zijt geweest
(Gij, die nu rondzweeft over 't veld!)
En kruipen moest langs tak en blad
Of in een pop verscholen zat?
Wat moet ge, als 't waar is, vrolijk zijn,
Nu je zoo prettig vliegen mag,
En nu ge uit rozen en jasmijn
Uw' maaltijd ophaalt alle dag....
En nu de vlerkjes, waar ge op zwiert,
Zoo kostelijk mooi zijn opgesierd!--
En in 't priëel zat Grootemoê.....
Zij trok me zachtkens aan haar' schoot
En sloot hare oogen biddend toe,
En zeî: "Zoo zal eens, na den dood,
Verlost van aardschen strijd en pijn,
De brave mensch een Engel zijn!"
IN DE WEÎ.
Lieve beestjes in de weî!
Vindt ge hier niet allerlei?
Bloempjes, klaver, gras en kruid,
Ieder zoekt zijn gading uit;
Op dat groene tafelkleed
Staat voor allen wat gereed.
Luister hoe die vogel zingt,
Kijk eens hoe dat veulen springt,
't Koetje loeit en 't schaapje blaat,
Ieder spreekt er naar zijn' staat,
Ieder dankt er in zijn taal
Voor dat kostelijke maal.
Foei! dat ik beschaamd moet staan,
Die aan 't eten ben gegaan
(Och! te dikwijls en te lank)
Zonder bidden, zonder dank!--
Hoor! nu eet ik nimmer weêr,
Of ik dank ons' Lieven Heer!
LIJSTERBESSEN.
Lijstertje, zoo zwart van veêren,
Met uw' snavel geel als goud!
'k Hoor u daaglijks kwinkeleren
In de toppen van het hout;
Hoog en droog zingt gij uw lied,--
Kom 'reis hier... of durf-je niet?
Zie-je niet die roode bessen,
Daar ge toch zooveel van houdt?
Kijk, ze slingren zich als tressen
Om de heesters van het woud;
Kijk maar, proef maar, kom eens hier,
Kom, mijn allerliefste dier!
--Ei! ge dacht me fijn te foppen,
Knaapje!... maar ik hoû me doof!
'k Zag maar al te goed de stroppen
Daar verborgen tusschen 't loof:
Dwaas is, wie voor lekkernij
Zich laat vangen:--ik blijf vrij!--
NACHTEGAALS-LIEDJE.