Waarin Jan Drie op 'n hoogte van 400 M. + A. P. vreeselijke honger
krijgt en nederdaalt voor de voeten van z'n trouwe schoolkameraad
Dolf.
Toen Jan Drie in de wolken verdween om aan 't speurende zoeklicht van
den nieuwsgierigen luchtwachter te ontkomen, wees de hoogtemeter in
m'nheer Vliegentherts aeroplaan 450 + A. P. Dat was Jan hoog genoeg
en hij bracht de vlieger dus maar weer in horizontale richting en
verminderde z'n vaart. Die vent daar beneden kon hem toch niet meer
zien en ofschoon hij voor zich wel van 'n spurtje hield, vond Jan 't
nu toch onnoodig met zoo'n razende snelheid (die 'n jongen vanzelf
krijgt als ie nagezeten wordt) door die natte wolken te blijven
snorren. Waarom zou hij snel vliegen? De luchtwachter kon hem niet meer
terugvinden en voor 't overige had hij geen bizondere haast. Hij moest
toch nergens naar toe. 't Liefst zou hij naar huis gevlogen zijn,
desnoods met de grootste snelheid, waartoe de monoplaan in staat
was, doch daar was geen kans op. In die kolossale ruimte, die toch
heelemaal niet op 'n ruimte leek, want de wolken hingen om de vlieger
alsof die in grijze watten verpakt was, wist Jan heg noch steg. Aan
alle kanten nevels, die in roode en groene slierten op hem aanschoven,
langs hem over hem en onder hem wegschoten. Niet 't minste uitzicht,
niet 't geringste begrip van Noord, Oost, Zuid of West. 'n Gevoel van
miserabele verlatenheid begon zich van hem meester te maken en Jan kon
't maar niet van zich afzetten. Hij was in de lucht verdwaald.
't Begon nog te waaien ook en dat maakte hem 'n beetje angstig. In
't jaar 2010 tuimelde 'n vlieger wel niet zoo gemakkelijk meer om,
als 'n eeuw geleden, toen 'n vliegenier 't liefst met opstijgen
wachtte tot 't vlaggetje op de hangar slap naar beneden hing, omdat 't
geringste wervelwindje 't hem lappen kon. Maar toch was 't altijd nog
'n waagstuk te vliegen bij hevige wind. Dan vliegen zelfs de vogels
niet graag en die hebben toch bij slot van rekening 't meeste verstand
van dat werk. 't Speet Jan dat ie zoo weinig van de luchtkunde af
wist. Dat kwam er nu van als je van zoo'n belangrijke bijwetenschap
der aviatiek, geen werk gemaakt had en toch alleen wou vliegen. Maar
vooral speet het hem nu, dat hij niet meer aandacht had geschonken
aan de weerberichten in de krant. Hij had de rubriek: "'t Weer in het
buitenland" heelemaal overgeslagen. Niet aan gedacht zelfs. "Lomperd,
lomperd" schold hij zichzelf uit. Hij had tenminste kunnen weten wat
die knappe weerkundige van de krant er van zei, die zoo netjes met
vrij groote zekerheid 't weer voor de eerstvolgende vier of vijf dagen
wist af te leiden uit de stand van z'n baro- en andere scopen, en die
met behulp van de berichten der weerstations over de aarde verspreid,
steeds 'n overzicht gaf van 't te verwachten weer over de heele wereld.
Voor Nederland was mooi weer voorspeld, dàt had hij nog gelezen,
maar juist bij "'t weer in 't buitenland" had ie 't laten zitten. Wat
hielp hem dat mooie weer in Nederland nu hij in 'n natte wolk in 't
buitenland zat? Hij keek op z'n horloge.... twaalf uur.... anderhalf
uur gevlogen.... wellicht honderd vijf en dertig kilometers
afgelegd.... Hij was nog al hard van stal gegaan.... 'n Mooie boel.
Wat moest hij doen?
Stijgen tot groote hoogte om aan de wind te ontkomen? Dat was
'n klein kunstje. In 2010 maakten de kranten er geen melding van,
als je eens met je vlieger 'n paar kilometers hoog ging, zooals in
1910, toen alle bladen over de geheele wereld telegrafisch bericht
kregen, dat de aviateur Morane te Havre was gestegen tot 2100
Meter. Dat was dan ook de eerste man, die zich zoover van de aarde
had verwijderd. 'n Paar maanden later klopte de Hollander Wijnmalen
die hoogvliegers allemaal. Maar Jan had er toch geen zin in. Hij had
't al zoo koud. Zonder vliegjas, zonder handschoenen, zonder muts
was hij van 't dak gegaan. Hij bibberde nu al en in de bovenlucht
zou hij bevriezen. Daar had hij geen trek in. Wie weet hoe lang hij
nog vliegen moest en 'n vliegenier zonder lenige ledematen is als
'n vogel met 'n aangeschoten wiek.
Dalen?--Onmogelijk.--Dat zou hij alleen kunnen bij dag of als hij vlak
boven gebouwen was met goed verlichte vliegplatforms en daar zocht hij
liever niet naar vanwege de luchtwachters, die zoo'n jongen zonder muts
en in zoo'n mooie vlieger, wel scherp voor 't zoeklicht zouden nemen.
Stijgen, dalen, omkeeren, doorvliegen, 't was allemaal 't zelfde. Alle
vliegmanoeuvers hielpen hem geen zier. 't Eenige goede zou geweest zijn
stilletjes op dezelfde plaats te blijven, iets wat met 'n vlieger 'n
onmogelijkheid is, behalve wanneer je er mee op de grond zit. "Enfin"
dacht Jan, "ik zit nu eenmaal in 't schuitje.... als die drommelsche
wind maar niet heviger wordt. De monoplaan is goed.... die ligt als
'n meeuw op z'n wieken.... Als 't maar niet erger wordt."
Doch er was nog iets, dat hem meer kwelde, dan dat beetje wind. Hij
had 'n geweldige honger gekregen daarboven in die klamme wolken. Als
hij aan eten dacht.... neen dat was nog veel erger dan die heele
nachtelijke vliegmisère. Als hij met z'n vader vloog, zorgde deze er
altijd voor iets eetbaars bij zich te hebben in 't kleine kastje onder
de zitplaatsen en 't duurde gewoonlijk geen half uur of Jan vroeg al:
"Vader mag ik?" met zoo'n hongerige uitdrukking in z'n oogen dat
z'n vader maar gauw toestemming gaf zeker uit vrees dat Jan boven
de eerste de beste bakkerij uit de monoplaan zou springen. Doch in
de vlieger namen ze nooit brood mee of iets dergelijks. Dat zou te
veel plaats noodig hebben. 'n Vlieger was niet groot genoeg om er
'n ruime provisiekast in te hebben. Doch in Jan's tijd leverde
de voedselfabrieken vliegtabletten, (nuffige dametjes noemden die
dingen aeroplaancakes,) die er uitzagen als cacao, doch minstens
twintig maal zoo voedzaam waren. Gecomprimeerd voedsel, samengesteld
uit de krachtigste voedingstoffen en bovendien zeer smakelijk. Met
't grootste gemak droeg je op die wijze je ontbijt in de eene en
'n stevig middagmaal in de andere zak van je vliegjas, zonder dat je
er veel van merkte. Dit samengeperste voedsel diende alleen maar voor
onderweg. Thuis aten de menschen toch nog maar liever net als van ouds
hun gewone boterham en lekker klaargemaakt middageten. Natuurlijk waren
er wel van die zonderlingen, die nooit iets anders dan tabletten aten,
maar die werden toch beschouwd als eenigszins malle creaturen.
Nu was m'nheer Vliegenthert daarentegen juist 'n man, die misschien
heelemaal niet van vliegtabletten hield en in ieder geval was hij
onachtzaam genoeg (als hij er wèl van hield) om ze de vorige dag
vergeten of allemaal achter elkaar opgegeten te hebben. Zoo iets
dacht Jan Drie tenminste toen hij z'n hand toch maar uitstak naar 't
kleine kastje onder de bank. Vooreerst was dat 'n beweging waaraan
hij in de monoplaan zeer gewoon was en ten tweede zoekt 'n mensch
ook in 'n leege broodkast naar kruimels, als ie zóó uitgerammeld
van honger is als Jan op dat oogenblik.... En Jan voelde 'n heel
pak tabletten.... en nòg een. 't Heele kastje was stampvol. Er was
minstens voor veertien dagen genoeg te eten, zelfs voor Jan Drie.
"Neen maar", dacht Jan knabbelend "zoo gek heb ik 't nog nooit
beleefd. Die m'nheer Vliegenthert vergeet z'n kompas en neemt eten
genoeg mee, of hij van plan was nooit meer op de aarde terug te
keeren." Jan at twee tabletten achter elkaar op. Eén was genoeg voor
'n gewone honger, doch Jan's honger was onmenschelijk.
Toen hij 't laatste stukje ophad voelde hij al veel minder van de
groote verlatenheid in de donkere lucht. Heelemaal gerust was hij
nog wel niet, doch de wind werd niet erger en 't leek hem toe, dat
de wolken dunner werden. Hij keek eens naar boven.
Jawel hoor, 'n sterretje en nog een.... Die kleine lichtjes daar heel
ver weg stonden daar maar oogjes te knippen, of ze hem op wilden
monteren. Als je echter zoo alleen door de lucht zweeft 'n honderd
meter of vier boven de grond met geen ander licht, dan je kleine
lampje op 't stuurrad, je gekleurde lichten vooruit en ver achter je
't bijna onzichtbare lampje aan de staart van je snorrende kunstvogel,
dan heb je niet genoeg aan 'n paar knipoogende sterretjes om op de
duur de schrikbeelden uit je hoofd te houden. Jan kon er dan ook niets
aan doen dat plotseling de vrees bij hem opkwam, dat ie misschien wel
eens tegen iets aan kon bonzen en dan was 't gedaan met de aeroplaan
en met Jan Drie. Nu zal iedereen, die niet gewoon is per aeroplaan
te reizen 't hoogstwaarschijnlijk malligheid vinden om op 'n hoogte
van 400 M. bevreesd te zijn voor 'n botsing, omdat er op die afstand
van de aarde niets is, dat je in de weg staat. Maar Jan was aan
't rekenen gegaan. 't Was nu half twee en hij had dus 3 ×.... ja
hoeveel K.M. legde z'n aeroplaan af per uur?.... Hij had verzuimd de
afstandsmeter te kontroleeren toen hij van 't dak ging.... Veronderstel
echter, dacht Jan, dat de snelheid 90 K.M. was.... dan zou hij in
3 uur 3 × 90 = 270 K.M. hebben afgelegd en moest hij dus indien hij
de oorspronkelijke richting Z.O. was blijven volgen in de buurt van
Koblentz zijn..... Maar dan moest hij al lang op 't Zevengebergte
gestrand zijn, dat bij de vijfhonderd meter haalde of op de bergen
aan de linker Rijnoever die nog hooger waren. Hij vermoedde dan ook,
dat hij bij de plotselinge wending toen hij 't kompas miste, meer
in oostelijke richting geraakt was en als dat zoo was vloog hij nu
ergens boven Munsterland en liep hij gevaar te verongelukken in 't
Teutoburgerwoud, waar de Eems ontspringt en de Lippe. Daar waren de
bergen wel niet hoog maar toch brachten ze het wel tot 470 M. Precies
wist Jan 't niet uit 't hoofd, hoewel hij op school altijd z'n best
gedaan had op de bergen vanwege de aviatiek. Nu is 't eigenlijk 't
zelfde of je met 'n aeroplaan tegen 'n berg van 500 of van 5000 Meter
aanbotst. Voor 'n mug maakt 't ook geen verschil of hij in de vlam van
'n kleine of van 'n groote kaars vliegt.
"Ajakkes", dacht Jan, toen hem dit alles door z'n hoofd ging, "daar
had ik vroeger aan moeten denken. Ik wou dat ik in bed lag"--en voor
alle zekerheid steeg hij 'n paar honderd meter.
Waar zou ik toch in 's hemels naam terecht komen, dacht hij verder. Hoe
laat wordt 't licht om deze tijd van 't jaar? Hij wist 't niet op
de minuut af, maar 't moest zoo omstreeks vier uur zijn. Dan had
hij nog heel wat uurtjes te vliegen en voortdurend ging 't mooi
van huis af. En z'n kans om tegen 'n berg te vliegen werd er niet
geringer op. Daar ginds over de Wezer lag de Harz. 't Verstandigste
zou misschien zijn kringetjes te vliegen. Hij had vermoedelijk vlak
land onder zich. Wanneer hij net deed als 'n ooievaar en rond zeilde,
dan liep hij heel weinig gevaar. Misschien zou de een of de andere
luchtwachter hem in de gaten krijgen als ie zoo voortdurend in 'n
kring bleef rondsnorren--doch dit moest ie er maar op wagen. 't Was
altijd nog pleizieriger door 'n luchtwachter gesnapt, dan verpletterd
te worden tegen zoo'n meedoogenloos harde rots.
Hij begon zich dus in 't rond te laten drijven op 'n hoogte van
700 meters. 't Was vervelend, dat 'n uur of wat vol te houden, maar
er zat niets anders op en Jan Drie ooievaarde nog steeds 'n beetje
sufferig tot de sterren al begonnen te verbleeken en 't in de lucht al
lichter en lichter werd. Als hij niet zoo vermoeid geweest was, zou hij
waarschijnlijk mee genoten hebben van de dageraad, die de vederwolkjes
hoog boven hem rose kleurde en z'n vlieger reeds helder verlichtte,
toen 't onder hem op de aarde nog duister was. Doch als je de heele
nacht zonder doelmatige kleeding in 'n monoplaan rondgezworven hebt
begroet je de opkomst van de zon niet als iets dat je bewondert,
maar als iets dat je te pas komt. 't Beste zou hij 't die morgen
gevonden hebben, indien hij de zon had kunnen opdraaien, zooals hij
dat met de lampen in de aeroplaan deed. Maar de natuur doet alles op
haar gemak en Jan moest geduld oefenen.
Hij was van plan zoo gauw mogelijk ergens te dalen, al was 't midden in
de hei of in 'n weiland en te gaan slapen als 'n soldaat uit vroeger
tijden naast z'n paard. Hij hing alvast maar 'n beetje lager.... en
nog 'n beetje dalend in 'n spiraal.
Van de aarde uit moest de vlieger wel wat op 'n arend lijken
en honderd jaren geleden zouden de menschen hem er zeker voor
hebben aangezien. Doch in 2010 wisten ze wel beter. Arenden waren
zeldzamer dan monoplanen en als ze dus iets hoog in de lucht zagen
zweven, dachten ze dadelijk aan 'n vlieger. Dat deed ook nu iemand,
die op 't platte dak van 'n groot gebouw stond toen Jan Drie z'n
benedenwaartsche spiraal begon, maar hij dacht er tevens bij:
"Nou die komt ook aardig uit de lucht op de vroege morgen." En hij
bleef aandachtig de bewegingen van de vlieger volgen. Jan Drie had die
toeschouwer daar beneden op 't dak eindelijk ook in 't oog gekregen. 't
Was licht genoeg nu.
"'t Lijkt wel 'n jongen", dacht Jan steeds lager om 't huis
kringend.... "Hé, 'k zou haast zeggen, dat 't Dolf was.... van achteren
lijkt ie óók sprekend op hem.... Hij staat net eender.... Droom ik
nou of is ie 't werkelijk?.... Waarempel 't is Dolf Brandsma...."
Mooier kon 't al niet en Jan Drie talmde niet lang. Nog 'n paar
kringen om niet al te steil neer te komen en toen schoof de monoplaan
van m'nheer Vliegenthert langs Dolf Brandsma heen en bleef staan voor
de hangar. Jan was nog niet uitgestapt of de ander was reeds bij hem.
"Jan.... hé.... waar kom jij vandaan?"
"Uit de lucht natuurlijk.... Help me asjeblieft eens 'n beetje. 'k
Ben zoo stijf als 'n paal. 'k Ben blij dat 'k jou gevonden heb".
"Aardig van je hoor, om me eens op te komen zoeken. Wie heeft je
verteld, dat we hier uithingen?.... Hé val niet..."
"Geen mensch Dolf.... 't Is puur toeval..., Maar help me eerst eens
die vlieger in de hangar brengen.... Is 't ding open?.... Hè, wat ben
ik stijf.... Ik lig toch liever in bed zoo'n heele nacht hoor.... Waar
ben ik hier eigenlijk?....
"Weet jij niet eens waar je ben? Die is ook goed zeg...."
"Toe vertel 't me gauw.... Ik heb de heele nacht met die monoplaan
rondgescharreld...."
"Je ben hier in de buurt van Nordhausen."
"Nordhausen?.... Dus dat is de Harz die bergen daar ginds?"
"Precies.... Je ben zeker over Paderborn gekomen."
"Daar weet ik niemendal van. Ik zeg je toch dat ik rondgescharreld
heb."
"Je moet aardig hoog gevlogen hebben zeg.... De Solling is 500 meter
en daar ben je toch overgekomen denk ik.... Tenminste je kwam van
die kant...."
"'k Weet er niemendal van.... We zullen dat later wel eens
uitzoeken. Maar hoe krijg ik dat ding in de hangar?.... Jij hebt geen
sleutel hè?"
"Laat je vlieger maar hier staan.... 't Is mooi weer en dat blijft
't voorloopig.... De baroscoop stijgt en...."
"Nee die vlieger moet opgeborgen worden.... Als ik hem hier niet
onder dak kan brengen vlieg ik weer heen...."
"Je doet net of je 'm gestolen hebt...." lachte Dolf.
"'t Scheelt niet veel...." zei Jan.... "Hij is van m'n buurman m'nheer
Vliegenthert...."
"Hè?" riep Dolf verwonderd.... "Je bent er vandoor met m'nheer
Vliegentherts aeroplaan?.... Stilletjes?"
"Ja.... nog al stikem.... maar per ongeluk hoor...."
"Wat zal die woedend zijn" .... en Dolf lachte dat ie schaterde. "Ik
ken 'm hoor.... 't Is 'n oom van me.... en nou ben je bang dat ze je
ontdekken hè!.... Daar bestaat groote kans op.... Dat oompje van me
is in staat honderd rechercheurs op je af te sturen...."
"En dan houden ze me voor 'n dief.... en dat ben ik niet.... en dat
wil ik niet wezen ook.... Ik wou nu 'n beetje gaan slapen.... Ik val
bijna om.... en dan wou ik van avond de monoplaan maar weer terug
zien te brengen.... Of wil jij 't doen? Jij hebt je vliegbewijs
ook.... Maar als je niet wilt.... moet je me 'n kompas leenen. Dat is
't eenige instrument dat in de vlieger ontbreekt... anders was ik nu
ook niet hier...."
"Ik ben je vriend," zei Dolf hartelijk, "en natuurlijk help ik
je.... Laten we eerst de vlieger onder dak brengen.... Kijk dat doen
we hier zoo."
Hij wierp 'n geldstuk in 'n gleuf van de deur en dadelijk ging die
deur vanzelf open.
"Da's makkelijk", zei Jan,.... "Heb je geen sleutel noodig.... 't
Zal niet lang meer duren of de heele wereld wordt automatisch."
"O", antwoordde Dolf onder 't binnenbrengen van de vlieger, "we
schieten er hier al aardig op aan... Dit is namelijk 'n automatisch
hotel. Vader, moeder en de zusters zijn ook hier, maar die liggen
nog te bed. Toevallig ben ik vanmorgen vroeg opgestaan, om te zon te
zien opkomen."
"'k Ben blij dat jij vanmorgen zooveel om de morgenstond geeft,"
zei Jan Drie lachend.... "Je ben anders nooit zoo vroeg, zeg.... Je
beweerde altijd, dat je er niet uit kan komen, al heb je 't jezelf
nog zoo vast voorgenomen...."
"Dat leeren ze je wel in 'n automatisch hotel," lachte Dolf.... "Zal
je zelf wel ondervinden.... Als je hier je wekker op vier zet, ben
je er op dat uur uit ook, hoor.... zonder mankeeren."
"Nou ja," zei Jan, "als je d'r uit wil."
"Als je er niet uit wil evengoed.... Je zal 't wel zien.... Weet
je wat Jan, ga nu gauw mee in de lift.... naast mijn kamer is nog
'n kamer vrij.... 't Is hier vlak onder.... zesde verdieping... Je
slaapt 'n uur of wat."
"Och lieve hemel," zei Jan geeuwend, "ik zie kans om er vierentwintig
te slapen."
Dolf deed lachend 'n geldstuk in de gleuf van de lift.
"Kan je daar ook al niet in zonder geld?" vroeg Jan.
"Ik zei je toch, dat 't 'n automatisch hotel is hier."
"Nou ja.... maar dan hoeft toch niet àlles automatisch te zijn. De
oberkellner bijvoorbeeld?"
"Oberkellner? Is hier heelemaal niet.... D'r zijn hier geen kellners,
geen kamermeisjes, geen...."
"Maar wat is er dan wel?"
"Gleuven, om je geld in te doen."
"Hè?.... Maar wie schudt dan de bedden. Wie doet de kamers?"
"Mag Joost weten.... Hier is je kamer... Nu eerst geld.... Heb je
't? Eén nikkel.... anders zal ik 't je wel voorschieten."
Gelukkig had Jan nog geld genoeg bij zich, van dat internationale
geld, waar ze honderd jaar geleden nog niet van durfden droomen,
maar dat in 2010 de gangbare munt was in Europa, Amerika, Australië,
Afrika en 'n groot deel van Azië. Je hoefde niet meer te wisselen,
voor je op reis ging en je bleef nooit met onbruikbare vreemde pasmunt
uit allerlei landen zitten.
"Leuk", zei Jan, toen ie z'n nikkel geworpen had in de gleuf, die
't sleutelgat verving. Men hoorde 't geldstuk glijden langs metaal
en daarna ging de deur zonder gedruisch open.
"Zie je", legde Dolf uit, "je kan er voor niemendal uit en van binnen
kan je de deur sluiten, kijk zoo.... dan zit gleuf dicht en kan
geen mensch er 'n nikkel in krijgen. Alleen 't binnenkomen kost je
'n nikkel (zoo werden die automaat-geldstukken genoemd, ofschoon ze
heel wat lichter waren dan de vroegere vijfcentsstukken.)"
"Daar zal 't hotel weinig aan verdienen, 'n Kamer voor één nikkel."
"Dat denk je maar.... Logeeren zonder ontbijt, kost je hier net zooveel
als in ieder ander hotel. Want als jij nu naar bed wil moet je eerst
weer 'n paar nikkels in de gleuf van je ledikant werpen, anders gaat
dat mooie spreitje er niet af. 't Is van 't soliedste metaal, al lijkt
't op kantwerk. Probeer 't maar eens, of je 't er af kan krijgen."
Jan probeerde 't maar 't gaf niets, doch toen hij twee nikkels in de
gleuf deed, rolde 't ding vanzelf op en verdween in de voorkant van
't bed.
"Nou", zei Dolf, "dan ga ik maar. Wacht even.... hoe laat wil je
op?.... Twaalf uur? Dan heb je zeven uur geslapen.... Nou laten
we zeggen om één uur. Da's lang genoeg hè? Kijk, dan zetten we de
wijzer van dit klokje hier voor aan 't ledikant op één. Stop jij er
nu 'n nikkel in, dan word je precies op de minuut af gewekt. Vergeet
je de nikkel dan slaap je door tot je vanzelf wakker wordt. 't Gaat
precies als 'n uurwerk. Daar ginds staat je waschtafel. Overal staat
de prijs op.... en laat ik je niet vergeten te zeggen: Als je je
kleeren geborsteld wil hebben en je schoenen gepoetst, dan zet je ze
daar in die kastjes. 't Kost je natuurlijk je nikkels. Zonder geld
komt je goed er niet in en zonder geld evenmin er weer uit. Maar 't
wordt netjes gereinigd. Als je soms trek in 'n kop thee hebt of in
wat anders, vlak boven je bed is 't buffet. Voor de noodige nikkels
krijg je hier alles en dadelijk."
"'t Is knap".... zei Jan Drie.
"Nou wel te rusten!"