Waarin m'nheer Vliegenthert de hulp inroept van Inspecteur Punt
en de luchtpolitiehond aan 'n vliegjas ruikt.
M'nheer Vliegenthert stond de volgende morgen om zeven uur
op. Hij wilde eventjes heel gauw 'n bad nemen, zich scheren, z'n
haar borstelen, zich kleeden en daarna ontbijten. Dat deed hij
iedere morgen en steeds had hij daarbij te kampen met z'n bekende
onachtzaamheid, wat geen wonder is bij iemand zoo haastig gebakerd
als m'nheer Vliegenthert. Maar nog zelden was 't zoo erg geweest
en beging hij zulke hevige vergissingen als die ochtend. Hij sprong
uit 't bed, holde naar de badkamer, draaide de kranen van 't heete
en van 't koude water met beide handen te gelijk open, draaide de
koudwaterkraan in de haast onmiddellijk weer dicht, liep op 'n drafje
weg omdat hij nog iets vergeten had, kwam op 'n drafje terug, stapte
in 't zelfde tempo de badkuip in, maar was er onmiddelijk weer uit,
't water was bijna kokend. Hij liet z'n bad in de steek, omdat hij
geen tijd meer had 't heete water te laten wegloopen, maakte vlug
z'n toilet verder in orde en bemerkte niet eens, dat hij met één
bloote voet en één met twee sokken er aan in z'n muilen schoot. 't
Was natuurlijk geen wonder, dat hij aan de ontbijttafel mopperde
over de ongelijkmatigheid van de temperatuur in de kamer, die hem
één koude en één warme voet bezorgde. Met 'n vies gezicht zette hij
echter plotseling z'n theekop met 'n slag op tafel, omdat hij er
zout in plaats van suiker in gedaan had. 't Was z'n eigen schuld,
want welk verstandig mensch kan tegelijker tijd 't ochtendblad lezen
en theeschenken? Nijdig stond hij op, trok z'n schoenen aan en ging
naar de lift. Hij wilde gauw naar z'n kantoor vliegen in de stad.
"Hé," dacht m'nheer Vliegenthert, toen hij in de heldere zonneschijn
stond en over 't leege dak heenkeek,.... "da's komiek.... Nou was
ik toch in de verbeelding, dat ik m'n vlieger niet in de hangar
gebracht had.... in de stellige verbeelding.... en nou schijn ik
't tòch gedaan te hebben." Hij ging naar de hangar en deed de deur
open. "Wat drommel.... hier is ie òòk niet!.... Waar heb ik gisteren
avond dat ding toch neer gezet?.... Ik herinner me toch.... dat ik er
mee thuis gekomen ben. Wel ja.... 'k weet 't sekuur." Hij keek eens
in de lucht. "Neen, gewaaid heeft 't vannacht niet.... en bovendien,
als ie van 't dak gewaaid was had de een of de ander het me vanmorgen
al lang verteld.... 't Is 'n raadselachtig geval."
Hij ging naar de telefoon in de hangar, zette 'n stiftje in 'n klein
genommerd gaatje op 'n bord en riep: "Hallo!" In 2010 verbond je
jezelf en de telefoon was natuurlijk draadloos. Al die leelijke
draadstreepen in de lucht behoorde al lang tot het verleden. 't
Was leelijk en bovendien zeer gevaarlijk voor de vliegers. De
telefoonjuffrouwen behoorden óók tot 't verleden, niet omdat die
leelijk of gevaarlijk waren, maar omdat de telefoon veel eenvoudiger
ingericht was. Wat honderd jaren geleden 'n heele tros juffers deden
op 't telefoonkantoor, deden de aangeslotenen nu zelf met 't stiftje
op het bord.
"Hallo, spreek ik met den commissaris van politie?.... O,
is die er niet?.... Wie is er dan wel?.... De inspecteur van
de derde sectie?.... Inspecteur Punt zegt u?.... Ook goed.... U
spreekt met Vliegenthert... Vlieg... ent... hert... Luister u eens
even.... Luister eens even.... U praat maar aanhoudend.... U hebt
toch niet opgescheld?... Maar luister dan toch eens even m'nheer
de inspecteur Punt... Ik heb haast... Ja ik heb altijd haast... M'n
monoplaan is verdwenen.... Nee niet uit de hangar... van 't dak... Ik
had vergeten hem binnen te brengen.... M'n eigen schuld?.... Ja maar
daarmee heb ik m'n nieuwe aeroplaan niet terug... Kom u zelf?... Heel
goed... als u maar gauw komt, want ik heb vreeselijke haast.... Wat
zegt u?.... Ik kan u niet verstaan... Hallo!... Ik kan u niet
verstaan.... Hallo!!! Kom u gauw? Hallo!.... Hallo!!!--Ze laten me
gewoon staan--Hallo!!! Hallo dan toch!!! Inspecteur Punt!!! In...
spec... teur. Punt!!!!!! Hallo!! Hallo!!--Verroest--Hallo!!!"
M'nheer Vliegenthert schreeuwde hoe langer hoe harder en nijdiger
hallo, wel vijf minuten lang en hij hoorde niet eens 't snorren van
'n aeroplaan vlak bij zich.
"Wat staat u daar toch hallo te gillen!" zei iemand achter hem.
"'t Is 'n schandaal", riep m'nheer Vliegenthert,
zonder om te zien.... "Hallo!!!--Nou spreek ik met de
politie.... Hallo!!! Inspecteur Punt!!! Hallo!!! In-spec-teur Punt!!!"
"U hoeft niet zoo hard te schreeuwen in die telefoon m'nheer
Vliegenthert," zei die iemand achter hem weer. "Ik ben inspecteur
Punt."
"Hè??"
M'nheer Vliegenthert keerde zich om en keek met 'n verbaasd gezicht
naar inspecteur Punt, die, terwijl m'nheer Vliegenthert in de telefoon
stond te gillen omdat ie zoo'n haast had, heel kalm in z'n vlieger
was gestapt en nu even kalm voor dien haastigen m'nheer stond met
'n notitieboekje in de hand.
"Uw monoplaan wordt vermist?"
"Ja. 'k Heb hem gisterenavond...."
"Doet er niet toe.... Kleur van de monoplaan?"
"Rood."
"Wat voor rood?"
"Wat voor rood??"
"Rood en rood is twee, m'nheer Vliegenthert. Vuurrood, kersrood,
wijnrood, steenrood, bloedrood, rozerood, robijnrood, "oranjerood."
"O, noem u dat twee.... 't lijkt meer op acht...."
"Maak nu geen gekheid asjeblieft.... welk rood? Ik moet het precies
weten."
"Ik geloof dat het wijnrood is...."
"Dus vermoedelijk wijnrood.... Monoplaan hè?"
"Ja, met slaande vleugels."
"Ah, dat is 'n zeer gewichtige bizonderheid. Monoplaans met slaande
vleugels zijn nog betrekkelijk zeldzaam.... Hoeveel paardekracht?"
"Honderdtwintig."
"U hebt hem op 't dak laten staan?"....
"Dat geloof ik wel"....
"Gelooft u dat wel?.... Dus u weet 't niet zeker?"
"Dat is te zeggen.... ik weet nooit iets heel zeker.... Ik heb altijd
zoo'n vreeselijke haast, ziet u...."
"Zoo, zoo.... u weet dan misschien ook niet eens zeker of u wel 'n
aeroplaan gehad hebt?" zei inspecteur Punt spottend.... "Enfin.... als
u niet weet of u 't ding op 't dak hebt laten staan, kan ie
evengoed uit de hangar gestolen zijn.... Laat mij die hangar eens
onderzoeken. Gaat u maar zoolang buiten staan.... of gaat u liever
maar even uw tweede schoen aantrekken.... u hebt 'n schoen en 'n
pantoffel aan."
M'nheer Vliegenthert keek naar z'n schoeisel en droop af. Tegen
zoo'n kalmte als die van den inspecteur, voelde hij zich niet
opgewassen. Inspecteur Punt nam nu de hangar nauwkeurig op, klopte
op de deur, blies in 't slot, bekeek de zoldering, trok rimpels in
z'n voorhoofd, draaide z'n zwarte puntbaardje tusschen z'n vingers
en keek wel 'n minuut lang naar de knop van de deur, stak eindelijk
voorzichtig z'n lange vingers naar iets uit, dat op die knop zat,
bekeek het, hield het tegen het licht en bergde het zorgvuldig in
z'n portefeuille. 't Was een lang blond haar.
Daarna ging hij naar de telefoon en riep: "Hallo! Is brigadier
Kwadraat daar?... O... je moet onmiddelijk met Spits hier komen... bij
m'nheer Vliegenthert... Wie heeft vannacht dienst gehad in de derde
sectie?... Wie zeg je?... O, die... Hm... ja... Is zeker buiten dienst
hè?... Ja hij moet toch binnen 'n kwartier hier zijn... Denk er om
vlug... Hè?... All right!"
Inspecteur Punt ging in 'n rieten dakstoel zitten en verzonk in
diep nadenken. Doch hij zat niet lang alleen. Binnen tien minuten
was brigadier Kwadraat gearriveerd met z'n politiehond Spits en
eenige oogenblikken later verscheen ook de luchtwachter, die de
nachtdienst had gehad in de derde sectie. Inmiddels was ook m'nheer
Vliegenthert weer op 't dak gekomen, ditmaal met twee schoenen, en
'n steeds slechter wordend humeur. Dat kwam omdat z'n rechterschoen
pijnlijk knelde en z'n linkervoet zich in 'n luchtige ruimte verheugde,
wat m'nheer Vliegenthert toeschreef aan de idiote domheid van z'n
schoenleverancier.
Er werd evenwel voorloopig niet de minste notie genomen van m'nheer
Vliegenthert nòch van z'n slechte luim. Inspecteur Punt had veel meer
aandacht voor den luchtwachter die met 'n slaperig gezicht voor hem
stond en plotseling klaar wakker schrok toen de inspecteur vroeg:
"Hoe laat is de monoplaan van m'nheer Vliegenthert gestolen?" Deze
vraag op de man af verbaasde den luchtwachter in hooge mate, want
hij wist niemendal van die heele vlieger af. Maar hij wist wèl, dat
volgens inspecteur Punt 'n luchtwachter alles zien moest wat in de
lucht van z'n sectie voorviel. Uitvluchten baatten bij dezen gestrengen
chef niets en de lange luchtwachter, die om z'n werkelijk buitengewone
afmeting in één richting--1 meter 95--door z'n kameraden met de bijnaam
"De Streep" werd aangeduid, en daar beter naar luisterde dan naar
z'n eigen familienaam, stond daar met 'n beteuterd gezicht en zweeg.
"Geef je geen antwoord Streepje?.... Zeker weer in je vlieger
zitten slapen vannacht hè?.... Je deugt al heel weinig voor de lucht
mannetje.... We zullen je moeten overplaatsen naar de begane grond,
als dat zoo voortgaat.... Kom man geef eens antwoord.... Hier is
'n aeroplaan gestolen.... dat mòèt jij gezien hebben, want zoo'n
dingetje kan toch niet door 'n zakkenroller in z'n binnenzak
weggemoffeld zijn...."
"Ik heb m'nheer Vliegenthert wel thuis zien komen met z'n
vlieger.... Toen was ik net hier in de buurt.... Meer heb ik niet
gezien...."
"Zoo.... dan heb je om te beginnen je al schuldig gemaakt aan
plichtverzuim, want deze heer heeft z'n vlieger onbeheerd op 't dak
laten staan en jij had 'm moeten bekeuren.... Brigadier Kwadraat wil
je daar aanteekening van houden?.... En vertel me nou es, wat voor
kleur heeft die vlieger van m'nheer Vliegenthert...."
"Roodachtig inspecteur...."
"Roodachtig?.... Rood-àchtig zeg je? Is me dat nou 'n nauwkeurige
aanduiding? Precìès wil ik 't weten.... Je lijkt m'nheer Vliegenthert
zelf wel...."
"'t Had zoo.. iets van.. e.. cacao".... stotterde de bedremmelde
Streep.
"Ingerukt!" bulderde inspecteur Punt woedend.... "Cacaorood.... wel
allemachtig.... Brigadier laat zoo gauw mogelijk de oogen van de Streep
onderzoeken.... ik geloof dat de vent kleurenblind begint te worden."
De Streep monoplaande er onmiddelijk van door om te gaan
uitslapen. Brigadier Kwadraat stond zwijgend naast z'n vlieger waarin
Spits op 't achterbankje zat.
Brigadier Kwadraat was trotsch op die hond en hij mocht dat zijn,
want hij had Spits zelf afgericht tot luchtpolitiehond. Maar al
de africhterskunst van den brigadier zou niets uitgehaald hebben,
als Spits niet de schrandere, scherpzinnige hond van edelen bloede
geweest was, wiens reukorgaan dermate was ontwikkeld, dat de bekende
speurneus van inspecteur Punt bij de zijne vergeleken heelemaal in 't
niet verzonk, ofschoon iemand, die geen verstand van speurneuzen had,
afgaande op uiterlijkheden verreweg de voorkeur zou gegeven hebben
aan de neus van den inspecteur.
Spits stamde namelijk in rechte lijn af van de Haagsche politiehond
Marre, die honderd jaar geleden, in 1910, zulk een geweldig succes
had met 't opsporen van echte en nagemaakte booswichten, want Marre
werkte ook op wedstrijden. Die vlugger dan de vlugste politieagent over
'n hek of 'n muur klom, als daar iemand achter zat, die hij op moest
zoeken en die zich niet van de wijs liet brengen door de lekkerste
worst. Doch Spits overtrof Marre benevens al z'n andere viervoetige
voorgangers en tijdgenooten. Er was in 2010 geen hond die 't spoor
van 'n aeroplaan zoo zeker kon aanwijzen als Spits. Z'n onnavolgbare
neus liet hem nooit in de steek, geen wolk was 'n beletsel en geen
dagenlange regenbui wischte voor hem 't spoor uit. Spits faalde
nooit. En dit dier met z'n wonderbaarlijke neus was door inspecteur
Punt uitverkoren om de verdwenen aeroplaan van m'nheer Vliegenthert
terecht te brengen.
Inspecteur Punt zat nog altijd in de rieten stoel en m'nheer
Vliegenthert liep op 't dak heen en weer.
"Zou u zoo vriendelijk willen zijn, ons 'n oogenblikje alleen te
laten?" zei de inspecteur. "U hindert ons."
"Met genoegen," antwoordde m'nheer Vliegenthert en nam onder 't
heengaan 'n groene vliegjas mee. De twee politiemannen bemerkten er
niemendal van.
"Brigadier Kwadraat," begon inspecteur Punt eenigszins gewichtig,
"deze diefstal is waarschijnlijk.... of liever heel stellig door
'n vrouw gepleegd.... of althans met behulp van 'n vrouwelijk
wezen.... Hoe ik dat nu al zoo positief weet hè?.... Kijk eens.--(hij
haalde de portefeuille voor de dag en nam het lange blonde haar er
uit, dat hij met z'n twee handen voor zich uit hield tusschen vinger
en duim,) de dievegge is blond.... .... Dit haar zat aan de deurknop
van de hangar....
"Lieve hemel," mompelde brigadier Kwadraat.... "dat haar...."
"Val me niet in de rede brigadier."
"Maar inspecteur.... dat haar...."
"Geen tegenspraak.... met dit haar en met Spits vind ik de aeroplaan
van m'nheer Vliegenthert. Jammer dat ik Spits aan dit haar geen lucht
kan geven.... we zullen ons moeten behelpen met wat anders.... Ga
eens naar beneden en vraag aan m'nheer Vliegenthert of hij niet
iets heeft.... 'n kleedingstuk bijvoorbeeld, dat hij gewoon was
in die aeroplaan te dragen.... Dan kunnen we Spits daaraan laten
ruiken.... en dan spoort hij de aeroplaan wel op. Denk je ook niet?"
"Natuurlijk vindt Spits de aeroplaan".... zei de brigadier.
"En dan vind ik de dievegge."
Brigadier Kwadraat maakte geen opmerking hierover, maar toen hij
in de lift zat barstte hij in 'n schaterlach uit en riep: "Hij met
z'n haar!" 'n Oogenblik later stond hij echter alweer op 't dak
met 'n ernstig gezicht in gezelschap van m'nheer Vliegenthert en
de jas, dezelfde die hij van 't dak meegenomen had. De inspecteur
was nog bezig het kostbare blonde haar in z'n portefeuille op te
bergen. Brigadier Kwadraat ging naar den inspecteur en meldde:
"Hier is m'nheer Vliegenthert met 'n jas."
"Goed, m'nheer Vliegenthert hebben we niet noodig, maar geef Spits
lucht aan 't kleedingstuk."
"In orde inspecteur," zei de brigadier en ging terug om Spits "lucht te
geven," dat wil zeggen hij liet het hem terdege besnuffelen. Nu had hij
nog maar te zeggen: "zoek de aeroplaan" en dan zou Spits de vlieger uit
duizenden herkend hebben. Maar zoover was 't nog niet. De inspecteur
wou er zelf op uit en die moest 't dan ook zelf maar aan Spits zeggen.
"Klaar?" vroeg inspecteur Punt.
"Alles in orde."
Toen stond inspecteur Punt op uit z'n rieten stoel en zei: "Ga
maar naar 't bureau terug en wacht daar op telefonisch bericht van
me." Daarna maakte hij aanstalten om in z'n monoplaan te stappen,
waarin brigadier Kwadraat Spits reeds had laten plaats nemen. Spits
kwispelde met de staart. Die ging ook liever met den brigadier mee,
maar er was niets aan te doen. Brigadier Kwadraat streek de hond eens
over z'n kop en ging naar z'n eigen vlieger. Hij klom er in en was
juist klaar om z'n motor in beweging te zetten, toen hij omkeek naar
den inspecteur, die met 'n vliegjas aan instapte. Spits zat achter
hem met de neus in de wind, snuffelend.
"Zoek de aeroplaan" zei inspecteur Punt. "Waf," zei Spits. "Rrrrrt"
zei de aeroplaan en met 'n vaart schoten ze alle drie van 't dak af.
Brigadier Kwadraat zat verstomd, wel vijf minuten lang met groote
ronde oogen de vertrekkende vlieger nakijkend en luisterend naar
het voortdurende aanslaan van Spits, het teeken dat hij op 't goede
spoor was.
'n Aeroplaanhond hield er andere manieren op na, dan 'n aardsche
politiehond, die op z'n eigen vier beenen 't spoor zwijgend
volgde. Zoo'n luchthond had het desnoods zonder pooten kunnen
doen. Hij had alleen maar scherp te ruiken en zoolang hij 't spoor
rook te blaffen. Spits was in dat opzicht gewoon 'n wonder. Brigadier
Kwadraat had al heel wat duistere zaakjes met de hulp van Spits tot
'n goed einde gebracht en hij vond het altijd jammer als inspecteur
Punt met de hond er op uit ging. Die was te eigenwijs. Hij wilde
gewoonlijk slimmer zijn dan Spits en dat was volgens brigadier
Kwadraat onzin. Doch dit was niet de reden waarom de brigadier daar
nu zoo wezenloos in z'n vlieger zat te luisteren naar het steeds
zwakker wordende ijverige "waf waf" van Spits, daar ginds hoog in de
lucht. Het was de jas die de inspecteur aanhad.
Brigadier Kwadraat liet eindelijk z'n stuurrad weer los, zette de
motor niet in gang, maar stapte uit de monoplaan weer op 't dak en
ging met langzame schreden op m'nheer Vliegenthert af, die ook met z'n
neus omhoog, 't vliegwerktuig van den inspecteur stond na te kijken.
"M'nheer Vliegenthert" zei brigadier Kwadraat met 'n vervaarlijke stem,
"wàt.. wàs.. dàt.. vòor 'n jàs?"