HOOFDSTUK XXX.

St. Helena.

........................................

Des rochers nus, des bois affreux, l'ennui, l'espace

Des voiles s'enfuyant comme l'espoir qui passe,

Toujours le bruit des flots, toujours le bruit des vents!

Adieu tente de pourpre aux panaches mouvants!

Plus de tambours battant aux champs, plus de couronne,

Plus de rois prosternés dans l'ombre avec terreur,

Plus de manteau trainant sureux, plus d'empereur!...

Sur les escarpements, roulant en noirs décombres,

Il marchait seul, rêveur, captif des vaques sombres,

Les aigles, qui passaient, ne le connaissaient pas.

Victor Hugo.

Een afgelegener, ongenaakbaarder, armer, ongezelliger en duurder

oord bestaat er op den ganschen aardbol niet. Schrikwekkend is zijn

uiterlijk. Toen ik het in den morgen van den 17en October voor de

eerste maal voor mij zag, kromp mijn hart ineen. St. Helena ligt

2000 mijlen van Europa, 1200 van de Kaap de Goede Hoop, is van

vulkanischen oorsprong, heeft een laag afgekoelde lava tot bodem en

wordt in verschillende richtingen door diepe kloven doorsneden. Alleen

daar, waar de hand van den mensch tuinaarde heeft aangebracht, zijn

sporen van plantengroei. Allerwege dalen lavamuren van het bovenste

bergvlak, waarop Longwood ligt, loodrecht af naar de zee. Overal

grijnzen kanonnen uit de zwarte rotsmassa u tegen. Een muur en een

poortgewelf sluiten de stad Jamestown af van de zee. In 1815 telde

het eiland slechts 500 blanken, verder eenige honderden Chineezen en

Lascaren. Het garnizoen bestond uit twee regimenten infanterie, een

escadron dragonders, een compagnie artillerie en eenige genisten. De

vloot telde elf goed bemande schepen.--'t Was er ongezond. Geen

inboorling bereikte er ooit den leeftijd van zestig jaar. Dysenterie

en leveraandoeningen heerschten er zes maanden van 't jaar nog heviger

dan in Indië."--Zoo oordeelde de Montholon; Montchenu, de Fransche

regeeringscommissaris, eveneens.

Geen tien maanden na zijn komst begon Napoleon, wiens gezondheid toch

reeds veel had geleden, de gevolgen van een verblijf in dit moordende

klimaat met zijn beurtelings verzengende hitte en scherpe winden reeds

te gevoelen. Zware hoofdpijnen, ontsteking van het tandvleesch en een

bijna onafgebroken gewaarwording van matheid en algemeene verzwakking

openbaarden zich.

Nauwelijks had de Northumberland op de reede van Jamestown het anker

laten vallen, of de commandant van dezen bodem, admiraal Cockburn,

die met bewaking zou belast blijven, tot een militaire gouverneur

op het eiland was aangewezen, begon naar een gepast verblijf voor

zijn gevangene te zoeken. Wel wat ruw, kortaf en prikkelbaar, een

Engelschman van top tot teen, doch overigens goedhartig van aard,

had hij dezen het langdurige verblijf aan boord zoo draaglijk mogelijk

trachten te maken. Zelfs had hij den Keizer, die op hooger last door

de equipage niet anders dan met "Generaal" mocht worden aangesproken en

die ook als een generaal op non-activiteit moest worden behandeld, deze

grief bespaard, hem steeds Excellentie genoemd en hem de eereplaats

aan tafel afgestaan.

Nog dienzelfden dag verliet de Keizer het fregat en betrok met zijn

gevolg voorloopig appartementen bij zekeren Portens, een logementhouder

te Jamestown. Had hij Maitland en admiraal Keith door zijn optreden

in een oogwenk ingepakt, niet minder had hij de equipage van de

Northumberland voor zich weten te winnen. De matrozen zagen hem met

leedwezen vertrekken. "Dat hij een kranige kerel was, die zijn hard

lot niet verdiende," was aller meening.

Welk een steeds dreigend gevaar zou de aanwezigheid in Engeland van

een man, die zulk een machtige bekoring van zich wist te doen uitgaan,

voor dit land zelf en voor Frankrijk zijn geweest! Lord Keith had

na de kennismaking immers gezegd, dat "als die verd..... vent een

onderhoud met den prins-regent had kunnen krijgen, die twee binnen

een half uur de beste maatjes van de wereld zouden geweest zijn!"

Voor een zoo gevaarlijk persoon was natuurlijk alleen St. Helena een

geschikt verblijf! De vraag bleef alleen maar, hoe hem onder dak te

brengen. Aan een woning te Jamestown zelf kon niet worden gedacht;

daar buiten was zeer weinig keuze. In een koele, schaduwrijke vallei

stond wel een aardig kasteel, Plantation House, dat als verblijf voor

Napoleon uitnemend geschikt zou zijn geweest, maar dit was bestemd

voor den nieuwen gouverneur. Het huisje door den admiraal uitgekozen,

was echter zóó klein, en lag zóó geheel bloot voor de oogen van het

publiek, dat Napoleon om een ander verblijf verzocht. Op een der

zuidelijke bergvlakten, dat van Longwood, stond een pachthoeve van de

Engelsch-Oost-Indische compagnie, verwaarloosd, vervallen slechts ten

deele bewoonbaar en tijdelijk aan een officier van het Engelsche leger

in gebruik gegeven. De admiraal bracht hem er heen en vroeg hem, wat

hij dacht van deze woning. De Keizer nam er genoegen mee. Zoolang de

noodige verbeteringen niet waren aangebracht, zou hij verblijf houden

in een klein paviljoen, the Briars, het eigendom van een handelsagent,

den heer Balcombe, die zijn huis had in de nabijheid.

Wel was de Keizer nu verplicht een tijdlang in één en hetzelfde vertrek

te werken, te eten en te slapen; wel moesten zijn bedienden logeeren

in een tent, "maar hij had het recht niet bezwaren in te brengen,"

zei hij. "Zijn waardigheid gebood hem te zwijgen."

Zijn omgeving zweeg echter niet; die klaagde luide en won hiermede,

dat het verblijf te Jamestown haar wat aangenamer werd gemaakt.

Wat Napoleon terstond geducht hinderde was het zien van de reeks

schildwachten om the Briars, die letten op al zijn bewegingen, en des

nachts in een engen kring om zijn verblijf stonden.--Men scheen in

Engeland wel zeer bang voor hem, dat men zulk een scherpe bewaking

op dat toch reeds schier ongenaakbare eiland noodig vond!

Gedwongen bezigheid te zoeken, zette hij den arbeid voort aan zijn

Gedenkschriften door las Cases onder zijn dictée reeds aan boord

begonnen. Ook vond hij eenige afleiding in het bijzijn der twee

dochtertjes van zijn gastheer, die hem vaak kwamen bezoeken, doch

door zijn omgeving nog al "onhebbelijk" werden gevonden.

In November ontving hij de eerste couranten. Op welk een meedoogenlooze

wijze de royalisten tegen zijn voormalige officieren en ambtenaren met

gevangenis, deportatie en dood optraden, kon hij reeds lezen. Van zijn

vrouw ontving hij taal noch teeken. Zijn bloedverwanten, verbannen,

gevlucht, verplicht zich te verbergen, hadden nog geen gelegenheid

gehad hem iets van zich te doen hooren.

Eindelijk was Longwood gereed! Den 10en December kon hij het

betrekken. "Zijn haai," zooals hij Cockburn wel eens noemde, had

gedaan, wat hij kon en met hout, geteerde zeilen en materiaal van

allerlei aard een tamelijk bewoonbaar verblijf van één verdieping

gelijkvloers doen samenstellen, waarin tevens voldoende ruimte was voor

het gevolg. Zoo vonden de familie de Montholon, generaal Gourgaud,

dokter O' Meara en de bedienden daar een verblijf, maar de gansche

woning was vochtig, alles beschimmelde binnen een paar dagen en het

krioelde er van ratten. Bertrand en zijn vrouw hadden op hun verzoek

een woning gekregen aan den rand van het plateau; zij werden dus

's Keizers buren.

Zelfs op Longwood was de ruimte, waarover deze voor zich alleen

beschikken kon, nog zeer beperkt. Ze bestond n.l. uit twee kamers

van veertien bij twaalf voet en van elf voet hoogte, beide verlicht

door twee vensters met uitzicht op het Engelsche kamp. In een hoek

stond het kleine veldbed met groen zijden gordijnen, dat hij reeds bij

Marengo gebruikte. De achterdeur werd verborgen door een vuurscherm;

tusschen dit en den haard stond een oude sofa, waarop hij niettemin

een groot deel van den dag doorbracht. Bruin doek bedekte de wanden,

een half versleten karpet den vloer. Met dit armoedig meubilair vormde

een prachtig waschstel met zilveren kan en kom een zonderling contrast.

Een portret van Maria Louise, twee van zijn zoon en een borstbeeld van

dezen, een miniatuurportret van Joséphine, het horloge, dat hij als

Eerste Consul in Italië op zak had gehad, aan een ketting van haar

zijner tweede vrouw, benevens de wekker van Frederik den Grooten,

dien hij uit Potsdam had medegenomen, dienden tot versiering. In

het andere vertrek vond men een schrijftafel, een paar boekenplanken

en een tweede bed; dit gebruikte hij overdag en ook wel 's nachts,

wanneer hij, wat vaak voorkwam, rusteloos en ongedurig was. Zat hij

niet in een witte morgenjas en witte pantalon met open hemdkraag en

een bontgeruiten doek om het hoofd in zijn slaapkamer op de sofa met

een vracht boeken om zich heen, dan vertoonde hij zich meestal in

een groenen jachtrok, dien hij liet keeren, toen het stuk oud begon

te worden, want Engelsche stof verkoos hij niet te dragen.

Om elf uur ontbeet hij; tegen twee begon hij zich te kleeden; om

zeven dineerde hij dan alleen of met het geheele gevolg. Later werd

het diner gesteld op twee uur en werd er om tien uur gesoupeerd,

een en ander ter wille van mevrouw Montholon of om de doodelijke

verveling te verdrijven, die weldra als een worm aan 't zieleleven

van allen begon te knagen.

De las Cases en de Montholon hebben in hun gedenkschriften op deze

vreeselijke kwelling gedoeld, doch niemand uit 's Keizers omgeving

heeft die zoo zwaar gevoeld als Gourgaud. De drie andere heeren waren

gehuwd of hadden een lid van hun familie bij zich maar hij was alleen,

moederziel alleen evenals zijn Keizer, den man, dien hij bijna aanbad

en op wiens genegenheid hij zoo jaloersch was als een minnaar op die

van zijn meisje.

Geen vriendelijk beeld geeft deze, toen twee en dertigjarige

opperofficier in zijn eerst in 1898 openbaar gemaakte gedenkschriften

van zich zelf te aanschouwen. Vaak is hij ruw en bruusk op brutaal

worden af. "Snuf!" zegt hij zelfs bij zekere gelegenheid als las Cases

bezig is den Keizer te vleien. Dat een der andere heeren, Bertrand

niet meegerekend, bij Napoleon op hem den voorrang zal hebben duldt hij

niet. Vandaar telkens standjes met de Montholon en met de las Cases.

"Wat ben je eigenlijk voor een heerschap? Voordat je hem je diensten

kwaamt aanbieden, kende de Keizer je ternauwernood," duwt hij dezen in

een nijdige bui toe, als hij ziet dat de ander, een voormalige refugé,

veel meer in Napoleons intimiteit wordt toegelaten dan hij. "Ik ben

zijn eerste adjudant, ik heb hem bij Brienne het leven gered. Wat heb

jij voor hem gedaan? Op geen enkel slagveld heb ik je ooit gezien. Ik

laat me door niemand passeeren."

Ennui! Tristesse! Bijna op elke bladzijde van zijn dagboek, dat loopt

tot den 14en Maart 1818, komen deze uitdrukkingen voor.

Zijn stuursheid, zijn wrevelig humeur en zijn jaloezie op de anderen

begonnen Napoleon, die van hem hield en hem vaak zijn Gorko, "zijn

zoon" noemde, nu en dan geducht te vervelen. Dan kreeg Gourgaud een

vermaning om met de anderen in vrede en vriendschap te leven en niet

jaloersch te zijn op de las Cases, die toch zooveel ouder was dan hij

en ook moest hij wel begrijpen, dat allen daar waren voor hem en voor

hem alleen en dat hij liefst vroolijke, opgeruimde gezichten zag.

In 't laatst van 1816 volgde er zelfs een uitbarsting. "Met je komst

hier, dacht je in mij een kameraad te vinden; van niemand ben ik dit,"

duwde Napoleon hem toe. "Op mij krijgt niemand invloed. Jij zoudt

hier het middelpunt willen wezen, waaromheen alles zich beweegt. Dit

middelpunt ben ik. Sinds wij hier zijn ben jij de oorzaak van al mijn

verdriet. Vindt je 't hier zoo ellendig ga dan heen, maar zoek geen

standjes met Montholon."

Geducht in zijn wiek geschoten zocht Gourgaud troost bij de familie

Bertrand, maar deze troost was bitter schraal.

"De Keizer is nu eenmaal zoo; zijn karakter veranderen kunnen wij

niet. Je plicht doen en je verder aan niets storen, is nog het beste,"

zei de hofmaarschalk. "Juist dat karakter van hem is oorzaak, dat hij

geen vrienden telt, dat hij zich zooveel vijanden heeft gemaakt, kortom

dat wij ons op St. Helena bevinden. Dat is ook de reden waarom zoo min

Drouot als de anderen, die op Elba bij hem waren, wij uitgezonderd,

hem hierheen hebben willen volgen."

Niemand moet zich voorstellen, dat er tusschen de overige leden van

's Keizers omgeving een aangename vertrouwelijkheid bestond. Mevrouw

Bertrand, een creoolsche met een Engelschen vader, maakte van

haar echtgenoot een slaaf en was even veeleischend en grillig als

bevallig. Telkens waren er tusschen haar en mevrouw de Montholon

kleine oneenigheden. Zoo was 't ook met de heeren. Intrige, naijver en

afgunst speelden zelfs aan dat kleine hof een rol en Napoleon met zijn

egoisme scheen dat wedijveren om een gunstbewijs van hem veeleer aan te

moedigen dan te bestrijden. Hij zelf kon hierbij slechts winnen, meende

hij. De verzekering, dat alleen de personen van zijn omgeving zijn

erfgenamen zouden zijn heeft tot dezen naijver stellig bijgedragen.

Voor de buitenwereld bleef dit alles intusschen zorgvuldig

verborgen. Voor deze was Longwood een hermetisch gesloten kasteel,

waar geen vreemd oog kon rondzien, tenzij de Keizer hiertoe verlof gaf;

dan was de hofmaarschalk de tusschenpersoon.

Evenals op St. Cloud werd de etiquette daar onverbiddelijk streng

gehandhaafd. Voordat de Keizer hiertoe het teeken gaf, waagde het

niemand in zijn bijzijn te gaan zitten, al duurde zulk een sessie een

paar uur. Ook als balling wilde hij nog Keizer wezen; een armzalige

eisch voor zulk een man; maar toch een die door zijn gevolg tot zijn

dood is geëerbiedigd. Een jager in het voorvertrek zorgde, dat nooit

iemand ongevraagd bij hem binnentrad. Reed hij uit, dan zag men zes

paarden voor zijn rijtuig met een stalmeester in volle uniform naast

elk portier.

Hoogstens een half uur duurde het diner. Zilveren servies, zijn

eigendom, prijkte in overvloed op tafel. De lakeien waren gedost in

een rijke livrei van groen met goud. Steeds bleef voor de keizerin

naast hem een stoel open. Slechts bij hooge uitzondering, b.v. toen

lady Holland met haar man bij hem kwam dineeren, werd die aan een

gast afgestaan.

Meestal at hij smakelijk doch snel van de verschillende gerechten. In

den beginne las hij na het dessert vaak een stuk voor uit een Fransch

treurspel; later ging hij meestal reeds vroeg naar zijn kamer om daar

te lezen of te dicteeren, vaak tot diep in den nacht.

Aan veel lichaamsbeweging gewend, en hetgeen hij in het belang van

zijn gezondheid wilde onderhouden, reed hij in den beginne bijna

dagelijks te paard; Admiraal Cockburn had opzettelijk voor dit doel

drie rijpaarden van de Kaap laten komen. Zoodra hij echter bespeurde,

dat, wanneer hij een zekeren kring verliet, een Engelsch officier

hem te paard begon te volgen, een maatregel door lord Bathurst

voorgeschreven, zag hij van die voor hem zoo noodige beweging af,

sloot zich geheel op en kwam bijna niet meer buiten.

Halve dagen bracht hij nu door op zijn canapé, gansche uren in een lauw

bad. Dit scheen hem verlichting te schenken voor een in 't bijzonder

in de laatste jaren zijns levens voortdurend heftiger wordende pijn in

de maagstreek.--"O, mijn maag! 't Is alsof ik daar met een mes wordt

gestoken," zeide hij meermalen.--Van geneeskundige hulp wilde hij

echter niet weten. "Een dokter wist niets van zijn gestel." zeide hij.

Het opgewektst, het gelukkigst gevoelde hij zich, als hij boeken

ontving uit Europa; dan sloot hij zich met deze op, dagen, weken lang,

en rustte niet voordat hij ze alle doorgelezen en aanteekeningen er

uit gemaakt had.

Zoo slopen de dagen, de maanden voor den balling en zijn zwaarmoedig

gestemde omgeving langzaam voorbij, bijna zonder eenige afwisseling,

terwijl een sluier van doodelijke verveling allen langzamerhand begon

te omhullen.

Tot nog toe was aller leven nog dragelijk geweest. Verschillende

bepalingen, hem ten opzichte van den Keizer en diens gevolg

voorgeschreven, had Cockburn op eigen gezag buiten werking gesteld

of was ze niet nagekomen. Doch thans (April 1816) verscheen generaal

Sir Hudson Lowe als gouverneur op St. Helena, en met hem tegelijk

kwam er een geduchte verandering.

Van stonden aan trad een kleingeestig, kwellend en vóór alles totaal

overbodig stelsel van bewaken en spionneeren in werking. Door een

cynischen Engelschen minister uitgedacht, kreeg dit stelsel tot

overmaat van ramp als uitvoerder den laaghartigsten ellendeling, die

ooit een generaalsuniform heeft gedragen, een man, die aan volslagen

tactloosheid een angst voor het ontsnappen van zijn gevangene paarde,

welke vaak aan waanzin grensde, en die de laatste levensjaren van

den grooten balling,--al geven wij toe, dat deze een zeer lastig en

opvliegend man was--heeft gemaakt tot een hel op aarde. Zijn eigen

landgenooten hebben Hudson Lowe verfoeid; zijn vroegere beschermers

hebben hem losgelaten, en op den huidigen dag nog zelfs wordt zijn

naam door de beschaafde wereld verafschuwd. Toen hij dien man als

cipier zond naar St. Helena, wist lord Bathurst wel wat hij deed,

om den gevallen vijand zijn fellen haat te doen gevoelen. Dat hij de

eer van zijn land hierdoor bevlekte, werd door hem vergeten.

"Wat een boeventronie, maar zijn inborst kan meevallen!" had Napoleon

na de eerste kennismaking niet zonder reden gezegd.

Werd de bewaking dus terstond verscherpt, voor Lowe was de Keizer

bovendien slechts de generaal Napoleon Bonaparte zonder meer. Alle

brieven, gericht "aan den Keizer," brak hij open. Op een boek over

de Honderd Dagen met het opschrift: "Imperatori Napoleoni," door

Hobhouse, den auteur, Napoleon ten geschenke gezonden, legde hij

beslag, omdat het kwam van een Engelschman. Zoo ging het ook met een

doos Chineesche schaakstukken, waarop een gekroonde N. prijkte. Bij

's Keizers dood duldde de man zelfs niet, dat op de kist alleen de

naam Napoleon werd geplaatst; dus bleef die kist naamloos.

In al die jaren heeft de Keizer Lowe vijfmaal ontmoet en hem dan

telkens, in woede ontstoken, overladen met grofheden, waarop de ander

zoo wijs was niet te antwoorden.

Ook achtte Lowe het jaargeld, Napoleon aanvankelijk toegelegd,

te hoog; hoewel hij zelf 12000 £ 's jaars trok, vond hij 8000 £

voor hem en zijn gevolg voldoende. Toen deed de Keizer een deel

van zijn overcompleet tafelzilver stuk stampen en te Jamestown in

't openbaar verkoopen, om, al was deze gewelddaad volslagen onnoodig,

[40] aan Europa konde te doen van de wijze, waarop hij door Engeland

werd behandeld. Nu werd Lowe bang voor de publieke opinie en roerde het

onderwerp der jaarlijksche toelage dus niet meer aan. Zelfs begon hij

plannen te maken om van hout, dat hiertoe uit Europa werd aangevoerd,

Napoleon een betere woning te doen bouwen.

Kort na een onderhoud, waarbij Napoleon hem wederom grof bejegend,

hem voor een Siciliaanschen sbir uitgemaakt en hem ten slotte verboden

had ooit weer voor hem te verschijnen, behalve wanneer hij kwam met

het bevel tot zijn terechtstelling, "als wanneer hij alle deuren wijd

voor zich geopend zou vinden," beproefde Lowe nog eenmaal ongeroepen

tot zijn gevangene door te dringen.--Hij verkoos dezen dagelijks zelf

te zien.--"Ga terug, meneer! Ga terug!" riep de Keizer hem reeds uit

de verte toe, greep tevens een geweer, dat aan Bertrand toebehoorde,

en dreigde hem dood te schieten, als hij het waagde nog een pas

dichterbij te komen.--Verstomd van verbazing en schrik begon Lowe

toen langzaam den aftocht.

Een en ander had ten gevolge, dat de Keizer zich ten slotte in 't

geheel niet meer buitenshuis vertoonde, en dat zijn gezondheid sterk

achteruit begon te gaan. Dokter O' Meara, hem aanvankelijk toegevoegd,

werd hem door Lowe weder ontnomen, zoogenaamd omdat hij heulde met zijn

patiënt (Juli 1818). De rapporten van dezen dokter omtrent de slechte

gezondheid werden geloochend; er was niets bijzonders of ongewoons

bij Napoleon te constateeren, zoo heette het, en toen de Keizer in

begin van 1819 door een lichte beroerte werd getroffen en Bertrand

de medische hulp van Dr. Stokoë, dokter van het admiraalschip de

"Conqueror" vroeg en deze ook het ernstige van Napoleons toestand

constateerde, onderging deze hetzelfde lot van O' Meara. Ook Stokoë

werd naar Engeland teruggezonden, ja zelfs voor het uitbrengen van

leugenachtige berichten door de admiraliteit van de rol geschrapt.

Men geloofde de slechte gezondheidstoestand in Europa niet en Gourgaud,

die in 1818 van St. Helena was vertrokken, had hieraan veel schuld,

want door zijn verhalen aan Engelsche ministers, dat er geen sprake

was van ziekte en dat Napoleon comedie speelde, wekte hij den indruk,

dat Hudson Lowe gelijk had, dat de Keizer niets mankeerde. Terecht

zegt ook Walter Scott, dat Gourgaud door zijn verhalen veel verkeerds

voor Napoleon heeft uitgewerkt.

Behalve Gourgaud was reeds vroeger Las Cases van het eiland

verwijderd. Wel hoopte deze als beschermer van den Keizer in Europa

te kunnen optreden maar door invloed van Hudson Lowe, werd Las Cases

met zijn zoon gedurende acht maanden verplicht aan de Kaap te blijven

en eenmaal in Europa teruggekeerd, werd er streng toezicht op hem

gehouden en beschouwde men hem wegens zijn trouw aan Napoleon als

verdacht. Zijn moeite om de mogendheden te bewegen in het lot van

zijn Keizer verandering te brengen had geen resultaat.

Een jaar bleef de Keizer zonder geneesheer; pas in 1819 was op

herhaalden aandrang zoowel van oom Fesch als van zijn moeder, dokter

Antomarchi gezonden en twee jonge geestelijken, alle drie Corsicanen,

maar de Keizer vond niet veel steun en hulp bij hen.

Bij al deze kleine en groote kwellingen bleef hij tegenover zijn

naaste omgeving zachtmoedig en welwillend. Waren de zenuwgestellen

geprikkeld, de gemoederen ontstemd, dan was hij nog steeds de man,

die met onuitputtelijk geduld en toegevendheid de partijen weder tot

elkander trachtte te brengen. Hij wist dat eenzaamheid en verveling

de hoofdoorzaken waren van die prikkelbaarheid en zwartgalligheid.

Opmerkelijk mag het heeten dat vooral in de laatste jaren zijns

levens de bijbel zijn lievelingslectuur werd en dat hij juist over dit

boek met zijn omgeving het liefste sprak. Ook de werken van Homerus,

Virgilius en Euripides vonden in hem een getrouw lezer. Om de verveling

te verdrijven, wijdde hij zich zelfs een korte poos aan de studie van

het Engelsch; toen hem reeds spoedig bleek, dat hij voor talenstudie

uiterst weinig aanleg bezat, gaf hij dit op.

Met zijn gevolg wijdde hij zich zelfs eenige weken aan den

akkerbouw. Dan kon men hem met zijn officieren en bedienden, die dit

maar een zeer matig genot vonden, reeds bij het krieken van den dag

met de spade in de hand aan den arbeid zien.

Dit werken in de open lucht deed zijn gestel blijkbaar goed; zijn

zwaarlijvigheid nam een weinig af. Doch ook van deze afleiding had

hij weldra genoeg. Het oude leven binnenshuis begon opnieuw. Zijn

gezondheid ging hierbij voortdurend meer achteruit zonder dat men

de kwaal wist, waaraan hij leed. Algemeen schreef zijn omgeving die

inzinking van krachten toe aan Longwoods klimaat. Dat zijn maag vaak

voedsel begon te weigeren en dat hij nu en dan een zwartachtige

stof begon te braken, zou hiervan eveneens wel het gevolg wezen,

dacht men. Hij zelf alleen wist beter; onbevangen sprak hij met zijn

omgeving over zijn naderenden dood.

Dat hij dezen niet alleen niet vreesde, maar dat hij zelfs naar dezen

verlangde, was reeds gebleken, toen hij de tijding ontving van Murats

tragisch einde.--"De Calabriërs zijn menschelijker geweest, dan zij,

die mij herwaarts zonden," riep hij uit.

Ook voor hem zou de tijd spoedig komen. Dezelfde kwaal (maagkanker),

die zijn vader en kort te voren zijn zuster Elisa ten grave gesleept

had, was reeds te ver gevorderd en nam ten slotte ook hem weg, voor

zijn omgeving nog zeer onverwacht.

Hoe weinig geloofde men op St. Helena aan zijn heengaan; nog op den

2en Mei schreef een der regeeringscommissarissen aan prins Metternich

over de voorgewende ziekten van den Keizer, waaraan ze al vijf jaar

gewoon waren, en, voegt hij er aan toe, 't kan ons alleen zeggen:

"Laten we op onze hoede zijn." Nog vrees voor ontvluchting van den

reeds stervenden Keizer! De doodstrijd was reeds begonnen. Zijn

laatste dagen had hij besteed voor het testament, waarin hij zijn

trouwe dienaren en soldaten bedacht en dat hij in die laatste uren

veel met zijn zoontje bezig was blijkt wel hieruit, dat hij den 2en

Mei in een delirium van koorts aan zijn kamerdienaar Marchand nog een

toevoegsel van het gereedliggend testament dicteerde, waarin hij aan

zijn tienjarigen zoon allerlei vermaakt, zelfs huizen en landgoederen,

die niet eens bestonden!

Voorzien van de genademiddelen der Roomsche Kerk blies hij den 5en Mei

1821 in de armen van de Montholon en Bertrand den laatsten adem uit.

Op zijn verzoek werd zijn graf gedolven in de Geraniumvallei onder

twee treurwilgen wier wortels werden besproeid door een koel beekje,

waar hij vaak zijn dorst had gelescht.

Naar Frankrijk mocht zijn asch niet worden overgebracht. De Heilige

Alliantie had op 't Congres van Aken beslist, dat zijn gevangenis ook

zijn laatste rustplaats zou wezen. Op de smeekbede van Madame Mère

om over het stoffelijk overschot van haar kind te mogen beschikken

werd niet eens geantwoord. Zelfs voor het lijk van den grooten doode

scheen men in Europa nog vrees te koesteren.

"Ik wensch, dat mijn asch zal rusten aan den oever van de Seine,

te midden van het Fransche volk, dat ik zoo innig heb lief gehad."

Zoo stond er in zijn testament, een stuk waarin letterlijk allen waren

bedacht, die hem in zijn leven eenigen dienst hadden bewezen. Toch

zouden twintig jaar verloopen, voordat deze wensch werd vervuld.--De

Juli-revolutie van het jaar 1830 had het geslacht der Bourbons opnieuw

van den troon geworpen. Louis Philippe, een Orleans, een zoon van den

tijdens de Omwenteling onthoofden Philippe Egalité, hield dezen bezet,

en het jaar 1840 was reeds begonnen, toen Thiers, de eerste minister,

een man, die door zijn geschriften en zijn vroeger leven ver stond

verheven boven de vooroordeelen en den geheimen haat der partijen van

voorheen, besloot een stap te doen, waarop de Fransche natie reeds

tien jaar lang steeds luider en krachtiger aandrong.--Aan Engeland

wilde hij 's Keizers stoffelijk overschot terugvragen, om het op

Frankrijks bodem een rustplaats te schenken.

De vraag werd gedaan, Albion niet onwillig bevonden, en in het begin

van Juli 1840 aanvaardden het fregat la Belle Poule en de korvet la

Favorite met 's konings zoon, den prins van Joinville, en tal van

Napoleons voormalige lotgenooten, waaronder Bertrand, Gourgaud en

den jongen de Las Cases aan boord, de reis naar St. Helena.

Hier werd het lijk, dat eerst in een blikken kist met een looden

er omheen gesloten en zoodoende geheel van lucht afgesloten was

geweest en dus zoo goed als ongeschonden was gebleven, eerbiedig aan

zijn tegenwoordige rustplaats ontnomen en met militaire eerbewijzen

overgebracht aan boord van het fregat. Na een kortstondig bezoek aan

Longwood, dat, verwaarloosd en vervallen, thans als koestal dienst

deed, keerden ook Gourgaud, Bertrand en velen, die daar voorheen in

ballingschap hadden geleefd, terug.

Daarop werd de reis naar Frankrijk aanvaard. Den laatsten November

d.a.v. liet het fregat het anker vallen in de haven van Cherbourg. Van

hier zou een flottille het lijk langs de Seine overbrengen naar

Parijs. Den 1en December werd Courbevoie bereikt en een stoet

gevormd, waarin aan tal van oudgedienden en officieren een plaats was

gegeven. Te midden eener tallooze zwijgende en diep ontroerde menigte,

toog deze door den triomfboog en de Champs Elysées naar den dom van

't hotel der Invaliden, een prachtstuk uit de XVIIe eeuw. Onder

het machtige koepelgewelf door het gansche hof omgeven wachtte de

koning in plechtgewaad. In de verte klonk het luiden der klokken,

het dreunen van het kanon.

Daar worden de zware deuren van den dom wijd opengeworpen. De

opperceremoniemeester treedt over den drempel. Luide klinkt zijn:

L' Empereur!--Als één man reizen al de hovelingen, dragers van de

edelste namen van Frankrijk op. De koning gaat den stoet tot aan

den uitgang tegemoet. "Sire, ik breng u het lijk van Napoleon,

dat door mij op uw last naar Frankrijk werd teruggevoerd," zegt

de prins van Joinville.--"In naam van Frankrijk wordt het door mij

aanvaard," luidt het antwoord. Aan den trouwen, edelen Bertrand valt

de welverdiende onderscheiding ten deel den degen des Keizers op de

kist te mogen leggen.

Aanvankelijk in een zijkapel naast het altaar bijgezet, werd het lijk

in Mei 1861 overgebracht naar zijn tegenwoordige plaats. Uit een met

pilasters gedekt, witmarmeren kuipgewelf, omsloten door een krans van

tropeeën, samengesteld uit veroverde vaandels en standaarden, rijst

zwaar en forsch en indrukwekkend, zonder eenige uitwendige versiering

een sarcophaag op van rood Finsch graniet, een geschenk van keizer

Nikolaas van Rusland. Omgeven door de praalgraven van Vauban, Turenne,

Jérome, Bertrand en Duroc rust daarin het stoffelijke overschot van

hem, die, Franschman van geboorte doch Corsicaan van bloed, vijftien

jaar lang bijna onbeperkt over Frankrijk den schepter voerde, van

hem, die dit land eenmaal deed baden in een zonneglans van glorie

en grootheid, van wien ten platten lande zelfs nu nog steeds vol

eerbied en ontzag wordt gesproken als van l' Homme, van den man,

die als veldheer en als bewindvoerder nog nooit zijns gelijke vond,

wiens nagedachtenis in Frankrijk ten eeuwigen dage zal voortleven,

van de reuzenfiguur

Napoleon.

Napoleon(#27883) · 第 48 / 49 题