HOOFDSTUK XXVIII.

Waterloo.

"De Honderd Dagen" wordt het nu volgende tijdperk genoemd, dat wij

thans zijn genaderd. Den 8en Juli 1815 was Lodewijk XVIII terug in

zijn paleis en Napoleon op weg naar St. Helena.

Zijn voorspelling, dat hij zonder een schot te lossen in Parijs zou

komen was bewaarheid. Dadelijk na zijn terugkomst stelde de Keizer

een ministerie samen, waarin o.a. Cambacérès met de portefeuille van

Justitie, Carnot met die van Binnenlandsche Zaken, Davoust met die van

Oorlog werd belast, allen dus mannen met goed klinkende namen. Alleen

die van Fouché, die weder aan het hoofd trad van de Politie, maakte

hierop een uitzondering doch de Keizer had hem mogelijk liever naast

dan tegenover zich. Tal van generaals en maarschalken, hieronder tot

veler verbazing in de eerste plaats de heethoofdige Ney, kwamen hun

diensten weder aanbieden, alsof er niets was gebeurd. Hij heette ze

allen welkom; hun zwakheid en hun verraad had hij hun vergeven.

Vóór alles diende thans een nieuwe grondslag van bestuur voor Frankrijk

gemaakt en Napoleons houding tegenover het buitenland vastgesteld

te worden.

Reeds den 25en Maart had de Raad van State in zijn eerste zitting

een programma aangeboden, waarin o.a. te lezen stond dat de Keizer,

die niet had geabdiceerd door den wil der natie, de natie bij zijn

terugkeer ook weder bevestigde in haar heiligste rechten; dat hij

dus dure verplichtingen op zich had genomen en elke gedachte aan een

tijdelijk dictatorschap, zooals hij eerst had voorgesteld, moest

loslaten. Onder zijn toezicht werd nu een soort van overeenkomst

tusschen hem en de natie, de zoogenaamde Acte additionnel, een

toevoegsel aan de keizerlijke grondwet opgesteld en aan de bevolking

voorgelegd om haar stem erover uit te brengen. Hoewel die acte niemand

bevredigde werd ze aangenomen en dit resultaat den 1en Juni op het

Champ de Mars met groote plechtigheid bekend gemaakt. De Keizer zwoer

toen, dat hij den inhoud dezer acte stipt zou naleven.

Tegelijkertijd ontving de armee haar adelaars terug, zwoer

opnieuw trouw aan het Keizerrijk en defileerde ten slotte onder de

geestdriftige toejuichingen der honderdduizenden toeschouwers voor

den man, die haar vijftien jaar lang was voorgegaan op de baan van

roem, eer en glorie en die haar thans nogmaals, doch nu voor den

laatsten keer, zou brengen tegenover denzelfden vijand, die het jaar

te voren den vaderlandschen bodem had overstroomd en thans opnieuw

te wapen snelde.

Want denzelfden dag, dat de Raad van State haar programma van actie

had ingediend, hadden Engeland, Pruisen, Oostenrijk en Rusland zich

bij militair verdrag, de Heilige Alliantie, inniger dan ooit te voren

tegen Frankrijk samen verbonden. Iedere mogendheid zou 150.000 man

onder de wapenen brengen, Engeland bovendien zorgen voor de noodige

geldmiddelen. Gansch Duitschland, Nederland, Portugal en Spanje sloten

zich hierbij aan. Zweden alleen niet.

Tegelijkertijd werd voorgesteld in 't zuiden van Frankrijk, waar

de bevolking steeds koningsgezind was gebleven, en de hertog van

Angoulême reeds tegenover het keizerlijke leger in 't veld stond,

alsmede in de Vendée, waar het verzet ook reeds hevig was, den

burgeroorlog te doen ontbranden.

Napoleon verontrustte zich over dezen burgeroorlog niet, zeker als hij

was van de overwinning, die ook spoedig door generaal Grouchy behaald

werd, maar over den oorlog met het buitenland was hij minder gerust.

Den 4en April gaf Napoleon in waardige taal aan de vreemde hoven per

nota kennis van 't geen er te Parijs was gebeurd, betoogende dat hij

in 't belang van Frankrijk niet anders had kunnen handelen en sprak

daarbij den wensch uit om voortaan in vrede te leven.

Tevoren had hij zich reeds persoonlijk tot den keizer van Oostenrijk

gewend, waarbij hij zijn plannen meedeelde om zijn zoon in de toekomst

een rijk na te laten, dat op hechten grondslag zou staan en tevens

deed hij op zijn schoonvader een beroep, teneinde de vereeniging van

hem met zijn vrouw, van vader en kind mogelijk te maken.

IJdele pogingen! De mogendheden dachten er niet over hem te erkennen,

ze bleven bij hun vroeger besluit, kort na de landing van den Keizer

genomen, waarbij hij, de Corsicaansche avonturier, als verstoorder

van de rust in Europa in de ban werd gedaan.

Had Napoleon zich van dezen stap niet veel voorgesteld, geheel doelloos

werd die, omdat Murat, die door Pauline steeds met hem in relatie was

gebleven en die den uitdrukkelijken wil ontvangen had zich rustig te

houden tot hij door het Fransche leger ondersteund werd, eerst onder

een gezocht voorwendsel Rome bezette en den 31en Maart het masker had

afgeworpen en met 50.000 man naar het noorden, naar de Po was gerukt.

Toen het congres te Weenen, toch reeds in hooge mate achterdochtig,

hiervan kennis kreeg, werd het nog versterkt in de meening, dat

Napoleon was teruggekeerd om Europa opnieuw in vuur en vlam te

zetten. Aan de krijgstoerustingen werd dus met verdubbelden ijver

voortgewerkt.

Terecht kon Napoleon later zeggen, dat Murats onberaden stap een wapen

te meer tegen hem was geweest. Maar de Keizer droeg zelf voor een groot

deel de schuld. Waartoe moest hij dezen doldriftigen soldaat aan 't

slot van zijn brief uit Prangins van 16 Maart--toen hij zelf dus nog

niet eens in Parijs was gekomen--schrijven: "Spreek en handel zooals

uw hart u ingeeft. Marcheer naar de Alpen doch overschrijd ze niet."

De wapens zouden dus weer moeten beslissen. De bondgenooten

hadden reeds plannen ontworpen om met drie colonnes op Parijs

aan te rukken en den Keizer wederom op eigen grondgebied slag

te leveren. Hun strijdkrachten waren over België, Duitschland en

Italië verdeeld. Terwijl Wellington en Blücher met een Nederlandsche

strijdmacht van ruim 25.000 man onder de bevelen van den Prins van

Oranje stellingen begonnen in te nemen in België, was een Russisch

leger op marsch naar den Midden-Rijn, terwijl een Oostenrijksch

leger zich tusschen den Boven-Rijn en de Donau bevond. Bovendien

trokken troepen van Oostenrijk en Sardinië door Lombardije naar

de Alpen en ontscheepte Engeland op de kust van Bretagne soldaten,

wapenen en munitie om den opstand in de Vendée te steunen, terwijl een

Engelsch eskader in de Middellandsche Zee nog tot hulp kon wezen van

de troepen, die uit Italië, Frankrijk zouden binnenrukken. Buiten de

reserves hadden de bondgenooten ongeveer 650.000 man ter beschikking,

doch de legers waren te verspreid en voor Juli konden de Russische

en Oostenrijksche legers aan den Rijn niet gereed zijn.

Wat kon Napoleon hier tegenover stellen? Bij zijn terugkeer in Parijs

had hij niet meer dan 200.000 man onder de wapens. De cavalerie

had gebrek aan paarden, bij de artillerie had men nog een groote

hoeveelheid vuurmonden, doch munitie ontbrak bijna geheel, evenals

kleeding en geweren. Daarbij waren verscheiden versterkte plaatsen van

hun verdedigingsmiddelen beroofd; de bemanning der vloot was naar huis

gezonden, de kust onbeschermd. Linietroepen bewaakten de havenplaatsen.

Reeds in de eerste dagen van April was de Keizer begonnen om in dezen

toestand verbetering te brengen. Wel had de eerste oproeping niet dat

succes, zooals hij had gewenscht, maar er verschenen toch 75.000 man;

ook werden in April en Mei nationale garden onder de wapens geroepen en

in deze maand deed hij het verzoek aan alle gepensionneerden tijdelijk

weder in dienst te komen. De inlijving van de lichting van 1815 ging

best; in enkele departementen zelfs beter dan tijdens de revolutie. De

cavalerie werd van paarden voorzien, geweren werden gemaakt, alleen

Parijs telde o. a. zes geweerwinkels met 2000 werklieden. Ook voor

de munitie droeg hij zorg, en dagelijks leverde Parijs 1250 stuks

kleeding.

De werkzaamheid van den Keizer was enorm en het succes daaraan

geëvenredigd, want in Juni telde de cavalerie 40.000 paarden en wist

Napoleon zijn leger te brengen op 284.000 man met een hulpleger van

222.000 man, ongerekend de ingelijfden van 1815, de gemobiliseerden

tijdens den opmarsch in de concentratiekampen enz. Zijn voorspelling,

dat er in October 800.000 man zouden zijn, zou worden bewaarheid.

Teneinde voor een inval gereed te zijn waren tal van plaatsen als

Toul, Duinkerken, Grenoble enz. in staat van verdediging gebracht,

terwijl door hem in het bijzonder zorg was besteed aan de versterking

van Parijs en Lyon.

Bekend met de plannen van den vijand, was zijn eerste voornemen de

bondgenooten af te wachten en zich te verdedigen met genoemde plaatsen

als steunpunten. Hoewel met het oog op de uitstekende verdediging

dit plan volgens Napoleon zeker succes zou hebben, moest de Keizer

ook met de publieke opinie te rade gaan en deze was er tegen. Daarom

werd besloten hiervan af te zien en niet verdedigend maar aanvallend

te werk te gaan en voor de vereeniging der bondgenooten had plaats

gehad, zich op Wellington en Blücher te werpen en ze afzonderlijk te

verslaan. Mocht dit mislukken dan kon de Keizer altijd op het eerste

plan terugkomen.

Zijn tegenpartij meesterlijk misleidende en zijn bewegingen verbergende

achter een scherm van nationale gardes wist de Keizer den 14en Juni

een legermacht van 125.000 man en 370 vuurmonden tegenover Charleroi

tusschen Maubeuge en Philippeville bijeen te brengen.

Vóór zijn vertrek uit Parijs (12 Juni) had hij de zorg voor den gang

van zaken opgedragen aan een specialen Raad van veertien mannen,

waarin o. a. zijn broers Jozef en Lucien, Cambacérès, Davoust,

Fouché en de Caulaincourt zitting hadden genomen. Betreffende

's vijands indeeling en opstelling door spionnen vrij nauwkeurig

ingelicht, wist hij, dat de legers van Wellington en Blücher,

totaal 210.000 man sterk met 500 vuurmonden waren gescheiden;

de eerste een zeer bekwaam doch voorzichtig man, stond in den

vierhoek Brussel-Nivelles-Doornik-Oudenaarden, terwijl de tweede,

een oude maar doortastende en stoutmoedige generaal, in het vak

Charleroi-Dinant-Luik-Namen stond.

De verbindingsweg van de beide legers was die van Charleroi naar

Brussel en het doel van den Keizer was nu op dien weg te komen,

de legers van elkaar af te dringen en afzonderlijk te verslaan,

een strategische doorbreking dus, zooals die hem reeds zoo vaak

was gelukt. Hierbij hield de Keizer rekening met het karakter

zijner tegenstanders; hij wilde zich het eerst op Blücher werpen,

begrijpende dat deze den slag zou aanvaarden en Wellington hem niet

zoo spoedig te hulp zou kunnen komen ; wierp hij zich echter op den

voorzichtigen Wellington dan zou deze misschien den slag ontwijken en

spoedig hulp ontvangen van den voortvarenden "Maarschalk Voorwaarts,"

zooals Blücher werd genoemd.

In verband met dit alles gaf hij voor den 15en Juni een marschbevel

uit, dat ook nu nog als een meesterstuk op dit gebied wordt geroemd. In

drie colonnes zou langs drie wegen op de Sambre aangerukt, deze

gepasseerd, Charleroi genomen moeten worden. Eenmaal hier meester had

de Keizer den straatweg naar Brussel, Wellingtons operatielijn en dien

naar Luik, waarop Blücher ageeren moest, voor zich. De straatweg van

Namen naar Nivelles vormde den verbindingsweg en sneed den eersten bij

Quatre-Bras, den tweeden bij Sombreffe. Van hoeveel gewicht het voor

hem was, deze viersprongen beide tegelijk in den kortstmogelijken

tijd te hebben bezet, kan o. i. dus zelfs een leek begrijpen. Had

hij die in zijn bezit, dan stond hij tusschen Wellington en Blücher in.

In den middag van den 15en wordt de Sambre bereikt, Charleroi bezet, en

worden de daar staande Pruisische voorposten teruggedrongen. Terwijl

Ney, die Napoleon bij zich heeft ontboden, last ontvangt om met

de linkercolonne in de richting van Quatre-Bras voort te dringen

en den vijand daar terug te werpen, krijgt Grouchy de opdracht

den rechtervleugel te dirigeeren in de richting van Sombreffe, de

vijandelijke afdeelingen tot hier te vervolgen en bij deze plaats

stelling te nemen.

Door de al te groote voorzichtigheid van Ney en zijn weinige

beslistheid bleef hij in den avond van den 15en in de omstreken van

Frasne en werd Quatre-Bras op dien dag niet bezet. Ook Sombreffe werd

niet bereikt, daar Grouchy, na den vijand teruggedrongen te hebben,

van de verdere vervolging moest afzien.

Niettegenstaande deze beide belangrijke punten dus op den 15en niet

in handen van de Franschen kwamen, waren de troepen van Napoleon

geconcentreerd, terwijl dit bij de tegenpartij niet het geval was.

De kans op 't geen thans door het overschrijden van de Sambre was

geschied, was door Blücher en Wellington voorzien. Voor dit geval was

besloten, dat de eerste zijn leger dan bij Sombreffe, de laatste het

zijne bij Quatre-Bras samentrekken zou.

Terwijl Blücher zich nu aan deze afspraak hield en Napoleon dus

een doel bood, handelde Wellington, zeker uit vrees voor zijn eigen

terugtochtsweg naar de zee, aanvankelijk juist omgekeerd. Niet naar

Quatre-Bras, doch naar Nivelles, dus zooveel verder naar 't westen

en meer van Blücher verwijderd, verlegde hij het verzamelpunt van

zijn krijgsmacht. [35]

Met zijn leger ingedeeld in twee vleugels, de linker onder Ney, de

rechter onder Grouchy, en een reserve onder zijn eigen bevelen, begon

Napoleon den 16en den opmarsch, vond bij Ligny een Pruisisch korps,

aanvankelijk zonder te weten, dat hij Blücher zelf met bijna zijn

gansche macht hier tegenover zich had, greep het in 't namiddaguur,

dus veel te laat, aan en wierp het na een hardnekkig gevecht, waarbij

Blücher zelf bijna sneuvelde, overhoop, zoodat het naar het noordoosten

begon terug te gaan.

Overeenkomstig de ontvangen bevelen was Ney tegelijkertijd op

marsch gegaan naar Quatre-Bras en hier gestooten op een kleine macht

Hollanders en Nassauers, nog geen achtduizend man, door den prins van

Oranje, die daar het bevel voerde, in allerijl samengebracht, opgesteld

en geleid, op zoo meesterlijke wijze, dat Ney een overmacht meende

voor zich te hebben en dus niet krachtig dorst aanvallen.--Hiervan zag

hij tenslotte zelfs geheel af, toen hij ontwaardde, dat die macht in

aantal aanhoudend ontzagwekkender werd, en toen het korps van d'Erlon

door een onjuist overgebracht bevel aan zijn commando onttrokken en

naar Ligny (Saint Amand) gedirigeerd werd om, heette het, Napoleon

bij Fleurus te steunen, en de daar staande Pruisen te omvatten.

Een samenloop van toevallige omstandigheden was dus oorzaak dat

Quatre-Bras in handen bleef van den prins van Oranje; dat Wellington,

al had hij in strijd met zijn mondelinge belofte aan Blücher dezen bij

Ligny in den steek gelaten, niet totaal van dezen werd afgesneden;

dat het plan des Keizers niet geheel slaagde.--Het verdere verloop

van den veldtocht hing thans geheel af van de vraag of deze, na

de Pruisen te Fleurus geslagen te hebben, die verder zoo krachtig

en zoo onafgebroken zou doen vervolgen, dat er van een vereeniging

tusschen hen en Wellington zelfs veel verder noordwaarts geen sprake

meer kon wezen.

Juist van een vervolging, zooals hij die in 1796 tegenover Beaulieu en

Colli had ingesteld, was ditmaal echter zelfs geen sprake. Den 17en

's morgens bleef hij te Fleurus, beval een revue over de troepen,

zond slechts een cavaleriedivisie den straatweg op naar Luik, waarheen

de Pruisen afgetrokken heetten, reed daarop naar 't slagveld, sprak

met de gekwetsten, bleef geruimen tijd met Grouchy, dien hij kort te

voren tot maarschalk had verheven en met generaal Gerard praten over

Parijs en de toestanden aldaar, gaf eerst in den namiddag aan dezen

maarschalk last met een deel van zijn macht de vervolging te beginnen

en de zegepraal te voltooien; daarna reed hij per rijtuig naar Ney,

die tegen zijn verwachting bij Quatre-Bras nog altijd vijandelijke

afdeelingen voor zich had.

Aan Grouchy gaf hij thans kennis van zijn voornemen de rest van zijn

leger met dat van Ney te vereenigen en de Engelschen aan te grijpen,

wanneer deze aan de zuidzijde van het Soniënbosch mochten stand

houden. Langs den straatweg naar Quatre-Bras moest de maarschalk met

hem in verbinding blijven, naar het noordoosten naar Gembloux rukken

en nauwkeurig aangeven, waarheen de Pruisen waren teruggetrokken.

Door deze late en niet krachtige vervolging na den slag bij Ligny

gingen alle voordeelen van de overwinning op de Pruisen verloren;

Napoleon had hier zelf veel schuld aan en het is haast onbegrijpelijk

dat de Keizer zulk een langen tijd liet verloren gaan.

Napoleon was niet meer dezelfde man van 1796. De vroeger reeds genoemde

lichaamsgebreken bestonden niet alleen nog, doch aambeien en nog

een andere ziekte, die hem bij 't rijden veel pijn veroorzaakten,

waren hierbij gekomen. Toen Grouchy om nadere bevelen kwam vond hij

den Keizer slapende en moest wachten. Zijn geest was nog de oude,

zijn lichaam had hiermede geen gelijken tred gehouden; hij was ziek

en zijn energie was niet zoo sterk meer als voorheen.

Door het niet uitzenden van verkenningsdetachementen, ook in andere

richtingen dan naar Luik alleen, was de voeling met Blücher verloren

gegaan.

Hoewel door een val met zijn schimmel overal gekneusd en gewond en

alleen als door een wonder aan den dood ontkomen, was de grijze twee

en zeventigjarige Blücher, zich niet krachtig achtervolgd ziende,

inmiddels niet werkeloos gebleven. Zijn soldaten hadden hem niet zien

vallen. Von Gneisenau, zijn geniale chef van den staf, had tijdelijk

het commando op zich genomen en bevolen niet naar Namen, dus naar 't

zuidoosten, terug te gaan doch naar Wavre, naar het noorden. Alleen in

deze richting was voor hem nog kans zich met Wellington te vereenigen.

In diepe duisternis, onder een zwaren slagregen, langs ellendige,

hier en daar schier onbegaanbare wegen begon de nachtmarsch van

het 1e en 2e legerkorps. Het 3e zou de achterhoede uitmaken.--In

den avond van den 17en Juni stond Blücher zoodoende met het geheele

Pruisische leger, wel onvoldoende gevoed doch weder vrij goed van

munitie voorzien, behoorlijk in zijn verband en met strijdlust bezield

bij Wavre, gereed om aan Wellingtons schriftelijk verzoek te voldoen

en dezen twee korpsen ter ondersteuning te zenden naar de stelling

bij Waterloo, die de Engelsche veldheer reeds vroeger had verkend en

die hij thans ging innemen.--Een uitgestrekte verhooging in 't door

hem bezette terrein bij Quatre-Bras en het bosch van Bossu hadden

het Wellington mogelijk gemaakt, door Ney onopgemerkt, zijn positie

aldaar geleidelijk en in goede orde te verlaten.

Bij Quatre-Bras komende, (17 Juni 2 uur n.m.) vond Napoleon daar

dus nog alleen enkele kleine voorposten-afdeelingen tegenover zich,

die eveneens langzaam teruggingen. Zijn plan van den veldtocht,

de strategische doorbreking, was, al wist hij dit zelf nog niet,

mislukt. Voorts was Grouchy veel te zwak en veel te laat afgemarcheerd

om Blücher nu nog te beletten, zich met Wellington te vereenigen.--Ook

dit was voor Napoleon nog een geheim.

Ter hoogte van het dorpje Plancenoit maakte hij halt en koos

als hoofdkwartier de pachthoeve Le Caillou. Voor een aanval

op de Engelschen dienzelfden dag nog was het reeds te laat

geworden.--Wellington had zijn kwartier genomen te Waterloo; de prins

van Oranje in een kleine boerenwoning, in een kamer, die hij deelde

met vijf officieren van zijn staf.

Geen enkele maal te voren heeft Napoleon met zulk een groote

troepenmacht,--circa 80.000 man--gestreden op een ruimte, betrekkelijk

zoo beperkt als die bij Waterloo. Het geheele slagveld is nog geen

twee kilometer breed en slechts drie kilometer diep. Zijn leger werd in

slagorde geschaard op de noordelijke hellingen van een lagen heuvelrug,

die, van Braine l' Alleud langzaam klimmende, doorliep naar Maison

du Roi en van Wellingtons positie was gescheiden door een veelal

met hoog koren begroeid, tamelijk breed dal, dat met zijn kleibodem

tengevolge van den zwaren regen van den vorigen avond en den nacht

zeer drassig was geworden. [36]

Met den rug naar het vrij goed doorgaanbare Soniënbosch had Wellington

stelling genomen op een uitgestrekt plateau, dat zich van Braine

l'Alleud over Mont Saint Jean uitstrekte in de richting van Ohain

en Wavre.

Vlak voor zijn front langs, in de laagte, liep de over een groote

uitgestrektheid diep ingezonken, holle weg van Ohain, de randen bezet

met zware heggen en knotwilgen, voor cavalerie een zoo goed als

onmogelijk te passeeren hindernis.--Dat deze weg in dien toestand

verkeerde, was aan Napoleon niet bekend; hij is het graf geworden

van een deel van Milhauds kurassiers bij hun charge op de Engelsche

carré's.

Vóór de stelling, die voor de uitwerking van artillerie zeer gunstig

was gelegen en ook bij een terugtocht voldoende voordeelen aanbood,

lagen onder het werkzame artillerievuur: vóór den rechtervleugel het

hechte kasteel van Hougomont, door bosch en zware heggen omgeven en

in den nacht van den 18en in geduchten staat van tegenweer gebracht;

voor het midden de soliede pachthoeve La Haye Sainte aan den straatweg

naar Charleroi, eveneens door dichte heggen en aan de wegzijde

door een hoogen muur afgesloten; voor den uitersten linkervleugel,

het zwakste punt, het kasteel Frichermont, het gehucht Smohain en de

boerenwoningen la Haye en Papelotte. Ook hier maakten diep ingesneden

holle wegen het naderen zelfs voor infanterie bezwaarlijk. Door gebrek

aan pioniermateriaal waren alleen bij la Haye Sainte en langs den

zuidrand van het Soniënbosch uitgestrekte versperringen aangebracht.

Nog altoos beducht voor zijn achterwaartsche verbindingen en voor een

omtrekking langs zijn rechtervleugel, had Wellington prins Frederik

der Nederlanden, toen achttien jaar oud, met 15000 man gedetacheerd

naar Hal, met den uitdrukkelijken last zich daar staande te houden

en Brussel te dekken. Die macht is daar, onverklaarbaar genoeg,

den ganschen dag van den 18en werkeloos blijven staan.

Den nacht van den 17en op den 18en Juni was het hondenweer. Het

regende, dat het goot. Niettemin toog Napoleon, alleen door Bertrand

vergezeld, om één uur te voet den donkeren weg op, om te weten te

komen of Wellington in zijn stellingen was gebleven. Het zien van

een reusachtig aantal wachtvuren bij Mont Saint Jean stelde hem

gerust. Even daarna ontving hij van Grouchy rapport, dat deze nog

niet nauwkeurig wist of Blücher naar Wavre dan wel naar Namen was

afgetrokken. Toen hij den 18en 's morgens het stellige bericht ontving,

dat een sterke afdeeling Pruisen dien morgen naar eerstgenoemd stadje

was gemarcheerd, zond hij Grouchy bevel eveneens derwaarts te gaan. De

gedachte, dat Blücher hem met zijn gansche macht op 't lijf zou vallen,

zooals deze aan Wellington beloofd had, kwam zelfs niet bij hem op. Al

zijn aandacht was gevestigd op de Engelschen.

Om acht uur steeg hij te paard, overtuigde zich nogmaals met zichtbaar

welgevallen, dat de vijand nog aanwezig was, en gaf zijn gevechtsbevel

uit. Om elf uur zouden de troepen hun stellingen innemen, niet

vroeger, want volgens Drouots verzekering zou het door den gevallen

regen onmogelijk wezen met artillerie of cavalerie in die terreinen

te ageeren, vóórdat de zon den zwaren kleigrond een weinig had doen

opdrogen. Het dal, dat de legers scheidde, geleek hier en daar op

een moeras.

Omstreeks één uur, als de Keizer Ney hiertoe het bevel gaf, zou

de strijd beginnen met de vermeestering van het dorp Mont Saint

Jean. Om dit hoofddoel te maskeeren zou tegelijkertijd door de

divisiën van Reille en Jérome een krachtige aanval worden gedaan

op Hougomont. Tevens moest de hoeve la Hay Sainte genomen en ook

opgetreden worden tegenover Frichermont.

Een batterij van 64 stukken zou op den rechtervleugel d'Erlon en Ney

bij hun aanval op la Haye Sainte ondersteunen.

Met de garde achter zich nam hij omstreeks twaalf uur, toen het eerste

schot viel, plaats op de hoogte van Rossomme. Reeds een paar uur te

voren had hij Grouchy van zijn voornemen om Wellington aan te grijpen

per brief kennis gegeven en hem bevolen over Wavre dichter bij hem

aan te sluiten en vaak bericht te zenden.

Toen hij omstreeks één uur bij Chapelle Saint Lambert, in de

richting van Wavre dus, door den kijker troepenbewegingen meende

te ontwaren en door een gevangen genomen Pruisischen huzaar vernam,

dat ginds het korps van Bülow marcheerde, dat niet aan het gevecht

bij Ligny had deelgenomen, zond hij Grouchy wederom hiervan kennis

met den uitdrukkelijken last elke vijandelijke afdeeling, welke zijn

rechtervleugel mocht bedreigen, aan te vallen en te vernietigen.--Niet

één dier bevelen bereikte Grouchy, omdat Soult, de chef van den staf,

verzuimd had dezelfde order door twee of drie ordonnansen tegelijk

te doen overbrengen.

Later nog (half drie) ontving graaf Lobau bevel met zijn korps, 10.000

man, rechts naast hem tegenover dezen nieuwen vijand een flankstelling

in te nemen. Ten zuidwesten van Frichermont ter hoogte van Plancenoit

bezette Lobau dus het terrein en zond cavalerie in den oostelijken

rand van het bosch van Frichermont.

Inmiddels was Hougomont, zonder voldoende inleiding met geschutvuur

door Reille aangegrepen, en was in het zeer boschrijke, geaccidenteerde

terrein, zonder dat het tot een beslissing kwam, een hardnekkig gevecht

ontstaan met de Nassauers, Brunswijkers en Engelsche gardes aldaar.

Middelerwijl was Ney overgegaan tot een aanval op Mont Saint Jean,

niet in de gewone formatie: één bataljon gedeployeerd om te vuren en

op elken vleugel een gesloten bataljon om de cavalerie af te weren,

doch in een nieuwe. De acht bataljons van iedere divisie waren nu

gedeployeerd en met vijf pas onderlinge tusschenruimte achter elkander

geschaard; zij vormden zoodoende een dichte drom, die niet eens de

carréformatie kon aannemen. Vier van die dichte, diepe colonnes, met

Ney te paard voorop, vier andere met d'Erlon aan de spits begonnen

door het zware terrein het met artillerie bekroonde plateau van Mont

Saint Jean thans te naderen.

Om la Haye Sainte, zijn heggen en een nabijgelegen zandgroeve

ontspint zich dan een woedend gevecht. De hoeve wordt ten deele

vermeesterd; reeds beginnen de voorste Fransche afdeelingen het

plateau te bestijgen, en schijnt de zege haar deel te zullen worden,

als de cavalerie van Ponsonby, 1400 Grijze Schotten, aldus genoemd

naar de kleur hunner paarden, op de diepe, logge colonnes instormen,

ze terugslaan in het moerassige, lage dal, twee vaandels en twee

batterijen veroveren, maar dan door de kurassiers van Milhaud, die

Napoleon heeft afgezonden, zoo geducht worden afgeklopt, dat Ponsonby

zelf sneuvelt en de Schotten met verlies van twee derden hunner sterkte

achter de infanterie van Kempt een goed heenkomen moeten zoeken.

Wel was een deel van la Haye Sainte thans in handen der Franschen

gekomen, maar de aanval, waarvan Napoleon, die zelf naar de pachthoeve

was gereden, zich zooveel had voorgesteld, was mislukt. De majoor

Baring en zijn Nassauers hadden hun stellingen behouden.--De aanval

moest dus later herhaald worden.

Ook het zwaarste werk, de verovering van het plateau zelf, moest nog

geschieden; en op den rand hiervan stond nog de Engelsche artillerie,

zestig vuurmonden, dicht achter haar de Engelsche infanterie op

twee en drie liniën in carré geschaard, daarachter de cavalerie,

het geheel onder den Prins van Oranje, die het centrum commandeerde.

Die schijnbaar onverdedigde vuurmonden trokken Ney aan als de magneet

het ijzer. Waren die genomen, dan was de zege behaald, redeneerde hij

in zijn drift. Bij herhaling deed hij dus een verzoek om infanterie;

doch Napoleon, die zijn plaats bij Rossomme had verlaten om zich

naar het terrein te begeven, waarop de aanval van de Pruisen onder

Bülow zich aanhoudend krachtiger begon te teekenen, wilde eerst met

deze hebben afgerekend, voordat hij tot den slotaanval op Wellington

overging. Acht bataljons der Jonge Garde hadden reeds last ontvangen

rechts naast Lobau positie te nemen, vier en twintig vuurmonden om

de aanrukkende Pruisen met schroot te overstelpen.

Ney kreeg dus geen infanterie doch alleen de kurassiers van Milhaud

tot zijn beschikking. Zij namen, acht regimenten sterk, stelling in

de ruimte tusschen Hougomont en la Haye Sainte; achter hen de lichte

cavalerie van de garde onder Lefebvre-Desnouettes. Uit Milhauds:

"Ik ga attaqueeren. Ondersteun mij!" hem onder 't voorbijrijden

toegevoegd, had deze begrepen, dat Ney handelde op 's Keizers last.

Reeds was het vier uur geworden. Op niet één punt van het slagveld

was door de Franschen nog eenig groot, blijvend succes behaald.

De ontwikkeling van bovengenoemde ruitermassa ziende, had Wellington

terstond tegenmaatregelen genomen. De divisie van den Hollandschen

generaal Chassé, die aanvankelijk bij Braine l'Alleud in reserve had

gestaan, had last ontvangen zijn rechtervleugel te komen versterken;

de Brunswijkers alsmede de brigades Mitchell en Lambert waren naar 't

centrum gedirigeerd; ook een deel der bij la Haye en Papelotte staande

troepen, waar het gevecht niet zoo scherp werd gevoerd, waren dichter

hierbij aangetrokken. Reeds waren de verliezen in zijn voorste linie

groot. Vooral de brigade van Bylandt, die, onoordeelkundig genoeg,

op den linkervleugel aanvankelijk ten zuiden van den hollen weg van

Ohain had gestaan, dus met deze hindernis in den rug, had veel geleden.

't Liep naar vijf uur.

Nog altoos was Hougomont in 't bezit der Engelschen; alleen la Haye

Sainte was eindelijk door de Fransche brigade Quiot genomen. Met 42 van

de 400 Nassauers, die de hoeve hadden verdedigd, was de heldhaftige

majoor Baring, toen al de munitie was verschoten, gedwongen geworden

zijn stelling te verlaten. Een tegenaanval, door den prins van Oranje

bevolen, was door de kurassiers van Milhaud afgeslagen.

Staande op het plateau voelde Wellington, dat het kritieke moment

naderde. Ginds voor hem in de laagte tusschen la Haye Sainte en

Hougomont had Ney zijn cavalerie, bijna 5000 ruiters, kurassiers en

lanciers verzameld. Schier oogverblindend weerkaatste de zon haar

stralen op al die helmen, kurassen en lanspunten. Nog enkele minuten,

en als een orkaan zou die ruitermassa zich storten op zijn carré's,

die, als de ruiten op een schaakbord, in twee liniën op vier gelederen

geschaard en ieder ongeveer twee bataljons sterk, achter een lange

lijn van vuurmonden den aanval wachtten. De prins van Oranje, de ziel

der verdediging van het centrum, een voorbeeld van kalmte en moed,

een waardige zoon van zijn dappere voorzaten, reed rustig tusschen

de carré's rond en wekte met een enkel vriendelijk soldatenwoord zijn

krijgers op tot onbezweken volharden.

Daar klinken in de verte cavaleriesignalen! De escadrons komen in

beweging. Niet langs den straatweg van Charleroi,--deze is door de

lijken van mannen en paarden versperd en onbruikbaar geworden--niet

rechts daarvan, want daar ligt de diepe, holle weg van Ohain eveneens

reeds vol doode paarden en kurassiers, die bij een vorige charge

hals over kop in de diepte zijn gestort--ten westen er van zal worden

gechargeerd op de Engelsche artillerie, die onafgebroken vuurt. Daar

is de helling van het plateau ook minder steil.

De taaie klei maakt snelle gangen echter onmogelijk. Op de helling

glijden heel wat paarden terug, maar tenslotte is de vlakte

toch bereikt. Vier regimenten kurassiers formeeren de eerste

linie.--Galop! schalt de trompet. Chargeert! en nu gaat het los

op de Engelsche kanonnen, waarvan de artilleristen zich ijlings

bergen binnen de carré's; dan op de divisie Alten, die reeds zooveel

heeft geleden en nu bijna totaal onder den voet wordt gereden of

neergestoken. De garde te paard van Sommerset, de brave Hollandsche

karabiniers van Trip doen wel een tegenaanval, maar nu werpt Ney, als

altoos een oorlogsgod gelijk, met verscheurde, bebloede uniform doch

zelf ongedeerd Lefebvre-Desnouettes met zijn lansiers en jagers op hem.

Op de hoogvlakte ontstaat een ontzettend handgemeen. Pallas en

lans, bajonet en sabel brengen wonden en dood. Nog gruwelijker,

nog meedoogenloozer wordt de worsteling, als ook de zware cavalerie

der garde met haar vijfduizend paarden aanrijdt en zich in den chaos

stort.--Napoleon heeft den aanval van Ney uit de verte gezien. Hoewel

deze veel te vroeg is ondernomen, wel een uur te vroeg, heeft hij

begrepen, dat, nu de zaken eenmaal zulk een richting hebben genomen,

Ney niet in den steek kan worden gelaten. Hij heeft Kellerman dus

last gegeven dezen te ondersteunen.

Ruim een uur lang duurt de worsteling op het plateau; verscheiden

carré's zijn dan uiteengeslagen; andere staan nog als muren. Tot de

achterste linie der Engelschen dringen de Fransche ruiters ten slotte

door. Bij den trein ontstaat een paniek. In wilde vaart slaat daar

alles op de vlucht, den weg op naar Brussel. Reeds voelt Wellington

dat de slag zal zijn verloren.

Maar nu zijn de krachten van man en paard ook bij de Franschen

uitgeput. Infanterie is er niet om het behaalde succes der ruiterij

te voltooien. Zijn laatste reserve, de oude garde, 5000 man, wil

Napoleon niet uit de hand geven, want reeds is de jonge garde in

scherp gevecht gewikkeld met Blücher, die de Lasne-beek ongehinderd

heeft kunnen overschrijden, die, bij Bülow gekomen, dezen bevolen

heeft krachtig aan te grijpen met zijn gansche macht, en die nu als

een onweerswolk uit het oosten komt opzetten, terwijl van Grouchy,

die Blücher toch vervolgen en met zijn Keizer steeds voeling houden

zou, geen spoor is te ontdekken.

De cavalerie, niet meer gevechtsvaardig, totaal uitgeput, moet dus

terug. Ney's onbesuisde, onverantwoordelijke daad heeft geen blijvend

succes gehad. Thans rennen de Engelsche artilleristen uit de carré's

van hun zoo dapper staan gebleven zusterwapen terug naar hun stukken,

laden ijlings met kartetsen en jagen de langzaam wijkende escadrons

het moordende lood in den rug.

't Is zeven uur.--Bij Smohain, Frichermont en Plancenoit wordt

woedend gevochten. Eerst wanneer hier een deel der oude garde te

hulp is geschoten, blijft het laatste dorp in handen der Franschen;

doch reeds overstroomen massa's Pruisische tirailleurs het terrein;

reeds komt de reserve-cavalerie van het 1e Pruisische korps den

linkervleugel der Engelschen bij Smohain de hand reiken. Pruisische

granaten vallen in massa op Plancenoit.

Thans besluit de Keizer zijn laatste tien bataljons oude garde op de

zwaar vermoeide, sterk gedunde gelederen van Wellington te werpen

en dus de beslissing te brengen. Vier bataljons zullen tusschen la

Belle Alliance en la Haye Sainte als reserve blijven staan; met de

zes andere zal Ney, wien op dezen Zondag reeds vier paarden onder

het lijf zijn doodgeschoten, ten aanval gaan.

Daar komen ze, de ijzeren mannen, de berenmuts op 't hoofd, 't geweer

in den arm, gesloten en gericht als op het exercitieveld, in zes

afzonderlijke aanvalscolonnes, de hoogte op. De vanen wapperen in

den avondwind; de tamboers slaan. De aanval geldt de zeer gedunde

Brunswijksche en Nassausche bataljons der voorste linie.--"Velt

't geweer!"--Vive l' Empereur! schalt het nog eenmaal dreunend en

dreigend als een laatste vaarwel uit drie duizend kelen boven het

slaggewoel uit.

De prins van Oranje heeft het dreigende gevaar gezien; hij rent

geheel alleen naar de voorste linie der Nassauers. Daar wordt zijn

paard doodelijk gewond, hij zelf door een kogel in den linkerschouder

getroffen. Reeds staat hij op 't punt door een troepje kurassiers

te worden gevangen genomen, als eenige Hollandsche karabiniers hem

gewaar worden, de kurassiers verjagen, hem op 't paard helpen van de

Constant Rebecque, een zijner ijlings toegeschoten stafofficieren,

en hem achteruit brengen. Eerst in een paardendeken, later op een

matras, die gelegd is op een uitgehaakte huisdeur, wordt hij naar

Waterloo vervoerd.

Krachtig aangegrepen door de garde-brigade Maitland, die achter

het hooge koren heeft verscholen gelegen doch nu eensklaps oprijst

en ze met doodende salvo's begroet, dan door de jonge Hollandsche

soldaten van Chassé, bijgenaamd Generaal-bajonet, eindelijk door

de artillerie heftig onder vuur genomen, hun verliezen voortdurend

ziende vermeerderen, deployeeren de gardebataljons. Zij willen dit

vuur beantwoorden doch berooven zich hierdoor van den steun van de

twee gardebatterijen, die hen zijn gevolgd. Wel langzaam en in carré

geformeerd, maar toch zonder genade moeten zij ten slotte terug voor

den thans over de gansche Engelsche slaglinie met al wat nog adem

heeft ondernomen tegenaanval.

Tot achter la Belle Alliance worden de bataljons teruggedrongen. Hier

slaagt Ney er in ze in twee carré's te formeeren. Hulp kan hem niet

meer worden verleend, want Napoleon heeft ook zijn vier laatste

bataljons doen front maken tegen de steeds onstuimiger wordende

aanvallen der Pruisen.--Nu gaat ook La Haye Sainte, het met zooveel

bloed gekochte bosch van Hougomont, eindelijk zelfs Plancenoit

verloren; en als het aanvankelijk bleeke, later zeer heldere maanlicht

zijn stralen over het slagveld begint te werpen, is het Fransche

leger in vollen aftocht langs den straatweg naar Charleroi, heeft de

zwaargewonde generaal Cambronne binnen een der ineenzinkende laatste

carré's der garde den vijand zijn brutaal Merde! toegesnauwd, en

heeft generaal Michel den vijand, die hem aanmaant zich over te geven,

zijn fier: "De garde geeft zich niet over; ze sterft," doen hooren.

Tevergeefs heeft de Keizer met Jérome, die gekwetst is, en enkele

opperofficieren in een carré den dood gezocht; eindelijk is hij

gezwicht voor hun smeekgebeden en is ook hij, door den stroom van

vluchtelingen medegesleurd, den aftocht begonnen. Om half een in den

nacht doodmoe te Genappes gekomen en hier in zijn reiskoets willende

plaats nemen, wordt hem dit door de vervolgende Pruisische huzaren

belet. Al zijn papieren en kostbaarheden in den steek latende, een

tijdlang zelfs blootshoofds en ongewapend, moet hij weder ijlings te

paard stijgen en dwars door het land heen verder vluchten.

Scherp nagezet door de huzaren, die met hun dreigend: Kaput

Fransosen! den schrik en de ontsteltenis nog verhoogen en menigen

soldaat en officier tot zelfmoord brengen, stormen de Franschen,

waarvan velen het geweer hebben weggeworpen, als weerlooze, in 't

nauw gedreven dieren onafgebroken voort naar Charleroi. Tevergeefs

pogen graaf Lobau en de generaals van de garde Petit en Pelet hen

tegen tien uur bij Quatre-Bras tot staan te brengen. Slechts enkele

artilleristen gehoorzamen; zij jagen een hagelbui van kartetskogels in

de voorste escadrons des vijands, doch zetten den aftocht dan weder

voort en geven de naar wraak dorstende Pruisen opnieuw gelegenheid

op de weerloozen in te houwen. Eerst laat in den nacht wordt de

vervolging gestaakt. Dan kunnen de paarden niet meer.

Tusschen le Caillou en la Belle Alliance hadden Blücher en Wellington

elkander bij toeval ontmoet en elkander met de behaalde overwinning

gelukgewenscht.

De meeste schrijvers over Waterloo geven vooral Grouchy de schuld van

de nederlaag. Was hij tijdig naar zijn Keizer op marsch gegaan, dan zou

volgens enkelen alles gered zijn geworden, al beweert daartegenover

o. a. Charras, dat het aan den afloop niets zou veranderd hebben en

misschien was ook dit korps in de vlucht meegenomen, terwijl het nu

in goede orde kon terugtrekken.

Juist in den laatsten tijd is het oordeel over dezen Franschen

bevelhebber niet meer zoo hard als vroeger en al erkent men, dat hij

te laat op marsch is gegaan, de richting waarin hij aanvankelijk ging

was verkeerd, maar juist dit kan men Grouchy niet verwijten.

Toen hij den 18en bij Wavre kwam, vond hij daar de achterhoede van

het Pruisische leger onder von Thieleman, door den slimmen Blücher

juist achtergelaten om hem bezig te houden. Niettegenstaande zijn

generaals hem verzochten in de richting van Waterloo te gaan, van

waar men duidelijk kanonvuur vernam, meende Grouchy zijn plicht

te doen door in Wavre te blijven en hierdoor kreeg Blücher de

gelegenheid over Rixensart ongehinderd weg te trekken, Wellington te

hulp. Daardoor onthield hij den Keizer een steun van 30.000 soldaten,

die de weegschaal naar de Fransche zijde hadden kunnen doen overslaan,

want alleen door het tijdig ingrijpen van Blücher kon Wellington

de zege behalen. Diens troepen hadden te veel geleden; ze waren

te uitgeput om nog slagvaardig te heeten of ernstigen weerstand te

bieden. Zelfs aan de vervolging konden zij later slechts een korte

poos deelnemen.--In zijn rapport aan den regent van Engeland heeft

Wellington dit trouwens ruiterlijk erkend.

In 't holst van den nacht bereikte de Keizer Charleroi en was den 21en

Juni uitgeput en ziek naar lichaam en geest op het Elysée terug. Hier

kon de Caulaincourt van hem hooren hoe Ney zich als een krankzinnige

gedragen en de gansche cavalerie opgeofferd had. Daarna liet hij zich

vallen op een canapé, was terstond in slaap, werd een uur later wakker,

nam een lauw bad en ontving, nog hierin gezeten, Davoust. De ministers

waren bij elkander gekomen en wachtten hem vol angst en kommer,

kwam deze zeggen. "Wat een ramp, maarschalk!" riep Napoleon uit.

"Met de noodige wilskracht komen wij dit alles te boven!" antwoordde

Davoust, terwijl hij bedaard de waterdroppels afdroogde, waarmede

zijn heer hem onwillekeurig had bespat.

Napoleon(#27883) · 第 46 / 49 题