HOOFDSTUK XXVII.

Op Elba. In Frankrijk terug.

Aanvankelijk weigerde hij deze voorwaarden te onderteekenen. "Waartoe

diende zulk een tractaat, als men niet verkoos de belangen van

Frankrijk met hem te regelen?"

In den nacht van 12 April deed hij een poging tot zelfmoord met een

dosis opium, welke hij na den terugtocht uit Moskou steeds bij zich

droeg. Gelukkig, dat de Caulaincourt, dien hij bij zich had ontboden

om afscheid van hem te nemen, spoedig zag wat er aan de hand was

en ijlings dokter Iwan liet roepen. Zoodoende was hij den volgenden

morgen weder zoo goed als hersteld.

In de nu volgende dagen, want eerst den 19en kwam het tractaat

geteekend uit Londen terug, werd het voortdurend stiller in 't

paleis. Onder allerlei voorwendsels begonnen zijn vroegere getrouwen

hem te verlaten. Ney verdween, zelfs Berthier. Constant en zijn

mameluk Rustan volgden. Alleen Maret en de Caulaincourt, Macdonald,

Mortier, benevens Moncey, die de barrière van Clichy bij Parijs zoo

roemrijk had verdedigd, kwamen hem opzoeken. Den meesten tijd sleet

hij in den nabijgelegen tuin, in zijn bibliotheek of in de galerij,

waar zijn officieren zich bevonden. Zoo kalm en waardig was zijn

houding, zoo welwillend en vriendelijk zijn toon van spreken tegen de

weinigen, die hem nog omgaven, alsof hij al 't voorgevallene reeds

scheen vergeten. Vertrouwelijk of ernstig evenals voorheen bij de

recepties op de Tuilerieën, steeds zich zelf meester, onderhield hij

zich met hen over allerlei onderwerpen.

Toen hij den 20en afscheid zou nemen van zijn oude, getrouwe garde,

van de mannen, die hem door half Europa waren gevolgd en thans voor

het laatst op het plein voor het kasteel voor hem in slagorde stonden

geschaard, was hij zijn ontroering toch niet meester. Groote tranen

schoten in zijn oogen, toen hij met een kort, kernachtig woord allen

vaarwel zeide, hun aanbeval Frankrijk getrouw te blijven dienen en

ten slotte een innigen kus drukte op het vaandel, dat generaal Petit

hem bood. Alleen het snikken van zijn oude grognards, die hun afgod,

hun petit caporal, gingen verliezen, verbrak de stilte, welke op dit

voor alle aanwezigen onvergetelijke oogenblik op het plein heerschte.

Nog eenmaal, voor 't laatst klonk zijn: "Vaarwel, nogmaals vaarwel,

mijn oude krijgsmakkers!" Toen scheurde hij zich los uit de omarming

zijner generaals, wierp zich in zijn rijtuig en reed weg.

Een daverend: Vive l'Empereur! klonk hem achterna.

Tot aan de grenzen van Provence zou hij dien kreet ook van de

plattelandsbevolking nog telkens hooren.--Daar echter veranderde

de stemming. Voor een geleide van kozakken en Oostenrijkers had hij

bedankt; hier had hij dit toch wel kunnen gebruiken, want te Avignon

en te Orgon werd hij met beleedigingen en bedreigingen overstelpt. Te

Saint-Cannat werd hij door de bevolking in een herberg zelfs letterlijk

belegerd, en gelukte het hem eerst, vermomd in de uniform van den

Oostenrijkschen generaal Köhler, in 't donker te ontsnappen. Zijn

geheele houding bij deze gelegenheid verried, dat deze uitbarsting

der volkswoede hem, den man, die vroeger nooit vrees had gekend,

geducht aangreep. Hij weende.

Op het kasteel Bouilledou bij Fréjus, vond hij zijn zuster Pauline. Hem

in Oostenrijksche uniform ziende, had zij hem eerst geen zoen willen

geven; toen zij de reden dezer vermomming vernam, veranderde haar

houding geheel; terstond verklaarde zij zich bereid hem naar Elba

te volgen. Derwaarts begaf zich weldra ook Madame Mère; aanvankelijk

had deze Maria Louise vergezeld naar Blois en was van hier met haar

broeder, den kardinaal naar Rome vertrokken.

Te Fréjus waar hij veertien jaar te voren bij zijn terugkomst

uit Egypte aan land was gestapt, nam Napoleon afscheid van de

commissarissen der groote mogendheden, die hem tot zoover hadden

vergezeld en die tusschen Lyon en Valence getuige waren geweest van de

beleedigende manier, waarop de daar bevelvoerende maarschalk Augereau

hem bij hun ontmoeting had bejegend, en die hem feitelijk had moeten

beschermen tegen de woede en den moordlust zijner eigen landgenooten.

Het door hem zelf uitgekozen Engelsche fregat the Undaunted zou hem

overbrengen naar Elba.--"De Engelschen zijn een vrij volk; zij hebben

eerbied voor zich zelf," had hij reeds vroeger eens gezegd.

Men schreef 30 April 1814.

Pauline uitgezonderd, had de Keizer van niet één zijner bloedverwanten

afscheid kunnen nemen. Zijn vrouw was den 29en Maart schreiende uit

Parijs vertrokken op weg naar Blois, had onderweg vernomen wat er

te Parijs en Fontainebleau was geschied en, door Jozef en Jérome met

liefdesverklaringen lastig gevallen, was ze zeer verheugd geweest toen

een paar militaire commissarissen der bondgenooten haar onder hun hoede

hadden genomen. Een gemachtigde van het Voorloopig Bewind had haar te

Orleans beroofd van haar tafelzilver, van een deel harer juweelen en

van ruim tien millioen francs in goud, een deel van 't geen Napoleon

door spaarzaamheid in zijn huishouden had overgespaard. Dit alles

heette aan de schatkist ontstolen en Talleyrand, die geld noodig had,

gaf kortaf bevel tot dien roof, terwijl haar beschermers het niet

konden verhinderen.

Te Rambouillet had zij den 16en April haar vader weergezien. Keizer

Alexander en de koning van Pruisen waren haar daar komen

begroeten. Onder de hoede der Russische bajonetten had zij zich

met haar kind veilig gevoeld voor verdere beleedigingen en weinig

bezwaar had zij gemaakt zich naar Aix les Bains te begeven tot Europa

een weinig tot rust zou zijn gekomen. Het vooruitzicht hertogin van

het mooie Parma te worden, de kans om ook eenmaal over Toscane den

schepter te voeren en de belofte haars vaders, dat het haar zou vrij

staan te Parma of Elba haar verblijf te vestigen, hadden hierbij niet

weinig gewicht in de schaal gelegd.

Maar vragen wij ons af, waarom ging Maria Louise niet naar

Fontainebleau, toch zeker was daar de plaats voor de echtgenoote

van den man, die thans in diepe ellende zat. Was haar liefde voor

den Keizer verzwakt? Men zou het niet zeggen, als we denken aan den

brief door haar nog den 12en April aan hem geschreven, waarin ze tal

van bijzonderheden vermeldt over hun kind. Neen, ze had haar gemaal,

den eersten man dien ze had leeren kennen, nog hartelijk lief, en het

plan had ook bij haar bestaan hem te Fontainebleau op te zoeken, zooals

o. a. blijkt uit den brief van den 8en April aan haar vader. Toch

vertrok ze daar niet heen. De angst, dat ze misschien zou opgelicht

worden, de pressie op haar uitgeoefend van de zijde van Schouvalov,

een der afgevaardigden, deed de jonge en toch al weinig flinke vrouw

besluiten, haar vader te gehoorzamen en zich met haar kind aan zijn

zorg toe te vertrouwen.

De brief van den 12en April, ontvangen na zijn poging tot zelfmoord,

had den Keizer veel goed gedaan. Aan de Caulaincourt had hij opgedragen

haar op te zoeken en haar te vragen of zij zich over Orleans bij hem

wilde voegen. Later was hij hierop teruggekomen en had hij verzocht

geen drang op haar uit te oefenen.--"Het door haar te nemen besluit

moet voortkomen uit haar eigen hart; ik ken de vrouwen en vooral

mijn eigen vrouw tegoed. Een gevangenis in plaats van het Fransche

hof, zooals ik dit gemaakt heb, zou een zware beproeving voor haar

zijn. Toonde zij mij een treurig gezicht of verried zij verveling,

dan zou mij dit bitter leed doen. Liever blijf ik dan alleen. Komt zij

uit eigen beweging tot mij, dan zal ik haar met open armen ontvangen;

anders is het beter, dat zij blijft, waar zij is. Ik zal haar alleen

vragen om 't bijzijn van mijn zoontje."

Zoo sprak de Keizer; zoo dacht hij over de vrouw, die hij zelf den

titel van Regentes van het Keizerrijk had geschonken, een bewijs

van liefde en vertrouwen, zooals Joséphine zelfs nooit van hem had

ontvangen.

Twee brieven, in die dagen aan haar, aan "zijn goede Louise," aan

"zijn goede Louise-Marie" gericht, zijn openbaar gemaakt. Van zijn

eigen rampen spreekt hij daarin niet; hij verneemt, dat zij te Aix

de baden moet gaan gebruiken en alleen de zorg voor haar gezondheid

vervult hem. Kan zij niet terstond naar Elba komen, dan moet zij

stellig zoo spoedig doenlijk naar Parma reizen. Een detachement zijner

Poolsche chevau-légers en honderd koetspaarden zendt hij derwaarts

reeds vooruit.

Dat die baden te Aix slechts een voorwendsel zijn om tijd te winnen,

weet hij niet; dat de diplomatie reeds over zijn vrouw heeft beschikt,

is voor hem een geheim; dat Talleyrand op zijn werk der wrake de kroon

wil zetten en hem ook voor altijd scheiden zal van vrouw en kind, kan

hij, de man van lagere afkomst, in de kunstgrepen der hoogadellijke

diplomaten niet zoo doorkneed als "die weerzinwekkende horlevoet,"

niet bevroeden. Hoe wil hij weten dat mevrouw de Brignole, hofdame van

zijn vrouw en een creatuur van Talleyrand, Maria Louise, die eerlijke

raadslieden mist, trapsgewijze brengen zal tot de overtuiging, dat

hij haar nooit heeft liefgehad, haar steeds bedrogen heeft. Hoe wil

hij vermoeden dat zelfs twee kamerdienaars, die te Fontainebleau

zijn weggeloopen, door den prins van Benevento zijn omgekocht om de

verklaringen van die intrigante te steunen?

Ook vermoedt hij niet, dat diezelfde jonge vrouw, die van haar

prille jeugd af niets anders heeft geleerd dan lijdzaam te zijn en te

gehoorzamen nog bijna een jaar lang worstelen zal tegen den op haar

uitgeoefenden dwang om eerst te bezwijken als een nieuwe figuur, die

van den eenoogigen generaal Neipperg ten tooneele verschijnt en haar,

de dochter van den kuischen keizer van Oostenrijk, verlaagt tot zijn

maitres. Hij denkt nog altijd goed. over haar als over ... de moeder

van zijn zoon.

Van zijn gansche familie heeft alleen Murat, door Oostenrijk

geschraagd, nog zijn kroon behouden. Eugène heeft bij zijn schoonvader

een toevluchtsoord gevonden en den titel ontvangen van hertog van

Leuchtenberg. Elisa is naar Bologna vertrokken. Louis en Lucien

bevinden zich te Rome bij hun moeder.

In diezelfde Meidagen stierf Joséphine. De geweldige slagen, den

nog altoos door haar beminden man toegebracht, zijn diepe val, de

schandelijke laster, waarmede hij werd overstelpt, hadden haar diep

gewond. Geen bezoek van keizer Alexander, geen verzekering van diens

grooten eerbied voor haar, geen hulde, door hem aan haar karakter

gebracht, was bij machte herstel te brengen. Een lichte keelaandoening,

die weldra ontaardde in een heftige bronchitis, sloopte binnen weinige

dagen haar krachten geheel. In de armen harer kinderen, doch het brein

tot zelfs in haar laatste oogenblikken met Napoleons beeld vervuld,

blies zij den 29en Mei den laatsten adem uit.

Terwijl het tractaat van Fontainebleau (11 April) de gansche

keizerlijke familie dus getroffen had met verbanning, had het

de grenzen van Frankrijk wijd opengezet voor de Bourbons en hun

aanhang. Verwelkomd door al de Napoleon afvallig geworden maarschalken,

met Berthier en Ney aan 't hoofd, had de graaf van Artois reeds den dag

daarna zijn intocht gehouden binnen Parijs en was bekleed met den titel

van luitenant-generaal van het koninkrijk, tot zijn dikke, podagreuse

doch geleerde oudste broeder, de graaf van Lille, als Lodewijk XVIII

den eed op de nieuwe grondwet, het Groot-Charter, had afgelegd.

Den 3en Mei hield de nieuwe koning, omstuwd door een drom van

maarschalken zijn intocht binnen Parijs. De koningsgezinden juichten;

een massa dames uit de hoogste standen pronkten met witte zakdoeken in

de hand voor de ramen, waar de stoet passeerde. De handwerksstand en

het mindere volk betoonden niet veel geestdrift voor die langvergeten

figuren der voorgaande eeuw; die dachten aan Napoleon; die juichten

eerst, toen de oude garde, de grognards met hun sombere, neerslachtige

gezichten, naderden.--"Leve de oude garde!" klonk het toen als een lang

ingehouden schreeuw van sympathie en hartelijk welkom van de lippen

derzelfde mannen, die even te voren Berthier een hoonend, verwijtend:

"Naar Elba!" hadden toegesnauwd.

De royalisten hadden hun zin. De Keizer was gevallen, een Bourbon

weder koning; vraagt niet tot welken prijs! Den 23en April had de

graaf van Artois met de bondgenooten een overeenkomst aangegaan,

waarbij de vijandelijkheden werden gestaakt, ja, en de vreemde legers

Frankrijks grondgebied zouden ontruimen, doch waarbij Frankrijk werd

teruggebracht tot zijn grenzen van vóór 1 Januari 1792 en waarbij,

onverminderd de later vast te stellen vredesvoorwaarden, 53 vestingen,

ruim 12.000 vuurmonden, 31 oorlogsschepen, 12 fregatten, een massa

kleine oorlogsvaartuigen benevens de inhoud van alle arsenalen,

de geschutgieterijen, de magazijnen van kleeding met hun kostbaren

inhoud, om kort te gaan al het oorlogstuig, dat het land bezat, een

waarde van duizenden millioenen vertegenwoordigende, onvoorwaardelijk

aan den vijand werden afgestaan.

Met één pennestreek van het Voorloopige Bewind was het land weerloos

gemaakt!

Omtrent de rijken buiten Frankrijk kunnen wij kort zijn. Door de

Oostenrijkers en Murat werd de paus weder naar Rome gevoerd. De

koning van Sardinië en Ferdinand van Spanje keerden in hun staten

terug. Milaan kwam in opstand tegen zijn Senaat, een instelling

van Napoleon. Lombardije en Venetië, die vrij hadden willen zijn,

werden weder door Oostenrijk in bezit genomen. Genua had gecapituleerd

tegenover de Engelsche vloot. Binnen een paar maanden was er van het

reusachtige bondgenootschap, door den Keizer gegrondvest, niets meer

over. Alles was teruggekeerd tot de toestanden van voorheen. Doch

neen! In het hart van de natiën van Europa had Napoleons bestuur

denkbeelden, begrippen, gedachten doen ontstaan of herleven, die niet

meer waren te verstikken, die nauw samenhingen met hun bestaan als

mensch en die ondanks alle traditiën, alle dogma's, alle wanbegrippen

zich zouden baan breken, al zouden er jaren en nogmaals jaren moeten

verloopen, voordat de stelselmatige onderdrukking des geestes voor

vrijheid van gedachten en vrijheid van onderzoek het veld had geruimd

en groote maatschappelijke misstanden waren weggenomen.

Op denzelfden dag (3 Mei), dat Lodewijk XVIII te St. Denis de sleutels

der hoofdstad in ontvangst nam en na wijding in de Notre-Dame in de

Tuilerieën terugkeerde, stapte Napoleon te Porto-Ferrajo aan land, de

hoofdplaats van zijn nieuwe koninkrijk. "Dit zal het Eiland der Ruste

wezen," had Napoleon gezegd, alsof er voor zijn altijd werkzamen geest

ooit van rusten sprake kon zijn. Reeds in de eerste dagen bleek, dat

de nieuwe souverein van Elba daar niet was gekomen om niets te doen;

zijn werkzaamheden in dezen tijd waren enorm, alles werd onderzocht

en bekeken op het eiland en toen de eerste officieele kennismaking

had plaats gehad en er op den 16en Mei een feest was gegeven op

het stadhuis, ter eere van zijn komst, volgde de organisatie van

zijn bestuur.

Het kleine domein kreeg een staatkundige indeeling met ministers

en een rechtbank, met een inspecteur over de bruggen en wegen, een

directeur der domeinen enz. Leger en vloot werden niet vergeten. Het

eerste bestond uit ongeveer 1600 man waaronder een afdeeling van

zijn oude garde onder Cambronne, die kort na zijn aankomst op Elba

was geland. De generaal Cambronne, die op verzoek belast was geweest

met het overbrengen van die oude veteranen, op welker komst Napoleon

zoo bijzonder gesteld was geweest, werd tot Militair Gouverneur van

Porto Ferrajo benoemd. Voor de opleiding van officieren werd gezorgd

door in navolging van de School te Parijs een Cadettenschool op te

richten, waar ongeveer tien leerlingen waren ingeschreven.

De vloot bestond uit 5 schepen, waarvan de brik "Inconstant" met 16

kanonnen bewapend tot admiraalschip werd aangewezen.

De Keizer hield voorloopig verblijf op een heuvel bij Porte Ferrajo,

waar enkele huisjes en molens werden weggenomen en van de aldaar

gevestigde paviljoens door de artillerie en genie een centraal

paviljoen werd gemaakt, dat hem als woning zou dienen en dat men wel

met den weidschen naam palazza bestempelde, maar dat een kruidenier,

die uit de zaken was gegaan te armoedig zou hebben gevonden.

Bertrand werd er als Groot Maarschalk aan verbonden en mocht bovendien

de Burgerlijke Zaken van het eiland besturen, terwijl Drouot als

militair gouverneur van het eiland zou optreden,

Behalve een hofaalmoezenier, vele secretarissen, paleisprefecten en

ordonnansofficieren kwam het noodige dienst- en keukenpersoneel het

hof van den souverein van het "kleine nest," zooals Napoleon Elba

noemde, volmaken.

Ook een wijngaard deed hij aanleggen. Zijn soldaten zouden wel zorgen,

dat de druiven niet te rijp werden, merkte hij lachend op. Eindelijk

kocht hij het in een koel dal gelegen buitentje San-Martino om er de

heete zomerdagen door te brengen.

"Ik wil hier voortaan leven als een vrederechter. De Keizer is dood;

ik ben niets meer," kon men hem herhaaldelijk hooren zeggen. "Ik

denk aan niets meer dan aan mijn eilandje. Voor de wereld besta ik

niet meer. Alleen in mijn familie, mijn huisje, mijn koeien en mijn

muilezels stel ik nog belang."

Van zijn familieleden had aanvankelijk alleen zijn zuster Pauline hem

sedert eind Mei gezelschap gehouden, maar ze was verplicht wegens

gezondheidsredenen tijdelijk naar Napels te gaan. Ook Lætitia kon

het in Rome niet uithouden en trots haar hoogen leeftijd kwam ze haar

zoon, die nu zoo in de ellende zat, troosten. Echt moederlijk voelde

zij zich altijd het meest aangetrokken tot het kind, dat het meest

haar steun noodig had. Hoe dikwijls was ze bij haar zoon, toen hij

nog Keizer was, komen vragen om hulp voor de andere kinderen; zelden

was het geheel zonder succes geweest, thans diende hij op zijn beurt

te worden geholpen. De ontmoeting was bijzonder hartelijk geweest en

trots de Elbanen, die er bij tegenwoordig waren kon hij zijn gevoel

niet meester blijven en huilde toen hij haar zag. Ze was in vele

opzichten een groote troost voor hem en samen zaten ze dikwijls op den

top van den berg Giove. Daar kon men ze zien zitten, beiden mijmerende

over vervlogen tijden, denkende aan hun geboortegrond Corsica, dat

zóó dicht in hun nabijheid was, dat men er volgens Napoleon de geur

van het maquis kon ruiken.

In Augustus zocht hij onder het zware geboomte van een hermitage in de

bergen een toevluchtsoord tegen de groote hitte en dan 's middags ging

hij geregeld bij zijn moeder eten. Daar ontving hij ook in 't diepst

geheim een kortstondig bezoek van Maria Walewska met haar zoontje, die

in gezelschap van haar zuster freule Laezinska op weg was naar Napels.

Met een wijsgeerige kalmte, die aller verbazing opwekte, scheen

Napoleon zich in zijn lot te schikken. Op een der schoorsteenzuilen

in een kamer van San-Martino lazen de bezoekers: "Ubicunque Felix

Napoleon." (Napoleon is overal gelukkig.)

Of dit volkomen de stemming van den gewezen Keizer weergaf? We

betwijfelen het.

Naarmate hij langer op Elba vertoefde werd hij meer gekweld door

de afwezigheid van vrouw en kind. Napoleon had het goed gevonden,

dat zij te Aix de baden ging gebruiken voor haar gezondheid; wat

hoorde hij echter op toen hij bericht ontving, dat ze eerst naar

Weenen vertrok met haar kind, maar de ontsteltenis werd nog grooter

toen Maria Louise, bij haar vertrek uit Weenen naar Aix, het kind in

Weenen achterliet. Wat hij zoo vurig gehoopt had dat niet zou gebeuren

was dus thans geschied; zijn zoon in Weenen! Had hij hem vroeger niet

liever in de Seine gewenscht dan in handen van zijn vijand? En Maria

Louise alleen naar de badplaats; ook voor haar vond hij dat wereldje in

Aix alles behalve goed; hij zag, zei men, op een afstand... Neipperg.

Langzamerhand werd hem nu bekend wat de bondgenooten over het lot van

zijn zoon hadden beslist, en dat de diplomatie bezig was zijn vrouw

te voeren in de armen van dien Oostenrijkschen generaal. Uit brieven

van zijn voormaligen secretaris de Meneval, die haar was gevolgd en

door de rapporten van den kapitein Hurault, wien hij last had gegeven

zijn vrouw naar Elba te begeleiden, werd hem dit alles thans duidelijk.

Bij den Engelschen kolonel der marine Campbell, die met zijn bewaking

belast was, beklaagde hij zich herhaaldelijk vol bitterheid over het

onmenschelijke gedrag van zijn schoonvader.

"Mijn vrouw schrijft mij niet meer. Mijn zoon is mij afgenomen,

evenals men voorheen de kinderen der overwonnenen wegnam, om ze de

zegekar des overwinnaars te doen voorafgaan," zei hij met een stem,

die trilde van ontroering en die den kolonel diep trof.

Een brief in October gericht aan den groothertog van Toscane, een oom

van zijn vrouw, op wiens vriendschap hij nog altijd meende te kunnen

rekenen, een droevig schrijven, waarin hij kennis gaf, dat hij sinds

10 Augustus niets meer van Maria Louise en in maanden niets meer

van zijn zoon had vernomen, bleef onbeantwoord. Maar er was meer dat

hem hinderde.

Hardnekkig bleef Talleyrand weigeren hem het bij verdrag vastgestelde

jaargeld uit te betalen en noch door den Czaar, noch door lord

Castlereagh was hij hiertoe te bewegen. "Dat was personen, die neiging

hadden tot intrigeeren, zelf de wapens in de handen geven," zei hij.

Het Congres van Weenen was bijeengekomen en reeds spoedig drongen

geruchten tot Napoleon door, dat daar plannen gesmeed werden om hem

te verplaatsen en verder van Frankrijk te verwijderen, naar de Azoren,

de Botany-Bay in Australië of St. Helena.

Talleyrand, die in dien geest voorstellen had gedaan, scheen het eens

te zijn met dien anderen bewerker van Napoleons val n. l. Fouché,

die Elba voor Frankrijk hetzelfde vond wat de Vesuvius voor Napels was.

Ook hoorde Napoleon van een volstrekt niet uit de lucht gegrepen

plan om hem voor goed uit den weg te ruimen. Cambronne nam strenge

maatregelen voor de veiligheid, zond vele verdachten weg en zorgde

ervoor, dat zijn meester nooit zonder geleide uitging.

Toch maakte dit alles diepen indruk op Napoleon; bovendien had hij

ook te kampen met het op sterkte houden van zijn legertje; het niets

doen was voor de oude grognards, die Elba "het vossenhol" noemden,

verschrikkelijk; roof en plundering waren een welkome afleiding in

hun eenzaam bestaan, terwijl vooral in 't Corsicaansche bataljon

desertie op groote schaal de gelederen dunde. Wat er aan te doen? De

recruteering uit Italië en Corsica werd door het ter dood brengen

der werfofficieren verhinderd, terwijl geldgebrek ook al niet

bevorderlijk was om soldaten in dienst te nemen. Iedereen op Elba

begon te begrijpen, dat het zoo niet langer kon en er verandering

moest komen. Het gebrek aan geld, de organisatie van het leger, de

voortdurende berichten over oplichting en aanslagen, gevoegd bij de

gruwelijke verveling en de nooit bij hem uitgedoofde onverzadelijke

begeerte naar macht deden Napoleon ten slotte besluiten naar Frankrijk

terug te keeren en zijn leven toe te vertrouwen aan het Fransche volk.

Het duurde lang voor hij zijn geheim mededeelde; zelfs zijn moeder

kwam het eerst te weten, toen hij op het punt stond scheep te gaan. Ze

weerhield hem niet, begreep misschien, dat dit toch niet zou gebaat

hebben, maar, zei ze veelbeteekenend: "Indien ge moet sterven mijn

zoon, de hemel, die niet heeft gewild, dat dit zou zijn in een voor

u onwaardige rust, zal ook hoop ik verhoeden, dat dit door vergif

zal zijn, maar met den degen in de hand." Tot dit besluit om naar

Frankrijk terug te keeren, was hij vooral ook gekomen na het hooren

van den heer Fleury de Chaboulon, voormalig auditeur bij den Raad

van State, een even stoutmoedig als vurig aanhanger zijner dynastie,

hem door de Bassano in 't geheim toegezonden om hem in te lichten

betreffende den toestand in Frankrijk.

Hier wees alles erop, dat zelfs, al greep Napoleon niet zelf in,

de nieuwe toestand zich niet bestendigen kon. Dagelijks leverden de

Bourbons en hun aanhang de bewijzen, dat zij in al die jaren niets

hadden geleerd, niets hadden vergeten, en dat zij alle verhoudingen

terug wilden brengen tot die van vóór 1792. De eigenaars van

nationale goederen zagen hun bezit bedreigd door de kuiperijen der

voormalige émigrés, het Groot Charter bevredigde in de eerste plaats de

republikeinen niet, maar ook de royalisten waren er niet mee tevreden;

het Maison du Roi, een zeer kostbare militaire instelling, vroeger

ontstaan om hovelingen en adellijke jongelui een goed bezoldigd lui

baantje te bezorgen, werd weder opgericht.

De schatkist was leeg en het aantal ontevredenen, vooral te Parijs,

was enorm gestegen door de afdanking van wel 200.000 man en het op

non-activiteit stellen van ongeveer 20.000 officieren; de nommers der

regimenten, waaronder de soldaten, zich eer en roem hadden verworven,

waren gewijzigd.

Het kader, uitsluitend uit jonge adellijke officieren gevormd, boezemde

het leger geen vertrouwen in; voor de schako prijkte de witte cocarde,

maar diep in den ransel werd de tricolore als een reliquie bewaard. Op

de chambrées hoorde men het refrein "Il reviendra" en Lodewijk XVIII

was de risée der soldaten. Een gedecoreerd soldaat met 28 dienstjaren

nam ontslag want "onze vader is niet meer in 't leger."

De vernietigende voorwaarden, waaronder vrede was gesloten, hadden bij

alle niet-royalisten wrevel doen ontstaan en vooral het oude leger,

de troepen, die uit Duitschland en van de grenzen terugkeerden waren

hierover verwoed. Bij een door den graaf van Artois gehouden revue

kreeg hij uit den mond van een ouden wachtmeester, wien hij verzocht

Vive le Roi! te roepen, zelfs te hooren, dat hij dit niet verkoos te

doen en dat hij liever riep: "Vive l'Empereur."

Op een der ramen van de Tuilerieën schreef men met een diamant:

"Vive l'Empereur" en later vond men er onder geschreven "goedgekeurd."

Den Keizer was men niet vergeten; in café's dronk men zijn gezondheid;

op pijp, glas en bierpul vond men zijn beeltenis. Het leger verwenschte

de Bourbons en hun aanhang; in het noorden staken verscheiden jonge

generaals de hoofden bijeen; de republikeinen zagen in, dat zij een

zeer slechten ruil hadden gedaan, toen zij een genialen, krachtigen

man met een ijzeren vuist vervangen hadden door een impotenten vorst,

die als koning bij de genade Gods gaarne in alles den baas wilde

spelen, die dom vroom als zijn omgeving, bij den paus reeds aandrong

op afschaffing van het Concordaat, die met zijn hofstoet te zeer

doortrokken was van den ouden zuurdeezem der traditie om in deze wereld

van de nieuwe begrippen een plaats te vinden. Daar kwam nog bij, dat

hij zoo naïef was geweest zich te laten ontvallen, dat hij "naast God

aan de Engelschen (dus aan den doodvijand) zijn kroon had te danken."

Grillige ironie van het toeval! Davoust, de dappere doch door het

hof miskende verdediger van Hamburg, door zijn gestrengheid voorheen

bij het leger gevreesd, niet bemind, werd thans ongezocht binnen

weinige maanden het middelpunt van een kring van oude, verdienstelijke

officieren, die reikhalzend uitzagen naar een omwenteling, doch die

werden in toom gehouden door zijn afkeer van elken aanslag, welke

niet deugdelijk was voorbereid.

Ontevredenheid dus overal. Is het wonder, dat Napoleon door Fleury

de Chaboulon, door Hortense te Parijs en tal van agenten op de hoogte

gebracht, tot het besluit kwam terug te keeren?

Zoo terecht heeft hij zelf gezegd: "De Bourbons hadden mijn gedrag in

hun handen; indien ze begrepen, dat zij een nieuwe dynastie moesten

beginnen en niet een oude voortzetten, ik had niets meer te doen,

mijn politieke zending was geëindigd, ik zou op Elba gebleven zijn. Zij

zijn het, die mijn populariteit hebben hersteld en mijn vertrek hebben

bepaald. Dat het congres van Weenen mij van mijn eiland zou oplichten,

deze omstandigheid heeft mijn terugkeer verhaast. Was Frankrijk goed

geregeerd, mijn invloed was geëindigd en men had er niet over behoeven

te denken mij te verplaatsen."

Dat vooral ook de gedachte aan een mogelijke deportatie, waartoe het

Weener Congres, in de herfst van 1814 bijeengekomen, wilde besluiten,

hem ontzettend hinderde, bleek ook uit hetgeen hij reeds vroeger

aan kolonel Campbell had gezegd: "Willen ze mij van kant maken, dan

is mij dit wel; maar deporteeren laat ik mij niet en oplichten ook

niet. Dan zullen ze eerst bres moeten schieten in mijn forten."

Gebruik makende van een korte afwezigheid van Campbell scheepte hij

zich den 26en Februari tegen den avond in op de Inconstant, na op

dien dag de mededeeling te hebben gedaan aan de bewoners van het

eiland en in zijn paleis nog receptie te hebben gehouden.

Nauwelijks was het kleine eskader uit Porte Ferrajo weggezeild of er

kwamen schepen in 't gezicht, zoodat men den Keizer den raad gaf terug

te keeren, maar daar dacht hij niet over, doch gaf orders zich zoo

noodig gereed te houden voor een gevecht. Dat de Keizer eenige benauwde

oogenblikken beleefde kan men begrijpen, te meer daar aan bakboord

een oorlogsschip recht op de Inconstant afkwam. De schepen kwamen

dicht bij elkaar en brutaalweg werd van de Inconstant gevraagd: "Waar

gaat ge heen?" "Naar Livorno" gaf de kruiser, niet vermoedende welke

kostbare vracht daar werd weggevoerd, ten antwoord. "En gij?" "Naar

Genua." Hebt ge zaken? "Neen." "En hoe gaat het met den grooten

man?" "Uitstekend" luidde het antwoord. De schepen passeerden elkaar!

"'t Is een Austerlitzdag" mocht Napoleon wel zeggen, toen hij als

door een wonder aan de vijandelijke kruisers was ontsnapt.

Den 1en Maart 1815 geschiedde de landing in de golf Juan in de

nabijheid van Cannes, waar hij uitstekend werd ontvangen.

In kernachtige proclamaties, deed hij een beroep op volk en leger om

zich weder onder hem te scharen.

"Franschen," zei hij daarin o.a. tot het volk, "ik heb in mijn

ballingschap uw klachten en uw wenschen gehoord, gij eischt de

regeering van uw keuze, die de eenig wettige is, terug. Ik ben de

zee overgestoken. Ik kom mijn rechten, die de uwe zijn, hernemen."

"Soldaten" heet het o. a. tot het leger, "schaart u onder de vaandels

van uw Chef... de zege zal met den stormpas worden behaald. De adelaar

met de nationale kleuren zal van toren tot toren vliegen tot aan de

spitsen van de Notre-Dame." Aanvankelijk ging alles voorspoedig en te

Grasse, Digne en Gap werd hij door de bevolking vol geestdrift begroet

maar in de buurt van Grenoble kwam een critiek moment. Van uit deze

plaats waren troepen gezonden om "Napoleon en zijn roovers" tegemoet

te gaan. Het was een bataljon infanterie van het 5e regiment, onder de

bevelen van den kapitein Randon, dat in last kreeg op hem te schieten.

Daar komt hij aan; met doodsbleeke gezichten zagen de ongelukkige

soldaten, dat de Keizer zijn escorte van gardejagers het geweer

"verdekt" deed nemen en alleen naderde.

"Daar is hij. Vuur!" brulde Randon, maar aan het bevel werd niet

voldaan. Steeds dichterbij kwam de Keizer. "Soldaten van het 5e,"

zei hij op krachtige en kalme wijze, "ik ben uw Keizer; herken

mij." Vervolgens kwam hij nog een paar passen naar voren, knoopte

zijn overjas los en riep: "Indien er onder u een soldaat is, die zijn

Keizer wil dooden, hier staat hij!"

Dit was voor de arme kerels te veel. Een lange, gillende schreeuw:

"Vive l' Empereur!" weerklonk en de witte cocardes lagen in een

ommezien vertrapt op den grond.

Dit was echter slechts het voorspel geweest. Napoleon werd zichtbaar

ongerust.--Wat zou het garnizoen van Grenoble doen?

't Was zesduizend man sterk; generaal Marchand een vurig aanhanger

der Bourbons, voerde daar het bevel. Graaf Charles de Labédoyère

commandant van het 7e regiment infanterie, een korps, waarop Marchand

stellig meende te kunnen rekenen, gaf het antwoord op die vraag.

Na afloop van een diner bij den generaal liet hij zijn regiment

aantreden en den in een kist verborgen adelaar en de driekleurige

cocarde te voorschijn halen. Daarna rukte hij onder een luid: "Wie mij

lief heeft volge mij!" zijn voormaligen veldheer tegemoet.--Met een:

"U plaatst mij weder op den troon kolonel!" ontving deze hem.

Den volgenden morgen kwam Napoleon te Grenoble. Met twee duizend boeren

voorop met hooivorken en flambouwen kwam hij voor de stad, die in staat

van verdediging was gebracht. De commandant wil tegenstand bieden,

maar reeds het "Vive l'Empereur" dat van de wallen weerklinkt, is het

antwoord zijner soldaten. De troepen weigeren en van alle bastions

klinkt het bekende kazernelied:

Nous allons voir le grand Napoléon,

Le vainqueur de toutes les nations.

De poorten worden geopend en met gejuich wordt de Keizer ingehaald.

Wel mocht Napoleon later op St. Helena zeggen: "Tot Grenoble was ik

een avonturier, in Grenoble werd ik Prins."

Toen de Keizer te Lyon verscheen, vernam hij den opmarsch van Ney, den

eenige, voor wien hij inderdaad eenige vrees koesterde. Verschillende

gezanten waren naar den prins van Moskwa gezonden om hem te vragen

zich bij Napoleon aan te sluiten, ook ontving hij van den Keizer zelf

een verzoek om zich bij hem te voegen. Ney twijfelt, maar ook hij kan

de verzoeking niet weerstaan naar zijn ouden chef te gaan en in een

proclamatie belooft hij zijn troep te leiden naar de onsterfelijke

schare, die Napoleon naar Parijs brengt. Met zijn 6000 man komt hij

zich bij de 14000 voegen, die Napoleon reeds bij zich heeft. "Ik kon

toch het water van de zee niet met mijn handen tegenhouden" zei Ney

later ter verdediging. [34]

Al wat gedaan werd tegen Napoleon bleef vruchteloos, de uitgezonden

troepen liepen over en in Parijs vond men aangeplakt: Napoleon aan

Lodewijk XVIII: "Broeder het is nutteloos mij nog meer troepen te

zenden, ik heb er genoeg."

In den avond van den 20en Maart keerde de Keizer, gedragen op de

schouders van honderden zijner voormalige officieren, onder een

overweldigend huldebetoon in de Tuilerieën terug.

De tocht van de Golf van Juan tot Parijs, wel "de meest wonderlijke,

die de geschiedenis en de mythologie kent" was volbracht.

Men zegt wel eens, dat één schot Napoleons marsch gestaakt zou hebben,

maar zegt Houssaye, 't is juist dat eene schot, geen soldaat wilde

het afgeven, geen officier durfde het te commandeeren en had een

officier het gedaan, hij zou door zijn soldaten zijn verscheurd.

Lodewijk XVIII had hem niet afgewacht doch was door Talleyrand

vergezeld, ijlings naar de Belgische grenzen en vandaar naar Gent

gevlucht. Ook de Graaf van Artois had uit Lyon, waar hij zich bevond,

een goed heenkomen gezocht.

Napoleon(#27883) · 第 45 / 49 题