Parijs valt. De keizer abdiceert.
Reeds te Maintz had de Keizer maatregelen getroffen voor de
bezetting van den linker Rijnoever; hij had deze rivier hiertoe in
drie vakken verdeeld en o.a. het commando over het noordelijke, van
Holland tot Coblentz, opgedragen aan Macdonald. Marmont zou het vak
Coblentz-Bingen, Victor het vak Bingen-Basel voor zijn rekening nemen.
Opmerkelijk is 't, dat de Keizer het hoofddoel, de verdediging van
zijn hoofdstad, dus achterstelde bij het slechts schijnbare voordeel
van het bezetten eener linie, die een massa troepen eischte en dat
hem in lijnrechte tegenspraak bracht met zijn vroeger steeds gehuldige
theorie, dat, als er gevochten moet worden, men steeds een overmacht
van troepen op één punt moet samentrekken. Ook liet hij al de groote
vestingen in het noordoosten van Duitschland als Glogau, Dantzig,
Maagdenburg, enz, haar bezettingen behouden en beroofde zich dus van
een troepenmassa, die hem in Frankrijk zelf uitstekend zou zijn te pas
gekomen, enkel en alleen omdat hij, evenals bij Dresden, de gedachte
niet kon verdragen een punt los te laten, dat hij eenmaal tot zijn
grondgebied gerekend had.--Al die bezettingen, al die oude regimenten,
te zamen wel 150.000 soldaten, hebben zich achtereenvolgens moeten
overgeven en zijn in krijgsgevangenschap gegaan. Alleen aan Davoust
is het gelukt zich te Hamburg te handhaven tot na 's Keizers val. Het
garnizoen van Dresden onder den even kundigen als koppigen St. Cyr en
dat van Dantzig onder Rapp werd in strijd met de gesloten verdragen
onder allerlei onwaardige voorwendsels ontwapend en gevangen gemaakt.
Nauwelijks te St. Cloud terug, was Napoleon geheel vervuld met de
vraag hoe het hem mogelijk zou wezen Frankrijk een nieuw leger te
schenken. Het gehalte der uit Duitschland terugkeerende troepen was
onrustbarend gedaald, de desertie schrikwekkend toegenomen. Allerlei
slechte gewoonten hadden de soldaten zich eigen gemaakt; roof en
plundering waren aan de orde van den dag. Daarbij kwam thans de
hospitaalkoorts, een afschuwelijke, besmettelijke ziekte, door
slecht weder, onvoldoend voedsel, ellendige bivaks en schandelijke
uitspattingen ontstaan. Of het mogelijk zou wezen uit zulke verdorven
elementen binnen korten tijd nog weder bruikbare soldaten te maken
viel niet te zeggen. Ook de bevolking in de Rijnlanden was door de
typhus gedecimeerd.
Alleen de kaders, onderofficieren en subalterne officieren, waren
uitstekend gebleven. Met deze bestond er dus meer kans een nieuw
leger te vormen van jonge lotelingen, zoo van moeders pappot, dan
van het treurige overschot der regimenten, die thans uit Duitschland
terugkeerden.--Wederom toog de Keizer nu in deze richting aan den
arbeid.
Van de lichting 1813 kon hij beschikken over nog 150.000 man;
bijna evenveel hoofden waren bijeen te brengen uit die van 1804 tot
1807. Het leger in Italië, kon dan met 40.000 man worden versterkt;
een kleiner getal kon aan het leger in de Pyreneën worden toegewezen,
en de rest zou dan komen aan de korpsen langs den Rijn. Van de lichting
1815 zouden dan reeds 200.000 hoofden worden aangewezen om bij Turijn,
bij Bordeaux, bij Metz en bij Antwerpen daaruit reservelegers samen
te stellen.
Bij die grootsche toebereidselen hing echter zoo goed als alles
af van de plannen der bondgenooten.--Wat wilden ze?--Bertrand,
commandant der achterhoede, had tot bij Frankfort blootgestaan aan
een scherpe vervolging; doch ongehinderd had hij den Rijn kunnen
oversteken. Deze rivier hadden de bondgenooten, die eveneens zware
verliezen hadden geleden en zich moesten reorganiseeren, nog nergens
overschreden. Alleen was uit verschillende aanwijzingen af te leiden,
dat Blücher, 's Keizers waardigste tegenstander, voornemens was langs
den kortsten weg, dus over Antwerpen en Brussel Frankrijk binnen te
rukken. 's Keizers aandacht was dus hoofdzakelijk op den Beneden-Rijn
gevestigd.
Liet men hem nu een maand of vier tijd, tot April b.v. dan zou
hij zijn in den volsten zin des woords "jeugdig" leger ingedeeld,
gekleed, geoefend, en--wat de hoofdzaak was--gewapend hebben. Op dat
oogenblik,--November 1813--bezat hij niet eens 300.000 geweren. Ook
aan paardentuigen zadels en dergelijke zaken bestond groot gebrek;
de arsenalen waren volkomen ledig.
Alles scheen er op te wijzen, dat de Rijn voorloopig niet zou
worden overschreden. De winter naderde snel; in de thans door de
bondgenooten bezette streken verminderde de toch reeds schrale
voorraad levensmiddelen zienderoog, eindelijk stelde men zich de
vraag, wat er moest gebeuren, als de Rijn overschreden, Frankrijk
bezet, Parijs gevallen was?--Wat niemand in Duitschland had
durven hopen, was geschied; van de Oder tot achter den Rijn was de
overweldiger, de gevreesde Fransche kolossus teruggedrongen. Was dit
niet voldoende? Moest hij nu tot slot zelfs van een troon gestooten
worden, dien hij zelf had gegrondvest; moest zijn dynastie vervallen;
moest aan Frankrijk een nieuwe regeeringsvorm, mogelijk zelfs wel
weder een Bourbon tot koning gegeven worden?
De Pruisen, door de leiders van den Tugendbund tot woede opgezweept,
wilden wel zoo; Frankrijks grenzen behoorden volgens hen teruggebracht
tot die van vóór 1790. Keizer Alexander in zijn jeugdigen overmoed vond
de gedachte, zijn voormaligen overwinnaar te Parijs te vernederen,
mogelijk ook niet onaardig; en zijn tegenwoordige lijftrawant, de
Corsicaan graaf Pozzo di Borgo, Napoleons doodvijand, spoorde hem
hiertoe telkens aan, ook al liep men gevaar voor een tweede levée
en masse zooals in 1792 en tevens voor een worsteling, die al het
gebeurde in schrikwekkendheid zou overtreffen.
In de omgeving van keizer Frans van Oostenrijk heerschte deze
ultra-krijgszuchtige stemming niet. Wat meer zegt, zelfs in Engeland,
waar de even nobele als schrandere en bekwame lord Aberdeen hoofd
van het kabinet was geworden, scheen alles meer te wijzen op een
streven naar vrede dan op een begeerte naar voortzetten van den
oorlog.--Het Continentale Stelsel, zooals het in den laatsten tijd was
toegepast, had hier dieper wonden geslagen dan aan de buitenwereld
was bekend.--Zelfs achtte Prins Metternich het oogenblik gekomen om
Napoleon te polsen omtrent een thans te sluiten vrede.
De heer de St. Aignan, voorheen Fransch gezant aan het hof van Weimar
en zwager van de Caulaincourt, een even bezadigd als vaderlandslievend
man, nam deze zware taak op zich; toegerust met een nota, die aan
kortheid en helderheid niets te wenschen overliet, vertrok hij naar
St. Cloud.--Voordat er vrede was, zou Europa vast aaneengesloten
blijven. Die vrede zou algemeen wezen en ook gelden voor de zee;
zijn grondslag zou zijn het beginsel van onafhankelijkheid voor al de
natiën binnen haar natuurlijke of historische grenzen. Frankrijk zou
de Alpen en den Rijn behouden, meer niet. Holland zou evenals Italië
zijn onafhankelijkheid herkrijgen. Vóór alles echter zou de dynastie
der Bourbons in Spanje worden hersteld.--Dit waren de hoofdpunten
van de nota. Aan de oprechtheid der bedoelingen, van de bondgenooten
twijfelde de gezant geen seconde.
Napoleon wèl.--Den oorlog verlangde hij niet meer. De middelen om dien
nog langer te voeren zou hij trouwens weldra hebben gemist. Binnen een
paar jaar had hij bijna anderhalf millioen soldaten verbruikt; hier
en daar in Frankrijk zag men behalve soldaten nog slechts gebrekkigen,
grijsaards en kinderen;--vrede wenschte hij zelf ook, "maar," zeide hij
tegen zijn omgeving "als wij thans naar deze voorwaarden luisteren, zal
Europa steeds meer eischen en naarmate het meer met onzen inwendigen
toestand bekend wordt, als vredesvoorwaarden de grenzen van vóór 1790
gaan stellen. En deze kan ik niet aanvaarden. Van de Republiek ontving
ik haar natuurlijke grenzen. Mogelijk hadden wij ons voorheen wat
gematigder kunnen betoonen. Happen we thans te snel toe dan verraadt
dit onze zwakheid en verwijderen wij ons nog verder van den vrede. Dus
moet er nog eenmaal worden gestreden, gestreden als wanhopigen. Blijven
wij daarbij overwinnaar, dan dienen wij ijlings vrede te sluiten,
en dan, dàn zal ik tot dezen volijverig mijn medewerking verleenen."
Velen, die zich om Frankrijks "natuurlijke" grenzen bitter weinig
bekommerden en wie het ook onverschillig was of de vredesvoorwaarden
aannemelijk waren al dan niet, als Napoleon maar Keizer bleef en
zij hun baantje behielden, verklaarden nu, dat die man, l'Homme,
zooals zij hem thans betitelden, stapelgek was, dat hij zich zelf in
't verderf stortte en hen er bij.
In weerwil van de vertoogen zijner omgeving, die allen het woord
"vrede" op de lippen hadden; in weerwil van den raad van Macdonald,
van Marmont, van Ney en anderen; in weerwil van de Caulaincourts
ernstige, fier eerbiedige opmerkingen, en Talleyrands ironische
woorden was het antwoord op de bovengenoemde nota dus ontwijkend. Wel
was hij te vinden, schreef de Keizer, voor een congres, dat dan te
Mannheim zou kunnen bijeenkomen; van de nota zelve roerde hij niet
één der hoofdpunten aan.--Aan de publieke opinie te Parijs bracht
hij echter een offer. Hij gaf den hertog van Bassano, die, in den
laatsten tijd wat wijzer geworden, veel van zijn hooghartigheid
had verloren, zijn ontslag en belastte de Caulaincourt weder met de
portefeuille van Buitenlandsche Zaken, toen Talleyrand zich om een
beuzeling niet hiervoor had laten vinden. Niet geheel ten onrechte
gaf Parijs den hertog de schuld, dat er te Praag geen vrede was
gesloten; en Talleyrand met zijn sarcasme had het zijne gedaan om
deze beschuldiging te versterken.
Niet alleen de zorg voor de samenstelling van een nieuw leger en
voor de hiertoe noodige geldmiddelen, nog andere zaken van belang
vorderden 's Keizers volle aandacht. In de eerste plaats de toestand
in Spanje.--De slag bij Vittoria (21 Juni) had over het lot van het
Fransche leger vrijwel beslist. Behalve 6000 dooden en gekwetsten
had Jozef een groot deel zijner artillerie en bijna al zijn bagage
in de handen van Wellington moeten laten. Steunende op de vesting
Pampeluna en de Pyreneën had hij zich nog wel kunnen staande houden,
doch hij had de voorkeur gegeven aan den terugtocht, was de Bidassoa,
de grensrivier, overgetrokken en had generaal Foy, commandant der
achterhoede, last gegeven de brug aldaar te vernielen.--Napoleon
had hem daarop verbannen naar Mortefontaine met verbod te Parijs
te verschijnen.
Daarna was maarschalk Suchet gedwongen geworden Valencia op te geven
en eveneens terug te gaan.
Terwijl de Keizer dus zelf overwinnaar was in Duitschland, waren
zijn onderbevelhebbers teruggedrongen uit Spanje. Zelfs de benoeming
van Soult tot luitenant-generaal over al de legers aldaar had geen
verbetering in den toestand kunnen brengen. Ook Sint-Sebastiaan
was door de Engelschen en Portugeezen ten slotte met storm genomen,
uitgeplunderd en uitgemoord. Hoewel Soult Wellington aan den voet der
Pyreneën bij herhaling nadeel had toegebracht, had hij toch niet kunnen
beletten, dat deze door zijn grootere sterkte telkens meer voorwaarts
drong en eindelijk zelfs Saint Jean de Luz op Fransch grondgebied
bezette. Den 9en December was een scherp gevecht bij Saint-Pierre
de Rube onbeslist gebleven, en Soult had zijn stellingen bij Bayonne
weder ingenomen.
Ook Suchet, van 's Keizers nederlagen in October onderricht, had het
raadzaam geacht zijn verbindingslijn met Frankrijk te verkorten en
het zuiden van Spanje te verlaten. Hij was teruggegaan op Tarragona,
had hier de vestingwerken doen springen en was onder gestadig vechten
de Pyreneën genaderd.
Ook in Italië stonden de zaken slecht. Een Engelsche krijgsmacht was
geland in Toscane; en hoewel Eugène, door Napoleon uit Duitschland
teruggezonden om zijn leger aldaar te reorganiseeren, eenige
uitmuntende divisiegeneraals onder zijn bevelen had, kon hij zich
tegen de overmacht der Oostenrijkers niet staande houden; hij was
gedwongen geworden terug te gaan tot achter de Etsch.
Tegelijkertijd had Murat, aangegrepen door een dwazen zucht naar
zelfstandigheid, Napoleon verzocht Italië tusschen Eugène en hem te
verdeelen, had niet geluisterd naar Fouché, die Murat ijlings was
toegezonden om hem tot rede te brengen, en zich ten slotte, toen
Napoleon hem op zijn dwaze voorstellen niet eens antwoordde, in de
armen geworpen van Oostenrijk. Hij pleegde dus verraad tegenover den
man, aan wien hij alles had te danken, en werd hierin nog wel door
zijn vrouw ondersteund!
Eindelijk had Holland aan de beweging in Duitschland een krachtigen
stoot gegeven, toen het zich bij de nadering van Bernadotte's troepen
stoutweg onafhankelijk verklaarde. Molitors soldaten waren daar het
land uitgejaagd (15 November).
Ernstige verwikkelingen waren het dus, waarmede Frankrijk in het laatst
van 1813 werd bedreigd. De oproeping der nieuwe lichting, de nieuwe
belasting, die zou worden ingevoerd om de oorlogskosten te dekken,
de verwoestingen, door de typhus aangericht, hadden ten overvloede in
't land zelf bij velen een schier vijandigen geest tegen den Keizer
doen ontstaan. Was hij niet de schuld van alles?--Op verschillende
plaatsen werd zijn naam vooral door de vrouwen en de moeders gevloekt
en hij zelf met den Antichrist vergeleken. Een poging om tenminste met
Spanje tot een vergelijk te komen was mislukt, want het regentschap te
Madrid had geweigerd een tractaat te onderteekenen, den 11en December
tusschen Napoleon en Ferdinand gesloten, waarbij deze laatste werd
erkend als koning van Spanje en van de Indiën, terwijl Napoleon zich
verbond zijn troepen uit Spanje terug te nemen.--Voorloopig bleef
Ferdinand dus te Valencay.--De bondgenooten achtten dezen stap, die
enkele maanden te voren als een maatregel van schrandere staatkunde
zou zijn aangemerkt, thans een bewijs van zwakheid.
Toen de Keizer den 19en December de zitting van het Wetgevend Lichaam
opende in tegenwoordigheid zijner familie, van de rijksgrooten en van
een deputatie van den Senaat, deed hij in zijn rede niet onduidelijk
uitkomen in welke benarde omstandigheden Frankrijk zich bevond.
De Senaat begreep, dat de Keizer alleen door een uitgebreid stelsel
van verdediging bij machte zou zijn den steeds wassenden vloed van
vijanden van Frankrijks grondgebied te keeren en willigde dus in wat
hij voorstelde. Het Wetgevend Lichaam niet.--Veertien jaar lang had het
zwijgend en onderdanig gebogen voor zijn wil; nu er gevaar dreigde,
vond het slechts woorden van afkeuring en blaam en stelde eischen,
waaraan in die dagen stellig niet kon worden voldaan. Den vijand
schonk het door deze houding een kijkje achter de schermen. Grooter
gebrek aan doorzicht en vaderlandsliefde kon het bijna niet toonen.
Was het te verwonderen, dat de Keizer dit staatslichaam, dat zijn
plicht onder deze omstandigheden zoo slecht begreep, vóór zijn vertrek
naar het leger naar huis zond?
Het kwaad was hiermee echter niet meer goed te maken. Voor allen,
die met den vijand heulden, met name de koningsgezinden, was de hem
thans geboden weerstand, een steun te meer in hun strijd tegen zijn
dynastie. Engeland en Pozzo di Borgo zorgden tevens, dat het te Parijs
voorgevallene voor de legers der bondgenooten geen geheim bleef, en
dat de schroom om den Franschen reus op zijn eigen grondgebied te gaan
bestoken, een schroom, die aanvankelijk niet te miskennen geweest en
door Engeland krachtig bestreden was, gaandeweg verdween om plaats te
maken voor de onbedwingbare begeerte eerst te Parijs vrede te sluiten
en Frankrijk terug te dringen tot binnen zijn grenzen van vóór 1790.
Terwijl Napoleon dus nog in den waan verkeerde, dat men hem wel vier
maanden tijd zou laten om zich voor de verdediging gereed te maken;
terwijl hij aan Metternich op diens aandringen deed weten, dat hij
niet ongenegen was in te gaan op de voorstellen, hem circa een maand
te voren van uit Frankfort gedaan; dat hij de onderhandelingen dus
wilde openen op den grondslag van Frankrijks natuurlijke grenzen,
stond het plan tot overschrijden van den Rijn bij de bondgenooten
reeds vast. Alleen de vraag waar en hoe dit zou geschieden stond nog
open. In weerwil van den tegenstand van keizer Alexander, die zich
reeds met Bernadotte had verstaan en de oogen dus meer op het noorden
had gevestigd, werd het door Engeland krachtig ondersteunde voorstel
van Schwartzenberg, den opperbevelhebber, ten slotte aangenomen. Niet
op de dubbele rij vestingen, welke van Straatsburg tot Coblentz en
van Metz tot Mézières Frankrijks oostelijke grenzen beschermden,
zou worden aangerukt; zoodoende zou men, zooals Schwartzenburg
het uitdrukte, den stier bij de horens vatten, want aan die zijde
vormden tal van rivieren en versterkte plaatsen een geduchte lijn van
verdediging. Neen, langs de Jura moest worden gemarcheerd! Daar waren
geen vestingen. Daar lag alleen het voorheen onzijdige Zwitserland,
dat thans luide riep om verlossing van zijn beschermheer en dat dus
geen bezwaar zou maken, als bij Bazel, waar de Rijn nooit dichtvroor,
de grens en tevens zijn grondgebied gepasseerd werd.
Volgde men dezen weg, dan zou Italië tegelijkertijd van Frankrijk
gescheiden worden, terwijl Eugène verhinderd werd Napoleon te hulp
te komen, als deze hem riep, of omgekeerd. Tegelijkertijd zou dan
een leger onder Blücher Frankrijk van uit het oosten bedreigen,
een derde macht, die van Bernadotte, door België voortrukkende,
het land van uit het Noorden aangrijpen.
Den 21en December 1813 werd de brug bij Bazel dus overschreden; in
Zwitserland brak een opstand uit tegen Frankrijk; voordat Napoleon
van zijn verbazing over dezen onverhoedschen inval was bekomen,
stond het hoofdleger der bondgenooten bij Langres in de Côte d'Or en
was Blücher voor Nancy. Bijna een millioen strijders, waarvan circa
400.000 in eerste linie, met een talrijke cavalerie wel 60.000 ruiters,
hadden Frankrijk besprongen.
Weinig meer dan het overschot der uit Duitschland teruggekeerde
troepen en een aantal jonge conscrits, dus circa 70.000 man, waaronder
12.000 ruiters, kon de Keizer hier tegenover stellen, een macht waarop
desertie en typhus bovendien haar sporen hadden achtergelaten. Evenals
Macdonald in de Ardennen, spanden Victor en Marmont, door Ney en
Mortier ondersteund, in de Vogezen en aan de Saar al hun krachten in
om aan den geweldigen stroom van vijanden weerstand te bieden. Als
brave soldaten verdedigden zij den vaderlandschen bodem.
De overmacht was echter te groot. Mortier werd teruggeworpen
naar de Aube en de Seine, terwijl Marmont, Ney en Victor zich bij
Vitry-le-François vereenigden, en Macdonald op Châlons-sur-Marne
terugging. Een divisie van Marmont hield de passen door het
Argonnerwoud voorloopig nog bezet.
Den 23en Januari, den dag vóór zijn vertrek naar het leger, verzamelde
de Keizer de officieren van de nationale garde in de Tuilerieën en
verscheen toen met de keizerin en zijn zoontje in hun midden; hij sprak
van de gevaren, die het land bedreigden, en vervolgde toen met een
stem, die van aandoening trilde: "Ik laat de keizerin en den koning
van Rome, mijn vrouw en mijn zoon, in uw midden achter. Wetende, dat
zij onder uw hoede veilig zijn, vertrek ik met een gerust hart. In uw
handen stel ik het dierbaarste, dat ik na Frankrijk ter wereld bezit."
Een daverend Vive l'Empereur! Vive le roi de Rome! dat op het plein
voor het paleis onder de menigte weerklank vond, was het antwoord
op deze toespraak.--Enkele weken later zou de toen gezworen eed door
al de aanwezigen volkomen zijn vergeten; dan zou Talleyrand, dien de
Keizer voor zijn vertrek weder eens onder spot en schimp had bedolven,
hen de Bourbons hebben tegemoet gevoerd.
Dienzelfden nacht nam de Keizer afscheid van zijn in tranen
badende vrouw en van zijn klein, blond zoontje, dat hij zoo innig
liefhad. Nimmer zou hij die beiden hier op aarde wederzien.--Den 25en
bevond hij zich in het hoofdkwartier Châlons-sur-Marne.
Vóór zijn vertrek had hij nòg een stap gedaan, die getuigde van den
ernst der tijden en van zijn streven om zoo weinig mogelijk vijanden
achter te laten. Half Januari had hij den bisschop van Piacenza naar
den paus gezonden met een ontwerp-tractaat, waarbij dezen al zijn
staten onvoorwaardelijk werden teruggegeven. De koppige oude man was
echter niet tot eenige toenadering te bewegen geweest. Hij verlangde
terug naar Rome.--Dat Napoleon hem zijn wereldlijk bezit terugschonk,
was niets meer dan een daad van rechtvaardigheid, dit kon niet het
onderwerp zijn van een tractaat, had hij den gezant kortaf te verstaan
gegeven. Toen had de Keizer bevolen hem terug te voeren naar zijn
vroeger verblijf, naar Savona.--De omstandigheden waren oorzaak,
dat Pius weldra ook Rome zou wederzien.
Zoo hadden de geweldige gebeurtenissen in Duitschland in elk
opzicht een omkeer in 's Keizers toestand gebracht. Holland was
verloren gegaan en teruggegeven aan het huis van Oranje. Westfalen
had Jérome weggejaagd. Uit Spanje waren Jozef en de Fransche legers
verdreven. In Italië stond Murat op het punt verraad te plegen en met
zijn Napolitanen gemeene zaak te maken met Oostenrijk. Eugène voerde
krijg tegen zijn eigen schoonvader, den koning van Beieren. Gansch
Duitschland stond onder de wapenen. Van Frankrijks veroveringen was
niet alleen niets overgebleven, de vijand had zelfs zijn landpalen
overschreden en rukte uit het zuiden, oosten en noorden op naar
Parijs. Thans gold het de verdediging van het eigen grondgebied. Aan
de noodige middelen hiertoe was in de dagen van voorspoed door niemand
gedacht; zelfs de geweren ontbraken om de nieuw opgekomen recruten te
wapenen. Wat van dit alles het einde zou wezen, was reeds te voorzien.
Thans begint de ongelijke strijd tusschen den geniaalsten veldheer,
dien de wereld ooit heeft gekend, aan de spits van een jong, maar
trouw en dapper leger en de geweldige krijgerscharen, die Oostenrijk,
Duitschland, Rusland en Zweden, gansch Europa dus bijna, als een
zondvloed over Frankrijk uitstorten. In niet één zijner vroegere
veldtochten heeft Napoleons ongeëvenaard talent als krijgsoverste
zoo glansrijk uitgeblonken als in dien korten winterveldtocht van
het jaar 1814. Klein is zijn macht. Nauwelijks volwassen, baardelooze
knapen, te zwak en te tenger om de vermoeienissen van een oorlog te
torsen; knapen, wier knieën knikken onder 't gewicht van patroontasch
en ransel, vormen het hoofddeel er van; maar in hun doodsbleeke,
uitgehongerde gezichten staan een paar oogen, die beginnen te fonkelen
en te gloeien, als de tamboer den stormmarsch slaat. Ziet ze staan,
rustig in 't gelid als oud gedienden, wanneer de charge op hen afkomt
en hen dreigt te verzwelgen. Eerst op den kortsten afstand geven ze
vuur en dan snel als het licht in stormcolonne en onder een schallend,
boven alles uitklinkend: Vive l'Empereur! voltooien ze met de bajonet,
wat het lood heeft begonnen.
Niet verdedigen wil de Keizer zich, aanvallen zal hij, al staat hij
tegenover een drie-, vierdubbele overmacht. Den 23en Januari heeft
hij dit aan Berthier geschreven; en al verschijnt hij zonder een
enkelen soldaat als reserve achter zich te Vitry in den kring zijner
maarschalken; al staren deze, nu ze hem alléén zien, hem verbaasd en
ontsteld aan, zoo vast rekent hij op zijn genie als veldheer en op
de misslagen zijner tegenpartij, dat hij dit plan ook geen seconde
loslaat. Stelling nemende bij Vitry in den top van een driehoek,
waarvan de Seine en de Marne de opstaande zijden vormen, langs welke
Schwartzenberg en Blücher afzonderlijk naar Parijs voortrukken,
begint hij dit plan terstond te verwezenlijken.
Eerst slaat hij Blücher terug bij St. Dizier (27 Januari); twee dagen
later grijpt hij hem aan bij Brienne, neemt den veldmaarschalk zelf
bijna gevangen en slaat dienzelfden avond nog zijn bivak op in 't
zelfde kasteel, waar hij als kind zoo vaak heeft vertoefd. Dat Blücher
en Schwartzenberg zich vereenigen, zal hij beletten, zoolang hij kan.
Hij kan dit echter niet. Te Bar sur Aube reiken die twee elkander
de hand en rukken dan gezamenlijk op tegen de stelling, die hij bij
La Rothière en nog een paar dorpjes ten zuiden van Brienne heeft
ingenomen.
Die geweldige strijdmassa, aan infanterie alleen meer dan 80.000
man, op zich ziende afkomen, staat hij een oogenblik in beraad of
hij den ongelijken strijd wel zal aannemen; doch weldra is die
aarzeling verdwenen, en vechten zijn soldaten als helden tot in
den nacht. Dan moet op Troyes worden teruggegaan. Vier en vijftig
vuurmonden zijn verloren; het moreel der troepen heeft veel geleden;
dat der bondgenooten is gestegen. Ook op Frankrijks grondgebied zelf
is de Keizer dus niet onoverwinnelijk gebleken.
Op andere punten was de fortuin zijn adelaars eveneens
ongenegen. Soult had de Pyreneën moeten loslaten; Wellington was het
land binnengedrongen. De grenzen van België waren door Bernadotte
overschreden; Eugène hield zich slechts met moeite staande aan de
Etsch en Murat had de partij der bondgenooten gekozen.
Een voorstel, door de Caulaincourts bemiddeling eenige dagen te
voren gedaan om te Châtillon sur Seine te onderhandelen over den
vrede, leidde door Napoleons eigen schuld tot niets. De bondgenooten
verlangden Frankrijk te zien teruggebracht tot binnen de grenzen van
vóór de Omwenteling; en hij wilde hiervan niet hooren. De geduchte
slagen, die hij de Russen en Pruisen op 10, 11, 12 en 13 Februari
achtereenvolgens toebracht bij Champaubert, Montmirail, Château-Thierry
en Vauchamps, hoe schitterend ook, konden den algemeenen toestand
niet veranderen. Ook het gevecht bij Montereau, waar hij zelf het
vuur zijner artillerie leidde, was hiertoe niet bij machte. Een door
hem gevraagde wapenstilstand werd geweigerd. Een poging om ten minste
Oostenrijk voor zich te winnen was reeds vroeger mislukt; en den 1en
Maart sloten de bondgenooten te Chaumont een overeenkomst, behelzende,
dat Rusland, Oostenrijk en Pruisen ieder een leger van 150.000 man op
de been zouden houden, tot Frankrijk binnen zijn vroegere landpalen
was teruggebracht. Van deze overeenkomst was Engeland weder de ziel.
Niet zonder reden waarschuwde de Caulaincourt zijn heer, dat deze
door langer talmen met het nemen van een besluit zijn eigen positie
en die zijner dynastie in gevaar bracht, daar de vijand blijkbaar
slechts een voorwendsel zocht om nog verder te gaan en zich thans
tegen hem zelf te keeren.
Den 5en Maart hoort Napoleon van de nieuwe coalitie, die voor
zijn dynastie het doodvonnis kan wezen; hij beantwoordt het met
een decreet, dat alle Franschen te wapen roept en hun beveelt de
stormklok te luiden, zoodra zij het kanon in hun nabijheid hooren,
de bruggen af te breken en den vijand in rug en flanken aan te vallen.
Twee dagen later slaat hij Wintzigerode bij Craonne terug; maar in de
vermeestering van Laon, de wapenplaats der verbondenen, slaagt hij
niet. Tegelijkertijd laat Marmont zich slaan met een verlies van 40
stukken en al zijn bagage. Wel wreekt de Keizer, die op Soissons is
teruggegaan, zich hierover door de totale vernietiging der troepenmacht
van den generaal St. Priest, die lang in Luxemburg heeft gestaan en
daarna Rheims heeft genomen, maar de gevolgen van Marmonts nederlaag
zijn te geweldig.
Te Châtillon waren de onderhandelingen intusschen heropend. Van
alle zijden genoopt eindelijk een beslissend antwoord te geven, had
de Caulaincourt een tegenvoorstel ingediend. Hierin nam de Keizer
genoegen met een beperking van zijn gebied tot het vroegere Frankrijk
met inbegrip van Savoye, Nizza en het eiland Elba. Eugène zou Italië
behouden tot aan de Etsch, terwijl de prinsdommen Lucca en Neuchatel
benevens het groothertogdom Berg zouden worden teruggegeven aan hun
vroegere vorsten.
Naar dit tegenvoorstel hadden de bondgenooten in 't geheel geen
ooren. Het staatkundige evenwicht in Europa duldde niet, dat Frankrijk
zulk een uitgestrekt gebied behield; de ondervinding had hun geleerd,
dat de tusschenstaten, waar een lid der familie Bonaparte het bewind
voerde, slechts in naam onafhankelijk waren. In het tegenvoorstel
zagen zij slechts een middel om de onderhandelingen noodeloos te
rekken; zij zouden niet rusten, voordat Frankrijk binnen zijn oude
grenzen was teruggebracht, hun voorstellen door de Fransche regeering
waren aangenomen.
Thans (17 Maart) rijpte in het brein des Keizers een vermetel plan,
dat tegenover een minder talrijken vijand stellig kans van slagen had
gehad. Van Rheims naar Arcis sur Aube was dertien uur gaans. Als hij
terstond opbrak kon hij den volgenden dag daar zijn en dan, in den
nacht van den 19en en den 20en naar Troyes marcheerende, komen te
staan in den rug van Schwartzenberg.--"Van deze beweging verwacht ik
een enorm succes, want, bevindt zich het vijandelijke hoofdkwartier
nog te Troyes, dan zal hierbij groote verwarring ontstaan," schreef
hij aan den minister van Oorlog Clarke, en aan Jozef.
Terwijl Mortier met 10.000 man bij Rheims en Soissons, Marmont met
7000 man bij Berry au Bac staan bleven met den last Parijs te dekken
tegen Blücher, ging hij dus zelf, door troepen uit Parijs versterkt,
met circa 22.000 man op marsch, ontmoette bij Arcis slechts weinig
wederstand, geraakte hierdoor en door onjuiste rapporten in de meening,
dat Schwartzenberg met zijn geheele macht voor hem terugweek naar 't
zuidoosten, en besloot nu snel naar de vestingen van Lotharingen te
marcheeren, de bezettingen van deze bij zijn macht aan te trekken en,
aldus krachtig geworden, weder aanvallend te werk te gaan.
Schwartzenberg liet hem hiertoe echter den tijd niet; toen hij uit
Arcis wilde afmarcheeren, greep die hem met overmacht aan (21 Maart),
bracht hem zware verliezen toe en dwong hem uit te wijken.
Toch gaf de Keizer zijn voornemen om op Metz of Verdun aan te rukken,
en dus in 's vijands rug te opereeren, niet op. Hij beval Mortier en
Marmont zich over Châlons-sur-Marne bij hem aan te sluiten en toog
op weg.
Schwartzenberg liet hem begaan, deed hem slechts volgen door een
sterke afdeeling cavalerie, vereenigde zich den 23en bij Châlons
met Blücher en toog op marsch naar Parijs. Tegelijkertijd bereikte
Napoleon St. Dizier.
Twee dagen later was over het lot van Frankrijk beslist. In de
stellige verwachting, dat de Keizer, uitwijkende voor Schwartzenberg,
zou teruggaan in de richting van Parijs, dus in die van hun stelling,
waren Mortier en Marmont hem naar La Fère Champenoise tegemoet gerukt,
hier door een overstelpende massa cavalerie aangegrepen en onder
zulke zware verliezen terug geslagen, dat er van hun beide korpsen
niet veel meer dan een handvol krijgers ± 12.000 man, overbleven. Door
een echt noodweer overvallen, hadden deze niet eens van hun vuurwapen
gebruik kunnen maken en waren langs omwegen nu in allerijl naar Parijs
op marsch.
De weg hierheen stond thans voor de bondgenooten wijd open; de
laatste hinderpalen waren gevallen. Napoleon was te ver weg, om hen
te kunnen schaden.--In drie colonnes over Meaux en Lagny werd de
opmarsch begonnen. Enkele dagen later (29 Maart) vestigden de keizer
van Rusland en de koning van Pruisen hun hoofdkwartier te Bondy,
bijna onder de muren van de hoofdstad.
Nog versaagde Napoleon niet. Vóór de bondgenooten moest hij Parijs
hebben bereikt! Van Troyes naar ginds was vijftig uur gaans. Alle
maatregelen trof hij om zijn leger den 2en April daar te hebben
verzameld. De infanterie zou als van ouds op karretjes, de artillerie
met postpaarden vervoerd worden; in den avond van den 30en Maart
bevond hij zelf zonder de garde zich reeds bij Fromenteau, geen vijf
uur gaans meer van de hoofdstad. Daar trad de Generaal Belliard op hem
toe met de tijding, dat de stad dienzelfden middag had gecapituleerd!
Tot juist begrip van den toestand is het noodig thans een stap terug
te doen.
Evenals vóór den veldtocht naar Rusland was Maria Louise
bij het vertrek van haar gemaal als regentes te Parijs
achtergebleven. Cambacérès zou haar ter zijde staan, eveneens Jozef,
die, uit zijn ballingschap op Mortefontaine ontslagen, evenals
Jérome verlof had ontvangen zich te Parijs te vestigen met den titel
van "koning." Toen nu den 23en de tijding werd ontvangen, dat de
bondgenooten Meaux hadden bezet, had Jozef den Raad van Regentschap
op de Tuilerieën ontboden, om te overleggen of de keizerin en haar
zoon wel langer te Parijs zouden blijven. Heengaan stond gelijk met
aanleiding geven tot een omwenteling, waartoe alle elementen reeds
ruimschoots aanwezig waren. Blijven stelde de keizerin bloot aan 't
gevaar te worden gevangen genomen en in handen van de bondgenooten
een kostbare gijzelaar te worden.
Nog waren de meeningen verdeeld, toen Jozef den knoop doorhakte
door het voorlezen van een brief van den Keizer uit Rheims van den
16en Maart:
"Broeder, overeenkomstig mijn mondelinge bevelen aan u
en in den geest van al mijn orders, moogt ge in geen geval
toelaten, dat de Keizerin en de Koning van Rome in 's vijands
handen vallen.--Nadert de vijand Parijs met groote overmacht,
doe de Regentes, mijn zoon, de grootwaardigheidsbekleeders,
de ministers, de hoofden van den Senaat, de voorzitters van
den Raad van State en de grootofficieren van de kroon dan
vertrekken in de richting van de Loire. Verlaat mijn zoon
niet en vergeet niet, dat ik hem liever in de Seine zie dan
in de handen van Frankrijks vijanden."
Dus werd tot vertrek besloten. Den 29en Maart kwamen de reiswagens
voor, en ging de regentes, die de laatste dagen heel wat tranen
vergoten en zich als een willoos wezen gedragen had, ondanks het
schreien van haar zoontje, dat de Tuilerieën volstrekt niet wilde
verlaten, met een verlucht hart op weg naar Blois. De meeste leden van
den Raad van Regentschap vergezelden haar.--Alleen Talleyrand niet;
deze had zich aan de barrière laten terugwijzen, quasi omdat hij geen
paspoort bezat. Hij had zijn plannen voor de toekomst reeds gemaakt;
voor deze was zijn tegenwoordigheid te Parijs noodzakelijk. De
bondgenooten stonden immers voor de poort! De Bourbons en hun
aanhang wachtten!--Het oogenblik, waarop hij kon wraaknemen voor al
de verdiende en onverdiende beleedigingen, hem jaren achtereen door
Napoleon naar het hoofd geslingerd, naderde snel.
Wel trachtte Jozef de Parijsche burgerij nu door een proclamatie
op te wekken "tot een kortstondigen maar heftigen weerstand, tot
de Keizer zou zijn teruggekeerd," doch waarmede moest die weerstand
geboden? Vierhonderd zware vuurmonden lagen wel met hun munitie in
de arsenalen; eenige duizenden geweren waren er ook nog; zelfs eenige
duizenden soldaten zouden wel bijeen te brengen zijn geweest;--1200 man
van de garde dienden de keizerin tot geleide--doch de tijd ontbrak;
niets was er voorbereid en--bij de autoriteiten ontbrak tevens de
lust tot feitelijk verzet binnen de muren der stad.
Om de toegangen tot Parijs te verdedigen waren dus alleen beschikbaar
de zeer gedunde korpsen van Mortier en Marmont, eenige detachementen
cavalerie, een bataljon sappeurs en 3 à 4000 soldaten, herstellende
zieken en gekwetsten, benevens eenige honderden nationale gardes
en de leerlingen der polytechnische school. Toch is er met deze
geringe, bijeengeraapte macht in den morgen van den 30en Maart
van de voorstad La Villette tot Charenton, onder Marmonts bevelen
met wanhopige hardnekkigheid tegen Schwartzenberg gestreden.--Toen
ontvingen Marmont en Mortier van Jozef, die met Jérome op hetzelfde
uur de stad den rug toekeerde en naar Blois vertrok, een briefje,
waarin hun verlof werd gegeven met den prins van Schwartzenberg en met
den keizer van Rusland in onderhandeling te treden, als de overmacht
hun te groot mocht worden. [32]
Als ridderlijke, trouwe soldaten weigerden de maarschalken echter nu
reeds van die machtiging gebruik te maken. Tot in den namiddag zetten
zij het ongelijke gevecht hardnekkig voort. Ten slotte waren al de
hoogten aan de oost- en de noordoostzijde van de stad met vuurmonden
bekroond, was de brug bij Charenton in handen der Russen, en stond
Blücher op de hellingen van den Montmartre. Toen besloot Marmont van
zijn machtiging gebruik te maken en om verder noodeloos bloedvergieten
te voorkomen een wapenstilstand te verzoeken.--Deze werd toegestaan,
doch slechts voor vier uur.
In zijn hôtel teruggekeerd, vond de maarschalk daar een groot
aantal bankiers, notabelen en grondbezitters, die verlangden naar
een capitulatie; zij hadden genoeg van den strijd en waren beducht
voor hun eigendommen.
Werd de stad met storm genomen, dan waren de ellende en de rampspoed
niet meer te overzien.
Een korte poos aarzelde Marmont, vooral toen generaal Dejean binnentrad
met de mededeeling, dat Napoleons leger in aantocht was, een zeer
optimistische, onware voorstelling van den toestand. Dat leger was
nog zeer ver weg.--Ten slotte gaf hij toe, er werd tot een verdrag
besloten (30 Maart).
"Goed nieuws, lieve vriendin! Maarschalk Marmont heeft daareven met
zijn korps gecapituleerd. Dit is het gevolg van onze proclamaties
en brieven. Hij wil niet langer vóór Bonaparte tegen het vaderland
dienen," schreef Talleyrand dienzelfde avond nog aan zijn nicht de
hertogin van Koerland. Hoe prins von Metternich dacht over dezen
sluwen staatsman en voormaligen bisschop van Autun, zijn vriend
en medeplichtige, vinden wij in zijn Gedenkschriften: "Hij was een
buitengewoon schrander man. Van zoo nabij heb ik hem gekend, dat ik
hem grondig heb kunnen bestudeeren. Vernietigen meer nog dan behouden
lag in zijn karakter. Als priester werd hij door zijn temperament
medegesleurd op anti-godsdienstige wegen. Zelf van adellijke geboorte,
pleitte hij niettemin voor de vervallenverklaring van den adelstand;
onder het republikeinsche stelsel spande hij samen tegen de Republiek;
onder het Keizerrijk conspireerde hij tegen den Keizer; eindelijk onder
de Bourbons arbeidde hij aan de omverwerping van de wettige dynastie."
Bijna zoolang keizer Alexander te Parijs is gebleven, was Talleyrand
zijn gastheer. Schier onbegrijpelijk is 't, dat Napoleon dezen
man, dien hij toch zoo door en door kende, zooveel jaren in zijn
naaste omgeving heeft geduld. Van af den vrede van Tilsit had hij
voortdurend tegen hem samengespannen. Toen Champigny bij den vrede
van Weenen (1809) van Oostenrijk vijf en tachtig millioen francs
schadevergoeding van Oostenrijk had weten te verkrijgen, terwijl er
door Napoleon slechts op vijf en zeventig was gerekend, vond deze
dit een prachtig resultaat. "Was Talleyrand in uw plaats geweest,
dan had hij mij die 75 millioen gegeven en de rest in zijn zak
gestoken," zei hij. Bij verschillende gelegenheden had hij Talleyrand
uit zijn schulden geholpen, maar hem ook grenzenloos beleedigd;
toch bedroog en verried hij Napoleon en toch bleef de Keizer hem
handhaven. Dergelijke raadselachtige staaltjes van zwakheid om geen
scherper woord te bezigen, zijn in het leven van dezen overigens zoo
wilskrachtigen man geen zeldzaamheid. Stellig zijn ze in elk geval
een bewijs, dat hij voor zijn dienaren niet zulk een gevoelloozen,
harteloozen meester was als men vaak heeft beweerd.
Terwijl Marmont dus capituleerde, waren graaf Dalberg, de senator
Jaucourt en de drie geestelijken de Pradt, Louis en de Montesquiou bij
Talleyrand om te overleggen over den vorm van een nieuw bewind. Volgens
deze in Frankrijk welbekende staatslieden was Napoleon een verloren
man; zij besloten de Bourbons terug te roepen.
Voorafgegaan door een twintigtal ruiters, die met witte zakdoeken
wuifden, een witte cocarde droegen en luidkeels: "Leve de
Bourbons!" riepen, een kreet, die aanvankelijk slechts verbazing
wekte,--de Bourbons waren reeds zooveel jaren geleden verdwenen--en die
in de voorsteden met een daverend Vive l' Empereur! werd beantwoord,
trokken de bondgenooten met keizer Alexander aan de spits Parijs
binnen.--Zeker uit kieschheid tegenover zijn dochter was keizer Frans
nog te Dijon gebleven.--Terwijl nu op aandrang van enkele heethoofden
het standbeeld van Napoleon op de place Vendôme door den vervaardiger,
den heer Launay, van zijn voetstuk werd genomen, kwamen in 't hôtel
van Talleyrand eenige voorname Fransche en buitenlandsche personen,
waaronder de koning van Pruisen en Schwartzenberg bijeen, om onder
de leiding van keizer Alexander te beraadslagen.
Vrede sluiten met Napoleon en een regentschap instellen over diens zoon
waren twee punten, die Talleyrand terstond wist op zijde te schuiven,
"als zijnde in strijd met de duidelijk uitgesproken wenschen der
natie." Voor het herstel der Bourbons (de restauratie) ijverde hij
sterk. Wanneer een beroep op den Senaat (zijn willoos werktuig) werd
gedaan, zou de omwenteling, die voor de deur stond, al den schijn
hebben van wettigheid, betoogde hij.--Dat de Bourbons niet op den
ouden voet weder met het gezag bekleed zouden worden, dat zij zijn
voorwaarden zouden moeten aannemen, stond bij hem reeds vast.
Eenmaal tot de restauratie besloten, vaardigde keizer Alexander
een proclamatie uit, waarin hij verklaarde, "dat de bondgenooten
niet meer met Napoleon Bonaparte of met een van diens familieleden
wilden onderhandelen, dat zij den oorspronkelijken vorm van Frankrijk
eerbiedigden, en den Senaat uitnoodigen zouden een voorloopig bewind
samen te stellen. Dit zou dan in de behoeften van het beheer voorzien
en een grondwet voorbereiden naar keuze der natie. Deze zouden zij
dan waarborgen."
Den 1en April benoemde de Senaat, door Talleyrand in zijn hoedanigheid
van vice-grootkeurvorst bijeengeroepen, dus een voorloopig bewind
van vijf leden: Talleyrand, graaf de Jaucourt, den staatsraad
hertog van Dalberg, den abbé de Montesquiou en den generaal de
Beurnonville. De Parijsche gemeenteraad teekende een verklaring
ten gunste der onvoorwaardelijke terugroeping van de Bourbons. Het
Wetgevend Lichaam, uit zijn asch verrezen, nam het voorstel van den
Senaat zonder discussie aan.
De keizer van Rusland en de koning van Pruisen ontvingen van een en
ander kennis, en den 3en April nam het Voorloopige Bewind het besluit
over van den Senaat, waarbij Napoleon werd vervallen verklaard van
den troon, het recht van erfelijkheid in zijn familie afgeschaft, de
Fransche natie en het leger ontslagen werden van den eed van trouw,
aan hem gezworen. Den volgenden dag ontsloeg een nieuw besluit al de
nog niet onder de wapenen geroepen of niet ingedeelde conscrits en
de bataljons der nieuwe levée en masse.
Wat een vreugde heerschte er in 't kamp der koningsgezinden! Hadden zij
hun zin gekregen, dan waren de Bourbons nu terstond teruggeroepen. De
heer de Vitrolles, een volbloed royalist, was zelfs reeds op weg naar
den graaf van Artois, die zich wijselijk te Nancy nog had schuil
gehouden, met verzoek als 's konings plaatsvervanger terstond naar
Parijs te komen. Talleyrand, als altijd kalm en ironisch, en graaf
Dalberg, een volbloed liberaal, gaven den ijver dier heeren echter
een koud bad door de verklaring, dat alvorens er van een herstel der
Bourbons sprake kon zijn eerst een grondwet moest worden samengesteld.
Thans keeren wij naar den Keizer terug.
Laat in den avond van den 30en Maart heeft hij bij Fromenteau generaal
Belliard dus ontmoet met de tijding, dat Parijs zich heeft overgegeven,
en dat Marmont en Mortier reeds naar Fontainebleau op weg zijn om hier
te worden onder dak gebracht. Hij overstelpt hem met een stortvloed
van snel op elkander volgende vragen naar zijn vrouw, zijn zoon,
zijn broer Jozef, naar Clarke en de troepen en begint dan snel voort
te stappen. Hij wil volstrekt naar Parijs.
Nadat de Caulaincourt, Berthier en Belliard hem van dit voornemen
hebben teruggebracht, gaat hij met het hoofd in de handen op een
mijlpaal naast den weg zitten. Hij is doodaf. Het laatste etmaal is
hij bijna niet uit den zadel geweest. Als hij opstaat, is zijn gelaat
bleek doch kalm. Onwrikbare wilskracht gloeit in zijn oog. Hij geeft
de Caulaincourt order naar Parijs te gaan, keizer Alexander op te
zoeken en paal en perk te stellen aan de intriges, welke daar tegen
hem worden gesmeed. Berthier moet de armee en de afdeelingen van
Marmont en Mortier opstellen aan het riviertje de Essonne; dan rijdt
hij met Berthier door naar Fontainebleau.
Voornemens al het mogelijke te doen om tot vrede te komen, vertrok de
Caulaincourt naar Parijs en werd door keizer Alexander ontvangen met
een veelzeggend: "'t Is wel erg laat." Ook sprak hij met Schwartzenberg
en enkele Fransche diplomaten en ontving ten slotte den raad Napoleon
te bewegen tot abdiceeren. "Dan kon er later een besluit genomen
worden betreffende een regentschap."
Vol walging van al de aanzienlijke personages die, voor een deel door
den Keizer tot grootheid en aanzien gekomen, thans niet eens hun stem
verhieven om voor hem te pleiten, keerde hij in den nacht van den
2en April naar Fontainebleau terug, deed verslag van zijn zending,
doch kon Napoleon geen beslissend antwoord ontlokken. Deze had reeds
in stilte het geduchte plan gevormd, zoodra hij zijn beschikbare
troepen bijeen had, naar Parijs te rukken en daar de wapenen te doen
beslissen. Den 4en konden Macdonald, Oudinot en Gerard met hun korpsen
hem hebben gevonden; dan zou zijn leger circa 70.000 man sterk zijn;
na één dag rust kon hij op marsch gaan.
Den 4en hield hij een revue over de garde, die in haar geheel stelling
had genomen achter de troepen aan de Essonne, en sprak de officieren
en onderofficieren daarna toe: "Soldaten, de vijand is ons drie
marschdagen vóór geweest, hij is meester van Parijs. Daar moet hij
vandaan gejaagd. Onwaardige Franschen, émigrés, die wij voorheen de
zwakheid hebben gehad genade te schenken, hebben met hem gemeene zaak
gemaakt en de witte cocarde op den hoed gestoken. Die lafaards zal
het loon voor dezen nieuwen aanslag niet ontgaan. Laten wij zweren
te overwinnen of te sterven en den hoon te wreken, het vaderland en
onze wapenen aangedaan."
"Dit zweren wij!" was het antwoord, vol geestdrift en hartstocht
gegeven. Toen werd voor hem gedefileerd.
Nauwelijks was hij de trap van 't paleis weder op of de maarschalken
staken de hoofden bij elkander. Wat hij voornemens was te doen was
gekkenwerk! Het moest hem worden belet.--De maarschalken werden door
hun generaals en hoofdofficieren letterlijk voortgedrongen naar de
deur van zijn kabinet, om hem de gehoorzaamheid op te zeggen. Zoover
was het verzet zelfs reeds gevorderd, dat hier en daar een dreigend
woord viel aan zijn adres, indien hij wagen dorst de maarschalken te
doen arresteeren.
In 't bijzijn o.a. van Berthier, Maret en de Caulaincourt stapte
Napoleon driftig en luid sprekende, in zijn kabinet op en neer,
toen Lefebvre, Oudinot en Ney zwijgend binnentraden. Op hun gelaat
stond te lezen wat er in hun gemoed omging. Wederom ontvouwde hij hun
zijn plannen; hij sprak van één laatste krachtsinspanning, die hun
dan rust zou schenken na vijf en twintig jaar arbeid. Zijn woorden
troffen echter geen doel.
"Wilt ge dan dienen onder de Bourbons?" Een levendig protest was het
antwoord. "Gaarne onder den Koning van Rome," riep Ney. Juist betoogde
Napoleon, dat de keizerin zich als regentes geen uur zou kunnen staande
houden, en dat de Bourbons dan binnen veertien dagen de baas zouden
zijn, toen Macdonald, even te voren aangekomen, met een open brief in
de hand binnentrad. In dien brief bezwoer de Beurnonville zijn ouden
vriend in naam hunner vriendschap en van zijn huisgezin zich los te
rukken van een tiran, die thans nog slechts een rebel was, en zich
te geven aan de Bourbons, die met den vrede in de eene, de vrijheid
in de andere hand, op het punt stonden in Frankrijk terug te keeren.
Op de vraag van wien die brief was, en op Macdonalds antwoord, dat hij
geen geheimen voor zijn Keizer had, moest Maret het schrijven hardop
voorlezen. Onder een minachtend zwijgen luisterde Napoleon.--"De
Beurnonville en zijn gelijken zijn niets dan intriganten, die met de
bondgenooten onder één deken liggen en een tegenomwenteling op het
oog hebben," zeide hij ten slotte en begon weder over den tocht naar
Parijs te spreken.
"Maar als de soldaten dan weigeren te volgen," waagde Macdonald
te zeggen.
"Dit zou dan de schuld zijn van de heeren hier. Mij zouden ze wèl
volgen."
Daarop zond hij de maarschalken weg. Hij wilde nadenken.
Veel tijd nam hij hiervoor niet. Na een kortstondig gesprek met Maret
en de Caulaincourt, waarbij hij o. a. zijn gevoeligheid toonde over
dien brief, greep hij een pen:
"Dewijl de verbonden mogendheden hebben verkondigd, dat Keizer
Napoleon de eenige hinderpaal is voor het herstel van den vrede
in Europa, verklaart Keizer Napoleon, getrouw aan zijn eed,
dat hij bereid is afstand te doen van den troon van Frankrijk
en desnoods zelfs het leven te laten voor het heil des lands,
onafscheidelijk als dit is verbonden met de rechten van zijn
zoon, niet die van het regentschap der Keizerin en met de
handhaving der wetten van het Keizerrijk. Gedaan, in ons
paleis van Fontainebleau, den 4en April 1814.