Lutzen, Bautzen, Leipzig.
Ternauwernood terug in zijn paleis, waar zijn vrouw hem wel met
eenige verwondering doch tevens met groote hartelijkheid had welkom
geheeten, riep de Keizer zijn ministers en grootwaardigheidsbekleeders
bijeen. In zijn onderhoud met hen liep hij tamelijk vluchtig heen
over den laatsten veldtocht. Volgens hem was deze alleen door den
invloed der elementen mislukt, want overwonnen hadden de Russen hem
geen enkele maal,--wat volkomen waar was. Terstond daarop begon
hij nadrukkelijk verklaring te vragen van hun gedrag tijdens den
aanslag van Malet. Savary werd door hem zelfs geducht onder handen
genomen.--Terwijl de andere heeren door hun houding alleen reeds
schuld bekenden, gaf Savary zijn heer kort en bondig te verstaan, dat
hij niet aansprakelijk kon of wilde gesteld worden voor een aanslag,
gepleegd door een halven gek, die niemand vooraf in zijn vertrouwen
had genomen, en betreffende wiens plannen de politie volslagen onkundig
was gebleven.
Weinig moeite kostte het den schranderen en onvervaarden minister van
politie, dien de publieke opinie reeds als slachtoffer had aangewezen,
den Keizer van de juistheid van zijn pleidooi te overtuigen. Te
lichter viel hem dit dewijl het Napoleon niet zoozeer was te doen
om dezen aanslag voor te stellen als een feit van groot gewicht,
als wel om de gedachten af te leiden van Rusland en het noodlottige
einde der Groote Armee.
Daarop ontving hij den Senaat en den Raad van State in plechtige
zitting, viel hierbij geheel zonder reden heftig uit tegen de
idéologen en hun begrippen, volgens hem de oorzaak van al 't geen
was gebeurd, en ontsloeg daarna den prefect van de Seine Frochot,
zoogenaamd omdat deze den dag der samenzwering bewijzen had gegeven
van weinig tegenwoordigheid van geest.
Tegenover zijn ouden raadsman en vriend de Cambacérès speelde hij
echter geen comedie. Hem droeg hij op een senaatsbesluit voor te
bereiden waarbij met afwijking van den gebruikelijken vorm, niet
een van zijn broeders, doch de Keizerin zelve reeds dadelijk met het
regentschap werd bekleed. Vastbesloten den oorlog tegen Rusland zoo
spoedig mogelijk voort te zetten, doch door Malets aanslag overtuigd
geworden van het gevaar, dat zijn dynastie liep, wanneer hij mocht
komen te vallen, wilde hij vóór alles van deze zorg voor de toekomst
zijn ontheven.
In de eerste Januaridagen van 1813 begon hij een beter begrip te
krijgen van den jammerlijken toestand, waarin de overblijfselen van
het Groote Leger zich bevonden. Tot nu toe had hij zich hieromtrent
nog illusies gemaakt.
Over het gedrag van Murat was hij een korte poos zoo gebelgd, dat hij
zelfs er over dacht hem te doen gevangen nemen. Dat Eugène dezen had
vervangen, droeg zijn goedkeuring weg.
"Die was meer bekend met het voeren van een omvangrijk beheer en genoot
zijn volle vertrouwen," deed hij in den Moniteur schrijven. Tevens
verhief hij Ney tot prins van Moskowa.
Toen Eugène door de steeds verder voortrukkende Russen gedwongen werd
eerst de Weichsellinie op te geven en zelfs tot achter de Oder terug
te gaan, meende hij hem niettemin in gespierde taal aan 't verstand
te moeten brengen, "dat dit niet de manier was om den vijand ontzag
in te boezemen en voorzichtig te doen wezen." Wanhopig werd hij bijna,
toen hij vernam, dat Eugène, in 't begin van Maart over Berlijn, zelfs
naar Wittenberg, dus tot achter de Elbelinie, was geretireerd.--"Onze
militaire operatiën zijn een voorwerp van spot voor onze bondgenooten
te Weenen en voor onze vijanden te Londen en te St. Petersburg,"
schreef hij. "Had voorwaarts van Berlijn stelling genomen en hier het
gerucht doen verspreiden, dat ge veel sterker waart dan uw effectief
bedraagt; dan had de Rus zich wel tweemaal bedacht, voordat hij de
Oder overschreed met nog geen 60.000 man."
Vervolgens wees hij met nadruk op de waarde der stelling aan de
Beneden-Elbe, al moest zelfs Dresden hiertoe worden opgegeven,
"want door die stelling werd Holland, het schier onneembare Holland,
gedekt; dit was van het hoogste belang."
Ten slotte beval hij hem voorwaarts van Maagdenburg positie te
nemen. Ook Lauriston, die Eugène met vier divisiën nieuwe troepen was
te hulp gezonden, ontving in dezen zin bevelen; hij moest allerwege
het gerucht verspreiden, dat het Elbe-leger weldra tot den aanval zou
overgaan.--"De moreele indruk doet vaak meer dan een groot leger,"
schreef hij.
Inmiddels was hij zelf weder even rusteloos en onvermoeid als ooit
te voren bezig Frankrijks strijdmacht te herstellen. In de eerste
plaats dienden hem hiertoe de ruim 140.000 conscrits van 1813, die,
vroeger dan gewoonlijk opgeroepen, reeds drie maanden oefening achter
den rug hadden; dan de zoogenaamde cohorten, een soort van stedelijke
schutterij, samengesteld uit jonge mannen boven de twee en twintig
jaar, reeds ten vorige jare opgericht en circa 100 bataljons vormende,
goed gedrild en goed gewapend; voorts conscrits der lichtingen 1809,
'10, '11 en '12, die nog niet hadden gediend; dan enkele uit Spanje
terug ontboden regimenten, de soldaten en de kaders, die uit Rusland
waren teruggekeerd, en thans in de depotplaatsen in Duitschland en
Frankrijk werden gebezigd om het jonge personeel te onderwijzen en
de kern te vormen voor nieuwe afdeelingen; eindelijk--de lichting
van 1814, dus nog niet veel meer dan knapen.
Wel waren in den vorigen veldtocht alle vuurmonden en voertuigen
verloren gegaan, doch in de arsenalen was voorraad genoeg aanwezig
om binnen korten tijd zeshonderd, en een paar maanden later zelfs
reeds duizend geheel uitgeruste kanonnen te kunnen uitbrengen. Ook
trekpaarden waren er voldoende te krijgen, al was het oosten van
Duitschland reeds door de Russen gesloten.--Het grootste bezwaar
leverde de vorming op eener nieuwe cavalerie. Hiervoor waren geen
rijpaarden genoeg. Zelfs voor baar geld en later door requisitie
gelukte het generaal Bourcier, die speciaal met den aankoop er van
was belast, niet eens, een voldoend getal bruikbare dieren bijeen
te brengen.
Toen bedacht de Keizer, maar al te goed wetende van hoeveel
waarde een talrijke ruiterij thans voor hem was, een middel om ten
minste ten deele in deze ernstige leemte te voorzien; hij begon
Frankrijks ijdelheid te prikkelen. Door de verschillende groote en
kleine steden des rijks liet hij zich geheel uitgeruste cavaleristen
aanbieden. Parijs gaf het voorbeeld met 500 man; dan kwam Lyon met 120;
Rome leverde er 240, Amsterdam 100, Rotterdam 50 en zoo vervolgens. De
prefecten oefenden hierbij wel eenigen drang uit maar het grootste
deel der bevolking in Frankrijk zelf, al gaf ze Napoleon de schuld
van al de rampen der laatste tijden, begreep dat ook alleen hij door
krachtige weermiddelen in staat zou wezen om na een kortstondigen
veldtocht te geraken tot een eervollen vrede.
In diezelfde dagen verscheen een besluit, waarbij vier regimenten
zoogenaamde gardes d'honneur werden opgericht, alleen samengesteld
uit jonge lieden der aanzienlijkste families, die te paard dienst
deden en zelven in hun uitrusting en hun onderhoud voorzagen.
Op deze wijze, rekende de Keizer, zou hij binnen enkele maanden
300.000 krijgers aan den Rijn en de Elbe, 250.000 man in Spanje en
50.000 man in Italië kunnen bijeenbrengen. Wel zouden dit in hoofdzaak
jonge troepen zijn, maar de kaders waren grootendeels oud. Rekening
houdende met den strijdlustigen aard der natie, zou het geheel dus
zeer goed bruikbaar wezen. Ney zelf was weldra vol bewondering voor
die halve kinderen, zooals hij ze noemde, die, voor de eerste maal in
't vuur, doch door hun officieren voorgegaan, bij Weissenfels b.v.,
de charge der Russische escadrons rustig en gesloten afwachtten tot
het commando: Aan! en Vuur! weerklonk, dan met hun lood in een oogwenk
een dam van lijken van ruiters en paarden om zich heen opwierpen,
daarna ijlings tot de aanvalsformatie overgingen en het behaalde
succes onder een schallend: Vive l' Empereur! vervolgden.
Ook de financiën, de groote zenuw van den oorlog, vergat Napoleon
niet; hij stelde niet alleen een groot deel zijner in de kelders
der Tuilerieën geborgen krijgskas ter beschikking van den minister
van financiën, doch zelfs uit zijn particuliere middelen, louter de
vrucht zijner spaarzaamheid, deed hij een fermen greep. De verkoop
van een deel der eigendommen van de gemeenten, voor welk verlies hij
deze schadeloos stelde, vulde het nog ontbrekende aan.
In weerwil van die reusachtige krijgstoerustingen, welke aan de
Fransche nijverheid opnieuw de gelegenheid schonken te bewijzen tot
welk een krachtsinspanning ze in staat was, ontbrak het niet aan
stemmen, die pleitten voor een eervollen vrede zonder dat er meer
bloed werd vergoten. Reeds had keizer Frans zijn bemiddeling hiertoe
zijdelings aangeboden.
De Caulaincourt, die het Russische hof door en door kende, hierin door
de Cambacérès, de Champigny, en Talleyrand gesteund, ried Napoleon
ernstig aan niemands tusschenkomst aan te nemen of te vragen, doch
zich tot keizer Alexander zelf te wenden. Hier tegenover raadde
de hertog van Bassano, hooghartig en verwaand als altoos, hem, van
Oostenrijks bemiddeling wel degelijk gebruik te maken; en Napoleon,
die zeide eveneens den vrede te willen, maar die dezen feitelijk
niet wilde,--moest hij geen wraak nemen voor Moskou en het in Rusland
geleden échec?--sloeg den raad der ouderen in den wind en volgde dien
van zijn vleier.
Zelf schreef hij dus aan zijn schoonvader; maar dit schrijven was
weder even hooghartig als altijd en de voorwaarden, welke hij stelde,
waren volslagen onaannemelijk. In een brief aan Metternich had Maret
met zijn belachelijk chauvinisme de stekeligste uitdrukkingen zijns
meesters ten overvloede nog eens aangedikt.
Het resultaat van dezen stap was dan ook nul. Onder geen vorm wilde
keizer Frans Pruisen zoo goed als uit de rij der staten van den
Duitschen Bond zien verdwijnen, want van dit plan ging Napoleon
zwanger. Ook wenschte hij het koninkrijk Polen niet hersteld te zien.
Schier ondoenlijk is 't zich een juiste voorstelling te maken van den
geweldigen omkeer in de ziens- en denkwijze des volks, die inmiddels
in Duitschland doch voornamelijk in Pruisen betreffende Napoleon was
ontstaan. In den volsten zin des woords had het verraad van Yorck
hier het sein gegeven tot een beweging tegen hem, zoo reusachtig,
dat den koning, die tijdelijk te Breslau verblijf hield, de angst om
het hart sloeg bij de gedachte aan de wraak van Napoleon.
De leden van den Tugendbund met von Stein en zooveel anderen aan
het hoofd bekommerden zich hierom echter niet; die bond trad op met
volle kracht; hoe meer de Russen naderden, hoe meer Eugène met zijn
handjevol troepen achteruit gedrongen werd, hoe hartstochtelijker de
volksgeest ontwaakte.
Toen Berlijn door de Franschen moest worden losgelaten; toen
Dantzig en andere groote vestingen in Pruisen met Fransch garnizoen,
als Stettin, Glogau, Maagdenburg, door de Russen werden bedreigd
en ingesloten; toen keizer Alexander ten slotte Breslau naderde,
was koning Frederik Wilhelm niet langer bij machte den wil van zijn
volk te weerstreven. Den 1en Maart 1813 sloot hij met Alexander een
verbond; en deze, door zijn aanvankelijk succes en zijn weelderige
fantasie meegesleept, meenende, dat hij de door een hoogere macht
aangewezen persoon was om gansch Duitschland te bevrijden, zwoer,
dat hij de wapenen niet zou laten rusten, voordat hij deze taak had
volbracht.--Engeland zou voor geld zorgen.
In een ommezien had gansch Pruisen zich nu aangegord tot den
strijd, en was er een Landwehr, een soort van nationale militie,
georganiseerd. Zoo geducht werd de drang dezer gewapende massa, dat
geheel Pruisen en Saksen door de Franschen moesten worden ontruimd. Tot
achter de Saale ging Eugène terug.
Te midden van die zoo snel op elkander volgende gebeurtenissen voelde
keizer Frans zijn positie voortdurend moeilijker worden. Hij hield
veel van zijn dochter; hij was zijn schoonzoon niet ongenegen; gaarne
zou hij als bemiddelaar zijn opgetreden. In dezen zin liet Metternich
zich ook uit tegenover Maria Louise, toen hij bij Napoleon geen gehoor
vond; maar de halsstarrige weigering van dezen om op zijn voorwaarden
iets te laten vallen, was oorzaak, dat alle kans op vrede verdween.
Tegelijkertijd werd door Pruisen en Rusland geen middel ongebruikt
gelaten om ook Oostenrijk in hun coalitie te betrekken. Door den ouden
adel, fel gebeten op Napoleon, den man der revolutie en der moderne
begrippen, waren in 't geheim zelfs reeds relaties aangeknoopt met
de andere hoven.
Maar nòg bleef keizer Frans doof voor de aanmaningen van die zijde
en voor den drang van zijn volk. Door bedrieglijke beloften werd de
Fransche gezant te Weenen zelfs misleid. Toch was reeds uit allerlei
gegevens af te leiden, dat ook hier weldra een omkeer zou volgen.
Alleen de oude koning van Saksen was niet te bewegen zijn woord te
breken. Hij bleef Napoleon trouw, herinnerde zijn leger aan zijn eed,
gaf, toen hij bij de nadering der Russen Dresden verlaten moest,
de forten bij Wittenberg en bij Torgau aan de Franschen in handen en
vertrok naar Praag.
Den 25en Maart vaardigde Kutusof een manifest uit, waarbij het
Rijnverbond vervallen werd verklaard, en waarbij alle Duitsche vorsten
met verlies hunner kroon bedreigd werden, als zij niet onverwijld
medewerkten tot de bevrijding van hun vaderland.
Reeds in de eerste dagen van Februari had de graaf van Lille (later
Lodewijk XVIII) uit Engeland een manifest gericht tot de Fransche
natie om zich te werpen in de armen van haar wettigen vorst, "nu de
goddelijke Voorzienigheid gereed scheen het werktuig van zijn toorn,
den overweldiger van den troon van St. Louis, den verwoester van
Europa, te verbrijzelen."
Den 30en Maart trad ook Bernadotte tot de coalitie toe. Engeland
schonk hem hiervoor vijf en twintig millioen francs; ook werd het aan
Denemarken toebehoorende Noorwegen hem toegewezen benevens Guadeloupe,
een bezitting van Frankrijk.
Reeds in Augustus van het vorige jaar had hij te Abo met Alexander
van Rusland onderhandelingen aangeknoopt over een inbezitname van
den Franschen troon, als Napoleon in dien veldtocht mocht komen te
vallen. Toen hadden die niet tot een besluit geleid. Thans kwam deze
oud-maarschalk van Frankrijk, die alles aan Napoleon te danken had,
zich scharen aan de zijde van diens vijanden, "omdat het belang van
zijn nieuw vaderland dit noodzakelijk maakte."
En zooals we zagen stond ook Murat reeds op het hellende vlak, dat
leiden moest naar verraad. Beducht voor het verlies van zijn kroon,
had hij te Weenen in stilte reeds vrienden gezocht om hem in geval
van nood te beschermen, toen Napoleon hem het commando over zijn
cavalerie opdroeg.
Den 27en Maart werd Pruisens oorlogsverklaring te Parijs ontvangen. In
de eerstvolgende weken zou het zwaard dus weder beslissen
tusschen Frankrijk en Pruisen, Rusland en Zweden met een weifelend
Oostenrijk op den achtergrond en met een bevolking in Duitschland,
die onverzoenlijken haat had gezworen aan al wat Napoleon heette of
met hem samenging.
Ten gevolge van de doorgestane vermoeienissen was Kutusof gestorven en
in het commando opgevolgd door Wittgenstein, wiens chef van den staf
Diebitsch de leiding in handen had. Blücher zou het Pruisische leger
aanvoeren. Beider macht te zamen beliep ongeveer 250,000 krijgers,
waaronder een zeer talrijke cavalerie, een wapen, waarvan het Fransche
leger voorloopig slechts spaarzaam was voorzien, en met een artillerie,
die het van de Fransche eveneens in sterkte won, maar niet in gehalte.
Tegenover deze macht, welke Hamburg, Dresden en Leipzig in haar bezit
had, kon de Keizer voorloopig niet meer stellen dan circa 80.000
man, verdeeld in de garde en vier korpsen. Voor 't grootste gedeelte
waren deze afdeelingen nog op marsch.--Ten zuiden van Maagdenburg,
met den linkervleugel geleund aan de Saale, stond voorts Eugène met
bijna 40.000 man.
Voordat Napoleon Parijs verliet om zich naar zijn leger te begeven
(15 April) was de gezamenlijke sterkte hiervan geklommen tot circa
200.000 man, voor de helft Franschen; de krijgsmacht der bondgenooten
nam eveneens doch in veel sterker mate toe, terwijl zich in de staten
van het Rijnverbond en te Hamburg reeds duidelijk sporen van verzet
vertoonden.
Nogmaals een voorwerp van bewondering en ontzag voor zijn gansche
omgeving, letterlijk jong geworden opnieuw, ondanks al 't geen
aan de overzijde van den Rijn voorviel, geen seconde versagende,
de toekomst oogenschijnlijk zelfs met vertrouwen te gemoet ziende,
was de Keizer rusteloos bezig zich op den nieuwen veldtocht voor te
bereiden. Wanneer alles reeds sliep, waakte hij nog. In zijn brein,
weder even helder en scherpzinnig als in zijn beste dagen, had hij
zijn plan reeds vastgesteld.--Gedekt door de drie korpsen, welke Eugène
voor Maagdenburg had staan en achter deze om, wilde hij bij Havelberg
ten zuiden van Wittenberg onverhoeds de Elbe passeeren, zijn geheele
macht naar Stettin voeren, op deze wijze vóór zijn tegenpartij de
Oder bereiken en dan met geforceerde marschen oprukken tot ontzet
van Dantzig, waar Rapp door de Russen nog altoos was ingesloten.
Vermetel was dit, want, terwijl hij zijn linkervleugel deed leunen
aan de zee, stelde hij zijn rechter bloot aan een flankaanval; maar
wat een succes in de oogen van Europa, als hij zoodoende meester werd
van de bruggen over de Beneden-Weichsel!
Het bezetten van Hamburg was hierbij van overwegend belang, want
de Beneden-Elbe werd geheel door deze stad beheerscht. Daarom had
Davoust, die tot half Maart te Dresden had gestaan, deze stad na
het doen springen van een paar steenen pijlers van de brug over de
Elbe ontruimd en was toen met zijn korps (30.000 man) over Lüneburg
derwaarts op marsch gegaan.
Nog een hoofdzaak vervulde 's Keizers brein, namelijk de quaestie
van het regentschap tijdens zijn afwezigheid. Een besluit van den
Senaat riep Maria Louise dus tot het regentschap. Wel moest een raad
haar terzijde staan, doch uit alles bleek, dat deze zeer weinig zou
hebben in te brengen, en dat de Cambacérès, de voorzitter, de spil
zou wezen waaromheen alles draaide.--De Prins, die op zijn ouden dag
vroom begon te worden, zag wel met ontzetting op tegen die nieuwe
zware taak, maar gehoorzaamde.
Dan waren 's Keizers oogen telkens gericht op de bewapening zijner
cavalerie. Deze moest worden voorzien van een vuurwapen. 't Was al
te erg, dat de kurassiers b.v. in een kantonnement altijd infanterie
noodig hadden tot hun bescherming. Niet alleen de kurassiers, zelfs een
deel der lanciers wilde hij dus van een flink vuurwapen voorzien. In
dezen zin gaf hij bevelen.
Thans eerst gevoelde hij welke geduchte verliezen de tocht naar Rusland
aan zijn korps hoofd- en subalterne officieren had toegebracht.--"Van
een leger vormen de officieren en de onderofficieren de kern," zeide
hij, en menigmaal schold hij tegenwoordig op "die onbruikbare heeren,
die de spot waren van de soldaten," en op "de jongelui, die pas
't gymnasium hadden verlaten en van den dienst niets wisten." Dat
hij zelf van dit verval de schuld was, en dat zijn nooit eindigende
oorlogen zijn beste dienaren achtereenvolgens hadden weggeraapt,
scheen hij vergeten.
Ook over zijn tegenwoordige generaals was hij slecht te spreken. Wel
ontbrak het hun niet aan krijgservaring en militaire kennis, maar
de jaren, de weelderige levenswijze en bovenal de druk van zijn
ijzeren vuist bij het minste teeken van eigen initiatief of van
zelfstandigheid, hadden werktuigen van hen gemaakt. Die onder zijn
persoonlijke leiding nog flink bruikbare tactici maakten, als zij
aan zich zelf overgelaten waren en op eigen wieken moesten drijven,
vaak een treurig figuur. Ook was het vertrouwen der soldaten op hun
aanvoerders en het zoo hoogst noodige elkaar verstaan en begrijpen
in de korpsen onrustbarend verminderd.
Te midden van den chaos van zaken, die zijn brein vervulde, vond hij
toch nog tijd te denken aan zijn vrouw en een bewijs te geven van zijn
kieschheid tegenover haar. Savary ontving schriftelijk bevel niet alle
politierapporten aan haar als regentes voor te leggen, doch deze eerst
aan de Cambacérès ter inzage te geven.--"De Keizerin is nog te jong;
haar gemoed mag niet door de lezing van zulke bijzonderheden worden
bedorven of verontrust."
Nòg een quaestie van groot gewicht had hij voor zijn vertrek naar
het leger gaarne opgelost willen zien, n. l. die met den paus. Hierin
slaagde hij echter niet. In het begin van 1813, had hij, tot groote
verbazing van velen maar tot niet minder groote voldoening van
tal van anderen, Pius te Fontainebleau opgezocht en was bijzonder
hartelijk ontvangen. De paus had hem "zijn beminde zoon" genoemd,
in één woord meer dan voldoende bewijzen gegeven, dat hij zelf zijn
grooten tegenstander geen kwaad hart toedroeg.
Met een paar woorden was toen alle misverstand opgehelderd. Het vroeger
voorgevallene scheen vergeten; weldra had het gesprek geloopen over de
rampen en nooden der Italiaansche kerk en over de middelen om daaraan
een einde te maken. Den volgenden dag had Pius dit bezoek met groote
statie beantwoord, was toen ook naar de vertrekken der keizerin geleid,
had in haar een zachtaardige, goedhartige en met haar hooge positie
zeer ingenomen jonge vrouw gevonden en tevens den indruk ontvangen,
dat hij op St. Cloud zeer welkom was.
In de nu volgende dagen waren beide groote mannen tot overeenstemming
gekomen. Pius had zich verbonden de vroeger gesloten verdragen
en vooral de besluiten van het Parijsche Concilie betreffende de
canonieke bevestiging der bisschoppen letterlijk na te leven. Hier
tegenover had Napoleon beloofd de propaganda en de penitencerie
(pauselijke vierschaar voor boetezaken) weder toe te laten en
de verbannen geestelijken terug te roepen. Den 25en Januari was
het door zooveel duizenden gewenschte nieuwe Concordaat met groote
plechtigheid te Fontainebleau, in tegenwoordigheid van de keizerin
en van een schitterenden hofstoet, door beide vorsten onderteekend.
Doch wat had men toen gezien? Nog geen maand later hadden de kardinalen
Pius weten te bewegen, aan dit stuk een cedule (aanhangsel) toe te
voegen, waarin hij de geheele overeenkomst van Fontainebleau terugnam
en de kerk weder in den ouden toestand van verwarring dompelde.
Over deze trouwbreuk vertoornd, zich nu ontslagen achtende van al
zijn verplichtingen tegenover den Heiligen Stoel, had Napoleon nog
denzelfden dag een decreet uitgevaardigd, waarbij het pauselijke gezag
in gansch Frankrijk en Italië opgeheven, de metropolitaan te Parijs
(aartsbisschop) hiermede bekleed en aan alle Franschen gehoorzaamheid
aan het Concordaat van Fontainebleau bevolen werd.
Den 15en April verliet hij St. Cloud en bevond zich reeds tien dagen
later te Erfurt bij zijn garde. Eugène stond nog met drie korpsen aan
de Beneden-Saale; Ney, voorwaarts van Weimar, had den pas bij Kösen
tevens bezet, Marmont stond bij Gotha, de generaal Bertrand met zijn
korps bij Saalfeld, Oudinot bij Coburg.
Hiertegenover vond men Wittgenstein met 22.000 man tusschen de Saale
en de Beneden-Mulde, Blücher met 21.000 strijders bij Altenburg, de
voorhoede der Russische hoofdarmee bij Chemnitz, Tormassof bij Dresden,
voorts Wintzigerode met 10.000 man bij Lützen, dus vrij ver uiteen.
Reeds heeft de voorgenomen vereeniging tusschen Eugène's korpsen en
het hoofdleger plaats gegrepen, en hebben de jonge Fransche conscrits
o.a. bij Weissenfels een bewijs gegeven, dat men op hen kan rekenen;
reeds is de Saale hier en bij Merseburg overschreden en is de oude
garde Lützen genaderd op haar weg naar Leipzig, als bij Wittgenstein,
die het opperbevel voert, het plan tot rijpheid komt, Napoleons
rechtervleugel aan te grijpen. Een divisie van 5000 man zal in breed
front, bij Lindenau ten westen van Leipzig, het andere gedeelte van
diens leger inmiddels bezighouden.
Door zijn gebrek aan cavalerie wist Napoleon van de opstelling en
de marschrichting des vijands nog zoo goed als niets. Alleen was hem
bekend, dat Wittgenstein zijn macht bij Zwenkau bijeentrok.
Als Lauriston den 2en Mei bij Lindenau stoot op de Russen, denkt
de Keizer dus aanvankelijk hun geheele leger tegenover zich te
hebben. Weldra verraadt kanongebulder uit het zuidoosten hem echter,
dat hij zich heeft vergist. Enkele minuten blijft hij staan luisteren
en kijkt hij naar den in de verte optrekkenden kruitdamp; dan begrijpt
hij den toestand. Ney, die Groot- en Klein-Görschen benevens het
dorpje Kaja heeft bezet, wordt blijkbaar aangevallen.
Terwijl hij Lauriston tegenover Lindenau laat staan, doet hij door een
manoeuvre, even geniaal als bezwaarlijk en alleen voor hem uitvoerbaar,
de rest van zijn leger achter dezen langs een frontverandering
verrichten naar het zuidoosten.--Is deze gelukkig volbracht, dan gaat
het er op in, Ney te hulp; hij zelf voorop, voor zijn jonge soldaten
uit om ze aan te vuren.--"Waarschijnlijk heeft hij in zijn gansche
leven nooit zooveel gevaar geloopen als dien dag," schreef Marmont,
die bevel had ontvangen rechts naast Ney in 't gevecht te treden.
Tot vijf uur blijft dit onbeslist; dan begint er bij de tegenpartij
afmatting te ontstaan. De Keizer voelt, dat het kritieke oogenblik
is gekomen. Drouot, de welbekende commandant der garde-artillerie,
ontvangt bevel op den rechtervleugel der slaglinie zijn gansche
macht, 60 stukken, te doen oprijden om baan te breken. Dan formeert
zich de garde tot den aanval. Het dorp Kaja, het centrum der
stelling, wordt door haar genomen; over de gansche linie vluchten de
Pruisen. Tevergeefs spannen de Russische reserves alle krachten in
om het verloren terrein te herwinnen; om zeven uur is de slag bij
Lützen geslagen.--"'t Is een onverwachte overwinning geweest, die
in den stand der zaken een geheele ommekeer heeft teweeggebracht,"
mocht de Keizer gerust zeggen. Zijn jonge soldaten hadden gezegevierd;
de vijand was in vollen aftocht naar Dresden en de Elbe. Te voren
reeds had Lauriston Lindenau en Leipzig genomen.
Deze glansrijke zege had de gedachte aan den veldtocht naar Rusland
bij vriend en vijand eensklaps naar den achtergrond gedrongen. De
gelukszon bestraalde dus 's Keizers vanen opnieuw!
Nu rukt hij in één adem door naar Dresden en staat den 8en Mei voor
de Elbe. Met zijn artillerie brengt Drouot een hier staande batterij
van 40 stukken tot zwijgen. De Russen en Pruisen ontruimen in allerijl
de stad. Den 11en zijn de steenen brugbogen, die Davoust heeft doen
springen, door houten jukken vervangen, en trekt het Fransche leger
de rivier over, den vijand achterna, die naar Bautzen aan de Spree,
naar het oosten is geweken.
Verscheiden kleine gevechten bewijzen hoe dicht de partijen elkander
reeds zijn genaderd. Bij Würschen wordt Alexander, die, verstoord
op Wittgenstein, het commando zelf heeft genomen, geducht gehavend;
den 20en tegen het middaguur worden de verbondenen bij Bautzen door
Macdonald en Oudinot opnieuw zoo geducht onder handen genomen, dat
een generale aftocht naar Breslau in Silezië het gevolg hiervan is.
De eindbeslissing was echter nog nergens gevallen. Gebrek aan cavalerie
was bij Napoleon hiervan de reden. Deze leemte in de samenstelling
zijner armee was oorzaak, dat hij betreffende 's vijands bewegingen
zelden vroegtijdig inlichtingen ontving, dat er na een gelukkig
gevecht bij de vervolging geen gevangenen werden gemaakt en dat de
aftrekkende tegenpartij niet uit haar verband gerukt kon worden.
Den 1en Juni bezette hij Breslau. Tot nu toe had hij overal de
zege behaald. Jammer, dat hij ze zoo duur had moeten koopen! Den
1en Mei was Bessières, sinds 1796 overal zijn trouwe krijgsmakker,
bij Poserna door een kanonskogel gedood; den 22en bij Reichenbach had
ditzelfde lot den hofmaarschalk Duroc, den braven generaal Bruyères
en den generaal der genie Kirgener getroffen.
De brief, dien hij aan mevrouw Bessières, hertogin van Istrië en later
aan mevrouw Duroc op het gevechtsveld schreef; de vorstelijke wijze
waarop hij daarna in de toekomst van deze dames voorzag, gaven wel
te kennen hoe bitter hij onder het verlies van die trouwe vrienden
leed. Schreiende als een kind had hij aan den arm van de Caulaincourt
het sterfbed van Duroc verlaten.
"De dood begint dicht om ons heen te waren," mocht hij wel zeggen.
Door de laatste nederlagen zeer in 't nauw gebracht, zoo goed
als afgesneden van Berlijn, tot in Opper-Silezië teruggeworpen,
gevoelden Alexander en Frederik Wilhelm, dat het voor hen hoog
tijd werd onderhandelingen aan te knoopen en tot ergernis van het
meerendeel zijner generaals liet Napoleon zich vinden voor het sluiten
van een wapenstilstand. Den 4en Juni ingaande, zou deze duren tot 20
Juli. Breslau werd neutraal verklaard, de strook grond aangewezen,
de onvruchtbaarste van gansch Silezië, waarop het Fransche leger
zou verblijven.
In de hoop gedurende dit tijdsverloop tusschen zijn vijanden
verdeeldheid te zaaien en hun coalitie te doen uiteenvallen,
had Napoleon in deze ongunstige voorwaarde berust. Ook dacht hij
de talrijke versterkingen, vooral aan cavalerie, die reeds naar
hem op marsch waren, inmiddels bij zich aan te trekken. Voor het
meerendeel waren het conscrits, later Marie Louises genaamd, omdat
deze de besluiten teekende en wegens den vorm van hun hoofddeksel,
een kwartiermuts, die op een vrouwenmuts geleek,--schako's waren er
toen niet in voorraad--doch Napoleon had de waarde dier slechts half
volwassen jonge mannen reeds op prijs leeren stellen.
Een overeenkomst, den 30en Juni te Dresden gesloten, waarbij het aanbod
van Oostenrijk om als bemiddelaar op te treden door beide partijen
werd aangenomen, was het slot van eenige voorloopige besprekingen. Den
5en Juli zou te Praag een congres bijeenkomen om over den vrede te
beraadslagen. Hiermede in verband werd de duur van den wapenstilstand
verlengd tot den 10en Augustus.
Het congres leverde echter geen resultaat op. De eischen der
bondgenooten, n.l. dat Frankrijks grenzen voortaan zouden worden
aangegeven door den Rijn, de Alpen en de Maas, achtte Napoleon na zijn
overwinningen bij Lützen en Bautzen volslagen onaannemelijk. De oorlog
zou dus opnieuw ontbranden, feller nog dan te voren, want keizer
Frans verklaarde thans aan den drang van zijn volk, (doch vooral
van zijn omgeving) niet langer weerstand te kunnen bieden en sloot
zich aan bij de coalitie. Vóór Waterloo zou dit "Heilige Verbond,"
niet worden opgelost.
"Wat zal ik ze afrossen!" moet Napoleon te Dresden hebben gezegd, toen
hij de vreemde diplomaten, waaronder Metternich, dien hij grof bejegend
had, zijn paleis zag verlaten. Hij scheen totaal te hebben vergeten,
dat hij in Duitschland een leger van hoogstens 300.000 man had, slechts
voor de helft bestaande uit Franschen; dat de herinnering aan de ramp
in Rusland bij deze nog niet was uitgewischt, en dat laksheid, onwil en
neiging tot verraad bij de bondstroepen zich reeds duidelijk begonnen
te teekenen.--Was de Saksische generaal von Thielmann na een mislukte
poging om de forteres van Torgou den Pruisen in handen te spelen,
niet reeds met zijn brigade naar deze overgeloopen? Had von Langenau
niet ongeveer hetzelfde gedaan?--Toch bleef hij oogenschijnlijk vol
vertrouwen en twijfelde niet aan zijn succes,--als hij slechts wat
meer cavalerie tot zijn beschikking had gehad.
Een blik op den stand der partijen kan hier niet schaden.
Reeds bij 't begin van den veldtocht, die, onwaardig genoeg, door de
bondgenooten werd geopend (14 Augustus), voordat de wapenstilstand was
geëindigd, omspanden hun legerdrommen Napoleons troepen in één wijden
boog. In Mecklenburg stonden 40.000 Russen. Met ruim honderdduizend
Zweden, Russen en Pruisen hield Bernadotte Berlijn bezet. In Silezië,
tusschen Schweidnitz en de Oder bevond zich de hoofdmacht, ruim 200.000
krijgers onder Wittgenstein; bij Lintz hadden 40.000 Oostenrijkers
post gevat. Hun hoofdkorps 140.000 man werd onder Schwartzenberg bij
Praag samengetrokken.
Stonden in eerste linie dus 560.000 man, dicht achter deze volgden
geduchte reserves, die de geheele macht opvoerden tot een totaal van
meer dan een millioen hoofden. Bij zulk een sterkte kwamen verliezen
van 20.000 of 30.000 soldaten bijna niet in aanmerking.
Van Napoleons armee stonden circa 70.000 man bij Dahmen in Pruisen
tegenover Bernadotte; met 100.000 man bewaakte Ney een deel van
Silezië. In de omstreken van Zittau aan de Neisse, ten zuiden
van Görlitz, bevond zich een korps van eveneens 70.000 man. De
maarschalk Saint-Cyr dekte met 16.000 man Dresden en had bij 't kamp
van Pirna zijn stelling. Eindelijk lag de garde, 20.000 man sterk,
te Dresden. Hier commandeerde Napoleon zelf.
Davoust, Saint-Cyr, Augereau, Reynier en andere opperofficieren met
erkende krijgskundige bekwaamheden voerden nog steeds een legerkorps
aan, de troepen vertrouwden op hen; doch naast hen waren anderen
gekomen, op wier militaire talenten als troepenaanvoerders heel wat
viel af te dingen. Oudinot had in Rusland grove misslagen begaan;
Marmont had het kort te voren in Spanje afgelegd, terwijl Lauriston en
Bertrand, de eerste een goed artillerist, de andere een uitstekend
genist, te velde nog nooit met een troepencommando waren belast
geweest en dus voor een bevel over een korps ongeschikt mochten heeten.
Alleen aan 's Keizers persoonlijke vriendschap hadden de twee laatsten
hun tegenwoordig commando te danken gehad; zij dienden letterlijk op
proef en dit in een tijd, waarin Frankrijks lot op het spel stond!
Om hem te beletten verandering te brengen in zijn veldtochtsplan, dat
hun door het ellendige verraad van generaal Jomini, jarenlang Ney's
chef van den staf, ten deele was bekend geworden, waren de bondgenooten
de vijandelijkheden reeds den 14en Augustus begonnen. Tegenover een
veldheer als Napoleon baatte hun deze schending van den wapenstilstand
niet veel. Toen hij ontdekte, dat men tegen zijn opmarsch naar Bohemen
op zijn hoede was wendde hij zich tegen Silezië, tegen Blücher.
Verscheiden kleine en groote gevechten (21-23 Augustus) waren hiervan
het gevolg. Blücher was tenslotte verplicht achter de Katzbach,
tusschen Liegnitz en Goldberg ten noordwesten van Breslau, een goed
heenkomen te zoeken.
Reeds waren bevelen voor een krachtige vervolging gegeven, toen de
Keizer bericht ontving, dat Schwartzenberg met ruim 200.000 man uit de
passen van Bohemen gedeboucheerd en Saksen binnengerukt was, blijkbaar
op Dresden aan. Macdonald met circa 70.000 man tegenover Blücher
latende staan, rukte hij nu met geforceerde marschen eveneens naar
Dresden, dat intusschen door Saint-Cyr, uit Pirna voor de overmacht
teruggegaan, was bezet. De vluchtige versterkingswerken, hier reeds
vroeger opgeworpen, waren nog niet eens voltooid.
Onbekend met de omstandigheid, dat de Keizer aan het hoofd zijner
garde met de cavalerie van Latour-Maubourg en verscheiden divisiën
infanterie Dresden was binnengetrokken; meenende op Saint-Cyr met
zijn 17000 man een gemakkelijke overwinning te behalen, vielen de
bondgenooten die veldwerken den 26en zoo onstuimig aan, dat ze in
een ommezien waren genomen. Ook de voorstad Pirna was weldra in hun
handen. De Freyburgerpoort werd reeds door hen bestormd.
Plotseling echter werd deze geopend. Met generaal Cambronne aan de
spits stortte zich een dichte colonne garde-infanterie met geveld
geweer op de aanvallers en sloeg ze uiteen. Ditzelfde gebeurde bij de
andere poorten. De Pruisen vluchtten, verlieten de reeds veroverde
schansen, liepen het vrije veld in en werden hier door de escadrons
van Latour onder den voet gereden. Die dag kostte den bondgenooten
bijna 9000 man, maar--Napoleon had vijf generaals verloren.
In weerwil van den geweldigen regen, die van het terrein een modderpoel
maakt, waarin de vuurmonden blijven steken, gaan de Franschen den
volgenden morgen tot den aanval over. Wel tellen ze ruim 80.000 man
minder in 't gelid dan de vijand, maar onversaagd gaat het er op
in. Reeds brengt de jonge garde 's vijands linkervleugel tot wijken,
als Napoleon in deze een gaping ontdekt. In een oogwenk zitten Murats
kurassiers en karabiniers in die open ruimte, breken zich met geweld
baan door een hollen weg, storten zich op de daarachter staande
Oostenrijksche bataljons van Klenau, houwen en steken alles neer wat
voor hun voeten komt en behalen een schitterende overwinning, zonder
dat zij zelf groote verliezen lijden, want de regen heeft het gebruik
van het toen nog gebezigde steenslotgeweer als vuurwapen volslagen
onmogelijk gemaakt; de infanterie heeft dus om zich te verdedigen
slechts de bajonet.
Men zag Fransche escadrons de Oostenrijksche carré's zoo dicht naderen,
dat de ruiters met de sabel tegen de bajonetten der tegenpartij
tikten. Maar wee deze, als een regiment lansiers of een batterij
met dubbele bespanning in de nabijheid kwam. Dan was 't kortaf:
"De wapens neer!" of 't ging er op met lans en schroot; dan was zoo'n
carré verloren.
Dien avond was het leger der bondgenooten in vollen aftocht naar
Bohemen; het miste 18 vaandels, 26 vuurmonden en 20.000 man.
Ook generaal Moreau was gesneuveld. Sinds eenigen tijd bevond hij zich
bij keizer Alexander in 't Russische hoofdkwartier. Door schitterende
aanbiedingen verlokt, was hij uit Amerika overgekomen om hem met raad
en daad voor te lichten. Een kanonskogel van een der gardebatterijen
had hem beide beenen boven de knie verbrijzeld. Een jammerlijk uiteinde
voor een eenmaal zoo schitterende heldenfiguur! Door zijn hond, die
van hem weggeloopen en door een paar Fransche soldaten opgevangen was,
en die een halsband droeg met het opschrift: "Ik ben het eigendom
van generaal Moreau," vernam Napoleon, wie bij Dresden tegen hem over
had gestaan.
Door een plotselinge ongesteldheid overvallen,--men mompelde zelfs
van een mislukte poging tot vergiftiging--zette Napoleon de vervolging
in de richting van Bohemen niet zelf voort, doch keerde naar Dresden
terug. Door Marmont en Saint-Cyr gesteund, zou Vandamme, die op het
slagveld bijna altoos Pech hebbende, doch zeer dappere Vandamme, die
taak op zich nemen. Van Peterswalde in 't Ertsgebergte, waar hij het
bergvlak van Kulm en de stad Töplitz beheerschte, zou hij naar deze
laatste plaats rukken en ze bezetten, om den vijand den aftocht te
beletten. Overtuigd, dat Saint-Cyr en Marmont hem zouden ondersteunen,
rukte hij met zijn 20.000 man naar Töplitz, vond hier den 30en den
Russischen generaal Ostermann, viel dezen onversaagd aan, doch dolf
het onderspit en werd gevangen genomen. Hij was van alle hulp verstoken
gebleven.--Saint-Cyr en Marmont hadden hun order te laat ontvangen.
Van nu af begon voor de Fransche adelaars de krijgskans te
keeren. Reeds vroeger had Oudinot bij een poging om zich meester
te maken van Berlijn, dat Bernadotte met overmacht bezet hield, bij
Gross-Beeren een geduchte nederlaag geleden en was naar Wittenberg
teruggeworpen (23 Augustus). Terwijl Napoleon den 26en Augustus bij
Dresden glansrijk overwon, werd Macdonald aan de Katzbach door zijn
eigen onvoorzichtigheid,--hij verliet een uitmuntende stelling aan
dit riviertje--door Blücher verslagen. Dit was een ramp, die Napoleon
kwam te staan op een verlies van vijftig vuurmonden en 33.000 man,
waaronder 20.000 gevangenen. Nòg zwaarder was de slag, die hem trof,
toen Ney, die Oudinot in het commando was opgevolgd, bij Jüterbock
(Dennewitz) door Bernadotte zoo krachtig werd teruggeworpen, dat hij
den rechteroever van de Elbe moest loslaten (5 September).
Nooit sterker dan in die laatste Augustusdagen van 1813
wreekte zich 's Keizers manier van opleiden zijner hoogste
onderbevelhebbers. Blindelings gehoorzamen aan zijn bevelen was
vijftien jaar lang hun taak geweest; onder zijn persoonlijk commando
vaak prachtige werktuigen, was hun strategisch denken zoodoende niet
genoeg tot ontwikkeling gekomen. Door den drang der omstandigheden
eensklaps geroepen zelfstandig op te treden, schoten zij thans in
doorzicht en besluitvaardigheid te kort, namen verkeerde maatregelen
en brachten het leger ten val.
Toch verloor de Keizer den moed niet. Alleen zijn besluiteloosheid
omtrent ondergeschikte punten, b.v. het kiezen van een nachtkwartier,
had kunnen doen vermoeden, dat het in zijn binnenste anders was
gesteld dan zijn uiterlijk verried.--Van de tegenpartij was hem
voorloopig alleen bekend, dat zij met haar hoofdmacht de passen van
het Ertsgebergte bezet hield en front maakte naar Saksen. Verscheiden
niet tot een beslissing voerende demonstraties verrieden, dat Dresden
nog altoos haar doel was.
Zoo goed als de geheele maand September verliep zonder dat er veel
belangrijks voorviel. De Keizer vormde allerlei plannen voor de
toekomst; reeds dacht hij er over, achter de Elbe winterkwartieren te
betrekken met Dresden en met Hamburg, waar Davoust met ijzeren vuist
commandeerde, tot steunpunten, toen een onverhoedsche beweging der
bondgenooten hem tot handelen dwong.
Op voorstel van Blücher was het leger uit Bohemen, door Bennigsen
versterkt, rechtstreeks naar Leipzig op marsch gegaan. Blücher
zelf rukte naar Wittenberg. Hier wilde hij de Elbe passeeren, met
Bernadotte vereenigd, eveneens naar Leipzig marcheeren en het Fransche
leger op deze wijze totaal afsnijden van den Rijn. 't Was een plan,
Napoleon waardig.
Nauwelijks had deze dit doorzien, of zijn besluit, ook nu weder
even vermetel als geniaal, stond reeds vast. Hij zou teruggaan op
Wittenberg, daar Blücher en Bernadotte tijdens hun opmarsch in de
flank vallen en hun legers vernietigen, daarna rechtsomkeert makende,
op het leger van Bohemen losgaan.
De snelheid, waarmede ook Blücher zijn beweging had ingezet, belette
hem dit.
Wilde hij zijn terugtochtsweg naar den Rijn vrijhouden, dan Leipzig
met zijn tal van kleine bruggen en overgangen over de riviertjes
den Elster, de Pleisse en de Partha terstond bezetten, dan moest hij
Blücher bij Leipzig vóór zijn. Terug naar hier! werd het parool voor
zijn armee.
Saint-Cyr met ruim 25.000 man te Dresden achterlatende,--een
even noodeloos als gevaarlijk verlies aan strijdkrachten, want,
behaalde hij bij Leipzig de zege, dan viel die stad toch weder in
zijn handen--bereikte de Keizer den 15en October de plaats, waar
weldra over zijn lot en dat van Europa zou worden beslist. Dat
deze beslissing eerst zou vallen na een worsteling, zooals er tot
in 1905 [31] in de krijgsgeschiedenis geen tweede bekend was, kon
reeds worden afgeleid uit het verwoede gevecht, den dag te voren
bij Wachau voornamelijk tusschen de cavalerie der Fransche en der
Russisch-Pruisische voorhoede geleverd.
Nog was de ijzeren ring, waarmede de bondgenooten hem wilden
omsluiten, aan de westzijde open; nog stond het hem vrij achter de
Saale teruggaande, de bergachtige streken van Thüringen en Hessen op te
zoeken en in dit doorsneden, moeilijke terrein een stelling te kiezen,
die in elk geval voor de overtalrijke cavalerie zijner tegenpartij
een schier onoverkomelijke hindernis zou wezen, toen de ridderlijke
koning van Wurtemburg hem verwittigde, dat niet alleen het Rijnverbond
doch gansch Duitschland, op aanstoken van Engeland, op 't punt stond
hem afvallig te worden, terwijl hij zelf niet langer bij machte was
tegen den steeds wassenden vloed der publieke opinie in te gaan.
Deze welwillende waarschuwing sloeg Napoleon in den wind. Zelfs toen
zijn voormalige bondgenoot hem deed weten, dat de koning van Beieren
hem reeds verlaten, met de bondgenooten gemeene zaak gemaakt en zijn
leger aan de Inn met het Oostenrijksche vereenigd had, en dat deze
krijgsmacht, onder Wrede op marsch was naar den Rijn, liet hij zich
niet afbrengen van zijn voornemen in de vlakte van Leipzig slag te
leveren. Dat zijn macht slechts 150.000 krijgers telde; dat er van
deze bovendien duizenden slechts wachtten op een enkel sein om hem te
verlaten; dat de tegenpartij bijna driemaal zoo sterk was als hij,
legde bij hem blijkbaar geen gewicht in de schaal. Teruggaan naar
Thüringen en Hessen stond gelijk met zich overwonnen verklaren. En
dit?--Nooit!
Toen hij den terugtocht naar de Saale te elfder uur toch nog weder
onder de oogen zag en dien uitvoeren wilde, was het te laat! Toen
moest hij slag leveren.
Leipzig ligt midden in een groote vlakte, die zich van de Elbe
uitstrekt tot aan den Hartz. Het riviertje de Elster, gewoonlijk
weinig meer dan een beek, toen gezwollen en niet doorwaadbaar, loopt
door lage, natte weiden van het zuiden naar het noorden naar de stad
en vereenigt zich hier met de even onaanzienlijke uit het zuidoosten
komende Pleisse. Ten noorden van Leipzig ruischt in een nauw dal met
steile wanden de Partha met tal van bruggetjes en waadbare plaatsen.
De toen nog onaanzienlijke stad was omgeven door een ouden ringmuur
met zeven poorten. Alleen door die van Lindenau, had het Fransche
leger nog ongestoord gemeenschap naar achter. Slechts één brug lag
hier over den Elster.
Van 16 tot en met 18 October is hoofdzakelijk gevochten in de terreinen
tusschen de Pleisse en de Partha. Daar vindt men ook den Kelmberg,
een alleenliggenden heuvel, waarop zich de zoogenaamde Zweedsche
redoute bevindt, tijdens den dertigjarigen oorlog door Gustaaf Adolf
opgeworpen.
Op den rechtervleugel commandeerde Murat. Daar stonden ook Poniatowski,
Victor (bij Wachau) en Augereau. De cavalerie-divisiën van Kellerman
en Michaud dienden deze infanterie tot steun. Lauriston en Macdonald
benevens de cavalerie van Latour-Maubourg onder de rechtstreeksche
bevelen des Keizers vormden het centrum. Hierachter, bij Probstheyda
onder Oudinot, had de garde en cavalerie van Nansouty als algemeene
reserve plaats genomen.
Ney voerde op de linkervleugel aan de Partha het bevel; hij had
Marmont, Reynier en Souham benevens de cavalerie van den hertog
van Padua onder zich. Generaal Bertrand had met 15.000 man in
last Lindenau, de brug over den Elster en den weg naar Lützen
te bewaken. De eerwaardige koning van Saksen, die zijn vriend en
bondgenoot niet had willen verlaten en dit bewijs van trouw later
boette met gevangenzetting en het verlies van de helft van zijn
grondgebied, bevond zich met zijn garde en met enkele Fransche
regimenten te Leipzig zelf.
Om acht uur in den morgen gaven de bondgenooten door hun batterijen het
sein tot den aanval; hun gansche linie kwam in beweging. Wachau werd
zesmaal genomen en hernomen; de Kelmberg, aanvankelijk door Napoleon
losgelaten, als te ver naar voren liggende, en toen door den vijand
bezet, werd door het 22e regiment met de bajonet hernomen. Terstond
daarna trok de Keizer al zijn krachten bijeen om het centrum der
tegenpartij te doorbreken. Vooral de Russen onder den prins van
Wurtemberg leden hierbij zware verliezen en moesten zelfs een deel
hunner artillerie prijs geven. Eerst de nacht maakte hier aan 't
gevecht, dat onbeslist bleef, een einde. Voor zijn houding bij de
verdediging van Dölitz schonk de Keizer Poniatowsky dienzelfden avond
nog den maarschalkstaf.
Een poging van den Oostenrijkschen generaal Giulay om zich meester te
maken van Lindenau, dus van den terugtochtsweg, was na een gevecht van
zeven uur met succes bekroond, doch door een krachtigen bajonetaanval
van Bertrand ten slotte weder te niet gedaan.
Een onvoorzichtigheid van Ney, die, zelf niet terstond een vijand
vóór zich vindende, een van zijn korpsen op eigen gezag naar Wachau
had gezonden en daarop door Blücher met overmacht werd aangegrepen,
was op den linkervleugel bijna de oorzaak geweest van een ramp. Ney
was tot onder de muren der stad teruggedrongen en had zich toen moeten
bepalen tot de verdediging der voorstad Halle.
De 17e ging bijna zonder strijd voorbij. De bondgenooten wachtten
de komst der Russen uit Polen benevens Bernadotte met zijn
Zweden. Napoleon trachtte dien dag door den Oostenrijkschen generaal
Merfeld tot een wapenstilstand te geraken, doch ontving niet eens
antwoord. Bij de bondgenooten stond het voornemen reeds vast niet
tot onderhandelen over te gaan, voordat het Fransche leger tot achter
den Rijn was teruggeslagen.
Bij het krieken van den dag werd den 18en de strijd voortgezet. Vooral
om en bij het dorp Probstheyda in 't centrum woedde die het hevigst. Op
den linkervleugel was Bernadotte overgegaan tot den aanval. Met een
sterke afdeeling kozakken voorop, was die beweging door het passeeren
van de Partha boven de stad ingeleid.
Hier stond een brigade Saksische huzaren en lansiers. Eensklaps reed
deze op de kozakken toe, alsof zij ze wilde chargeeren, maakte toen
rechtsomkeert en verbroederde zich met hem. Weldra volgde een gansche
brigade infanterie onder Russel dit voorbeeld. Ook de Wurtembergsche
cavalerie pleegde verraad. Een groote gaping ontstond hierdoor in de
slaglinie van Ney; slechts met inspanning van alle krachten gelukte het
dezen zich te handhaven in en bij Schönfeld tegen de dichte scharen
ongeregelde Russische ruiterij, Baskirs, die, alleen gewapend met
pijl en boog, vooral veel paarden verwondden.
Ook nu weder maakte de nacht een einde aan de worsteling. Aan
beide zijden waren de verliezen zwaar. Hoewel zij op de vleugels
waren teruggedrongen, hadden de Franschen hun hoofdstellingen
behouden. De overwinning echter was niet behaald; daarbij was de
munitie grootendeels verbruikt. Geen langdurig nieuw gevecht kon den
volgenden morgen worden begonnen.
Voor Napoleon stond dus geen andere weg meer open dan de aftocht.
Reeds in den nacht van den 18en op den 19en begonnen de Franschen uit
hun stellingen ten oosten van de stad terug te gaan, de Elsterbrug
over in de richting van het nog bezette Lindenau, over één brug, want
de generale staf had verzuimd de noodige overgangen naar achteren te
doen maken. Verstopping in de nauwe, bochtige straten, verwarring en
vertraging in den afmarsch waren hiervan het gevolg.--Van Napoleons
heengaan zelf--hij had den nacht in een logement op de Paardenmarkt
doorgebracht--schrijft generaal Chateau: "In de nabijheid van de
Elsterbrug ontmoette ik een man in een allerwonderlijkste tenue,
die zoo goed als alleen voortreed en, een luchtig wijsje fluitende,
toch blijkbaar in diep gepeins was verzonken. Ik zag hem aan voor een
burger en wilde naar hem toe gaan om hem een paar vragen te doen,
toen ik in hem den Keizer herkende, die met zijn gewoon flegma aan
den hem omgevenden chaos van verwarring vreemd scheen te blijven."
Onder het nu volgende onstuimige opdringen der bondgenooten tegen de
voorsteden en de omwalling der stad ging het tactische verband bij
de Franschen ten deele verloren. Evenals bij de Berezina werd het
ook hier een algemeen: Sauve qui peut!
Woedend werd niettemin nog hier en daar, o.a. bij de poorten en in de
huizen gevochten. Een algemeene stormaanval op de stad verhoogde de
ontzettende verwarring en het gruwelijke handgemeen in de straten, dat
zijn toppunt bereikte, toen de sappeurs, die de Elsterbrug moesten
bewaken, deze om twee uur, naar 't schijnt, door een verkeerd
begrepen order, in de lucht deden vliegen en aan het overschot
der korpsen van Lauriston, Reynier en Poniatowski, zoodoende den
terugweg afsneden. Lauriston zelf werd gevangen genomen; de dappere
Poniatowski, reeds tweemaal gewond, verdronk bij een poging om den
Elster over te zwemmen. Macdonald redde zich evenals vele soldaten,
die zwemmen konden, moedernaakt door de weilanden. Die dag kostte
Napoleon wederom tientallen zijner beste generaals en hoofdofficieren.
Maar nog telde zijn leger circa 80 à 90.000 man. Door den vervolgenden
Yorck,--Schwartzenberg en Blücher kwamen hiertoe ten deele te
laat--slechts in geringe mate lastig gevallen, ging het bij Naumburg
over de Saale en bij Freiburg over de Unstrut in goede orde terug.
Blücher had ondersteld, dat de Keizer bij Erfurt weder front zou maken,
en was dus na zijn vereeniging met Yorck over Langensalza naar Eisenach
gemarcheerd om hem dan in flank en rug te grijpen.
Tot een krachtdaad als standhouden bij Erfurt was de Fransche armee
echter niet meer bij machte. Bij Eisenach het Thüringerwoud langs de
zuidzijde omtrekkende, wendde Napoleon zich naar Fulda om aldus Maintz
te bereiken, greep de Beieren en Wurtembergers, circa 40.000 man, die
hem onder Wrede bij Hanau in den weg dorsten treden, vastberaden aan,
rekende hier met zijn voormalige bondgenooten op bloedige wijze af
(30 October), kwam den 2en November te Maintz en was den 9en terug
bij vrouw en kind op St. Cloud. In 45 uren had hij de reis gemaakt
van den Rijn naar Parijs.
Te Erfurt had Murat hem verlaten en was naar Italië teruggekeerd,
het hoofd vol plannen voor de toekomst.